Onze duurgekochte vrijheden te handhaven en te eerbiedigen.»

«Dat moet schoon en plechtig wezen, zuchtte de klok der Rijnlanden. Het

spijt mij, vriendin, zulk een feest niet te kunnen bijwonen; maar ik zal

in mijn vaderland verkonden, fiere Roelandt, wat gij mij hebt

medegedeeld; alle volkeren hebben er belang bij te weten, wat het vrije

Vlaanderen tot stand heeft gebracht.»

De klokken namen afscheid van elkander. Roelandt vloog naar hare

geboorteplaats en ter gelegenheid van het Paaschfeest, als duizenden

poorters in feestgewaad, zich aan den voet van het Belfort in de

schilderachtige straten verdrongen, als, in de prachtige bedehuizen in

gouden vaten, de wierook walmde en dankgebeden ten hemel stegen, zong

zij hoog in den machtigen toren:

"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.

"Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt!"

34.--De Gemeenten.

Roelandt, de groote, machtige klok werd gegoten in het begin der

XIV^{de} eeuw en eenige jaren later gehangen in het Belfort van Gent.

Met rechtmatige fierheid mocht zij zeggen, dat zij, uit hare hooge

verblijfplaats, op eene schoone en bloeiende landstreek, op eene

werkzame en vrijheidslievende bevolking nederzag, want, in de XIII^{de}

en XIV^{de} eeuw hadden onze voorouders, door groote vlijt, inspanning

en taai geduld, het vroeger zoo barre Vlaanderen tot den tuin van België

gemaakt, woeste heiden, droge zandvlakten, kille moerassen hadden zij in

weiden en velden herschapen, ontelbare kanalen gegraven en dijken

aangelegd, terwijl zij, in hunne dichtbewoonde steden, leder, wol,

hennep, vlas, hout, koper, ijzer, steen bewerkten.

In dien tijd was Gent reeds geklommen tot den rang van gemeente, en,

onze lezers, die de klokkenvertelling met eenige aandacht lazen, zullen

spoedig vinden waarom.

Ten einde hunne nasporingen gemakkelijk en het onthouden ervan mogelijk

te maken, zullen wij het vroeger geleerde aldus samenvatten:

De steden hadden het recht zelven hare zaken te besturen, zij kozen hare

stedelijke magistraten, onderhielden een leger. Elke stad was ommuurd,

bezat een belfort, eene groote klok, en had net als de edellieden een

blazoen en een zegel.

Jegens den heer had de stad zekere verplichtingen; zij moest hem

behulpzaam zijn bij de verdediging van den grond, bij het uitoefenen van

het gerecht en hem in sommige gevallen met geld bijstaan.

De steden die dergelijke voorrechten verkregen, noemde men gemeenten.

De poorters bezaten: 1° de persoonlijke vrijheid, 2° staatkundige

rechten en 3° roemrijke zinnebeelden hunner onafhankelijkheid.

In de Middeleeuwen waren in ons land talrijke gemeenten en sommige waren

zeer oud, doch vele perkamenten, keuren, voorrechten zijn in den loop

der eeuwen verloren gegaan.

Met zekerheid echter weet men, dat Boudewijn VI, graaf van Henegouwen en

Vlaanderen, reeds in 1068 aan de gemeente Geeraardsbergen eene vermaarde

keure gaf, die verklaarde dat, al wie zich in de stad vestigde, geen

hoorige, maar vrije zou wezen. Zij verleende daarenboven aan de

inwoners nog talrijke andere voorrechten.

Waren de groote leenheeren wellicht vrienden en beschermers der

gemeenten?

Eenigen verdienden wel dien naam, daarom ook schrijven wij hem hier

dankbaar neer.

Filips van Elzaten, graaf van Vlaanderen, breidde de voorrechten uit,

die Gent, Brugge, Veurne, Oudenaarde reeds bezaten en gaf nieuwe keuren

aan Damme, Aalst, Duinkerken. Meest al deze keuren zijn in het Dietsch

of Nederlandsen opgesteld. Filips begunstigde den handel, liet

verscheidene vaarten graven en bekwam van Duitschlands keizer, talrijke

voorrechten voor de Vlaamsche kooplieden, die op den Rijn, handel

dreven.

Boudewijn van Konstantinopel, dezelfde, die zich in de kruistochten

onderscheidde, schonk talrijke voorrechten aan de gemeenten en zijne

dochters Johanna en Margaretha volgden het voorbeeld van haren vader.

Ook in Luik en Brabant leefden vorsten, die de ontwikkeling der

gemeenten bevorderden.

In verdere verhalen zullen wij ze leeren kennen, want eerst moeten wij,

naar aanleiding van de _Klokkenvertelling_, nog eenige opmerkingen

maken.

De machtige Roelandt zeide niet zonder reden, dat de landlieden uren ver

in den omtrek, met liefde het hooge Belfort begroetten.

Hoe rijker de steden werden, hoe hooger het cijfer der bevolking klom,

hoe grooter ook hunne behoeften waren en hoe bloeiender de veeteelt en

de landbouw moesten worden.

[Illustration: Gentsche Poorter (Steenen beeld).]

Ten einde de bevolking van het platte land te beletten zich meer en meer

naar de steden te begeven, waren de heeren verplicht aan hunne hoorigen

vrijheden te schenken, zoodat het leven der landlieden aanmerkelijk

beterde en de meeste dorpen werden ontvoogd.

De gemeentevrijheden van ons land werden in den vreemde hooggeschat; de

wetten en gebruiken van eenige onzer steden werden «voorbeelden» voor de

Fransche steden, terwijl de invloed der Vlaamsche en Brabantsche

gemeenten zich in Zeeland en Holland gelden deed.

35.--Kapitein Lorenzo en zijne reis naar Brugge.

Op een morgen der maand April verliet een groot koopvaardijschip de

haven van Venetië in Italië.

