Uit hare gevangenis meldde de ongelukkige haren nood aan haren broeder

"Beschreven met haren bloede root,

"In eene scale daer zij uit dranc."

[Illustration: Ridder ten tijde van Jan I.]

Op het ontvangen der akelige tijding, springt hertog Jan te paard en

snelt naar Parijs. Een schildknaap, Godekin van Stalle en Vlieger, een

hazewind, vergezelden hem alleen.

Na tweemaal vier en twintig uren is hij in de hoofdstad van Frankrijk,

trekt eene monnikspij aan, begeeft zich naar Maria's gevangenis, en, als

biechtvader tot haar toegelaten, verneemt hij de onschuld zijner zuster.

Nu werpt de hertog zijne vermomming af, meldt zich ten hove aan, treedt

voor den koning--naar het gebruik dier tijden--als kampvechter der

koningin en daagt ieder tot een tweegevecht uit, die de schuld der

belasterde vrouw mocht staande houden.

De laffe de Labrosse, door de verschijning des vermaarden krijgsmans

verschrikt, door het geweten gefolterd, neemt de vlucht.

Geen zijner vrienden waagt het, de eer des kamerheers met het zwaard te

verdedigen.

De twijfel aan Maria's onschuld ware een smaad aan de nagedachtenis

dezer vorstin, daarom besluiten wij ons verhaal met het oordeel van een

beroemden, Franschen geschiedschrijver[29]:

«Het is niet mogelijk, dat deze vrouw tot een laffen en snooden aanslag

bekwaam zij geweest.»

44.--Jan I en het hertogdom Brabant.

Jan I, de held van ons verhaal was hertog van Brabant; het voormalige

Brabant strekte zich uit over het grondgebied, dat onze hedendaagsche

provincie Brabant, de provincie Antwerpen en, in Nederland,

Noord-Brabant bevatte. Leuven, Brussel, Antwerpen en 's Hertogenbosch

waren er de hoofdplaatsen van.

Hertog Jan, die zijne arme zuster zoo dapper verdedigde, was een

uitstekend ruiter; in den wapenhandel was hij zeer bedreven en ook als

veldoverste wist hij eer en roem te verwerven.

In twist zijnde met verscheidene vorsten van zijnen tijd, die meenden

recht te hebben op het bezit van het hertogdom Limburg, sloeg hij het

beleg voor de sterkte Woeringen, die op den oever van den Rijn gelegen

was. Zijne vijanden kwamen hem aldaar aanranden en er werd een veldslag

geleverd op eene heide nabij Woeringen (1288).

Hertog Jan behaalde er eene roemrijke overwinning en wordt om dit

wapenfeit, in de geschiedenis niet zelden de Overwinnaar of de

Zeeghaftige genaamd.

Na den slag van Woeringen werd Limburg met Brabant vereenigd.

Ter eer van hertog Jan dient vermeld te worden, dat hij van zijne

overwinning geen misbruik maakte; reeds op het slagveld, had hij aan

krijgsgevangenen genade verleend; weldra wist hij de genegenheid der

Limburgers te winnen door zijne zachtmoedigheid en rechtvaardigheid.

Talrijke dichters bezongen Jan I en zijne roemrijke wapenfeiten; want,

niet alleen in Vlaanderen, maar ook in Brabant trof men reeds in de

XIII^{de} en XIV^{de} eeuwen, beoefenaars aan der fraaie letteren.

Adinez-li-Rois, een Brabander, was de grootste Fransche zanger zijner

eeuw, terwijl Jan van Heelu in het Dietsch den slag van Woeringen

beschreef en Lodewijk van Velthem den Spiegel Historiael van Maerlant

voltooide.

Jan De Clercq ook Jan van Boendaele genaamd, schreef eene Rijmkronijk

van Brabant en verscheidene andere dichtwerken.

De beroemde Jan van Ruysbroec geboren in 1294 is een merkwaardig

prozaschrijver. Zijne werken werden in het Hoogduitsch, ook in het

Latijn overgezet.

[Illustration: _An alle deghene die dese lettren selen sien ofte hoeren

lesen. Schepenen Raet ende alle de goede ghemeene liede van der poort

van audenarde saluut._ Schrift van 1350.]

