14.--De Salische Wet.[7]

Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op

Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken

waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze

laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.

Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend

door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk

hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of

paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden

boom.

Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der

vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde

de rechtsprekenden van de menigte.

Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor

den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den

beschuldigde.

Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de

vierschaar (vier scarnen) dagen?

Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener

aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan

Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort.

Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne

natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met

de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het

oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet.

15.--Van een Koning en eene Prinses.

Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene

prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord,

zegde men, door haren oom, die een boos mensch was.

De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom

gebood haar de stad Genève te gaan bewonen. Daar leerden de menschen

haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme

lieden, zooveel zij maar kon.

Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden,

groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel

goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen.

Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling,

Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Genève te begeven en

er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken.

De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar,

ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den

staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der

prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning

opnam.

Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten

wiesch, sprak hij met gedempte stem: «Jonkvrouw, ik wensch met u een

onderhoud te hebben.»

De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het

zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. «Jonkvrouw,» sprak hij, «de

koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als

koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner

vereering, dezen prachtigen ring voor u mede.»

[Illustration: Gallië]

De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den

ring en antwoordde: «Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken,

doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat

hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming

tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de

raadsheer van mijnen oom vóór dien tijd uit Konstantinopel terugkeert,

dan zal hij hem tot weigeren aanzetten.

Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde,

ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde.

Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en

ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der

prinses.

Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en

gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en

brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie

dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet.

Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag

van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem

de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne

toestemming tot het huwelijk.

De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in

eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na

een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: «Wij reizen veel te

langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af

te leggen.»

De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig;

want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het

gebeurde vernemende, sprak tot den oom: «Gij handeldet verkeerd, niet

zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak

nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar

zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te

brengen.»

En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar

onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de

prinses.

Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden

koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en

gelukkig.

16.--Hlodwig en Clotildis.

«Jammer» zegt een mijner lezers, «dat voorgaand verhaal een sprookje, en

in werkelijkheid niet gebeurd is.»

Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette

Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was

de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was

Hlodwig, beroemde Frankische vorst.

Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of

geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den

romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in

Frankrijk.

Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met

elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en

tweedracht.

Niet zelden werden in Gallië de oogsten vernield door ruwe krijgslieden,

die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen

wondden en doodden.

In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallië trof

men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne

bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden

geëerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims.

Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke

overwinningen in Gallië, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496).

De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne

overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en

besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene

zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings

met ongemeenen luister gepaard ging.

Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren

versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en

gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke

stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door

zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door

eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods

aanhieven.

De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd.

Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen,

bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallië tot aan de

Pyreneeën. Hij stierf in 511.

17.--Amandus.

Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig

regeerde, leefde in Aquitanië[9] een zeer rijk paar, dat maar éen zoon

had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken

godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen.

Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen

in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde

echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden.

Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den

Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven.

Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en

Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In

dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen

tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan.

Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die

noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden.

Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige,

en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen

godsdienst.

Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel

waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was

gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en

volgelingen van Amandus.

Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo.

Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen.

18.--Sint Bavo.

In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd.

Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel

voor wereldsche genoegens.

[Illustration: Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint

Bavo.]

Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus

bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te

wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens,

onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in

de abdij, gesticht door Amandus.

Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood,

in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd.

Vele rijke mannen en vrouwen schonken, in navolging van Bavo, gronden,

bosschen, weilanden, vijvers, aan de abdij, die langzamerhand rijk werd.

[Illustration: Fragment van een Romaansch klooster.]

Weldra was de houten kerk door eenen steenen kerk vervangen; een

klooster werd gebouwd waarin zich de cellen der monniken bevonden,

talrijke bijgebouwen werden opgetrokken: schoollokalen, molen,

brouwerij, smis, werkplaatsen voor handenarbeid, stallingen, schuren. In

het omliggende strekten zich tuinen, weiden en boomgaarden uit; want, de

monniken bebouwden de velden en ontgonnen de woestenijen.

De abdij van Sint Bavo was de eenige niet, die door den heiligen Amandus

werd gesticht. Op den Blandinusberg, stichtte hij de Sint

Pieters-abdij, die op hare beurt zeer bloeiend werd.

Gedurende de VII^{de} eeuw werden op verscheidene plaatsen van ons land,

vrouwen-en mannenkloosters gesticht, in wier nabijheid zich niet zelden

landbouwers en ambachtslieden vestigden.

Verscheidene dorpen en steden hebben aan abdijen hun ontstaan, hunne

ontwikkeling of hunnen bloei te danken. Bergen, Nijvel, Andenne, S^t

Ghislain, Stavelot, Lobbes, Zinik, Fosse, S^t Hubert, Moustier-s/Sambre,

Marchienne, Denain.

Aan de bekeering onzer voorouders tot den Christelijken godsdienst

arbeidden niet alleen Sint Amandus maar ook in het Scheldedal Sint

Eligius +659; in het Maasdal, Sint Remaclius +668. In het begin der

VIII^e eeuw bekeerden Sint Lambertus en anderen, de laatste heidenen van

Kempenland, Brabant, Ardennen.

19.--Het Wandelend Woud.

Het was een koude najaarsdag; de zwaluwen waren naar verre streken

vertrokken, de wind huilde en plasregens maakten, in het vruchtbare

Haspengouw, den vetten kleigrond week en glibberig.

In de woonhalle eener groote Frankische villa zaten drie vrouwen, die

zich met handwerk onledig hielden. De oudste, eene zestigjarige, droeg

eenvoudige grove kleederen en was druk aan het vertellen, terwijl hare

twee gezellinnen, mooie jonkvrouwen met zachte, ernstige oogen, zwegen

en van tijd tot tijd treurig en als gejaagd, elkander aanstaarden.

De oudste vrouw, Machteld, was de dienstmaagd der jonkvrouwen die, naar

hare kleeding en manieren te oordeelen, tot eene zeer hooggeplaatste

familie behoorden.

De oude Machteld ondertusschen vertelde:

«Childebert, koning van Austrasië[10], verklaarde den oorlog aan

Fredegonde, de booze koningin van Neustrië[11]. Deze stelde zich aan het

hoofd van hare krijgslieden, vertrok en bereikte de stad Brennacum[12],

waar zij vernam, dat het leger van Childebert talrijk was en haar, op

bepaalden dag en uur, slag zou leveren.»

De booze, doch krachtdadige vrouw, de nederlaag vreezende, verzon eene

list: «Dezen nacht» sprak zij tot hare krijgslieden, «zullen wij onzen

tocht voortzetten; gij moet brandende fakkels aansteken, groene takken

van de boomen hakken, die medenemen en schelletjes vastmaken aan den hals

der paarden. Bij het krieken van den dag zullen wij onze vijanden

aanvallen en ze gemakkelijk overwinnen.»

En de krijgslieden volbrachten het bevel der koningin. Met hunne lange

zwaarden hakten zij de groene takken der boomen af, hingen rinkelende

belletjes aan den hals hunner paarden en, toen zij, na dezen arbeid

oprukten, vormden zij een wandelend woud dat, van de helling der heuvels

in de vlakte afdaalde.

Een schildknaap in het kamp van Childebert zeide: «Wat wonder gebeurt

hier! Een woud verrijst op de plaats waar zich gisteren nog naakte

velden uitstrekten!»--Zijn aangesproken gezel lachte en antwoordde:

Slaapt of droomt gij? Hoort gij de schelletjes niet onzer paarden, die

hier dichtbij aan het grazen zijn?» Maar de soldaten van Fredegonde

bliezen op hunne oorlogstrompetten, vielen de Austrasiërs aan, doodden

er velen en joegen de anderen op de vlucht.

Zegevierend zette Fredegonde haren tocht voort tot aan Reims, en

plunderde de heele landstreek....»

Hier onderbrak Begga het verhaal van Machteld en sprak: «Altijd oorlog,

altijd bloed en moord!» waarop Geertrui, hare zuster, vervolgde:

«Staak uw verhaal, Machteld», het stemt mij al te droevig. De ooievaars

zijn vertrokken, de wegen zijn slecht en onveilig en onze vader, Pepijn,

die in het voorjaar tegen de Friezen[13] te velde trok, is nog niet

teruggekeerd.»

De oude Machteld schudde het hoofd en sprak vastberaden:

«Uw heer vader, jonkvrouwen, zal niet lang meer toeven. Hij is niet

alleen de beste mensch maar ook de meest bedreven krijgsman van

Austrasië. Geen Fries, hoe dapper ook, is tegen hem opgewassen, Pepijn

zal den roem der Franken handhaven en onze gouwen tegen de invallen der

vreemde krijgers weten te beschutten.»

«Mocht gij waarheid spreken» zuchtte Begga. «Gisteren nog heb ik God

beloofd dat, zoo mijn vader ongedeerd terugkeert, ik Hem in het hier

dichtbij gelegen woud, een fraai bedehuis zal laten oprichten.»

«En ik beloofde den Heer een kostbaar altaar, dat ik behangen zal met

borduursels, eigenhandig door mij vervaardigd,» zeide Geertrui.

De beide meisjes bogen het hoofd en zwegen, terwijl de getrouwe

Machteld, die de treurige jonkvrouwen niet meer storen durfde, zuchtte

en de oogen van haar werk niet meer ophief.»

Eene pijnlijke stilte heerschte in het vertrek, terwijl daarbuiten de

wind bedaarde en de regen niet langer nederviel....

Eensklaps weergalmde een krachtig hoorngeschal door de wijde vlakte. De

vrouwen sprongen op en riepen met blijde verrassing: «De hertog! onze

heer! onze vader is daar!»

In hoopvolle verwachting, haastig, hijgend, verlieten zij de woonhalle,

gevolgd door eene talrijke schaar dienaars die, evenals zij, het

opwekkend hoorngeschal hadden gehoord en den lang verwachten heer en

meester wenschten te begroeten.

Weldra verscheen hij aan de houten poort der villa, te paard gezeten, de

wapens in de hand en gevolgd door eene machtige schaar krijgslieden die,

ten teeken van zege, met hunne wapens op hunne schilden sloegen, terwijl

de dienaars en dienstmaagden, alsmede de juichende jonkvrouwen in de

handen klapten en, uit volle borst «Heil Pepijn! heil onzen hertog!»

riepen.

20.--De Zonen van Hlodwig.

Na den dood van hunnen vader, in 511, verdeelden de zonen zijn rijk. Zij

en hunne afstammelingen breidden de macht der Franken zuidwaarts in

Burgondië en oostwaarts in Germanië uit.

De zonen en afstammelingen van Hlodwig waren gedurig met elkander in

twist. De vertelling van het «Wandelend Woud» herinnert aan die

bloedige, vaak gruwelijke worstelingen, tusschen de leden eener zelfde,

koninklijke familie.

Ten gevolge dier twisten verzwakte het gezag der Frankische koningen

aanmerkelijk. Zij bleven niet langer de ruwe, kloeke strijders, die wij

vroeger, dorstend naar roem en buit, te velde zagen trekken. Misschien

wel ondergingen zij, in Gallië gevestigd, den invloed van het zachte

klimaat en den vruchtbaren bodem.... Niet zelden geeft men hun den

leelijken naam van «Luie of Vadsige koningen.» Of zij dien verdienden

zal ik hier niet beslissen.

Pepijn, bijgenaamd van Landen, behoorde tot een aanzienlijk geslacht;

hij woonde in Haspengouw, waar hij uitgestrekte landgoederen bezat. Die

rijkdommen, gij vermoedt het licht, waren van groote beteekenis, bij een

volk, dat schier uitsluitend van den landbouw leefde.