De saamgestroomde menigte zond het als afscheidsgroet een aanmoedigend

«addio»[26] achterna en het scheepsvolk beantwoordde dien groet, zoo

lang en zoo ver het maar kon.

De zuiderzon goot hare milde stralen over de kabbelende golfjes der

blauwe zee, witte meeuwen scheerden de oppervlakte van het heldere water

en langzaam, zeer langzaam voer eene kleine gondel uit de haven naar de

stad terug.

In die gondel zaten eene oude dame en een jong meisje, wier rijke

kleederdracht genoegzaam aanduidde, dat zij tot eene voorname familie

behoorden.

De oude dame hield het hoofd gebogen en wischte van tijd tot tijd met

een kanten doek de tranen af, die langzaam over hare wangen vloeiden.

Ook de jonge dame scheen geweend te hebben, doch zij deed zich geweld

aan om hare tranen te bedwingen en sprak met zoete, streelende stem:

«Troost u, lieve moeder, onze Lorenzo volbracht reeds zoovele reizen op

zee! Telkenmale keerde hij ongehinderd tot zijne moeder en zuster

terug.»

«Tot hiertoe voer Lorenzo enkel op de Middellandsche zee, heden

onderneemt hij eene reis naar het verre Noorden, die reis schrikt mij

af, Lenora, zij zal lang duren, want in de afgelegen streken, die Lorenzo

bezoeken zal, is de winter streng en mistig, hevige orkanen woeden er op

den Oceaan, zij beletten de schepen naar huis terug te keeren en ik ben

oud en ziekelijk, wie weet of ik Lorenzo nog zal wederzien.»

Lorenzo was de kapitein van het groote koopvaardijschip, dat zoo juist

Venetië had verlaten om de havens der Noord-en Oostzee te bezoeken;

Lenora was zijne zuster, Dona Maria zijne moeder.

«De tijd vliegt zoo spoedig voorbij, troostte Lenora, alle dagen moeder,

zullen wij bidden voor den afwezige, heel dikwerf zullen wij ter kerke

gaan, aalmoezen uitreiken aan de arme lieden, zieken bezoeken,

bedroefden vertroosten en intusschen met moed en betrouwen, Lorenzo's

terugkomst verbeiden.»

Dona Maria schudde het hoofd, veegde nogmaals hare tranen af en, daar

beide dames hare woning genaderd waren, stapten zij aan wal.

Helaas ... dagen, weken, maanden vervlogen en het groote Venetiaansche

schip, met den jongen, moedigen kapitein Lorenzo keerde niet weder.

Elken dag, 's morgens, 's avonds begaven Dona Maria en hare dochter zich

naar de haven, hopende op de terugkomst van haren lieveling, doch zij

vernamen enkel onrustwekkende tijdingen.

Bruingebrande zeelieden verhaalden van hevige stormen, die de kusten van

Spanje, van Frankrijk, van Vlaanderen teisterden, van Italiaansche

schepen, die door de golven verzwolgen of door stranddieven waren

geplunderd, maar van kapitein Lorenzo, van het groote Venetiaansche

schip wisten zij niets ... niets.

Het nieuwe jaar brak aan, de lentebloemen ontloken en verwelkten, de

zomer kwam in het land en moeder en dochter verloren hare laatste hoop,

toen, op zekeren namiddag der maand Augustus eene blijde mare zich door

de stad verspreidde; het langvermiste schip was de haven binnengeloopen,

kapitein Lorenzo en zijne manschappen waren in leven, weldra zouden zij

aan wal stappen en vrienden en magen begroeten.

Dona Maria en Lenora weenden van ontroering, en, o zalige stond!

Lorenzo, de langverbeide zoon, de teergeliefde broeder zag zijne moeder

en zuster terug.

Angst en lijden werden vergeten om plaats te maken voor de vreugde van

het blijde wederzien.

Lorenzo wist zooveel te vertellen over de reis, die zoo lang geduurd en

zoo vol afwisseling was geweest.

Drie weken lang waren wind en weder het groote koopvaardijschip gunstig

geweest, maar, na dien tijd werd het, in de wateren van de golf van

Gasconje en in die van het Kanaal herhaaldelijk door hevige stormen

overvallen, zoodat het averij leed, herstellingen noodig had

eer het de eigenlijke plaats zijner bestemming, de groote handelsstad

Brugge bereikte.

Hier had het schip zijne lading afgezet, maar, daar het schoone

jaargetijde voorbij was, moesten kapitein Lorenzo en de bemanning te

Brugge overwinteren, om zich eerst in de lente weer op zee te begeven.

Op zijne reis had kapitein Lorenzo vele wonderlijke zaken ontmoet,

volkrijke steden, heerlijke gebouwen, schilderachtige kleederdrachten

aanschouwd, het liefst echter sprak hij over Brugge, de rijke fiere

stad, die hij als de meeste zijner landgenooten, het Venetië van het

Noorden noemde.

36.--Brugge.

Brugge, zeide Lorenzo, had heerlijke straten met fraaie gebouwen en

schilderachtige huizen, waarvan vele op het water zagen. Die stad telde

prachtige bedehuizen, fiere torenspitsen en duizenden inwoners.

Zij was door een kanaal verbonden met de naburige stad Damme, die, door

eene golf met de Noordzee in verbinding stond.

Brugge, dat ongeveer halverwege tusschen de straat van Gibraltar en de

Baltische zee gelegen was, ontving koopwaren uit Brittanje, Noorwegen,

Denemarken, Zweden, Rusland, Hongarije, Duitschland, Frankrijk, Spanje,

Portugal, Italië, Konstantinopel Jeruzalem, Egypte.

Het Noorden zond er hout, leder, pelterijen, gedroogde visch;

Brittanje, wol, lood, tin; het Oosten, goud en zilver; Duitschland,

graan, ijzer, wijn; Frankrijk, wijn en zout; de Zuiderlanden, gedroogde

vruchten, zijde, kwikzilver; Afrika en Azië, suiker, peper, en andere

specerijen, artsenijplanten, rijst, katoen, aluin; Italië bracht er

zijden en fluweelen stoffen, juweelen, schoone wapens.