Jan I schonk talrijke voorrechten aan de Brabantsche gemeenten. Zijn

opvolger was Jan II. Om de oneenigheden te beslechten die tusschen de

geslachten[30] en de ambachten gerezen waren, riep deze vorst, in 1312,

eene vergadering bijeen te Kortenberg, tusschen Leuven en Brussel.

Daar werd besloten, dat er alle drie weken, te dier plaats, een raad zou

vergaderen van 4 afgevaardigden des adels en 10 afgevaardigden der

Brabantsche steden.

Die raad zou over de goede uitvoering der wetten waken, de heeren

verhinderen het volk te verdrukken en misbruiken beletten, waarop men de

aandacht der leden roepen zou.

Gedurende de regeering van de hertogen Wencelyn en Johanna (1355-1383)

ontstond te Leuven en te Brussel oneenigheid tusschen de ambachtslieden

en de rijke poorters of patriciërs, die groote voorrechten bezaten.

Het bloed vloeide vooral te Leuven, vanwaar ontelbare ambachtslieden,

meest wevers, naar Engeland weken.

Burgeroorlog sleept talrijke onheilen na zich; de stad Leuven ging te

niet en erlangde nooit meer haren bloei der XII^{de} en XIII^{de}

eeuwen.

In 1356 moest hertog Wencelyn zweren al de vrijheden van het land en de

voorrechten der steden te handhaven.

De keure, die hij toen verleende werd de «Blijde inkomst van Brabant»

geheeten. Zij geldt om zoo te zeggen als grondwet der Brabanders, want

de gebruiken, die er in voorkomen, bleven voor het grootste deel in

zwang, tot op het einde der XVIII^{de} eeuw.

45.--Twee Vorstinnen.

(SPROOKJE)

Er was eens eene machtige koningin, die over duizenden onderdanen

regeerde.

Zij bewoonde een prachtig paleis en was steeds in kostbare, ruischende

zijde gekleed. Schitterende juweelen versierden hare armen en borst en

haar fluweelen mantel was met hermelijn gevoerd en met zilveren leliën

geborduurd.

Een rijke stoet van hofdames, edelknapen en ridders omgaf de koningin

en, waar zij haar schreden ook richtte, overal bogen hare onderdanen

voor haar in het stof.

«Ik ben wel de machtigste vrouw der wereld, sprak de koningin tot haren

echtgenoot, maar toch, wenschte ik mij op reis te begeven en mijn

rijkdom en glans door duizenden te laten bewonderen.»

«Uw wil geschiede!» antwoordde de koning en de fiere vorstin begaf zich

op weg.

In steden en dorpen werd zij met ongemeenen luister ontvangen en de

burchtheeren der trotsche kasteelen betwistten elkander de eer, de

geduchte vrouw en haar schitterend gevolg te ontvangen en te herbergen.

De reis der koningin was een onafgebroken zegetocht.

«Gevoelt uwe Majesteit geen lust naar ons koninklijk hof terug te

keeren?» vroeg de koning aan de koningin.

Maar de fiere vorstin schudde het met goud gekroonde hoofd, streelde het

prachtig ros, waarop zij gezeten was, reisde verder en bereikte een haar

onbekende landstreek.

Hier zat eene nog jonge vrouw op den troon, schoon als een heldere

zomerdag, kalm en krachtig, minzaam en zacht als eene teedere moeder.

Zij was in goudgele zijde gekleed; een zwarte leeuw lag aan hare voeten

en een schilderachtige stoet van jongelingen en meisjes omringde en

beschermde haar.

Zij ontving de trotsche vorstin met eerbied, doch niet met de slaafsche

onderwerping, waaraan de ijdele vrouw gewoon was; daarom ontstak deze in

toorn en sprak op bitsen toon:

«Weet gij dan niet, dat, zelfs zij, die tot den hoogsten adel behooren,

voor mij in het stof buigen?»

«Ik ken geen anderen adeldom, dan arbeid en deugd» antwoordde de schoone

vrouw.

De koningin lachtte spottend: «Zijn dat misschien uwe vazallen» vroeg

zij, een afgunstigen blik werpend op de jongelingen, die rondom den

troon waren geschaard.