Evenals andere beroemde vrouwen harer familie onderscheidden Geertrui en

Begga zich door hare vroomheid. Begga stichtte de beroemde abdij van

Andenne aan de Maas, terwijl de nagedachtenis van Geertrui heden nog te

Nijvel in Brabant wordt geëerd.

Beide vrouwen werden, na haren dood, door de Kerk heilig verklaard.

Wat Pepijn betreft, hij werd, na zijnen roemvollen tocht tegen de

Friezen, door koning Lotharius II verheven tot het ambt van Majordomus

of hofmeier.

Nu was hij de hoogste hof-en staatsdienaar. Hij bestuurde de

landgoederen des konings, die zeer talrijk en uitgestrekt waren, en

voerde de krijgslieden aan.

Die taak was niet gemakkelijk, maar moedig en vastberaden, volbracht hij

haar, tot aan zijnen dood, in 647.

De zoon van Begga, Pepijn van Herstal bekleedde in 687 de waardigheid

van Majordomus. Hij verbeterde het Frankische leger en breidde zijne

heerschappij uit over onderscheiden Germaansche volken. Zijn zoon, Karel

Martel, werd door zijne overwinning op de Mooren, de redder van de

Christenheid.

Intusschen was het koningschap der Merovingers[14] zóo onbeduidend

geworden, dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte (741-768) na de

zege te hebben behaald in den strijd tegen deSaksers in Germanië en tegen

de Longobarden in Italië, zich niet ontzag den laatsten Merovinger in een

klooster te plaatsen en zelf den troon te beklimmen. Dit gebeurde in 752.

In het volgende verhaal zullen wij kennis maken met Karel, bijgenaamd

den Grooten, den vermaarden zoon van Pepijn.

21.--Van eenen armen, kleinen Zanger en een grooten Keizer.

Er was eens een stokoud moedertje, dat, met haren kleinzoon Engel, een

tienjarigen knaap, eene kleine, lage hut bewoonde, vlak aan den oever

der Schelde, dichtbij de abdij van Sint Bavo, te Gent.

Engel had een stemmetje, zoo helder als kristal; de jongen deed dan ook,

dag in, dag uit, niets dan zingen. In huis, aan den oever der rivier, in

het woud, op de weide, liet hij de eenvoudige volksliederen weerklinken,

die herders en herderinnen, knapen en meisjes hem leerden, als zij

bloemen plukten of hout sprokkelden.

De heeren der abdij kenden Bertilia en haren kleinzoon en, toen de oude

vrouw, op zekeren stillen zomeravond voor eeuwig insliep, ontfermden zij

zich over de wees en besloten voor zijne opvoeding te zorgen. Zij

onderwezen den knaap in het kerkgezang en in de Latijnsche taal en

Engel, die vlug van begrip en leerzaam was, werd een uitmuntend

kerkzanger.

Op zekeren dag had in de abdij van Sint Bavo eene plechtige gebeurtenis

plaats. Karel, koning der Franken, keizer van het Westen, die de oevers

der Noordzee wilde bezoeken, stapte af in de abdij en genoot in de kerk

eene luisterrijke ontvangst.

Het bedehuis was met kostbare draperieën behangen; gouden wierookvaten

geurden, heerlijke Halleluja's weerklonken. Engel zong ter eer van den

vorst eene prachtige hymne die, op al de aanwezigen een diepen indruk

maakte en niet het minst op den keizer die, behalve een groot krijgsman

en vroom Christen, ook een bewonderaar was van de gewijde toonkunst.

Na de plechtigheid liet Karel zich den jongen zanger voorstellen, die

hem, om zijn innemend voorkomen en bescheiden manieren, zóo beviel, dat

hij besloot Engel naar zijn paleis te zenden, waar hij, onder leiding

van Italiaansche meesters, zijne muzikale opleiding voltooien zou.

De keizer zette zijne reis voort. De abt, die door Karel met eene

dringende zending naar Aken was belast, zou ook den zanger naar de stad

geleiden.

De keizer had een twintigtal gewapende mannen ter beschikking gesteld

van de reizigers, die weldra, vergezeld van een tiental geestelijken en

eenige dienstknechten, vertrokken.

De reis van Gent naar Aken, die wij heden per spoor, in eenige uren

afleggen, duurde in dien tijd verscheidene dagen. De abt volbracht haar,

gezeten in eene draagkoets, terwijl de lieden van zijn gevolg te paard,

te voet, in wagens, achteraan kwamen of vooraan reden.

De tocht was niet eentonig en overal genoten de reizigers het beste

onthaal; reeds in den namiddag van den eersten dag, kwam de

_Centgraaf_[15] hen te gemoet. Hij begroette den abt en verzocht hem

den nacht onder zijn dak te willen doorbrengen.

Dit vriendelijk aanbod werd dankbaar aanvaard en 's anderendaags, heel

vroeg in den morgen, vertrokken uit de woonhalle van den gastheer twee

boden te paard, om de bewoners van een klooster, dat op zes uren afstand

lag, te verwittigen, dat de reizigers er tegen den avond zouden

aankomen; want, in dien tijd waren kloosters en abdijen de plaatsen,

waar reizigers van aanzien, abten, bisschoppen, hertogen, zelfs koningen

werden geherbergd.

In Haspengouw vertoefden Engel en zijne reisgenooten eenige uren op de

villa van eenen graaf, waar hun een groot gastmaal werd aangeboden. Niet

ver vandaar bezochten de reizigers een landgoed van den keizer en

bewonderden het vernuft van den grooten man die, wat veeteelt en

tuinbouw betreft, met groote kennis van zaken handelde. Op zijne

domeinen, werden voedingsgewassen en artsenijplanten gekweekt, zelfs

meekrap, die tot het verkrijgen van verfstof werd gebezigd. Tal van

vruchtboomen, verschillende soorten van appels, peren, pruimen, perziken

groeiden in zijne tuinen.

Op twee uren afstand van Maastricht ontmoette de karavaan den

_Zendgraaf_, een vriend van den abt. Hij was vergezeld van een talrijk

gevolg.

De _Zendgraaf_ was een aanzienlijk en ervaren man; hij bereisde het

Land om overal een wakend oog te houden en de rechten en wetten van den

keizer te doen eerbiedigen.

Hij bracht zijnen vriend tot aan Maastricht en hier rustte men gedurende

een geheelen dag. De stad was toen zeer bloeiend; er lag eene brug over

de Maas en talrijke booten beladen met koopwaren, wijn, graan en andere

levensmiddelen voeren op den breeden stroom.

Engel had in de laatste tien dagen zeer veel gezien en geleerd en

nochtans wenschte hij vurig de stad Aken te leeren kennen, en er zijne

muzikale opleiding te voltooien.

* * * * *

Eindelijk braak het lang gewenschte oogenblik aan en onze reizigers

mochten de beroemde stad binnentreden.

Engel oordeelde haar zeer «prachtig» en stemde ten volle in met de

inwoners, die Aken een tweede Rome noemden. Het verkeer was er levendig,

men trof er een ruim plein aan met prachtige huizen, bewoond door

prinsen en hertogen.

De stad was een schouwburg rijk, ook verscheidene badhuizen en een

heerlijk paleis, waar Karel niet zelden den winter doorbracht.

De abt van Sint Bavo stelde Engel voor aan den Italiaanschen meester,

onder wiens leiding de jonge zanger studeeren zou en, eer hij vertrok,

sprak hij Engel in dezer voege toe:

«Mijn zoon, ik stel vertrouwen in u, werk en studeer naarstig; als ik

hier den landdag hoop bij te wonen, wil ik van uwe meesters en van onzen

doorluchtigen keizer niets dan goeds over u vernemen.»

Engel beloofde zijn best te doen; hij studeerde dan ook veel en voldeed

dermate zijnen nieuwen meester, dat deze besloot den jongen zanger ter

gelegenheid van het verjaringsfeest van de kroning des keizers, in de

kapel van het paleis te laten zingen.

Karel de Groote van zijne reis teruggekeerd, woonde met zijn gevolg, de

kerkelijke plechtigheid bij en, toen Engel zijn gezang aanhief, wist hij

er zooveel dankbaar gevoel, zooveel kunst in te leggen, dat al de

aanwezigen er door getroffen waren.

[Illustration: Mannelijke kleederdracht (IX^e eeuw).]

Karel wenschte meester en leerling geluk en besloot den jongen zanger

aan zijn hof te verbinden.

Schier elken dag zong nu Engel in de kapel van het paleis, een der

schoonste bedehuizen der IX^{de} eeuw en leerde meer en meer den grooten

man waardeeren, die door zijne tijdgenooten zoo hoog werd geroemd.

De keizer was zeer werkzaam; het grootste deel van zijnen tijd wijdde

hij aan het welzijn zijner onderdanen.

Wel is waar liet hij de verschillende volken, waarover hij regeerde, in

het bezit van hunne eigenaardige instellingen en wetten, maar hij

trachtte toch eenheid in zijn bestuur te brengen en daartoe vaardigde

hij onderscheidene besluiten uit, die men capitulariën, noemt.

Niet zelden liet hij, na een dag ernstigen arbeid en studie, Engel bij

den maaltijd ontbieden om te zingen; als er geene muziek gemaakt werd,

deed de vorst zich iets uit de geschiedenis der Oudheid voorlezen, of

iets uit de werken van den heiligen Augustinus, dien hij bijzonder

hoogschatte.

Engel ontmoette aan het hof den geleerden Alcuinus, een Angelsaksischen

monnik, ook wel den geschiedschrijver Paulus Diaconus, den taalkundige

Pieter van Pisa, Eginhard, die Karels geschiedenis schreef, en anderen

meer.

De jonge zanger, die wenschte zich te volmaken in de kennis der

Latijnsche taal, kreeg verlof van den keizer om de lessen bij te wonen

aan de hofschool, waarin de kinderen van den vorst en de zonen der

rijksgrooten onderricht ontvingen.

[Illustration: Vrouwelijke kleederdracht (IX^e eeuw).]

De maand Mei brak aan en de lang gewenschte landdag, waarop Engel den

abt van Sint Bavo zou terugzien, naderde.

Het hart van den jongeling klopte van blijde verwachting en op den

bepaalden dag trok hij, vol ongeduld, vóór het krieken van den morgen,

de stadspoort uit en zijne weldoeners te gemoet.

Wat was er leven en beweging langs den weg! Schilderachtige groepen

begaven zich stedewaarts. Krijgslieden met glinsterende wapens en bonte

schilden, Zend-en Markgraven, Honderdmannen met talrijk gevolg, gezanten

uit vreemde landen in zonderlinge kleederdrachten, bisschoppen in rijke

draagkoetsen, donkergetinte zuiderlingen, Saksers van hooge gestalte

begaven zich naar het Meiveld, waarop de keizer de Rijksgrooten had

bijeengeroepen.

Na een half uur gegaan te hebben ontsnapte een vreugdekreet de borst

van den zanger. Hij herkende de lieden uit zijn land, de zware paarden

uit het Scheldedal, den wagen der abdij van Sint Bavo! Hij verhaastte

zijne schreden en o! zalig oogenblik ... hij mocht den waarden abt

begroeten, die ondanks zijne hooge jaren, zonder hinder voor zijne

gezondheid, den langen weg had afgelegd.

Haastig maakte hem Engel bekend met talrijke bijzonderheden over zijn

verblijf te Aken, over zijne studiën, over den keizer.