[Illustration: Hanzeschip der XIV^e eeuw.]

Te Brugge zeilden honderden schepen de haven binnen. In die stad werden

de eerste verzekeringsmaatschappijen opgericht; de naam «beurs» is te

Brugge ontstaan.

De hanze[27] van Londen werd door Bruggenaars gesticht en door

Bruggenaars bestuurd. Wisselbrieven waren al vroeg te Brugge bekend.

De burgemeester der stad was eene aanzienlijke persoonlijkheid, die met

vorsten briefwisseling hield.

De overheid deinsde voor geene opoffering terug om den bloei der stad te

bevestigen.

Brugge bezat eene groote loskraan, consulaten, geplaveide straten,

riolen, eene heerlijke waterleiding, badplaatsen of stoven; er woonden

ook verscheidene geneesheeren.

De haven en het kanaal van Damme waren goed onderhouden; de groote sluis

dezer laatste stad was een bewonderenswaardig werk, evenals de

overwelving der Reye, die in een dok veranderd was.

Alle wijken der stad waren voorzien van drinkwater, dat in rood koperen

buizen vloeide; er bestonden openbare pompen en fonteinen.

De Brugsche ambachtslieden en kunstenaars vervaardigden allerlei nuttige

en mooie voorwerpen en om zijne woorden door bewijzen te staven, liet

kapitein Lorenzo door een bediende de geschenken brengen, die hij uit

Brugge voor zijne dierbaren had medegebracht.

Voor zijne zuster fraaie juweelen en een heerlijk geborduurd kleed; voor

zijne moeder een schoon gebedenboek versierd met mooie penteekeningen en

voorzien van een kunstig bewerkt slot in gedreven zilver.

Dona Maria en Lenora konden hare oogen niet gelooven; overgelukkig

dankten zij den jongen kapitein en luisterden nog uren lang naar de

heerlijke beschrijving van Brugge, de wereldstad der XIII^{de} en

XIV^{de} eeuw.

37.--Een Dichter.

Het was nacht. Bij een smokend lampje, in een kleine woning van het

stadje Damme, zat, in diepe gepeinzen verzonken, een man, die, bij den

eersten aanblik, in de volle kracht des levens scheen te zijn.

Vóór hem, op eene schrijftafel, lag eene rol perkament, waarop hij, van

tijd tot tijd, eenige regels neerschreef.

Daarna legde hij de pen neder, liet het hoofd op de vlakke hand zakken

en sprak tot zich zelven:

«Arme Jakob, uw werk vordert niet, uwe denkbeelden zijn verward, uw

stijl is gedwongen ... waarom dag en nacht arbeiden, uwe rust, uwen

zielevrede aan de dichtkunst opofferen? Geniet de genoegens van het

leven, vermaak u bij spel en dans, verlustig u in de lieve natuur, in

stede van, arme droomer, uwen geest af te matten en uw gansche leven aan

de studie te wijden.»

Een traan rolde over de wangen des dichters; hij las nog eens de verzen

over, die hij daareven neerschreef, greep het perkament met beide handen

en gooide het, als wanhopig, in een hoek der kamer.

Toen werd het zóo stil, zóo stil, dat men het zachte geritsel vernam van

de groene linde die, voor het huis, in den zoelen zomernacht, den

balsemgeur van hare duizenden bloempjes verspreidde.

Het lamplicht verbleekte en een zachte glans, voorbode van den

naderenden dag, vervulde de kamer.

Jakob bemerkte er niets van en bleef in zijne mijmering verdiept, toen

eensklaps, rein als zilver, helder als de ontluikende dag een

zoetluidend gezang zijne ooren kwam streelen:

"Aloëtte, vogel clein,

"Dijn nature is zoet ende rein,

"So es dijn edel sanc,

"Daar dient u met den Here allein

"Te love om sinen danc."

«Het herderinnetje leidt hare kudde naar de weide,» sprak de dichter,

«straks zal de landman zich naar het veld begeven, de Vlaamsche wever

zal zijn getouw laten klapperen.»

Jakob keek naar buiten en ademde met volle borst de heerlijke

morgenlucht in, die in het gouden licht der opgaande zon over de vlakte

stroomde.

Nieuwe zangen troffen zijn oor:

"Wi willen van den Kerle singen,

"Si dragen eenen langen baert."

«De Vlaamsche visschers gaan naar zee,» murmelde de dichter. «Al mijne

broeders hervatten den arbeid, ieder van hen werkt mede aan de welvaart

van anderen.»

Hij keerde naar de schrijftafel terug, verdiepte zich in den arbeid en

schreef:

"Elken man,

Al en hadde hi gheen groot goet,

Es hi hovesch ende vroet

Van wat lande dat hi si,

Al en ware sin geslachte niet vri,

Ware hi geheten van goeden seden,

Men zouden eren t' allen steden;

Want dieghene is edel allene,

Die hovesche van seden is ende rene."

38.--Jakob van Maerlant.

In die lang vervlogen eeuwen bracht ons land niet alleen noeste werkers

maar ook vruchtbare dichters voort.

Uit de XII^{de} eeuw reeds dagteekent: Van den here Wisselau; in de

XIII^{de} eeuw verscheen: Karel en Elegast; omstreeks 1240 schreef

Diederic van Assenede, klerk van Margaretha van Konstantinopel de

aandoenlijke geschiedenis van: Floris en Blancefloer en meester

Wilhelmus van Gent, dichtte: Van den vos Reinaerde.

De dichter, dien wij in het voorgaande verhaal aan onze lezers

voorstelden was Jakob van Maerlant, die in de XIII^{de} eeuw, de stad

Damme bewoonde.