«Neen, vorstin, dat zijn mijne zonen,» luidde het fiere antwoord. «Niet

in rijkdom, maar met onuitsprekelijke liefde heb ik ze grootgebracht.»

«Ik dacht hier alleen koningin te zijn» sprak de afgunstige vorstin,

maar ik zie hier honderd vrouwen, die meer op koninginnen gelijken dan

ik zelve.»

«Mijne dochters bedoelt gij, vorstin? Inderdaad, zij zijn schoon en

prachtig uitgedoscht, en toch werden mijne kinderen niet in weelde en

overvloed grootgebracht. Ik leerde hun den arbeid liefhebben en

waardeeren; mijne zonen zaaien en maaien, zij weven, metselen en

timmeren, zij bevaren de zee en reizen van land tot land. Mijne dochters

spinnen, naaien, borduren....»

«Genoeg» gebood de koningin, «dit onderhoud duurt al te lang. Buigt

allen de knie voor mij en erkent mij als uwe wettige, uwe eenige

gebiedster.»

Maar nu zag en hoorde de trotsche vrouw, wat zij nog nooit had gezien

noch gehoord.

«Wij buigen voor niemand,» spraken moeder en kinderen als uit eenen

mond, terwijl de leeuw aan den voet van den troon opsprong, zijne fiere

manen schudde en een vervaarlijk gebrul aanhief.

De koningin vlood ijlings weg en, nog denzelfden dag sprak zij tot haren

echtgenoot:

«Die gemeene vrouw en hare kinderen hebben mij bloedig gehoond. Zend

gewapende dienaars tot hen, dat zij hunne zwaarden, messen, bogen en

pijlen gebruiken en heel het hoogmoedige ras aan onze heerschappij

onderwerpen.»

Maar de koning schudde het hoofd en sprak:

«Er bestaan, o koningin, veel doeltreffender wapens dan zwaarden,

messen, bogen en pijlen, laat mij begaan, ik zal u bewijzen dat «list,

niet zelden overwint, geweld.»

De sluwe vorst toonde zich zacht en gedwee als een lam en trachtte zijne

slachtoffers door honingzoete woorden en schoone beloften te misleiden;

maar, na eenigen tijd, ontdeed hij zich van zijne schapevacht, toonde

zich in zijne werkelijke gedaante en volbracht het bevel zijner trotsche

echtgenoote.

Maar de kloeke vrouw en hare knappe kinderen waakten, lieten zich niet

bedwingen en verjoegen de huurlingen des konings.

Deze keerden naar hunnen meester terug en onderrichtten hem van het

gebeurde.

«Keert terug» sprak de vorst, dat krijgslieden en soldeniers u

vergezellen. Neemt de wederspannige vrouw gevangen, slaat haar in

boeien, brengt haar naar hier, dat ik haar opsluite, haar doe verkwijnen

in eene kille en duistere gevangenis.

En de krijgslieden vertrokken om het bevel huns meesters ten uitvoer te

brengen.

Nu hadden de talrijke kinderen der edele vrouw groot verdriet, maar twee

hunner, de meest geliefde zonen der waardige moeder, wisten hunne

broeders en zusters moed in te spreken en ze tot krachtdadige tegenweer

aan te zetten.

«Plicht en liefde dwingen ons te handelen,» spraken zij, «het goede

recht is met ons. Onze moeder schonk ons het leven, zij leerde ons

arbeiden, voortbrengen, scheppen, zij ontwikkelde onzen geest en leerde

ons de deugd liefhebben. Vrij! eeuwig vrij zal zij wezen; boven de

trotsche koningin moet zij uitblinken, de heele wereld moet haar eeren

en achten, niet om hare adellijke geboorte, niet om hare schatten, maar

om hare hoedanigheden, om haren geest en hare deugd, om haren

vrijheidszin, om de voortbrengselen van haren arbeid en van hare kunst.»

En allen togen ten strijde, allen besloten te overwinnen of hun leven te

laten voor de vrijheid hunner innig geliefde moeder.

De koning ondertusschen riep zijne edelste en dapperste ridders op.

«Gaat» sprak hij, «vernielt het gemeene ras, dat mijne macht trotseeren

durft.»