Na een paar uren verliet hij den eerwaarden heer, die de vergadering op

het Meiveld ging bijwonen. Hier werd door den keizer en de grooten

beraadslaagd over den toestand des rijks, over het voeren van oorlog,

over geschillen; ambtenaren werden aangesteld, nieuwe wetten

uitgevaardigd en gehoor verleend aan gezanten van naburige landen.

Verscheidene dagen bracht de abt te Aken door en toen keerde hij naar

Gent terug, zijn jongen vriend achterlatende, die hem een dankbaar en

hartelijk «tot wederzien» toeriep.

Helaas! het heerlijk verblijf van Engel te Aken, zou niet lang duren! In

814 stierf de groote keizer en diepbedroefd zong de zanger in de kapel

van het paleis, een lijkzang ter eere van den grooten man, dien hij zoo

hoogschatte.

Engel keerde naar Gent terug, beoefende uitsluitend de gewijde toonkunst

en vormde talrijke leerlingen, niet alleen te Gent, maar ook in de Sint

Amandusabdij te _Elnone_[16] aan de Schelde, waar hij eindelijk, evenals

vroeger zijn moedertje, op hoogen ouderdom, zachtjes insliep....

22.--Karel de Groote.

Het voorgaande verhaal was lang en toch zou ik er nog eenige

oogenblikken bij willen stil staan.

Ik ben overtuigd, dat de groote keizer,[17] die zich het lot van den armen

zanger aantrok, u niet meer onverschillig is. Hij verdient ten volle uwe

achting; hij was goed, verstandig, ontwikkeld, werkzaam, beschermde

kunstenaars en geleerden en bestuurde zijn uitgestrekt rijk op uitstekende

wijze.

[Illustration: Hoofdletters van handschriften der VIII^e eeuw.]

Weet gij ook, dat hij een groot krijgsman was? Hij bedwong de Saksers,

de Lombarden, de Arabieren, de Beierlingen en de Slaven. Ten jare 800

werd hij door den Paus van Rome, tot keizer van het Westen gekroond. Hij

zond geestelijken en zendelingen naar Germanië om er de beschaving en

het Christendom te verspreiden.

Hier te lande, heerschten gedurende zijne lange regeering rust en vrede;

onze voorouders woonden in het hartje van Karels rijk. Al wie van het

Zuiden, dus van Gallië naar Aken reisde, trok door ons land, dat

levendiger en dichter bevolkt was dan vroeger. Landbouw en veeteelt

verkeerden in bloeienden toestand, en het bezoek, dat onze vrienden

brachten aan de stad Maastricht, leert ons, dat er handel gedreven werd.

Op de Schelde, de Maas, den Rijn, de Moezel voeren booten en vlotten;

aan de oevers der zee fokte men schapen en de wollen stoffen van ons

land werden tot in Midden-Europa verzonden.

Onze voorouders dreven handel met Groot-Brittanje en Scandinavië;

immers, in Engeland en aan de kusten der Baltische zee heeft men

muntstukken der IX^{de} eeuw ontdekt, die hier geslagen werden.

Verscheidene bisschoppen en abten van ons vaderland waren vrienden of

beschermlingen van den keizer. De geestelijken bestudeerden de fraaie

letteren en Karel zond hun de beste meesters; Eginhard bestuurde

gedurende eenigen tijd de abdijen van Sint Pieter en Sint Bavo te Gent.

In de vrouwenkloosters zaten de geestelijke zusters niet ledig. Te

Maeseyck vervaardigden zij prachtig borduurwerk of versierden schoone

handschriften met de fraaiste penteekeningen.

Overal stichtte men bibliotheken; de scholen van het Sint

Amandusklooster te _Elnone_ aan de Schelde verwierven grooten roem onder

het bestuur van Hucbald, dichter, geschiedschrijver en de bijzonderste

toonkunstenaar der X^{de} eeuw. Hij geeft de eerste berichten over het

begin der meerstemmige muziek.

Te S^t Amand of _Elnone_ waren Dietsche en Waalsche of Romaansche

schrijvers.

Ook de scholen van het bisdom Luik waren beroemd. Zij brachten dichters,

taalkundigen, kunstenaars voort; bisschop Hartgar deed zich een paleis

bouwen versierd met fraai beeldhouwwerk en gekleurde glasruiten.

Karel was de grootste man zijner eeuw; zelfs na zijnen dood leefde hij

voort in de werken, die hij tot stand bracht en door het voorbeeld, dat

hij gaf.

23.--Renier en Albrade.

Omtrent het midden der X{de} eeuw leefde in Henegouwen een dappere en

geduchte graaf, Renier geheeten. Albrade, zijne vrouw, was een toonbeeld

van zachtheid en goedhartigheid.

Beiden woonden aan de oevers der Schelde in het midden hunner

onderdanen, die hun edelen heer en zijne doorluchtige gade om het zeerst

liefhadden.

Op zekeren dag verspreidde zich eene schrikwekkende mare door de

landstreek. De wreede Noormannen waren in aantocht; onder aanvoering

van Rollo, hun wreed opperhoofd, voeren zij de Schelde op, en onder het

zingen van woeste krijgsliederen, plunderden zij hoeven, kerken,

abdijen, dorpen, steden. Hier verschenen zij, snel als de wind, midden

in het gewoel eener jaarmarkt; ginds staken zij de woningen der menschen

in brand, doodden al wie zich durfden verzetten, stalen het goud-en

zilverwerk der inwoners, de heilige vaten der kerken. «Van de woede der

Noormannen, verlos ons Heer»! baden de menschen en weinigen waren er,

die tot verdediging durfden overgaan.

Tot deze laatsten behoorde Renier: «ik zal mijn volk tot den dood

verdedigen», sprak hij vastberaden en Albrade, de zachte, goede Albrade,

moedigde hem aan in zijn besluit.

Renier verzamelde zijne krijgslieden, doch in stede van een enkelen

grooten veldslag te wagen, lokte hij den vijand in hinderlagen en

bevocht hem in schermutselingen.

[Illustration: Schip der Noormannen.]

In éene daarvan nam hij twaalf voorname krijgslieden gevangen.

Toen Rollo zulks vernam, ontstak hij in vreeselijke woede, viel Renier

aan en nam, na een bloedig gevecht, den dapperen graaf gevangen.

In angstvolle verwachting vertoefde Albrade op haren burcht en, toen

zij de treurmare vernam, besloot zij alle middelen in het werk te

stellen om haren echtgenoot te redden.

Zij zond eenen bode naar Rollo met het voorstel hem zijne twaalf

krijgslieden tot lossing van graaf Renier terug te zenden, maar de

wreede Rollo kende geen medelijden: «Voor morgen», antwoordde hij «eisch

ik de gevangen krijgslieden terug, en daarbij al het goud en zilver van

de abdijen dezer streek.»

Albrade zond aan Rollo de twaalf gevangenen, daarbij eenen wagen vol

goud en kostbaarheden. Maar de wreedaard wilde meer.

Hij liet het goud wegen, wierp zijn met Runen[18] versierd zwaard in

eene der twee schalen en riep: «Brengt mij goud, tot beide schalen in

evenwicht blijven.»

Albrade zocht haar laatste goudwerk: den met edelgesteenten versierden

ring, dien zij, vóór jaren als bruidsgeschenk van haren echtgenoot had

ontvangen; het kostbare kruis, een aandenken harer moeder, het zilveren

gevest van het zwaard haars vaders, doch de wreede Rollo was nog niet

voldaan.

Albrade was wanhopig en zocht in vertwijfeling naar een laatste

redmiddel, toen hare onderdanen, haar te hulp kwamen. Uit eigen

beweging, ontdeden zij zich van het goud en de kostbaarheden, die zij

nog bezaten en gingen die nederleggen aan de voeten van den wreeden

Noorman.

Rollo, die niet eens wist wat genegenheid was, zag dit alles eerst met

verwondering, daarna met aandoening aan.

Hij ontbood Renier, ontdeed hem van zijne boeien en sprak: «Wat zijt gij

gelukkig, Graaf, die door eene zoo brave echtgenoote en door talrijke

onderdanen teeder wordt bemind. Keer tot hen terug, blijf niet langer

mijn vijand, maar word mijn vriend.»

Rollo gaf al de aangebrachte schatten terug en sloot met Renier een

vredeverbond.

24.--Invallen der Noormannen.

Wat moest het er, gedurende die lang vervlogen eeuwen, in ons land

akelig uitzien! Platgeloopen akkers, geplunderde kerken en kloosters,

dooden, gewonden, armoede, verdriet en lijden.

Zoolang Karel de Groote leefde, durfden de geduchte Noorsche Zeeroovers

zich op onze kusten niet vertoonen, maar, na zijnen dood, was het geheel

anders.

[Illustration: Verdeeling van het rijk van Karel den Groote.]

De zoon en opvolger van Karel, Lodewijk de Vrome, bezat de

krachtdadigheid zijns vaders niet. Zijne zonen Karel, Lother, en

Lodewijk betwistten elkander het vaderlijk erfdeel. In 843 sloten zij

het verdrag van Verdun[19], dat het rijk van Karel den Groote in drie

rijken verdeelde. De hierbij gevoegde landkaart zal u over deze

verdeeling een juister denkbeeld geven. Bezie ze met aandacht en bemerk

dat de landstreek gelegen tusschen de Schelde en de Noordzee aan Karel

kwam, en deel maakte van Frankrijk; het overige-het grootste deel van

het tegenwoordig België--kwam aan Lother, terwijl Germanië ten deel viel

aan Lodewijk.

Deze verdeeling die, voor de toekomst, van groot gewicht was, werd later

door andere verdeelingen gevolgd: de landstreek tusschen Schelde en

Rijn, weldra Neder-Lotharingen of Lotherrijk geheeten kwam aan Germanië.

De streek tusschen de Schelde en de Noordzee, bleef aan Frankrijk.

Verdeeld door hunne onderlinge twisten en oorlogen, waren de zwakke

opvolgers van Karel den Groote, zelden in staat de Noormannen tegen te

houden; ook ondernamen deze niet één maar herhaalde invallen aan de

oevers van den Rijn, de Maas, de Schelde en hunne bijrivieren.

Langzamerhand lieten zij hun zwervend leven varen.--Eenigen vestigden

zich in het gedeelte van Frankrijk, dat naar hen, Normandië geheeten

werd.

Wie klommen, denkt gij, gedurende die akelige tijden, bij het volk in

aanzien? Zonder twijfel waren het de onverschrokken mannen, hertogen,

graven en andere heeren, die, evenals Renier, zich tegen de Noormannen

durfden verzetten. Men achtte ze veel meer, dan de machtelooze koningen,

die niet in staat waren hun land en hunne onderdanen tegen vreemde

indringers te verdedigen.

Vele weerlooze, zwakke menschen stelden zich vrijwillig, zooals

voorgaand verhaal ons leerde, onder de bescherming dier heeren. Deze

legden hier en daar sterke burchten aan, waar zij zich konden verdedigen

tegen hunne vijanden.

De macht dezer heeren ging over op hunne zonen en latere afstammelingen

met wier eigenaardig schilderachtig leven, gij in het volgend verhaal

kennis zult leeren maken.

25.--Anneken Soete, de kleine herderin.

Op een verzengend heeten zomer waren frissche, kalme najaarsdagen

gevolgd.

's Morgens, na zonsopgang, hingen zilveren nevels over de heerlijke

Vlaamsche vlakte en duizenden vogels maakten zich gereed om de

jaarlijksche reis naar de warme zuiderlanden aan te vangen.

Aan den zoom van het mastbosch, vóór het lage deurtje van eene leemen

hut, stond een vijftienjarig meisje, dat angstig in de verte tuurde.