Een wijze, zeer geleerde professor spreekt over hem ongeveer in dezer

voege:

«In stille eenzaamheid, dag aan dag, met onverdroten geduld, arbeidde

hij aan de zedelijke ontvoogding van ons volk.

Hij was buitengewoon ontwjkkeld en zijne kennis was verbazend.

Buiten zijne moedertaal was hij even vertrouwd met het Fransch als met

het Latijn en met het voornaamste, dat daarin geschreven was. Hij kende

de natuurleer en het Duitsche recht.»

In zijnen tijd waren de meeste wetenschappelijke werken in het Latijn

geschreven, zoodat geringe menschen, die niet konden lezen.

Van Maerlant besloot voor zijn volk in het Dietsch te schrijven. Hij

vertaalde in 15000 verzen een Latijnsch boek over natuurkunde en andere

wetenschappen en noemde het: Der naturen bloeme. Een tweede werk, dat

hij vertaalde draagt voor titel: de Rijmbijbel en bevat 2700 verzen.

Zijn Spiegel Historiael, geschiedkundig werk, bestaat uit 7500 verzen,

doch is ongelukkig niet voltooid geworden.

Maerlant is een leeraar en weldoener van zijn volk geweest. De Vlamingen

hebben hem veel te danken, daarom ook verwierf hij den eerenaam van:

"Vader der Dietsche dichters."

39.--Een Verhaal van Lijden en Tranen.

Op eenen Zondag van het jaar 1281, bij het vallen van den avond, stapte

een Minderbroeder door de straten van Gent en haastte zich merkbaar om

zijn klooster te bereiken.

Dien dag toch, had hij het bijzonder druk gehad; arme zieken had hij

bezocht, geholpen en getroost, aalmoezen ingezameld en, in een der

talrijke bedehuizen der stad een preek gehouden, die door honderden

lieden, grootendeels menschen uit den lagen stand, met buitengewone

vroomheid was aangehoord.

Broeder Johannes was een volksvriend in den vollen zin van het woord:

Zoon van een armen weversgezel, had hij zich door studie en deugd

gevormd, en, als jongeling opgenomen in de orde van den Heiligen

Franciscus, had hij, als Minderbroeder, zijn gansche leven aan de armen

en ongelukkigen zijner geboortestad gewijd.

Streng voor zich zelven, was hij het ook voor de rijke poorters der stad

en herinnerde hun gedurig de nederigheid en de vrijwillige armoede van

den zoeten Jezus.

Broeder Johannes troostte de bedrukten en wist de ellendigen op te

beuren, zoodat hij op de talrijke gezellen, nederige ambachtslieden der

stad een grooten zedelijken invloed had verworven.

De Minderbroeder bereikte de poort van zijn klooster en wilde er

aankloppen, toen hij eene vrouwelijke gestalte bemerkte, die op den

kouden grond zat nedergehurkt en de weenende stem vernam van een kindje,

dat de vrouw met zachte woorden trachtte te sussen.

«Arm schaapje,» troostte zij, «ongelukkig Betteken, ween niet zoo

bitter, wij zullen uwen oom terugvinden en die zal ons helpen, want hij

is zoo goed en liefderijk....»

Broeder Johannes schrikte; «mijne zuster,» fluisterde hij ...

«onmogelijk, Veerle bewoont Brugge,» en, de stem verheffende, sprak hij

tot de vrouw:

«Sta op, moedertje, en volg mij.»

Hij klopte aan de kloosterpoort en zoodra men deze voor hem ontsloot,

leidde hij de bedrukte in de spreekzaal, die verlicht was door eene

brandende lamp.

Hij wierp eenen blik op de vreemde en «zuster! arme zuster!» «broeder, o

broeder, help mij!» klonk het door de kamer.

Broeder Johannes kon zijne oogen niet gelooven: zijne zuster Veerle

stond voor hem, bleek en bevend, haar weenend kindje in de armen.

Hoe, waarom had zij Brugge verlaten? Waar bevond zich haar echtgenoot

en wat kwam zij hier doen?

Eensklaps schenen hare laatste krachten de vrouw te begeven. Zij sloot

de oogen en zakte buiten kennis in de armen van haren broeder.

Deze riep om hulp en twee kloosterbroeders brachten de lijdende op een

bed, legden het kindje naast haar en verzorgden de kranke zoo goed zij

konden.

Na een half uur opende Veerle de oogen en kwam tot bezinning. Haar

broeder bereidde haar een verkwikkenden drank en bracht den heelen nacht

wakend aan hare sponde door.

Veerle, de zuster van Johannes, was tot vóór eenige dagen de gelukkige

echtgenoote geweest van eenen blauwverver, die sedert vijf jaar te

Brugge gevestigd was.

Het gezin was niet rijk, maar de werkzaamheid en het voorbeeldig gedrag

van den man waren voldoende om armoede en ellende op een afstand te

houden.

Vóór een paar maanden nog had broeder Johannes zijne zuster en haren

echtgenoot een bezoek gebracht en zich verheugd over de eensgezindheid,

die in het gezin heerschte.

De vrome Minderbroeder verloor zich in gissingen maar, bij het krieken

van den dag ontwaakte Veerle en voelde zich sterk genoeg om haren

broeder mede te deelen, wat te Brugge was gebeurd.

«Sedert geruimen tijd:» sprak zij, was de goede verstandhouding tusschen

de ambachtslieden en de rijke poorters der stad verbroken.

Waarom, kon zij, arme onwetende vrouw, niet begrijpen, maar haar man,

wiens leven vroeger zóó geregeld was, bleef soms tot laat in den nacht

van huis weg en zijne gezellen, alsook de wevers, vollers en de leden

van andere neringen, handelden eveneens.

Weldra weenden te Brugge honderden volksvrouwen om hare afwezige

echtgenooten. Bange moeders, zusters, echtgenooten, spraken van oproer

en gevecht, van brand en plundering.