De ridders vertrokken op hunne steigerende rossen; hunne helmen en

harnassen blonken in het zonnelicht, hunne vaandels wapperden in den

morgenwind, hunne krijgstrompetten schalden door bosschen en dalen, over

heuvels, over velden, over duinen en weiden.

Bij voorbaat verheugden zij zich over hunne overwinning. Waren zij niet

de bloem der krijgslieden? Hadden, tot hiertoe, niet alle vijanden voor

de macht hunner wapenen moeten zwichten?

Minachtend, honend zagen zij op hunne tegenstanders neer en, door

hoogmoed verblind, zonder nadenken, gingen zij den onrechtvaardigen

strijd aan, tegen hen, die, als helden, het dierbaarste verdedigden, dat

menschen op aarde bezitten kunnen.

Hevig woedde de kamp. Menschenbloed werd bij stroomen vergoten,

doodskreten klonken, akelige zuchten van gewonden lieten zich hooren en

de gouden Julizon, die veel liever eene zee van ruischende korenaren had

doen rijpen, weende omdat zij de kinderen der menschen, als te vroeg

afgemaaide halmen, ter aarde zag vallen.

Omstreeks den middag, lagen meestal de trotsche ridders in het zand;

hunne gulden sporen, hunne harnassen, helmen, waren met bloed bevlekt,

hunne wapperende vaandels gescheurd, bezoedeld en door het slijk

gesleurd.

Een daverende kreet van vrijheid en verlossing galmde over stad en dorp,

over land en water; de beste, de liefderijkste aller moeders was gered

door hare minnende, dankbare kinderen.

46.--Strijd der vlaamsche Gemeenten tegen den koning van Frankrijk.

Alvorens nog het slot van het voorgaande sprookje gelezen te hebben,

hadden de meeste mijner lezers waarschijnlijk geraden, dat de trotsche

vorstin Frankrijk was en de liefderijke moeder Vlaanderen.

De koningin draagt eenen mantel, die met zilveren leliën is geborduurd;

een zwarte leeuw, op gouden veld, rust aan de voeten der kloeke,

Vlaamsche moeder.

Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot Vlaanderen, dat arbeid als

adeldom beschouwde, welks kinderen leerden spinnen, weven, metselen,

timmeren, den akker bebouwen en dat dan ook, door diezelfde kinderen, om

zijn kloek verstand, zijne rechtschapenheid, zijn gulden hart werd

bemind en verdedigd?

De koning van Frankrijk, Philippe le Bel (de Schoone) en zijne vrouw

Johanna van Navarre[31] beseften ten volle de stoffelijke waarde van

Vlaanderen.

Maar Philippe was listig; hij wachtte zich wel zijne inzichten openbaar

te maken.

Op sluwe wijze mengde hij zich in de innerlijke twisten, die, zooals wij

vroeger leerden, de inwoners onzer gemeenten verdeelden.

Langzamerhand won hij de gunst der edellieden en rijke burgers, die

hoopten, dat de koning hunne zucht naar alleenheerschappij zou

begunstigen.

Zoo kwam het dat, al wie in Vlaanderen den koning van Frankrijk genegen

was, den naam kreeg van Leliaart.

De menschen van den lagen stand, de nederige ambachtslieden, hielden van

de Leliaarts niet, en heetten «Klauwaarts» naar de klauwen van den

Vlaamschen Leeuw.

Gwyde, graaf van Vlaanderen, ijverzuchtig op den invloed der Leliaarts

zijnde, steunde de Klauwaarts. Gwyde werd tot tweemaal toe gevangen

genomen door den koning van Frankrijk, die Vlaanderen bemachtigde.

[Illustration: Fransch wapenschild.]

[Illustration: Vlaamsch wapenschild.]

In 1301 brachten Philippe le Bel en zijne gemalin een bezoek aan

Vlaanderen en de koning vertrouwde het bestuur van het graafschap toe

aan een Fransch edelman, Jacques de Châtillon.

Maar de Klauwaarts, de wakkere zonen van Vlaanderen waakten. Zij zouden

de plannen van den arglistigen koning verijdelen!