Tranen rolden over hare zachte wangen, terwijl haar fijnbesneden mond

prevelde:

«Belle! ondankbare geit! waarom hebt gij ons gisteren zóo lichtzinnig

verlaten?» Wie zal u melken? Wie zal uw leger spreiden, u streelen en

liefkozen?... Waar zal ik u vinden?... want _vinden_ zal ik u, al moest

ik u zoeken, uren lang, over de vlakte en door de sparrebosschen.

En Anneken Soete, het herderinnetje vertrok; zij liep op hare bloote

voeten, over de purperen heide, tot aan den kronkelenden oever der beek,

waar het slot van den heer van Oostcamp zijn toren in de lucht verhief.

Juist hadden eenige mannen de valbrug nedergelaten, dienaars openden de

zware poortdeuren, honden blaften, paarden hinnikten en een voorname

stoet van heeren en dames verliet de sombere woning.

Met eerbiedige bewondering trad Anneken Soete op zijde en zag de

geduchte edellieden en hunne vrouwen voorbijtrekken.

Allen behoorden tot de grootste familiën van het land en waren door den

heer van het slot ter jacht genoodigd.

Vooraan, op een forsch paard gezeten, reed Boudewijn, de edele graaf van

Vlaanderen en achter hem, op eene witte hakkenei[20], verscheen

Machteld, zijne dochter, een der rijkste edelvrouwen van het land.

Zij was jong en schoon, groot en slank van gestalte, statig en

gebiedend in hare houding. Met de linkerhand hield zij de teugels van

haar paard vast, terwijl een valk met roode kap en gulden schelletjes,

op hare rechterhand rustte.

«Wat is zij mooi» lispelde Anneken en haar oog rustte op het

rijkgeborduurde kleed der gravin, dat in breede plooien tot op den grond

afhing.

Op eerbiedigen afstand volgden de andere genoodigden, verder schild-en

hofknapen, jagers met honden en valkeniers met valken en andere

jachtvogels.

Met popelend hart zag Anneken al deze lieden voorbijtrekken. Zij vergat

schier hare geit, de lichtzinnige Belle en eerst toen de laatste honden

voorbij waren en de jachthoorn niet meer schalde, kwam zij tot bezinning

en zette haren tocht voort, over heide en gras, langs beek en plas,

langs heg en mastbosch.

Lachend en koutend trok de schitterende jachtstoet over de geurige

vlakte; vrouw Machteld scheen buitengewoon opgeruimd maar Boudewijn, de

wijze graaf van Vlaanderen, schudde het hoofd en sprak: «Altijd

onvoorzichtig, mijne dochter, ik smeek u, verlaat mijne zijde niet;

want, telkens wanneer gij mij op de jacht vergezelt, maak ik mij om u

ongerust.»

Tot eenig antwoord schudde de fiere Machteld het blondgelokte hoofd en

toen een uur later, haar vader met den heer van Komen in een ernstig

gesprek was verdiept, verliet zij hem om, geheel alleen, in de richting

van het bosch voort te rijden.

Eensklaps bemerkte zij eene boschduif, die boven de beek vloog; haastig

trok zij de bellenkap van haren valk en wierp den vogel op.

Pijlsnel steeg de valk en bleef toen eenigen tijd onbeweeglijk in de

lucht hangen. Hij bemerkte de arme boschduif, daalde neder en worgde

haar met zijne scherpe klauwen.

Machteld klapte van blijdschap in de handen en daar, naar hare meening,

de valk zijne prooi niet spoedig genoeg aan zijne meesteres bracht, gaf

zij haar paard de sporen en reed in de richting der beek, tot aan den

zoom van het mastbosch.

Waarschijnlijk verschrikte haar wilde ren de arme dieren, die onder het

heidekruid verborgen zaten; want, een haasje sprong op, vlak voor de

pooten van het paard; het beest werd schichtig en het vlood met zijne

edele berijdster het mastbosch in.

Wat de gravin ook aanwendde om het verschrikte dier tot bedaren te

brengen, niets mocht baten; in wilden galop rende het voort, altijd

voort en wierp eindelijk zijne berijdster met zóoveel geweld af, dat

haar hoofd tegen een mastboom bonsde en zij gewond en bloedend nederlag.

Brieschend zette het paard zijnen weg voort en weldra werd alles weer

doodstil. Bewusteloos lag de gravin op het zachte mos; geen vogel zong

in de hooge mastboomen, wier donkergroene takken zich als een priëel

ineenvlochten boven het hoofd der eenzame vrouw.

* * * * *

Langzaam keerde Anneken, de kleine herderin, naar de woudhut terug.

Bosch en heide had zij doorloopen, hare voeten bezeerd aan braamstruiken

en distels, maar haar geitje, helaas! niet gevonden.

Tranen vloeiden over de wangen van het arme meisje; zij weende niet om

zich zelve maar om hare moeder, die oud en ziekelijk was en thans de

voedzame geitenmelk zou moeten missen.

Ze waren zoo arm en verlaten, de weduwe Soete en hare eenige dochter.

Jaar in, jaar uit, voedden zij zich met rogge-of gerstebrood; in het

najaar zamelden zij beukenoten als wintervoorraad, sprokkelden droog

hout en zochten pijnappels in de bosschen.

Zuchtend naderde Anneken hare woning, toen zij tot haren schrik onder de

hooge boomen eene donkere gestalte liggen zag. Zij naderde, herkende het

schoone, met goudgeborduurde rijkleed der gravin, sloeg een kruis en

riep: «Dat is de edelvrouw van dezen morgen!»

Hoe jong ook, was Anneken moedig en vastberaden; zij vloog naar de hut,

vulde eene aarden kruik met frisch water, nam een groven, doch hagel

witten linnen doek en riep hare moeder toe: «Gauw, moeder, gauw, neem

onze peluw, volg en help mij!»

De weduwe schrok maar deed zooals hare dochter verlangde. Beide vrouwen

liepen naar de nog altijd bewustelooze edelvrouw, legden de peluw onder

haar hoofd, maakten hare kleederen los en wieschen haar met frisch

water.

Machteld kwam tot bezinning, opende de oogen en keek hare weldoensters

eerst verbaasd, daarna dankbaar aan.

«Waar ben ik?» lispelde zij.

«Stel u gerust, Vrouw,» antwoordde Anneken, «we zijn arm, doch zullen

voor u doen, wat wij kunnen ... spreek, verlangt gij iets?»

«Een dronk water,» murmelde de gekwetste en vrouw Soete spoedde zich

naar de beek, vulde een aarden drinkkom, dien zij de edelvrouw aan de

lippen bracht.

Machteld had eene wonde aan het voorhoofd, die Anneken en hare moeder

omzichtig uitwieschen en met een linnen doek verbonden.

Na eenigen tijd voelde zij zich in staat om, steunend op den arm harer

weldoenster, naar de hut te wandelen.

Spoedig had de weduwe haar bed van mos opgeschud, en de edelvrouw was

blijde toen zij hare pijnlijke ledematen erop uit kon strekken.

Langzaam daalde de nacht over de aarde; de wind stak op en groote

regendruppels vielen uit de voorbijdrijvende wolken.... Geene enkele

lichtende ster blonk aan het uitspansel en onheilspellend floot de

nachtvogel in het bosch.

Gravin Machteld dacht aan haren vader, aan hare vrienden in het verre

slot. Wat zouden zij om harentwille ongerust zijn! Graaf Boudewijn had

verscheidene kinderen, doch Machteld had hij boven allen lief.

Zij was opgeruimd, vriendelijk, moedig tot onvoorzichtigheid toe. Meer

dan eens had hij aan vrienden en magen verklaard dat hij, boven zijn

uitgestrekt graafschap, boven het land van Aalst, de liefde zijner

Machteld stelde en thans lag zij, zonder dat hij wist waar, gewond, in

eene afgelegen, armzalige hut.

Naar hem terugkeeren kon zij niet, haar geheele lichaam deed haar pijn,

de nacht was aangebroken, de wind loeide en zou weldra tot storm

aangroeien.

Welk een angstvollen nacht zou hij doorbrengen, hij Boudewijn, de

geduchte graaf, die burchten en steden had ingenomen, zelfs den

machtigen keizer van Germanië had overwonnen.

Machteld weende en deelde haren kommer mede aan hare gezellinnen....

«Arme, genadige graaf,» zuchtte Anneken, «hoe diep ongelukkig moet hij

wezen.»

Toen nam het meisje een kort, doch moedig besluit. Zij zou zich naar den

burcht van Oostcamp begeven, duisternis en storm trotseeren en den graaf

geruststellen, terwijl hare moeder, vrouw Machteld verzorgen zou.

Anneken Soete sloeg een kruis, prevelde een Vader-Ons, opende het lage

deurtje der hut en verdween in de duisternis.

De weg was lang, doch het meisje stapte altijd door, bad, en sloeg kruis

op kruis.

Eensklaps, midden op de vlakte bemerkte zij een rossen gloed. Zwarte

gestalten, dragende brandende toorsten, naderden.

Zouden het ook struikroovers zijn, die eene hoeve of een slot gingen

aanranden?

Het regende niet meer en bij wijlen kwam de bleeke maan van achter de

wolken kijken.

De mannen naderden en, vol vrees, verborg zich het herderinnetje, aan

den oever der beek.

«Hier aan deze beek, heb ik gravin Machteld voor het laatst gezien»

sprak de aanvoerder.

«In de vlakte is zij niet» antwoordde eene stem, «zij moet de

mastbosschen zijn ingetreden. Zouden wij het wagen, met onze brandende

toortsen, in de bosschen te zoeken?»

«Dat zou gevaarlijk zijn» sprak een derde, laten wij naar de hut gaan

der weduwe Soete, zij of hare dochter, hebben wellicht onze vrouw of

haar paard gezien.»

Anneken wist genoeg; de mannen, die zij voor boosdoeners aanzag, waren

dienaars, die hunne meesteres zochten.

Vastberaden verliet zij hare schuilplaats, en vertelde aan de mannen,

wat er met de arme gravin was gebeurd.

Hoe gelukkig waren zij te vernemen, dat Machteld leefde en door Anneken

Soete en hare moeder liefderijk was verzorgd.

Vier hunner keerden naar het slot terug om de gelukkige tijding aan

graaf Boudewijn mede te deelen en eene draagkoets voor de gravin te

halen.

De overigen vergezelden Anneken tot in hare hut en 's anderendaags,

vroeg in den morgen, hield eene prachtige draagkoets voor de schamele

woning stil.

Gravin Machteld nam afscheid van hare weldoensters en beloofde haar niet

te vergeten.

Anneken Soete en hare brave moeder wilden van geene belooning hooren,

maar de gravin dacht er anders over.

Eenige dagen later, toen zij volkomen hersteld was, bracht zij Anneken

en hare moeder een bezoek.

«Gij hebt mij het leven gered» sprak zij, «thans is het mijn plicht voor

u te zorgen. Ik keer met mijnen heer vader naar Rijsel terug. Wilt gij

mij vergezellen? Voortaan zal u niets ontbreken; want, ik zal voor u

zorgen, zoolang ik leef....»

Belle, de ondankbare geit was niet teruggekeerd en waarschijnlijk door

een wild dier verslonden; de rogge was mislukt en honger en gebrek

grijnsden als spoken aan het deurtje der hut.

Anneken en hare moeder aanvaardden, vol blijdschap, het voorstel der

gravin.

Zij vergezelden haar naar Rijsel en leefden er eenigen tijd vreedzaam en

gelukkig, toen er eene nieuwe verandering in haar leven kwam.

Machteld huwde Willem van Normandië, een der beroemdste edellieden van

zijnen tijd.