Helaas! hare vrees was maar al te gegrond: Op zekeren avond werden de

verbitterde poorters met de ambachtslieden handgemeen, bloed stroomde

in de straten van Brugge, verscheidene gebouwen werden aan plundering

prijs gegeven, gewapende benden doorliepen de stad tot laat in den

nacht.

Angstig biddend, geknield voor haar kruisbeeld, lag Veerle in hare

eenzame woning, toen eensklaps de lage deur werd opengestooten en de

arme blauwverver, gewond, bebloed, de woning binnenstoof.

«Verberg mij, vrouw,» riep hij wanhopig, maar nog was Veerle niet

opgesprongen of woedende, met bijlen gewapende mannen, verschenen in de

woning en wierpen zich op den vluchteling.

Deze trachtte zich te verdedigen, maar een bijlslag van een zijner

vervolgers deed hem dood nedervallen vóór de voeten zijner vrouw.

Half waanzinnig had Veerle haar kind aan het hart gedrukt, en toen de

bijlen der moordenaars ook haar bedreigden, was zij, evenals andere

vrouwen, de stad ontvlucht, waar de vlammen des oproers zoo

onheilspellend flikkerden.

Zij was steeds voörtgeloopen, menigmaal onderweg gevallen, maar had zich

weer opgericht onder de slagen van het zweepend noodlot.

«Naar mijnen broeder te Gent wil ik gaan» had zij snikkend uitgeroepen

en thans rustte zij in het vreedzame klooster, waar elkeen zich over

haar scheen te ontfermen.

Haar broeder boog het hoofd en weende. «Arme zuster! arm, hulpeloos

volk» zuchtte hij; want hij, die geleerd was en den toestand der

Vlaamsche gemeenten kende, besefte ten volle de uitgestrektheid der

ramp, die Brugge had getroffen.

«Wat stond hem te doen?» Zijne zuster naar Brugge terugzenden kon hij

niet, haar echtgenoot was dood en broeder Johannes onvermogend.

Hij dacht aan de talrijke vrienden, die hij te Gent bezat, maar ... hulp

afsmeeken voor zijne eigene familieleden, neen, dat ging niet....

De overste van het begijnhof der stad was eene vrouw, die door haar

verstand en liefderijk hart, boven anderen uitblonk. Die zou hij

opzoeken, die zou hem raad geven en zijne arme zuster helpen.

In den morgen nog verliet hij het klooster der Minderbroeders, begaf

zich naar het begijnhof en was zoo gelukkig er de overste aan tes

treffen.

Hij deelde haar de ramp mede, die Brugge en zijne zuster getroffen had

en, nauwelijks was zijn treurig verhaal geëindigd of de brave vrouw

sprak met bewogen stem:

«Breng de arme bedrukte naar hier, wij zullen haar herbergen, haar

troosten, haar genezen.»

Broeder Johannes leidde zijne zuster naar het stille begijnhof. Langzaam

keerden hare krachten terug en de zoete oogjes, de zachte liefkozingen

van haar Betteken, verdreven hare wanhoop en schonken haar levensmoed.

Dank aan de bescherming der bewoonsters van hare nieuwe verblijfplaats,

was zij weldra in staat door handwerken in hare behoeften en in die van

haar dochterje te voorzien.

De tijd, die alle wonden heelt, stilde ook de smart der zwaar-beproefde

vrouw en hare stille dankbaarheid zegende den broeder, die haar en

honderden bedrukten had getroost en geholpen.

40.--Innerlijke Twisten in de Gemeenten.

Laten wij nog eenige oogenblikken stilstaan bij ons verhaal, of liever,

laten wij trachten het nader te verklaren:

Schier in al onze gemeenten, was de handel zeer bloeiend en rijke

kooplieden waren er talrijk. Geruimen tijd waren het alleen de rijke

poorters, de burgers bij erfenis, de «coomans» die de stad bestuurden.

Zij vormden de «poorterij» of poorters bij uitnemendheid. Dank aan hunne

bekwaamheid, hunne werkzaamheid, hunne volharding verkregen de gemeenten

hunne voornaamste voorrechten en het waren de «poorters bij

uitnemendheid» de coomans, die de muren der gemeenten lieten opbouwen,

hallen en bedehuizen stichtten, straten plaveiden, kanalen deden graven,

waterleidingen deden overwelven, hospitalen stichtten.

In den loop der XIII^e eeuw echter, leefden en arbeidden naast die

«poorters bij uitnemendheid» de massa der eenvoudige ambachtslieden en

kleine burgers, die in «neringen» waren vereenigd.

Deze menschen werden op verre na niet als de gelijken der «rijken»

behandeld.

Zij waren wel is waar vrij, verzekerd van de bescherming der schepenen,

zij genoten de voordeelen, welke de charters aan de gemeenten

gewaarborgd hadden, doch zij mochten geene aanspraak maken op eenige

deelname in het bestuur hunner stad.

Dit laatste voorrecht wenschten zij te bezitten, maar zij veroverden het

niet gemakkelijk. De erfgerechtigden en coomans verdedigden zich

hardnekkig; zij waren niet zelden verwaand, hoogmoedig en maakten soms

misbruik van hun gezag.

Menschen, die met elkander in slechte verstandhouding leven, slaan

helaas! heel licht over tot geweld; vandaar oproeren, waarbij burgers

derzelfde gemeente elkanders bloed vergoten en de woningen, de openbaren

gebouwen, de kerken plunderden of vernielden.

Verstaat gij thans, hoe Veerle's echtgenoot in Brugge werd gedood,

waarom zijne arme vrouw naar Gent vluchtte?

De Minderbroeders, tot welker orde broeder Johannes behoorde,

begunstigden het streven der geringe ambachten, vandaar dat het volk een

ongemeen groot vertrouwen stelde in deze geestelijken.

De begijnen vormden eene zusterschap van godvruchtige vrouwen, die van

haren arbeid leefden; edelmoedige begiftigers bouwden haar

gemeenschappelijke huizen, prinsessen namen ze onder hare bescherming.

