van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door
M. LIEVEVROUW-COOPMAN
HOOFDONDERWIJZERES
Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder.
1904
1.--De Hut in het Woud.
Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden
eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had
schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs
de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning
verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.
Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was
wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er
hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne
takken broederlijk dooreen strengelden.
's Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen,
winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot
één enkel koor van levenslust.
«Koekoek! koekoek!» klonk het dan schaterend in de verte en de kleine
hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den
zwartgevlerkten zanger.
Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, «Koekoek! koekoek! waar
zijt ge?» vroegen thans de kinderen, «Kom bij ons, we zullen u wormpjes
zoeken en broodkruimels voor u strooien,» maar de vogel kwam niet en
deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht
weergalmen.
«Willen wij hem opzoeken?» sprak de knaap tot zijn zusje.--«Ik durf
niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen
verwijderen.»--«Zij zal het niet weten» lachtte Atto, «zij is vader
tegemoet, die heden van de jacht terugkomt.»
En Juna liet zich overreden.
Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het
zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud
weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den
spottenden zanger niet.
Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts
te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto
had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om
zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde
geen pijn te gevoelen.
Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto
zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald
vaaren.
Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en
daarna werd alles stil, doodstil.
Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom
op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan
boomen.
Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten
flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst
en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij
eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.
En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... «De
wolven! de wolven!» kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren
broeder aan.
Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang
der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht
in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn
schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en
vermoeidheid, viel weldra op zijne knieën in slaap.
Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde
dieren, dat akelig door het woud weerklonk....
's Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij
de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.
* * * * *
Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat,
tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. «Wij zijn
gered!» murmelde Atto, «laten wij langs den boord van het water
voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen.»
Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De
tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de
kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij
neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen,
water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij
leden zoo geweldig door honger en dorst!
Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was,
want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het
eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn
zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten
aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene
malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.
«Daar komt een man,» kreet eensklaps Juna met blijde verrassing.
«Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid
kocht!» lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te
herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en
spoedde zich naar de kleinen.
Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange,
blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende
kleederen.
Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne
woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de
kinderen stonden te zien.
Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso
stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne
ouders te brengen.
Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den
kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso,
dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.
De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en
bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den
nacht doorbrachten.
's Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de
herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel.
De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd
waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk «goede reis!»
Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep
was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.
Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten
omstreeks den avond, de ouderlijke hut.
Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen
wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig
dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso.
2.--Oud België.
[Illustration: Gallische landbouwer.]
Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze
dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou
aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee
kinderen leefden niet in onzen tijd, maar vóór honderden en honderden,
ja, schrikt niet ... vóór 2000 jaar.
De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo
dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons
vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder
talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en
in akkers herschapen.
De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden
van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen.
Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet
bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren
onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers,
knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in
hinderlagen te lokken.
Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee
en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook
graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels
... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons.
Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee
beken gebouwd?
Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of
weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne
uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.
Bestonden er, vóór tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of
aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig
betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden;
steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht.
De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de
verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging.
De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij
ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen.
Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van
elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam
staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen.
Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van
ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil
ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-België.
3.--Langs Poel en Plas.
De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een
groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen
naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas
en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen
schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken.
Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met
hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen.
De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan
elkander genaaide huiden waren vervaardigd.
Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen
de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten
bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche
tongen, schollen, roggen.
De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de
heele troep landwaarts.
De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze
moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar
bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes.
De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan
het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door
menschenhanden aangelegd.
Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de
verblijfplaatsen der visschersfamiliën.
Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats
in de woningen te zoeken. «De wind waait uit het Zuid-Westen» sprak een
der mannen. «De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij
springvloed.»
Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite
hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over
het aardrijk en de regen viel bij stroomen.
«Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het
water niet bestand zal wezen» sprak een der mannen.
Een ander voegde er bij: «Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden,
om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in
veiligheid te brengen.»
Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe
vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel,
toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder.
De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de
duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk.
Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid
bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger
nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen
bemerkten eene breuk midden in den dijk.
De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en
zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen
van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk
ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden.
«Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten
mede, richt u zuidwaarts!» riepen thans de mannen en met koortsige haast
gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de
ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen
streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd.
De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang
geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere
verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld.
4.--Bij de Menapiërs.
Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen,
weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij
vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer
geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was
dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten,
die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te
lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was
beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers
herscheppen.