Jaren lang voerde hij krijg in Engeland, terwijl zijne vrouw in

Normandië bleef.

Eindelijk, toen haar echtgenoot tot koning van Engeland werd

uitgeroepen, volgde zij hem over zee met Anneken Soete, hare moeder,

alsook verscheidene Vlaamsche edellieden die, door de nieuwe koningin,

rijkelijk werden begiftigd.

26.--De Graven van Vlaanderen.

Anneken Soete, de moedige, kleine herderin, leefde in de XI^{de} eeuw

onzer tijdrekening.

Zij en hare moeder waren arme, eenvoudige vrouwen, die heel afgezonderd

leefden en niet zelden honger en gebrek leden.

In dien tijd was de grond minder goed bebouwd dan thans; verscheidene

voedingsgewassen, zooals aardappelen, waren geheel onbekend.

Stoombooten, spoorwegen bestonden niet; vaarten, breede wegen waren

zeldzaam, zoodat het veel moeite kostte om de voortbrengselen van

elders, hierheen te brengen.

Op het land woonden de menschen in schamele hutten, maar sommige

edellieden hadden steenen woningen «burchten, of steenen» genoemd.

De burcht van den heer van Oostcamp, was naar alle waarschijnlijkheid

een steenen woning.

Toen Anneken den schitterenden jachtstoet uit den burcht treden zag,

beefde zij en trad eerbiedig ter zijde; want, evenals vele landlieden

uit den omtrek, was het arme kind eene hoorige van den heer van

Oostcamp, meester van het omliggende land.

Dat land had hij in leen ontvangen van den graaf van Vlaanderen, die

zijn leen_heer_ was, terwijl hij leen_man_ was van den machtigen

graaf.

De heer van Oostcamp moest, als het noodig was den graaf van Vlaanderen

ten oorlog vergezellen, hem helpen vrijkoopen, indien hij krijgsgevangen

genomen werd.

Ook Robrecht, heer van Komen, Drogon van Beveren, Gilbert van Gent en

anderen, die deelnamen aan de jacht te Oostcamp, waren leenmannen van

graaf Boudewijn.

Deze heerschte over het uitgestrekt grondgebied, dat zich ten Oosten der

Schelde, tot aan de Somme uitstrekte.

Dit grondgebied had hij van den koning van Frankrijk in leen ontvangen.

Hij bezat er de rechterlijke macht, mocht belastingen heffen, zelfs munt

slaan.

Misschien denkt gij, dat hij den koning van Frankrijk gewichtige

diensten bewezen had en deze hem, als belooning, uitgestrekte landerijen

had geschonken?

Neen, dat was zoo niet. In de XI^{de} eeuw en vroeger reeds, waren de

leenen erfelijk.

Boudewijn, de V^{de} van dien naam, was zijnen vader, als graaf van

Vlaanderen opgevolgd. Vóór dezen hadden reeds van 864 (?) tot 988, vijf

graven van Vlaanderen geregeerd.

[Illustration: Leenroerig Tijdvak.]

Boudewijn V, bijgenaamd van Rijsel, was een der machtigste heeren van

zijnen tijd. Als krijgsman had hij grooten roem verworven; hij en zijne

dappere leenmannen waren onoverwinnelijk.

In 1056 kwamen de eilanden van Zeeland, de vier Ambachten en het land

van Aalst in zijn bezit, zoodat Boudewijn leenman was van den koning van

Frankrijk en van den keizer van Duitschland.

Van 1060 tot 1063 was hij ook voogd over den minderjarigen koning van

Frankrijk.

Het voorgaande verhaal leerde ons, dat zijne dochter koningin van

Engeland werd. Om u te bewijzen, hoe machtig en geëerd Boudewijn was,

zal ik er nog bijvoegen, dat zijn oudste zoon de gravin van Henegouwen

huwde en zijn tweede zoon, in het huwelijk trad met eene Hollandsche

prinses.

[Illustration: Poort van het Gravensteen. Gent.]

Al die gebeurtenissen waren rijk aan gevolgen. Talrijke Vlamingen

vestigden zich als kolonisten in Engeland, anderen werden kooplieden,

die handel dreven langs stroomen en rivieren, zich op zee naar

Denemarken, Scandinavië en Engeland waagden. Jaarmarkten werden gehouden

en Brugge, Rijsel, Meenen, Thorhout, Yperen, Gent werden belangrijke

steden.

27.--Een Sprookje.

Geen slot der Middeleeuwen of er is een min of meer dramatisch verhaal

aan verbonden, dat, hoewel zelden met de geschiedkundige waarheid

overeenkomende, het poëtisch gevoel bevredigt, dat in het hart van elken

mensch verborgen ligt.

Daarom schrijven wij hieronder een sprookje, verbonden aan den

merkwaardigen burcht van Bouillon.

Gilbert van de Ardennen was een edel en dapper ridder. Op zekeren dag

begaf hij zich ter jacht en verdwaalde.

Uren lang zwierf hij rond in de wouden en bereikte eindelijk den voet

eener hooge, steile rots, gelegen in een heerlijk dal, waardoor de

Semois zich kronkelde.

Gilbert was vermoeid; hij vlijde zich neder op het zachte mos, toen hij

eensklaps eene wonderzoete meisjesstem vernam, die een klagend liedje

zong.

Gilbert luisterde met welgevallen, richtte zich op, baande zich een weg

door het struikgewas en bereikte de plaats vanwaar de stem scheen te

komen.

Tot zijne verwondering bemerkte hij eene schoone jonkvrouw, die bitter

weende en, met hare lange, blonde haren, de tranen afdroogde, die langs

hare wangen rolden.

Zij hief de handen smeekend tot den ridder op, terwijl deze haar vroeg:

«Wie zijt gij, edele jonkvrouw, en hoe komt gij op deze woeste, eenzame

plaats?»

«Spreek zachter, heer ridder,» fluisterde de maagd, «Ik ben Julia van

Bouillon en mijne geboorteplaats ligt niet ver van hier.»

«Op den top der hooge rots, die gij van hier ziet, woont een reus. Hij

doodde mijn broeder en nam mij als zijne gevangene mede. Elken namiddag

slaapt hij gedurende één uur op den top der rots.»

Gilbert keek omhoog en bemerkte een reusachtig grooten man, die

werkelijk, op den top der rots lag te slapen.

De ridder trok zijn zwaard uit de scheede en sprak: «Stel u gerust,

edele jonkvrouw, ik zal u van den moordenaar verlossen.»

«Val hem niet aan, edele ridder,» fluisterde Julia; hij draagt een

maliënkolder[21], waardoor geen zwaard dringen kan.

«Nu dan,» hernam Gilbert, «ik zal hem van den top der rots in de rivier

storten.»

«Dat is onmogelijk,» jammerde Julia, «de reus is zoo zwaar, dat honderd

armen hem niet naar beneden kunnen werpen.»

«Wel» sprak de ridder, «vlucht met mij, ik zal u in veiligheid brengen.»

«Dat ook is onmogelijk» kreet de arme jonkvrouw, «ziet gij niet dat ik

met eene ijzeren ketting aan den rotswand ben vastgeklonken? Ik smeek u,

ga tot mijn vader en vraag hem het groote net van ijzerdraad, dat zijn

grootvader, niet ver van Tours in Frankrijk, aan de Sarracenen[22]

ontnam, daarin zullen wij den reus vangen.

Nauwelijks had zij dit gezeid of de reus ontwaakte met groot gedruisch

en Gilbert haastte zich de jonkvrouw te verlaten.

Hij wilde aan haar verzoek voldoen, en begaf zich naar het kasteel haars

vaders, waar hij van den torenwachter het groote ijzeren net ontving.

's Anderendaags, tegen den middag, keerde hij naar de rots terug,

verborg zich in het bosch en wachtte de komst van den reus af.

Het duurde niet lang of de vreeselijke man verscheen en daalde van de

rots naar beneden om zich uit het riet, dat aan den oever groeide, eene

pijp te snijden.

Gilbert zocht Julia op, en spreidde met haar het net uit, op den top der

rots. Het meisje bedekte het met mos en bloemen, en, toen de reus

terugkeerde en het zachte tapijt bemerkte door Julia's handen gespreid,

lachte hij minzaam, vergat het meisje vast te binden, vlijde zich op de

bloemen neder, en viel in een diepen slaap.

Dit was het lang gewenschte oogenblik. Julia trok het net toe en de reus

zat er in vast. Toen riep zij Gilbert terug en verzocht hem haar naar

het slot haars vaders terug te voeren, maar Gilbert vreesde, dat de reus

het net zou scheuren.

De gevreesde man ontwaakte en huilde zoo vervaarlijk, dat de heuvels van

zijn geroep daverden. Hij wilde opspringen en het net scheuren, maar op

hetzelfde oogenblik gaf Gilbert hem zulk een geweldigen stoot, dat hij

naar beneden stortte en in de Semois viel, waar hij verdronk.

Nu bracht de ridder de edelvrouw naar het slot haars vaders terug en

leerde haar zacht karakter en hare deugd waardeeren.

Hij nam haar tot vrouw en, op dezelfde plaats, waar zij den reus uit de

hoogte naar beneden wierpen, bouwden zij het geduchte slot van Bouillon,

dat heden nog bestaat.

28.--Het Slot van Bouillon.

Laten wij handelen als zoovele toeristen en een bezoek brengen aan het

geduchte slot. Wij moeten 235 meter klimmen en eerst na een vrij

lastigen tocht bereiken wij de slotpoort, waar wij aankloppen.

De bewaker opent de poort en leidt ons, over de binnenplaats, naar het

eigenlijke slot, dat wij met hem in al zijne bijzonderheden leeren

kennen. Nu eens bevinden wij ons in een killen, duisteren gang, dalen

daarna in diepe kelders, tot in een onderaardsch gewelf, waar geen

zonnestraal kan doordringen en ijzeren ringen in den dikken muur zijn

aangebracht.

Onze geleider zegt ons, dat men hier krijgsgevangenen, ook wel

misdadigers heenvoerde, en dat zij, die er binnentraden, nimmermeer het

zonnelicht aanschouwden.

Eene rilling doorloopt onze leden en zuchtend verlaten wij de sombere

plaats, waar vroeger zooveel werd geweend en geleden en waar heden nog

de voetstappen der bezoekers zoo akelig weerklinken.

Wij klimmen den wenteltrap op en bereiken den toren, waar wij, door een

eng schietgat naar beneden staren.

Wel zijn we verbazend hoog geklommen; de Semois schijnt een kronkelend

lintje en de huisjes der stad zijn zoo klein, dat zij uit eene

speelgoeddoos schijnen te komen.

Onwillekeurig vergelijken wij de sombere plaats met een hooggelegen

arendsnest, waaruit zich de roofvogel op zijne levende prooi laat

nedervallen.

Wij dalen de trap af, hier en daar nog een blik werpend op de dikke

muren en in de menigvuldige schietgaten.

Eindelijk opent onze geleider de zware poort en wij zijn blij, dat we

het sombere gebouw verlaten, de blauwe lucht aanschouwen en de warmte

der koesterende zonnestralen genieten.

Het kasteel van Bouillon is het eenige niet, dat een bezoek waard is. Te

Gent, werden de bouwvallen van het oude Gravensteen onlangs hersteld en

aan de oevers der Maas en hare bijrivieren, treft men, meestal op hooge

bergen en steile rotsen, bouwvallen aan van Middeleeuwsche burchten,

waar norsche ridders woonden, waarvan sommigen naar het voorbeeld der

Noormannen, van plundering en roof leefden of met elkander gedurig

twistten en oorloogden.