Heden nog bestaan begijnhoven in vele steden van ons land.

41.--Eene Voorspelling.

Er was eens een stroom; een frissche, jeugdige stroom, die eene

schilderachtige landstreek besproeide en onderweg rivieren en beekjes in

zijnen schoot ontving.

Hij vloeide door mooie valleien, omzoomd met wilgjes, die zich in zijne

golven spiegelden of dartelde langs groene wouden, die zich hier en daar

aan zijne oevers verhieven.

Zijne machtige armen omstrengelden talrijke eilanden, waarop de reizende

ooievaars in het najaar rustten, waar bronnetjes murmelden en, in de

lente, goudgele lischbloemen tusschen het riet ontloken.

Nu en dan, vloeide hij tusschen hooge rotsen met grillige koppen en

diepe, met mos begroeide kloven, maar dit laatste beviel hem weinig; hij

vond, dat de rotsen zijne leden knelden en de vrijheid zijner bewegingen

beletten.

Op zekeren nacht, dat de maan helder scheen en het weder bijzonder zacht

was, vergat de jonge stroom het slapen en speelde verstoppertje met eene

heldere beek, die gedurig tusschen de rotsblokken van den oever wegdook.

Hij achtervolgde haar en bereikte eene fraaie grot, met kronkelende

gangen, prachtige zuilen, mooie dropsteenen en ziet!... hier verdwaalde

de jonge stroom en zocht vruchteloos naar eenen uitweg. Hij werd

ongeduldig, gejaagd en stiet weldra zijne golven met zooveel geweld

tegen de rotswanden, dat duizenden waterdroppelen, als zoovele pareltjes

naar omhoog stoven.

De stroom maakte zulk een geweld, dat de gangen der grot er luid van

weergalmden en de bewoners harer geheimzinnige vertrekken, in hunnen

slaap gestoord, kwamen zien wat er gebeurde.

Tien, twintig, dertig ... misschien wel honderd aardmannetjes, elk

hunner voorzien van een brandend lampje, daalden van den steilen

rotswand naar beneden en vroegen den stroom «wat hij begeerde?»

«Ik wil er uit! ik wil er uit!» gilde de gevangene, maar de

aardmannetjes lachten en zeiden, dat zulks vóór zonsopgang niet mogelijk

was.

«Stel u gerust, stroompje» spraken zij, we zullen met u spelen en u al

de wonderen van ons onderaardsch paleis laten zien.»

«Ik wil niet» antwoordde de stroom.

«We zullen u mooie sprookjes vertellen» lachte een aardmannetje en ...

«ik ben de kinderschoenen ontwassen» sprak het fiere water.

Eensklaps onstond eene eerbiedige stilte onder de aardmannetjes; zij

plaatsten zich ordelijk langs den rotswand, namen de roode petjes van

het hoofd en bogen zoo diep, dat hunne lange, witte baarden den grond

raakten.

«De fee! de weldoende fee der onderwereld» fluisterden de aanwezigen en

zwegen dan weer stil, eerbiedig stil ... stil....

Eene statige vrouw in ruischende zijde gekleed, verscheen en groette den

jongen stroom.

Fonkelende edelgesteenten blonken in hare zwarte haarvlechten, gouden

banden versierden haar keurslijf en den langen sleep van haar ruischend

gewaad.

«Vrees niet, heer ridder,» sprak zij tot den stroom, «ik zal u

gezelschap houden, u bij het krieken van den dag op de rechte baan

helpen; bij mijne geboorte schonk mijne meter mij de gave der

voorspelling, wilt gij mij uwe hand reiken? Ik zal in hare lijnen lezen,

wat de toekomst voor u heeft weggelegd.»

De stroom bedaarde en reikte de fee zijne opene hand.

Zij nam ze aan, las er aandachtig in, verdiepte zich langen tijd in die

lezing en sprak met trage, zachte stem, in tegenwoordigheid der

zwijgende aardmannetjes:

«Weldra zal een vroom en verstandig man langs uwe oevers reizen. Hij zal

er een wijd, mooi dal ontdekken, begrensd door heerlijke heuvels en

talrijke frissche wouden: «Ik wenschte wel hier eene groote stad te

kunnen aanleggen» zal hij zeggen en, alvorens zijne reis voort te

zetten, zal hij, in de mooie vallei, eene kapel stichten.

De fee zweeg en ... «is dat alles» fluisterde de stroom?

«Bij lange na niet» antwoordde de fee, «ik zie zóoveel, zóoveel.

«Zeg mij nog iets, voorspel mij mijn gansche toekomst» vroeg de

nieuwsgierige stroom en de fee vervolgde:

«Rondom de kapel, in het mooie dal, verheffen zich menschelijke

woningen, geloovige christenen richten en hunne schreden heen. Ik zie

een heilig man, den bisschoppelijken staf in de hand. Hij predikt

godsvrucht en broederliefde; aan de grooten der aarde herinnert hij

hunnen plicht en laakt hun zondig leven.

Helaas! zulks doet hij niet ongestraft; wreede moordenaars heffen hunne

bijl tot hem op en koelen hunne wraak in het onschuldig bloed van den

martelaar.

Nu zuchten en weenen de menschen aan uwe oevers, jonkheer stroom; zij

betreuren den man, die een wreeden dood onderging, omdat hij enkel

«rechtvaardigheid» betrachtte.

De menschen brengen zijn stoffelijk overschot naar de kapel midden in

het stille dal, waar het weldra door duizenden bedevaartgangers wordt

bezocht.

Jaren en jaren verloopen. Een machtig man, prins en bisschop, laat in

het dal eene mooie, groote kerk bouwen en er eene stad aanleggen,

verschanst achter kloeke muren.

Die stad wordt de zetel van een prins-bisdom met kanunniken, kloosters,

scholen, monniken en kloosterzusters.