De Leliaarts intusschen zagen hoe langer hoe meer, misnoegd neer op de

Klauwaarts en Jacques de Châtillon toonde zich zoo onkundig in het

besturen van het graafschap, dat de geheele volksklasse tegen hem aan

het morren ging.

Te Brugge kwamen de inwoners in opstand en doodden op éénen nacht

honderden Franschen en Leliaarts.

Jacques de Châtillon vluchtte naar Frankrijk en de meeste gemeenten

kozen partij voor de Klauwaarts.

Te Brugge stelden zich Pieter de Coninc, deken der wevers en Jan

Breydel, deken der vleeschhouwers aan het hoofd der neringen, die de

wapenen hadden opgenomen. De Bruggenaars vielen in hunne stad onverhoeds

de Franschen aan en doodden ze in grooten getale. Deze gebeurtenis noemt

men de «Brugsche Metten.»

* * * * *

Weldra zond Philippe le Bel naar Vlaanderen een schitterend leger, dat

onder bevel stond van zijn broeder Robrecht van Artois.

De bloem der Fransche ridders maakte deel uit van dat leger en de

koning, in zijne gramschap, had bevolen de steden te plunderen, de

velden te verwoesten, de bevolking uit te roeien en--hoe schandelijk

zulks in het boek der Geschiedenis te moeten neerschrijven--de ridders

haakten er naar het bevel des konings ten uitvoer te brengen!

Maar de Vlaamsche gemeentemannen zouden het menschonteerende schelmstuk

beletten!

Op den Groeningen kouter, bij Kortrijk, wachtten zij, in dichte

gelederen, de vreemde indringers af en deze meenden, reeds bij den

eersten aanval, de nederige poorters te verpletteren, die zij

verachtten.

Eene smalle beek liep door de moerassige weide en scheidde beide legers

van elkander.

In onstuimige vaart, waagden het de Fransche ridders de beek over te

springen, maar, belemmerd door hunne zware wapenrustingen, zonken zij

met hunne paarden in het slijk.

Toen trokken de gemeentemannen in gesloten gelederen voorwaarts,

roepende: «Vlaanderen den Leeuw!» Zij richtten onder de Fransche edelen

eene vreeselijke slachting aan; prinsen, ridders, voetknechten, Robrecht

van Artois, Jacques de Châtillon bleven op het slagveld.

Na den veldslag raapte men, op de met lijken bezaaide vlakte, meer dan

700 gulden sporen op, welke men als zegeteekens in Onze Lieve Vrouwkerk

te Kortrijk ophing.

De bloedige veldslag, die plaats greep op 2 Juli 1302, draagt den naam

van Gulden Sporenslag.

De mare van deze nederlaag weerklonk in ons land en in den vreemde. Te

Rijsel, te Yperen, te Gent kwamen de Klauwaarts aan het hoofd der

gemeenten en de gemeentemannen bekwamen talrijke voorrechten. Zelfs in

Frankrijk verzetten de nederige ambachtslieden van sommige steden zich

tegen den koning en de steden van Italië zonden hare gelukwenschen aan

de Vlaamsche gemeenten.

De merkwaardige Sporenslag had nog een ander belangrijk gevolg:

[Illustration: Zegel van 1305.]

Hadden de Fransche ridders de overwinning behaald, Vlaanderen ware bij

Frankrijk ingelijfd en een Fransch wingewest geworden. Zijne taal, zijne

beschaving, zijne kunst zouden uitgeroeid zijn en het tegenwoordige

België niet bestaan.

Eere dus aan de Vlaamsche Zonen, die zoo heldhaftig hunne moeder

verdedigden.

47.--Hongersnood!

Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten

huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge

vrouw te zuchten en te weenen.

Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieën lag,

kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als

die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide

in zijn wijdgeopende oogjes[32].

«Arm Betteken, ween zoo droevig niet» snikte de jonge moeder. «Gij zijt

ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen,

geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten

werkeloos op de Vrijdagsmarkt.

Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te

vinden, alle weefgetouwen liggen stil.... God weet! wanneer die akelige

toestand veranderen zal!...»

Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap

suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op

te houden.

De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met

treurigen, doch liefderijken blik.

Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar

bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf

en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en....

«Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van

koude!» gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het

wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en

weenend, de trap af, naar beneden stormde.

Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het

ziekbed harer moeder was gezeten.

Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op,

terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte.

«Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,» sprak het meisje, maar

de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar

Betteken met tranen en kussen.

«Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,» sprak de zieke moeder

tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot

het bijkomt....» en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw

vallen.

Livina deed zooals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje,

dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het

wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes.

De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de

oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd

weenende moeder.

«Goede Livina, heb dank!» kreet Katelijne, maar Livina scheen hare

dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard,

dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te

verwarmen.

«Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,» sprak Livina,

«blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert....»

«Wij ook zijn ongelukkig,» vervolgde zij op de kranke wijzend, «maar

eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen

evenmensch verschuldigd zijn.»

«Er is nog brood in de schapraai,» sprak de zieke moeder, «Livina, zet

het Katelijne voor en warm heur wat melk. »

«Ik dank u, Geertrui,» antwoordde Katelijne. «Gij zijt al te, goed, gij

zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos.»

«Dezen morgen,» zei thans Livina, «verkocht ik bij den juwelier in de

Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van

honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin

alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.»

Katelijne schudde het hoofd. «In onze stad is alle nering uitgedoofd,»

sprak zij treurig.... «Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te

zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek.»

«Hoop op de toekomst,» vervolgde Livina. «Heeft de Wijze Man niet

beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van

den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste

geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen,

zullen de neringen den arbeid hebben hervat.»

«Moogt gij waarheid spreken,» hernam de jonge moeder, ... «maar de

honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.»

Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden

juichend binnen.

«De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!» riepen zij als uit

eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de

Neringen kunnen den arbeid hervatten!

De oogen der beide mannen straalden van blijdschap.

De jongste, Livina's broeder, was een weversgezel, klein van gestalte,

mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen.

Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige

voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen.

Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren.

Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen

en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem

over de wangen biggelden.

«Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij....» maar

Livina hoorde niet.

Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke.

«Thans zult gij spoedig genezen, moeder,» lachte Antoon. «Naarstig en

onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog

veertien dagen en, aan Livina's arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt.

De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken

naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug.

«Boven is het veel te koud» sprak hij «warmt u bij den haard en deelt

ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den

arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!»

48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent.

Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg

bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare

1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.

[Illustration: Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)]

Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was

gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten

betwistten elkaar zijne kroon.

Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard

III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige

oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van

Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en

wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken.

Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen

en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van

nijverheid onzer streken, ten gronde gericht.

De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme

voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners

letterlijk van honger en gebrek.

In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk

door zijne wijsheid en welsprekendheid.

Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem «den

Wijzen Man van Gent.»

«Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man» riepen de Gentenaars als

uit éénen mond. «Hij alleen kan ons redden.»

Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven

met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van

Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten

blijven.

Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne

taak op uitstekende wijze.

Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen,

de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol

werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp.

De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne

bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond,

dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland.

Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad

van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van

Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen.

De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze

overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een

wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen.

Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van

Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van

Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw,

rivier-en zeevaart herleefden.

49.--Broedermoord.

Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen

nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon,

Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid.

Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning,

gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch

geluk zijn er binnengedrongen.

Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar

vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen

elkander scheldnamen toe.

En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en

tranen aangebroken.

Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten.

«Zoek eene andere woning,» had hij zijne vrouw toegesnauwd, «bij den

hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen.»

Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had

zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld.

Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch.

De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm

niet bedaren, die in zijn binnenste woedde.

Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning

verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en

moord had gemompeld.

Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst

biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede:

«En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.»

«Verlos ons van den kwade» prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals

de andere vrouwen, verschrikt op.

Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen

ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt

een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige

zee, tot het oor der vrouwen doordrong.

«Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij

de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen.»

«Ik vergezel u, Livina» sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen,

moord en doodslag beletten.

«Moeder» sprak Livina vastberaden, «sluit de deur dicht achter ons,

verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche

ambachtslieden.»

De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt.

Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een

akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof.

Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met

opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen,

vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen,

sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers

woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten

van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog.

Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet

Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina

bij den arm mede in de richting der Waaistraat.

De knieën van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin....

Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet,

haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de

borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide.