Meer dan eens werden, om nietige redenen, onze heden zoo bloeiende

provinciën te vuur en te zwaard verwoest.

Het kwaad was zoo erg, dat de graaf van Vlaanderen, de bisschop van Luik

en andere groote leenheeren den «Godsvrede» invoerden, waarbij het

verboden werd te strijden tusschen den Woensdag avond en den Maandag

morgen, verder gedurende den Advent, de Vasten, enz.

In 1082 stelden de prins bisschop van Luik en andere vorsten een

vredegerecht in, waar ieder, die de Godsvrede durfde verstoren, tot

strenge straffen werd veroordeeld.

Ongelukkig werd dit vredegerecht niet altijd gehandhaafd.

In het voorbijgaan moet ik u ook herinneren wat gij vroeger leerdet,

namelijk dat Neder-Lotharingen of Lotherrijk de landstreek tusschen

Schelde en Rijn, heette. Zij bevatte: 1° Het hertogdom Brabant, dat zich

in het hartje van ons land en in Nederland tot aan de Maas uitstrekte;

2° Het graafschap Henegouwen; 3° het graafschap Namen; 4° het graafschap

Luxemburg; 5° het hertogdom Limburg; 6° het prinsbisdom Luik. De keizers

van Germanië aan wie zij in werkelijkheid toebehoorden, oefenden er

nooit grooten invloed op uit; de leenheeren waren machtiger dan zij,

daarbij was Germanië zeer groot en, onze provinciën vormden als het ware

een weinig belangrijk uithoekje van een uitgestrekt grondgebied.

29.--De Boetvaardige Zondaar.

Op de Reye te Brugge woonde in de tweede helft der XI^e eeuw een

wisselaar, die belangrijke zaken deed, zoowel met de kooplieden zijner

stad als met die van het buitenland.

Jacob, zoo heette hij, was eerlijk en zeer werkzaam, maar de rijkdommen,

welke hij vergaarde, maakten hem zelfzuchtig en zóó hoogmoedig, dat hij

met minachting nederzag op lieden van geringen stand.

Hij had eene zuster, die weduwe was, met een kind, een zoontje dat zij

in liefde en deugd trachtte groot te brengen.

Met haar rijken broeder kwam zij zelden of nooit in aanraking; zij wist,

dat hij zich schaamde over zijne zuster, die armoedig was gekleed en

dicht bij den Burcht een schamel zolderkamertje bewoonde, waar armoede

en ziekte haar heel onverwacht kwamen bezoeken.

Koud en duister was de maand December ingevallen; lange ijskegels hingen

aan de houten gevels der huizen en in de grachten lagen de schepen vast

in het ijs.

De arme weduwe werd al zieker en zieker, zij had hout noch brood en in

den uitersten nood dacht zij aan haar rijken broeder.

«Johannes,» sprak zij tot haar zoontje, «begeef u naar oom op de Reye

en zeg hem hoe diep ongelukkig wij zijn.»

Johannes vertrok en bereikte weldra het huis van den wisselaar.

Warm en sierlijk gekleed zat deze met twee vrienden in zijne rijke

woonkamer, bij het flikkerend haardvuur, doch het schamele knaapje zag

hij met toornigen blik aan.

«Heer oom,» stotterde de kleine, moeder zendt mij tot u, «wij hebben

brood noch vuur en zijn diep ongelukkig.»

«Elk zorge voor zich zelven» luidde het norsche antwoord.

«Moeder is ziek» vervolgde de knaap.

«Maak dat ge wegkomt,» antwoordde de wreedaard, die verstoord was, omdat

de in lompen gehulde knaap hem in tegenwoordigheid zijner rijke vrienden

«heer oom» had genoemd.

De knaap verliet de woning en keerde naar moeder terug, op het akelige

zolderkamertje.

Twee dagen lang vroos het zoo geweldig, dat de vogeltjes dood bleven. De

arme weduwe en haar zoontje leden verschrikkelijk en, op den derden dag

verspreidde zich eene akelige mare door de stad. Dicht bij den burcht,

op een zolderkamertje, waren eene weduwe en haar zoontje van koude en

honger gestorven.

Toen de rijke wisselaar de ontzettende tijding vernam, rilde hij over

zijn gansch lichaam, hij meende, te sterven van berouw en schaamte, maar

hij herstelde zich. Hij zou leven, zéér lang leven om zijn wraakroepend

misdrijf te boeten.

Wroeging verteerde zijn hart en belette hem te slapen. Niet zelden

doolde hij met gebogen hoofd door de straten der stad en, toen het

voorjaar aanbrak, verkocht hij zijn huis, borg zijn goud in eene lederen

tasch en verliet Brugge.

Waarheen? Hij zelf wist het niet; het weder was frisch en de vogels

zongen, maar Jakob ging verder, altijd verder, tot zijne voeten waren

doorgeloopen en hij uitgeput, aan den zoom van een mastbosch

nederstortte.

Toen de dag aanbrak stond hij op, trok door het bosch en bevond zich

weldra aan den voet van een kruisbeeld, dat, door eene vrome hand, op

deze eenzame plaats was opgericht.

Jakob zonk op de knieën, doch bidden kon hij niet. Krampachtig vouwde

hij de handen en, stroomen van tranen vloeiden over zijne heete wangen.

Eensklaps voelde hij eene bevende hand op zijnen schouder, terwijl eene

zachte stem sprak: «Gij weent, arme vreemdeling, zeg mij, kan ik u soms

troosten?»

Jakob hief het hoofd op. Een eerbiedwaardige grijsaard, met witten

baard, in een donker, lang boetkleed, stond voor hem.

«Ik ben diep ongelukkig» snikte de zondaar, maar de grijsaard nam hem

bij de hand en leidde hem naar eene houten kluis.

«Wie gij ook zijn moogt,» welk leed u ook het hart verscheurt, deel het

mij mede,» sprak de kluizenaar, «ik zal u troosten, u opbeuren, u raad

geven.»

Zijne stem was zoo roerend en zacht, zijne woorden waren zóo

verkwikkend, dat zij den berouwhebbenden misdadiger, als hemeldauw in

het hart vielen.

Met gebogen hoofd, snikkend, zuchtend, bekende Jakob zijne schuld en,

toen zijne biecht was geëindigd, bleef de grijsaard geruimen tijd in

diepe gedachten verzonken. Eindelijk sprak hij, op treurigen, ernstigen

toon:

«Uwe zelfzucht, uwe verwaandheid hebben uwe arme zuster en haar zoontje

gedood, voortaan zult gij u geheel en al aan het welzijn van anderen

wijden.»

«Hoe kan ik zulks doen?» vroeg de door smart gefolterde zwerver en de

grijsaard antwoordde:

«Dagelijks vertrekken uit stad en dorp honderden Christenen naar het

verre Oosten.

Aan de ongeloovigen hebben zij den oorlog verklaard en zullen niet

rusten, voor zij de zege behalen.

Volg de kruisvaarders, mijn zoon, onderweg zult gij ze spijzen, laven,

kleeden, in een woord, helpen waar gij helpen kunt, troosten waar het

noodig zal zijn.»

* * * * *

Nog verscheidene weken bleef Jakob bij den kluizenaar. Deze had in

zijne jeugd, de reis naar het Heilige land[23] gemaakt, hij gaf zijnen

gast allerlei nuttige raadgevingen en zond hem eindelijk naar Brussel,

bij eenige zijner vrienden, vrome monniken, die zich voorstelden, het

Christen leger te vergezellen, niet als strijders, maar als verplegers

van zieken en gewonden.

[Illustration: De Kruistochten.]

Deze brave menschen ontvingen met liefde den boetvaardigen zondaar en

vol hoop en vertrouwen, voegden zij zich bij de legerscharen, die langs

den Rijn en den Donau, over Konstantinopel en door Syrië, Jerusalem

wenschten te bereiken.

Thans begon voor Jakob en zijne nieuwe vrienden een leven van

opoffering en ontbering.

De tocht duurde maanden en maanden, niet zelden ontbrak het den

kruisvaarders aan levensmiddelen en aan drinkwater.

Hoe nader zij aan het einddoel hunner reis waren, hoe grooter hun lijden

werd.

Brandende hitte, besmettelijke ziekten, vermoeienis doodden duizenden

kruisvaarders. Niet zelden waren de inwoners der streken, die zij

doortrokken, den reizigers vijandig en, zoodra zij in Azië aanlandden,

verdubbelden de moeilijkheden.

Dank aan zijn krachtig gestel, bood Jakob weerstand aan ziekte en

vermoeienis; dag en nacht was hij op de been; de pijlen des vijands

schrikten hem niet af en de akelige slagvelden betrad hij zonder vrees.

Eindelijk, na een zwaar beleg en eene bloedige bestorming, werd

Jeruzalem ingenomen. Jakob woonde soms gruwelijke slachtingen bij; maar

hij nam daaraan geen deel, hij verzorgde de gekwetste strijders en

begroef de dooden. Na de inneming van Jeruzalem keerden talrijke

kruisvaarders naar hun vaderland terug, doch Jakob bleef in Palestina om

zich te volmaken in de heel-en geneeskunde, die er veel meer gevorderd

waren dan in zijne geboortestreek.

Toen hij, na zeven jaar naar hier terug keerde, vertoefde hij in

verschillende steden, waar hij, als ziekenverpleger, aan de bevolking

groote diensten bewees.

[Illustration: Lijder aan melaatschheid.[24]]

De vrome kluizenaar was reeds lang overleden.

30.--De Kruistochten.

Alhoewel de wegen slecht en onveilig waren, ondernamen onze voorouders

niet zelden verre bedevaarten: naar Tours in Frankrijk, naar Rome in

Italië, naar Jeruzalem in Azië. Maar toen de Turken laatstgenoemde stad

bezaten, stonden de Christenen er aan mishandelingen bloot. Ook vreesden

de volkeren van Westelijk Europa, met reden, dat bovengenoemde Turken

zich weldra van de stad Konstantinopel meester maken en verder ons

werelddeel zouden bedreigen.

Om dit te beletten ondernamen zij krijgstochten, die men «Kruistochten»

noemt, want het schijnt, dat zij die er aan deel namen als

herkenningsteeken een kruis van roode stof op hunnen schouder of hunne

borst naaiden.

De kruisvaarders waren: edellieden, die alvorens te vertrekken, hunne

goederen aan kloosters of kerken afstonden, of hun slot, hunne velden,

hunne wouden verkochten om wapens te koopen en krijgslieden aan te

werven; ook wel monniken, die naar de eeuwige zaligheid trachtten;

kooplieden, ambachtslieden, naar vrijheid snakkende lijfeigenen,

berouwhebbende zondaars.

De held van den eersten kruistocht was Godfried van Bouillon, hertog van

Lotharingen, een volmaakt ridder, bedreven in alle krijgsverrichtingen,

gehard tegen vermoeienis, verstandig, welsprekend, kalm, zedig en

geduldig.

Ten einde deel te kunnen nemen aan den verren tocht, verkocht hij zijn

slot van Bouillon aan den bisschop van Luik en liet toe, dat de inwoners

van Metz, wier heer hij was, hunne stad vrij kochten.

Hij geleidde de kruisvaarders door Duitschland, Hongarije en bereikte

met hen de stad Konstantinopel, waar zich Robrecht, graaf van

Vlaanderen, Boudewijn van Henegouwen en talrijke edellieden, die over

zee gekomen waren, bij het Christenleger voegden en naar Azië

overstaken.