Langzamerhand vestigden zich handelaars in de bisschoppelijke stad;

bootslieden brengen er hout en steenen aan, menschelijke woningen

ontstaan als door tooverslag; ik zie teekenaars, bouwmeesters, schilders

en andere kunstenaars, die goud, zilver, koper verwerken en de heilige

vaten der bedehuizen scheppen; ik zie beeldhouwers, die marmer, arduin,

eikenhout bezielen en naast hen een wriemelenden drom van nederige

ambachtslieden, leerlooiers, smeden, kopergieters en anderen.

Hoe talrijk worden die menschen! Ik kan ze niet meer tellen, ze zijn

levendig van aard, werkzaam, opgeruimd. Zij doorboren de ingewanden der

heuvels, zoeken er steenen en allerlei ertsen. Eindelijk ontdekken zij

de zwarte steenkool, nederige brandstof, die hun onschatbare diensten

bewijst.

Aan uwe oevers, heer stroom, ontstaan nog andere steden, ik zie

ontelbare lachende dorpen, wijngaarden, boomgaarden, ik bemerk hooge

torenspitsen, bruggen, marktplaatsen.

De bevolking groeit aan, de stoffelijke welvaart vermeerdert en gij zijt

de koning, de vader der heele landstreek.

De jonge stroom lachte en schudde ongeloovig het met wier en loof

omkransde hoofd. Ook de bergmannetjes lachten en een hunner spoedde zich

naar den ingang der grot.

Weldra echter keerde hij terug en kondigde aan:

«De nachtster verbleekt, de morgenzon breekt door de nevelen, de

leeuwrik zingt hoog boven de toppen der rotsen.»

«Kom met mij» sprak de fee tot den stroom.

Zij nam hem bij de hand, leidde hem door de heimnisvolle gangen, door

afgronden en over rotsblokken, tot aan de poort van haar onderaardsch

verblijf.

Hier nam zij afscheid en sprak op zachten toon.

«Vaarwel, heer ridder, leef lang en gelukkig.»

Eensklaps goot de morgenzon een schat van zilveren starren over het

donkere harnas van den stroom. De glans, die er van uitging was zoo

verblindend, dat de oogen der fee die niet verdragen konden en zij zich

in hare duistere woning terugtrok.

De stroom echter vloeide verder, hij groette de vlugge hinde, die aan

zijn helder water, haren dorst kwam lesschen; hij kuste de slapende

bloempjes wakker en speelde met de zilveren vischjes, die in zijn

vochtigen schoot zwommen.

Hij murmelde, hij zong, hij juichte van levensblijheid en vergat weldra

de schitterende fee en de lachende, goedaardige bergmannetjes der

onderwereld.

42.--Het Prins-Bisdom Luik.

«Wie toch is de stroom, die zulke tooverachtige avonturen beleefde?»

vraagt mij eene nieuwsgierige lezeres.

De Schelde is het niet, die vloeit bijna overal tusschen lachende

beemden en malsche weiden, die is te kalm en te ernstig om in grotten te

spelen en voorbij rotsen te dartelen.

«Is het misschien de Maas?»--«Inderdaad, die telt hooge rotsen aan hare

oevers, die vloeit door diepe dalen, door heuvels omzoomd; die is

schilderachtig, romantisch schoon, die besproeit eene landstreek, die

glinsterende ertsen en gitzwarte kool in haren schoot verbergt.

Maar, die aardmannetjes met hunne roode petjes en lange, witte baarden,

die schitterende fee met haar ruischend gewaad, bewonen zij wel de

grotten, die men in Hoog-België aantreft?

De geleerden, de wijzen zeggen «neen» de dorpslieden, vooral de ouden

van dagen beweren «ja». Zij kennen zóovele sprookjes waarin feeën en

kabouters voorkomen en zijn die niet «waar gebeurd» ze zijn toch lief en

schilderachtig mooi.

Willen we maar voor «een keer» onderzoeken of de voorspelling der fee is

uitgekomen?

Zoo volgt mij en beantwoordt de vragen, die ik u stellen zal.

«Waar strekte zich het breede, mooie dal uit, dat, vóór eeuwen, door den

vromen, verstandigen reiziger werd bezocht?»

«Dit dal strekt zich uit midden in onze huidige provincie Luik en ligt

dichtbij de samenvloeiing van Maas en Ourthe.

De heilige Monulphus, bisschop van Tongeren, naar Dinant reizende,

bezocht het ten jare 578.

Hij was het die, getroffen door de schoonheid der landstreek, er eene

kapel stichtte en voorzag, dat zich hier, in later jaren, eene mooie,

groote stad zou verheffen.

«Wie werd er vermoord?»

De heilige Lambertus, dezelfde die zoo rechtschapen was, dat hij zelfs

aan de machtigen der aarde hunne ondeugden verwijten durfde.

Sint Hubertus, opvolger van Lambertus, liet eene mooie, groote kerk

bouwen op de plaats, waar de heilige martelaar een gewelddadigen dood

onderging en bracht naar die kerk, het stoffelijk overschot van Sint

Lambertus over.

Rondom ontwikkelde zich eene bisschoppelijke stad, met hare kerken en

torens, hare abdijen, hare talrijke bedehuizen, hare scholen.

Ziedaar den oorsprong van Luik, heden eene der grootste steden van ons

land.

In dien tijd behoorde het grootste deel van haar grondgebied aan de

geestelijkheid, alsmede vele domeinen, burchten, wouden, abdijen uit den

omtrek.

Gedurende de Middeleeuwen, ja veel later nog, bezat de bisschop van

Luik niet alleen eene geestelijke, maar ook eene wereldlijke

waardigheid. Hij was «prins-bisschop.»

Waar haalden de menschen de grondstoffen vandaan, noodig tot het bouwen

der stad Luik?