«Gij zult niet doodslaan,» riep Katelijne, «hebt gij vergeten dat Simons

zuster ons kind van den dood redde?»

Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de

hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg.

Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed

afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een

dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de

vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der

Wolvesteeg.

50.--Dood van Jakob Van Artevelde.

De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende,

zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de

geschiedenis met den naam van «Quade Maendach» bestempeld.

De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van

werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van

groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken.

Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten

beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de

verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander.

In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in

volslagen vijandschap.

De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals

het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en

afgrijselijke broedermoorden pleegden.

Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te

dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig

genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken.

Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd

waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen

getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen.

In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III

te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen

koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo

geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende

volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in.

De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren,

maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de

bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten

volksvriend verheffen.

Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad.

Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde.

Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de

Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.

51.--Graaf Lodewijk van Male.

Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne

minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen.

«Ik houd het met den graaf» zei Ghysbrecht Mahu «hij is rijk en machtig.

Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en

ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en

mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden

getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van

Vlaanderen.»

«Ik houd het met mijn volk» sprak Jan Yoens. «Ik wil lijden als het

lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid.»

En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende

feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen,

Picardië[35], aan zijn hof.

Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving

die in zijne paleizen en op zijne kasteelen.

De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden

van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen.

De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij

droegen faliën van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of

zilver doorweven.

Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de

feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting

afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en

verzetten zich tegen die onwettige afpersing.

«De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om

kluchtspelers en potsenmakers te betalen,» sprak een hunner en al de

andere poorters vereenigden zich met zijne weigering.

Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan

de gemeente vroeg.

«Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der

Leie kunt afvoeren,» beloofde hij, «die vaart kunt gij verbinden met de

Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar

Brugge worden gevoerd.

De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden

genoten.

Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en

weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den

loop der Leie te verleggen.

De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart

bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met

zijne raadgevingen bij te staan.

«Laten wij opstaan en strijden» sprak Yoens. «Als wij overwinnen zullen

wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd

voortzetten.»

Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het

hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat

God ons bescherme!»

Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus

genaamd naar hun hoofddeksel.

Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen

Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde.

In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel

en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne

helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou.

Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en

staken te Wondelgem zijn kasteel in brand.

Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde,

Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den

burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling.

Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg

geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen;

eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande

hij Vlaanderen gered.

Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het

onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens

ongesteld en voelde zijn einde naderen.

Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te

brengen, doch Yoens stierf onderweg.

Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de

geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare

Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij

Vlaanderens graaf geweest.

De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die

gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer

voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.

52.--Philips Van Artevelde.

Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij

het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten

verzonken.

Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde.

Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo

ongelukkige Gent.

Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was

alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde.

Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden

voor zijn huis vergaderd.

Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe verslagenheid,

ellende, gebrek te lezen.

De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het bestuur

der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, doch

roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen:

«Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood bedreigt

ons.

De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon minder

vaderlandlievend zijn dan de vader?

Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij plaatsen

Gent onder uwe bescherming.»

Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees het

bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen.

Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van ziel,

zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten?

«Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal ik

zijn zoon, voor u beproeven,» sprak hij vastberaden.

«Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op de

Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen.»

Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen

volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: «Heil! Ser Filips, heil!» galmde

het door de straten der stad.

Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het graan

op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het aan

het volk uitdeelen.

Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer dan

duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood.

Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den graaf

onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat het

Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan zich

daaraan te onderwerpen.

Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: «Vrij

of dood» riepen zij uit en meer dan vijfduizend wapenknechten, al die

nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen,

verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar Brugge,

waarheen de graaf zich begeven had.

Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen met de

Gentenaars, op de heide van Beverhout.

Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven

uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende overwinning.

De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden hem

tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar

zolderkamertje verborg.

's Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge te

ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen zijne

onderdanen.

Alle steden trokken partij voor de Gentenaars.

In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den

veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons land.

Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die Oudenaarde

belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om den

vijand den weg naar Brugge te versperren.

De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een ongelooflijk

vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel niet

uit, zooals hij het had voorspeld.

Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden

gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood op

het slagveld.

Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht genoeg

over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede

geteekend.

Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw · 第 4 / 8 题