In de geschiedenis van Jakob, den boetvaardigen zondaar, verhaalden wij

van het lijden en strijden der kruisvaarders in Azië. Wij mogen echter

niet vergeten er bij te voegen, dat Godfried boven alle andere ridders

er blijken gaf van wijsheid, moed en beleid. Met algemeene toestemming

werd hij tot koning van Jeruzalem uitgeroepen, doch hij weigerde «eene

gouden kroon te dragen, waar Jezus-Christus eene doornen kroon had

gedragen; hij aanvaardde enkel den titel van Beschermer van het Heilig

Graf.»

Hij voerde het leenstelsel in Palestina in; verdeelde het land in groote

leenen, die hij aan de voornaamste ridders schonk, en vaardigde werken

en bevelen uit, die men Assisen of Grondwetten van Jeruzalem noemt.

Het volgend jaar reeds, in 1100, stierf Godfried van Bouillon. Later

onderscheidde zich Boudewijn, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, in den

vierden kruistocht.

[Illustration: Kruisvaarder der XIII^e eeuw.]

Men noemt hem, in de geschiedenis, niet zelden Boudewijn van

Konstantinopel, en ziehier waarom.

In de lente van het jaar 1202 trok hij met talrijke ridders de Alpen

over en ging scheep te Venetië, maar in plaats van rechtstreeks naar

Palestina te varen, zeilde hij met de christenvloot naar Konstantinopel.

Deze stad werd ingenomen door de kruisvaarders en Boudewijn tot keizer

uitgeroepen. Hij onderscheidde zich als krijgsman en stierf in eenen

oorlog tegen de Bulgaren.

31.--Twee Vluchtelingen.

Jan en Klaas waren hoorigen van den heer van Gaver, in Vlaanderen. Zij

telden nauwelijks zestien jaar en Jan hoedde de zwijnen zijns meesters,

terwijl Klaas arbeidde aan den heirweg, dien de heer deed leggen van af

zijn slot, over de heuvels, naar eene naburige heerlijkheid, erfdeel van

zijne vrouw.

Beide jongelingen leidden een hoogst ellendig leven. Zij waren slecht

gevoed en gekleed en kenden van heel de mooie, wijde wereld, niets dan

hunne armoedige hut en het slot van hunnen heer.

«Willen wij vluchten» sprak op zekeren lentenmorgen Klaas tot zijnen

vriend, en op zijn bevestigend antwoord, verlieten zij hunne

geboorteplaats en gingen door bosch en brem tot aan den oever der

Schelde, langswaar zij de naburige stad Gent hoopten te bereiken. «In

steden» zei Klaas, «zijn de menschen gelukkiger, vrijer, en hangen er

niet af van de willekeur van een gestrengen heer.»

«Laten wij verder gaan, altijd verder,» antwoordde Jan en stapte moedig

voort aan de zijde van zijnen vriend.

Een schip, geladen met Doorniksche steenen voer langzaam op het water

voorbij; twee mannen hadden moeite om het voort te trekken.

«Schipper, mogen wij helpen» vroeg Jan en toen hij een bevestigend

antwoord ontving, lieten de knapen zich in het gareel spannen en trokken

er duchtig op los.

Na een paar uren liet de schipper hun brood, kaas en bier voorzetten,

waarna zij weder lustig den arbeid hernamen.

Te Gent was er veel drukte; schepen werden geladen en ontladen,

koopwaren gekocht en verkocht.

Op de marktplaatsen durfden de jongens zich niet wagen, omdat zij

vreesden herkend te worden, maar, van den schipper vernomen hebbende,

dat hij naar Brugge moest, vroegen zij tot in deze stad in zijnen dienst

te mogen blijven.

Hij stemde er in toe, maar weldra moesten de knapen hunnen weldoener

verlaten, want van Brugge voer hij terug naar Gent en vandaar voorbij

Gaver en Oudenaarde naar Doornik om eene nieuwe lading.

Onderweg echter had de brave schipper de twee vluchtelingen leeren

waardeeren. Zij hadden hem hun droevig lot kenbaar gemaakt en door zijne

voorspraak, vonden zij te Brugge werk bij reizende kooplieden, die zich

maar de jaarmarkt van Thorhout begaven.

Die jaarmarkt was toen de voornaamste van het land; op de wegen, die er

henen leidden, ontmoette men rijtuigen en reizigers uit verschillende

streken, alsook zware wagens, door zes paarden getrokken en beladen met

laken, leder, wapens, koperen en tinnen vaatwerk, wijn, bier en wat al

meer.

De jaarmarkt te Thorhout duurde verscheidene weken; zij werd niet alleen

door Vlamingen bezocht, maar ook door Walen, Franschen, Duitschers,

Italianen. Honderden koopers verdrongen zich tusschen de tenten;

potsenmakers en kermisvolk vertoonden er allerlei kunsten en grappen,

bedelaars riepen de weldadigheid in der aanwezigen.

Aangenaam en helaas, al te spoedig vlogen dagen en weken voorbij ... de

kooplieden verlieten de stad en Klaas en Jan bevonden zich weldra zonder

werk of brood, verlaten, alleen op de wereld.

Hoeveel moeite zij zich ook gaven, te Thorhout vonden zij geene

bezigheid. Zij verlieten de stad, doolden over heiden en in

sparrebosschen, bedelden van dorp tot dorp.

Nu eens hoedden zij de kudden van eenen schapenfokker, dan hielpen zij

de landbouwers bij het maaien en oogsten.

De arme jongens sliepen op stroo in de schuren, brachten ettelijke

nachten onder den blooten hemel door en ... de zomer snelde voorbij.

November bracht wind en koude regenvlagen over het land en in December

vroos het zoo erg, dat rivieren en waterplassen met eene dikke ijskorst

bedekt werden.

* * * * *

Al bedelend bereikten Jan en Klaas de stad Yperen. In dien tijd was

deze alom vermaard om haren rijkdom, haren handel en de vlijt harer

inwoners.

«Hier komen wij aan het einde van al ons lijden» sprak Klaas en trok met

zijn jongen vriend moedig en opgeruimd een der stadspoorten van Yperen

binnen.

Wel was zij de bloeiende stad, die de arme jongelingen zich hadden

voorgespiegeld; in hare voorsteden, in ontelbare nauwe straten,

arbeidden honderden wevers, volders, ververs. Overal klapperden de

weefgetouwen, op de uitgestrekte marktplaats verdrongen zich koopers en

vèrkoopers, in de weidsche hallen lagen de koopwaren tot bergen

opgestapeld.

Maar Jan en Klaas vonden niet wat zij zochten. Overal werden de arme

jongens, met hunne vermagerde trekken, hunne havelooze kleederen, zonder

genade afgewezen.

Op zekeren kouden namiddag hadden zij in de prachtige S^t-Maartenskerk

gebeden, gerust en geweend.

Maar de avond viel, de kerk moest gesloten worden en, zonder

schuilplaats voor den nacht, doolden de twee vrienden door de straten.

Tegen middernacht verborgen zij zich in het somberste hoekje van het

groote kerkportaal.

Spookachtig vielen de koude stralen der maan op de spitse gevels der

houten huizen, die in dien tijd nog algemeen met stroo waren gedekt.

Slapen konden Klaas noch Jan; de steenen waren zoo koud en de wind blies

zoo akelig.

Beide jongelingen vouwden de handen tot een laatste gebed en hieven de

doffe oogen ten hemel ... maar, wat was dat? Eene vlam kronkelde zich

aan den gevel der houten huizen, een schrikwekkende gloed verhelderde

den duisteren nacht.

«Brand! brand!» gilden Klaas en Jan, terwijl zij naar de bedreigde

woningen snelden, er aanklopten en de bewoners uit hunne nachtrust

wekten.

Weldra was elkeen op de been, ladders werden aangebracht, ontelbare

emmers water op de vlam gegoten, maar ... deze vermeerderde, werd een

vuurgloed, die dreigend, machtig, zich verder uitstrekte.

Akelig kermden vrouwen en kinders; in sombere wanhoop trachtten de

mannen hun goed, hunne kostbaarheden, hunne kleederen te redden.

De brandklok klepte, hulpbiedende poorters kwamen toegesneld.... «Wie

redt Liesbeth, mijn kleindochtertje!» kreet als uitzinnig van smart, een

grijsaard, zeer rijk koopman, wiens huis door de vlammen was aangestast.

Niemand antwoordde, terwijl steeds luider en luider, de klachten van den

grootvader weerklonken.

Twee edele harten echter voelden medelijden met den armen man: «Jan,

willen wij het wagen,» fluisterde Klaas zijnen vriend toe en: «Tot den

dood volg ik u» luidde het korte doch zielroerende antwoord van den

armen hoorige.

Een ijzeren ladder werd aangebracht en tegen den gevel van het huis

geplaatst.

Klaas beklom die het eerst, en vlug als eene boschkat, volgde hem zijn

vriend.

Beiden verdwenen in het brandend huis.

Een ... twee ... drie ... vier stonden, als uren zóó lang, gingen

voorbij en beneden in de straat, jammerde een bevende grijsaard, woelde

eene anstige volksmenigte.

Goddank! daar verscheen de wakkere Klaas, de kleine Liesbeth in de

armen. Jan volgde hem, een ijzeren kistje op den rug, dat vergeten was

en waarschijnlijk goud of kostbaarheden bevatte.

Beiden daalden de ijzeren ladder af; de menigte verdrong zich om de

moedige knapen, de beangste vader zegende hen als de redders van zijn

kleinkind.

De koopman nam intrek bij zijne zuster, die aan de andere zijde der stad

woonde.

Hij verzocht Klaas en Jan hem daarheen te volgen, want hij wilde zijne

belofte houden en de redders van zijn kleindochtertje rijkelijk

beloonen,

«Wie zijt gij? Van waar komt gij en wat kan ik voor u doen?» sprak hij

tot de knapen.

Zij bogen het hoofd en zuchtten.

«Spreekt vrienden,» vervolgde de koopman, «hebt vertrouwen in mij, want

ik verlang niets dan uw welzijn.»

Nu vertelde Jan, die de tranen in de oogen kreeg, wat er met zijn vriend

en hem het laatste jaar was gebeurd; hij sprak van hunnen zucht naar

arbeid en vrijheid, van hunne vlucht, van den schipper, van Thorhout,

van den langen, bangen zwerftocht door stad en dorp, over heide en

bosch.

De rijke koopman weende. «Gij blijft bij mij, sprak hij, ik zal voor u

zorgen.»

Intusschen had hij het zeer druk; zijn huis moest hij doen opbouwen en

zijne uitgebreide zaken nazien.

Klaas en Jan bleven in zijnen dienst; de eerste hielp de metselaars,

want het afgebrande, houten huis werd door een steenen woning vervangen;

de tweede deed boodschappen voor den koopman, die handel in laken dreef

en aan talrijke wevers der stad arbeid verschafte.

Twee jaar later, toen de ramp volledig was hersteld, riep de dankbare

heer de jongelingen tot zich en vroeg hun, welke plannen zij voor de

toekomst vormden.

Klaas wenschte metselaar, Jan wolwever te worden.

De koopman keurde dit besluit goed en deed Klaas bij eenen metselaar,

Jan bij eenen wolwever in de leer.

Zijn edel werk werd met goeden uitslag bekroond. De jongelingen

onderscheidden zich door ijver en werkzaamheid en de brave man had het

geluk zijne beschermelingen waardige poorters der stad Yperen te zien

worden.

32.--Koophandel en Nijverheid.

Wie heeft bij het lezen van het voorgaande verhaal niet gezeid, dat het

lot der arme hoorigen niet zelden beklagenswaardig was?