In de steengroeven; in de wouden der landstreek vonden de menschen niet

alleen de noodige grondstoffen, voor het oprichten van bedehuizen,

abdijen en andere gebouwen, maar, zooals de fee zeide: weldra bezielden

beeldhouwers arduin en marmer, terwijl zilver-en goudsmeden, koper-en

bronsgieters menig kunstgewrocht voortbrachten, vooral ter verfraaiing

der bedehuizen.

Dit alles echter gebeurde niet op éénen dag, zelfs niet op een jaar,

maar het duurde vijftig, honderd, tweehonderd en meer jaren.

Aan wie had de stad Luik hare eerste verfraaiingen te danken?

Aan bisschop Notger of Notkerus, die in 1008 overleed.

Notger was een groot man. Hij deed de stad Luik ommuren, liet schoone

bedehuizen bouwen, kanalen graven, deed de steden Thuin, Fosse en

Mechelen[28] van vestingwerken voorzien. Sommige edellieden zooals de

heer van Chevremont gedroegen zich als roofzuchtige plunderaars. Notger

wist ze te bedwingen en deed hunne burchten afbreken.

Niet alleen de kunst, ook de wetenschap bloeide te Luik; want in die

stad waren scholen, woonden geleerden, volkomen op de hoogte der

wetenschap van hunnen tijd.

Hoei en Dinant bezaten smederijen, die zoo bloeiend waren, dat onze

voorouders niet genoeg hebbende aan de ertsen van hun vaderland, ook

aankoopen deden in Duitschland, voornamelijk te Goslar.

De Dinanteezen, beroemde kopergieters en koperslagers, verkochten de

voortbrengselen hunner nijverheid en kunst, in Vlaanderen, in Engeland,

in Frankrijk.

Te Londen bezaten zij eene afzonderlijke halle en in de XIV^{de} eeuw,

maakte de stad Dinant deel van de Teutonische (Duitsche) hanze.

Op het gebied van nijverheid en handel was de ontwikkeling der stad Luik

langzamer, maar het ontginnen der steenkool, het vervaardigen van wapens

bevorderden weldra den welstand harer inwoners, alsook de

handelsbetrekkingen, die zij aanknoopte met de groote stad Brugge.

Vormden de handelaars, de ambachtslieden der Luiksche steden evenals die

der Vlaamsche en Brabantsche ook neringen, ambachten, gilden? Kan men

bij de studie der Luiksche geschiedenis, de vorming, de ontwikkeling der

gemeenten nagaan?

Zonder twijfel, jammer echter, dat de voorspelling onzer fee juist daar

eindigt, waar zij het belangrijkst worden moest. We zullen hier dus,

zonder hare hulp, ons verhaal voortzetten.

De inwoners der Luiksche gemeenten kregen of eischten al vroeg

burgerlijke rechten.

In 1198 gaf bisschop Albrecht van Cuyck aan zijne onderdanen eene

vermaarde keure. Zij bepaalde, dat de woning der burgers onschendbaar

was, dat de Luikenaar vrij was in persoon en goederen, dat hij aan geene

schattingen noch gerechtelijke proeven mocht onderworpen, dat hij niet

mocht aangehouden worden, dan krachtens een vonnis der Schepenen.

Denkt nu echter niet, dat het verkrijgen dier voorrechten gemakkelijk

ging. Heel dikwerf kwamen de bisschop, de hooge geestelijkheid, de

edellieden, de groote en kleine burgers met elkander in botsing.

Dit gebeurde vooral in de XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, wanneer, eerst

de rijke burgers, daarna de geringe ambachtslieden, voorrechten vergden.

Ik wil u echter niet verontrusten met de beschrijving der ruwe, bloedige

twisten, die de stad Luik teisterden gedurende de XIII^{de} en XIV^{de}

eeuwen; ik wil doen, zooals de fee, die van oorlog, brand, moord en

andere akeligheden liefst in het geheel niet gewaagde.

Een laatste vraag echter:

«Wie behaalden, bij die innerlijke beroerten, de overwinning? Was het de

bisschop, de hooge geestelijkheid? Waren het de rijke burgers of de

leden der neringen?

Oordeelt zelven:

In 1337 onderteekende bisschop Adolf van der Marck den «Vrede van

Angleur.» Zoo noemt men een verdrag, waarin bepaald werd, dat alleen de

leden der neringen van den stedelijken raad mochten deel maken.

Drie jaar later bevestigde de Vrede van Fexhe al de oude vrijheden des

lands; hij wordt beschouwd als de grondwet des vorstendoms.

In 1343 richtte de bisschop de rechtbank der XXII op, welke in de

gewichtigste zaken van Kerk en land moest vonnissen; daar de meerderheid

dier rechtbank uit de burgerij bestond, werd zij de kostbaarste waarborg

der Luiksche vrijheden.

43.--Broeder en Zuster.

Hertog Jan had eene zuster, Maria genaamd en gehuwd met den koning van

Frankrijk, Filips de Stoute.

Deze vorstin was zeer schoon en aanminnig, bovendien had zij van haren

vader een verwonderlijke dichtgave geërfd. Zij ondersteunde begaafde

zangers en dichtte fraaie liederen.

Daar was in dien tijd aan het Fransche hof een zekere heer de Labrosse,

kamerheer en gunsteling van den koning.

Hij was jaloersch op de koningin, en gebruikte al zijnen invloed om haar

bij den koning in een valsch daglicht te stellen.

Filips had Maria in tweede huwelijk getrouwd en bezat kinderen van zijne

eerste vrouw.

Op zekeren dag stierf de oudste zoon des konings en de Labrosse wist bij

den bedroefden vader het vermoeden te doen ontstaan, dat Maria door

vergif aan zijn kind het leven had benomen.

Het gemoed des konings was door deze verdenking op het hevigst

ontroerd, hij ging peinzend daarhenen, zegt de kronijk, het hart vol

druks.

Men verhaalt, dat hij Maria in eenen burcht liet opsluiten en haar ter

dood wilde laten brengen.

Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw · 第 3 / 8 题