Evenals Jan en Klaas verlieten vele dezer lieden het platte land om

elders een waardiger en rustiger bestaan te zoeken.

De eerste mensch, die aan onze jonge vrienden de behulpzame hand

reikte, was een schipper; want reeds in de X^{de} en XI^{de} eeuw werden

de waterwegen in ons land druk bevaren; hout, schors, steenen, graan,

wol, vlas, wijn, vervoerde men op de Yperlee, den Yzer, de Lei, de

Schelde, de Durme, de Dijle, de Maas en den Rijn; plaatsen, die aan den

oever van eene rivier, aan eenen inham van het water, aan de

samenvloeiing van twee bevaarbare rivieren gelegen waren, trokken de

bevolking tot zich.

[Illustration: Schip der XII^e eeuw.]

Aldus zien wij, dat onze vrienden het dorp Gaver vluchtten, Gent en

Brugge bezochten.

Vroeger leerden wij, dat deze twee plaatsen reeds in de X^{de} en

XI^{de} eeuw zeer belangrijk waren, doch hoewel er reeds talrijke

handelaars en ambachtslieden woonden, trof men er als in de steden van

onzen tijd geene schitterende winkels, groote magazijnen of fabrieken

aan; de ambachtslieden werkten tehuis en de voortbrengselen van hunnen

arbeid werden niet zelden ter markt verkocht.

Geruimen tijd was de voornaamste jaarmarkt van ons land, die van

Thorhout, waar Klaas en Jan eenige weken doorbrachten.

De kooplieden, allen goed gewapend, reisden in troepen of karavanen,

want de wegen waren onveilig, struikroovers talrijk en sommige

edellieden schaamden zich niet de karavanen aan te randen, ze tol te

doen betalen, aan de reizigers goud, juweelen, paarlen te ontstelen en

de kooplieden of hunne dienaars te dooden.

[Illustration: Wagen der XIII^e eeuw.]

De graven van Vlaanderen, de bisschoppen van Luik trachtten die

misbruiken uit te roeien; roovers, al waren het ook edellieden werden

gevangen genomen en--naar de gebruiken van dien tijd,--met den dood

gestraft.

Nu werd ons land rustig, de wegen werden veilig en de handel bloeide.

Fransche en Duitsche wijnen werden hier aangebracht, verkocht of naar

Engeland verzonden, en hetzelfde gebeurde met de specerijen der

Italiaansche kooplieden.

Keeren wij echter tot ons verhaal terug. Van Thorhout begaven zich onze

twee vrienden naar Yperen.

In 1073 telde deze stad reeds twee groote kerken en duizenden inwoners.

Evenals te Brugge en te Gent was de lakenhandel er zeer belangrijk.

De beschermer van Jan en Klaas was koopman in laken en de man was zóó

rijk dat, toen zijn houten huis was afgebrand, hij zich eene steenen

woning kon doen bouwen, hetgeen in dien tijd zeker geene kleinigheid

was.

In die lang vervlogen eeuwen was het uitoefenen der ambachten niet vrij.

Zoo bij voorbeeld moest men om leder te mogen maken noodzakelijk tot de

nering der huidevetters behooren; de leden van het ambacht der smeden

alléén mochten ijzer bewerken en, om het truweel te hanteeren, moest men

tot de metselaarsnering behooren. Om in een ambacht opgenomen te worden

als gezel moest men 21 jaar oud zijn, den katholieken godsdienst

belijden en gedurende verscheidene jaren bij eenen baas of meester

gewerkt hebben. Om baas of meester te worden moest men alweer gedurende

lange jaren arbeiden en een meesterstuk vervaardigen.

De werkuren waren voor elk ambacht bepaald, niemand mocht tegen

verminderden prijs of buiten den gestelden tijd arbeiden.

Gemeenlijk bewoonden de ambachtslieden, die een zelfde bedrijf

uitoefenden, dezelfde straat of wijk der stad, vandaar de namen van

Ketelvest, Huidevettershoek, Kalanderstraat, enz.

De koopwaren werden eerst door overheden gekeurd, deze stelden er den

prijs van vast, daarna werden zij uitgestald op de openbare markten of

in groote gebouwen, _Hallen_ geheeten. De hallen van Yperen vormen een

der schoonste gebouwen van ons land.

Elke koopman had daar zijne afgepaste en genummerde plaats, waar zijn

toog of kraam stond, maar het was streng verboden de koopers te roepen,

en vooral hen te bedriegen.

In vele steden: Yperen, Gent, Brugge was de nering der lakenhandelaars,

zooniet de voornaamste, dan toch een der voornaamste.

Vlaamsch laken was zoo degelijk en schoon, dat men het overal in Europa,

zelfs tot in Azië verkocht.

33.--Eene Klokkenvertelling.

Op zekeren avond, vergastte ons grootmoeder op de volgende vertelling:

«Elk jaar, op Witten Donderdag, zegt men, verlaten de klokken der torens

hunne hooge verblijfplaatsen, om naar Rome te vliegen en er den zegen

van den Paus te ontvangen. Op den avond vóór Paschen keeren zij naar

huis terug, onderweg gekleurde eieren strooiende als geschenk aan de

brave kinderen van hun vaderland.

Op zekeren Goeden Vrijdag van het jaar 1250 reisden hoog, zeer hoog in

de lucht, drie klokken naast elkander.

«Ik behoor tot eene abdij, sprak de oudste en bewoon het zonnige Zuiden;

sedert honderd jaar roep ik de vrome abten tot het gebed of tot den

arbeid.

Op feestdagen laat ik mijne stem helder en frisch door de lucht

weergalmen, en van tijd tot tijd melden mijne trage, treurige klanken

aan de menschen, dat een hunner broeders het tijdelijke met het eeuwige

heeft verwisseld.»

«En ik, sprak de tweede klok, kom uit een trotschen, dreigenden burcht,

die zich op eene hooge rots, aan den linkeroever van den Rijn verheft.

Mijn heer en meester is een krijgsman, een hertog, wien honderden

hoorigen gehoorzamen. Hij erfde den toren, mijne verblijfplaats, en den

burcht, die er zich onder bevindt, van zijne voorouders, die, evenals

hij, roemrijke krijgslieden waren.

Zijn overgrootvader ontving van den keizer brieven van adeldom; mijn

meester erfde die en bewaart ze in den toren, daarbij bezit hij een

zegel, een blazoen en eene kostbare wapenrusting.

Woeste aanvallen van wreede krijgslieden heb ik in mijn slot beleefd,

roemrijke steekspelen heb ik er bijgewoond.»

«En gij» sprak de klok tot de derde reisgenoote, die, ofschoon veel

grooter dan de twee andere nog steeds een bescheiden stilzwijgen had

bewaard «vanwaar komt gij en hoe is uw naam?»

En donderend, zoodat berg en dal er van dreunden, klonk het eensklaps

uit den bronzen mond der reizende klok:

"Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt.

Als ick luy, dan ist storm in Vlaenderlandt."[25]

Verschrikt stoven de twee klokken op zijde, maar de aangesprokene

vervolgde:

«Vreest niet, vriendinnen, want alhoewel heden groot en machtig, ben ik

van nederigen oorsprong. Ik werd niet in het leven geroepen door een

machtigen hertog, maar door noeste werkers, ambachtslieden, die mij

liefhebben als het licht hunner oogen.

Als woonplaats bouwden zij mij tusschen hunne houten en steenen

woningen, een hoogen, slanken toren, versierd met een koperen,

glinsterenden draak, zinnebeeld der vrijheid. Dien toren noemen wij het

Belfort.»

«Bij ons, aan den voet van den burcht, ondernemen de hoorigen niets

zonder de toestemming van hunnen heer» sprak de klok uit de Rijnlanden.

«Wij zijn niet meer aan den grond verbonden, wij mogen naar goeddunken

koopen en verkoopen, reizen en handel drijven, goederen bezitten, er

vrij over beschikken en een anders goed erven.

In stede van cijnsbaar te wezen naar willekeur des heeren, betalen wij

eerst dan buitengewone belastingen en schattingen als wij er vrijelijk

in toegestemd hebben.

Wij benoemen zelven onze meesters.»--«Staat dat alles wel geschreven,»

onderbrak de klok uit den burcht, op ongeloovigen toon?

«Zonder twijfel, hernam de fiere Roelandt, en dat nog wel op

perkamenten, die wij bewaren in ijzeren koffers met verscheidene sloten,

in de geheimkamer van het Belfort. Die perkamenten noemen wij keuren,

handvesten, charters, voorrechten. Wij ontvingen of kochten die van

onzen vorst, die gezworen heeft, ze te zullen eerbiedigen.»

«Zijt gij rijk,» sprak de klok der abdij?

«Voorzeker, antwoordde Roelandt, en wij hebben eene kas, waarin wij onze

penningen bewaren, een zegel, eene banier. Onze rijkdommen echter hebben

wij niet bekomen door deelname aan roemrijke veldtochten, maar door

arbeid, vlijt en volharding.»

«Dat alles is heel schoon en goed, antwoordde de klok uit de Rijnlanden,

maar, indien gij enkel voor arbeid leeft, wat doet gij dan, als gij met

uwen heer in onmin geraakt, als vijanden u aanranden, als gewapende

benden uwe schatten, uwe woningen, uwe vrouwen en kinderen bedreigen?»

«Stel u gerust, wij vormen onder elkander, broederschappen of gilden,

wier leden zich oefenen in het hanteeren van hand-, kruis-, voetboog en

andere wapenen.

Zoodra ons eenig gevaar bedreigt, luid en roep ik uit al mijne macht; de

poorters verlaten hunne bezigheden, loopen te wapen, scharen zich rondom

onze banier en verweeren zich dapper tegen den vijand.»

«Is uwe verblijfplaats, evenals de burcht van mijnen heer, door muren,

poorten, torens of diepe grachten omgeven?»

«Dat is zij, sprak de machtige Roelandt, maar, hoe stevig die muren, hoe

zwaar die poorten, hoe hoog die torens ook zijn, ik beheersch ze alle en

de landlieden, die uren ver, in den omtrek op den harden grond zwoegen,

begroeten het Belfort als het zinnebeeld der vrijheid.»

«Bezit gij ten uwent ook bedehuizen en zijt gij den Godsdienst

verkleefd?» vroeg de klok der abdij, die zich tot hiertoe heel weinig in

het gesprek had gemengd.

«Wij bezitten heerlijke kerken, antwoordde Roelandt, schier alle zijn

juweelen van kunst en goeden smaak; daarbij heeft elke onzer neringen,

haren patroon, hare kapel, haren bijzonderen feest-of heiligdag. Zie,

vriendin, ik wenschte wel dat gij ten onzent een godsdienstigen ommegang

kondet bijwonen. Al onze neringen, en wij tellen er meer dan vijftig,

onze gilden met vlaggen, wimpels, banieren, nemen er deel aan, en zich

tot de klok uit de Rijnlanden wendend, vervolgde zij:

«Ook de graven van Vlaanderen vereeren wij op dergelijke wijze.»

«Als zij van een roemrijken veldtocht wederkeeren» vroeg de klok?

«Neen, neen, als zij hunne intrede doen in hunne goede stad, als wij hun

de sleutels der poorten aanbieden, als edellieden, poorters,

ambachtslieden hun te gemoet gaan en....»

«Gij eerbiedig en gedwee voor uwen wettigen vorst nederbuigt?» vroeg de

klok der abdij.

«Neen, dat niet, vervolgde Roelandt, als wij den plechtigen eed

aanhooren, die onze heer bij dergelijke gelegenheden zweert:

Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw · 第 2 / 8 题