De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de
mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders
op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin
haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten.
Deze moedige menschen waren de Menapiërs die, vóór 2000 jaar, in
Laag-België ten Westen en aan de monding der Schelde woonden.
Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land
toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde
talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren,
wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en
modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave
Menapiërs er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en
sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen.
Ik zeg niet zonder reden «de brave Menapiërs.» Hadden zij niet, op eigen
kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne
werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al
mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken
verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne
nimmer eindigende taak.
Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of
u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien.
5.--Aan den Voet van den Reuzeneik.
Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der
vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters
beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels
kweelden in zijne takken.
Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn
bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den
morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die
men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.
De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange,
roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.
[Illustration: Hoofddeksel.]
[Illustration: Schild.]
[Illustration: Helm.]
Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen
helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren
vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in
het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook
bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of
herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen
een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.
Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van
het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en
daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of
van een everzwijn had versierd.
De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens
wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met
luide welkomskreten.
Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte,
de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van
lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand
volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de
hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor
herhaalden.
Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd
begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» fluisterden de dichte
scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan overwinning» beteekende,
scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van
mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere,
ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.
De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem
geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte kleederen,
volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde
rondom den eik plaatste.
De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der
opperhoofden het woord.
«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de
vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich
voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviërs,
de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?»
Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek,
verhief zich op deze vraag.--«Neen,» vervolgde de spreker, «neen, we
zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen.»
Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de
krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: «De
vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de
stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen,
dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!»
«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen mond en duizenden
krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden,
lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij
algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.
Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der
druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de
godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de
priesters den wil des Allerhoogsten.
«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de fortuin zal ons gunstig
wezen.»
Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte
geheven, luide vreugdekreten weerklonken.
Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar
het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven
wijdden aan studie en godgeleerdheid.
Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en
schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de
aanstaande overwinning.
6.--Verovering van ons land door de Romeinen.
Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene
gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het
voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden?
De reuzeneik groeide vóór meer dan 1900 jaar in Midden-België, aldus
genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-België en echter
de hoogte niet bereikt van Hoog-België met zijne heuvelen en steile
rotsen.
In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer
groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke
boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar
steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote
vergaderzalen waren.
Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de
godheid hunne offeranden aan in de open lucht.
Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des
hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar
steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters
of druïden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor
ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen.
Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand
verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken.
Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich
door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond?
Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de
forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem
omringden.
[Illustration: Oud-België.]
Boduognat was een Nervier; de Nerviërs bewoonden die deelen van ons
land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof
hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de
Morinnen.
Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen
zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de
Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen
het huidige België, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der
Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan
een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden.
Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de
Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der
Sambre en leverden slag tegen de Nerviërs, die, langs den linkeroever
der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het
struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond
zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviërs daalden van den
heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en
vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat.
Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en
duizenden Nerviërs, ook Boduognat, werden gedood.
Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het
land der Nerviërs: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren
vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten.
[Illustration: Vesting der Aduatieken.]
De Aduatieken, die de Nerviërs ter hulp snelden, trokken naar hunne
vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in.
Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten
en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen
verkochten zij als slaven.
Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand.
* * * * *
Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de
Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als
plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels
uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog.
Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden
streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de
overwonnen volksstammen in bedwang hielden.
In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het
ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle
levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen.
's Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de
bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van
wraakoefening over het geleden onrecht.
's Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter
jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van
gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen
de overwinnaars koesterde.
Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen,
bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden
wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten
torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en
keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende
oogen huiswaarts.
Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij
elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller
hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing
had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare
legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.
Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn
marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar
hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero,
een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.
Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig
in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste
en besloot de Eburonen te straffen.
Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen
Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de
krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en
hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen
als krijgsbuit mede.
Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden
te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der
moerassen werden nagezet.
Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der
vijanden werden getroffen.
Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud.
Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van
den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar
de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven.
Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten
en diep ongelukkig.
In het jaar 50 vóór J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen
onderworpen.
7.--Twee Eeuwen later.
Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door
ons land, over Tongeren, van Gallië naar Duitschland liep. Hij leunde op
een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen
gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met
welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel
iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij vóór lange jaren
verliet; zulks was hier het geval.
Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de
omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide.
In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als
hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd
geroemd.
Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen
het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid
wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept.
De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje
behouden aan wal.
De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind
zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog
Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne
eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden
oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met
den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had
ontvangen.
Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich
in Italië en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook
weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den
geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn
land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste
levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd
voorbijvlood.
Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had
hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam
zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland.
Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne
zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist,
waarheen hij zich begeven had.
Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd,
zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij
verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar
Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd.
In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en
landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten
met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was
vergezeld.
«Ben ik nog ver van Tongeren» vroeg hun de reiziger? «Nog vier mijlen»
luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er
bij: «Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want
ik woon op ééne mijl van de stad. «Hier Vertico», riep hij op norschen
toon tot zijn gezel, «draag deze ledige korven en volg ons».
Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het
tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging
Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester
aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus
hem in het geheel niet vroeg.
«Ik bewoon eene hoeve» sprak hij, «ik fok zwijnen, runderen, schapen;
mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de
villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den
heer des huizes verkocht....» en hij klopte lachend op zijn welgevulde
beugeltasch.
Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die,
naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was.
«Ik heb dorst», sprak de landman, «willen wij hier binnentreden en den
beker ledigen op uwe voorspoedige reis?»
Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer
plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen.
Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen
dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen.
«Wie speelt mede?» vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van
verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel.
Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne
beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang.
«Schei uit» fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde
halsstarrig het hoofd.
«Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?» vroeg een der soldaten.
«Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon
... een slaaf, die geld waard is....»
«Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling» klonk het opeens uit
Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten
balde.
«Dat zullen wij zien!» riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de
scheede.
Marcus ook was opgesprongen. «Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te
Tongeren bij den bevelhebber aan!» sprak hij met krachtige stem, terwijl
hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste.
Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der
soldaten hernam spottend: «Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen,
als nietige slaven toespreekt?»--«In het land mijner vaderen heet ik
Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men
mij Marcus Liberius Victor».
De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel,
wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en
sprak tot dezen: «Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij,
jongeling,» zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de
herberg.
Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: «Ik ben u wel
dankbaar, goede heer,» doch Marcus viel hem in de rede: «Daar zoo even
beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig
antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen
meester?»
«Ik ben een wees,» sprak Vertico, «en werd geboren in de omstreken van
Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik
twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder,
maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren,
waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn
vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan
drank en spel verslaafd.»
Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien
hij niet had wedergevonden. «Hadt gij geene nabestaanden, die voor u
zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?» vroeg hij peinzend.
«Toen ik een kind was,» antwoordde Vertico, «vertelde moeder mij
dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italië. Moeder zeide, dat hij
goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto....»
«Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?» vroeg Marcus
met van hoop kloppend hart.
«Ja toch» antwoordde Vertico «eer oom vertrok, schonk hij moeder een
gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat
ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor
den afwezige....»
«Toon mij dat kruisje!» sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg.
«Sedert jaren draag ik het op het hart,» sprak de jongeling met zachte
stem, «ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af,» en hij
haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn.
Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en
vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: «Hoe
heette uwe moeder?»
«Pruscia» stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op «zij had
bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer
Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder.»
«Ik ben uw oom, Vertico,» besloot Marcus. «Hoe gelukkig ben ik u weder
te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze
geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren
slijten.»
8.--De Romeinsche Overheersching.
«Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die
breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden
kennen?»--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit
genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die
wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij
heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten
vervoeren.
Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen
kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het
Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze
eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden.
Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die
weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren.
Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs
diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen
weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italië en
leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen.
De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw.
Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat,
voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallië
en Germanië.
9.--De Romeinsche Villa.
Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van
Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne
eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd
aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze
blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein
zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd.
[Illustration: Romeinsche villa.]
De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels
scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte
bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels
prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en
talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden
wijn in kristallen roemers en drinkschalen.
De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd,
hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de
algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord.
«De Barbaren zijn in aantocht,» riep een dienaar, die hijgend en bezweet
de kamer binnenstormde. «Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd
en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij,
op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen.»
De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen
klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme
vertwijfeling aan.
«Te laat! wij zijn overrompeld!» gilde eensklaps een toesnellend dienaar
en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen
met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. «Wij eischen voeder
voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!» schreeuwden zij in eene
ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de
eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet
begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens
verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken,
scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk.
Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat
zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste
aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen
de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de
bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood.
Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig
bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag
stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal.
De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij
slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet
aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken
ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden
der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte.
10.--Invallen der Barbaren.
Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke
krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix
ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en
gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en
uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk.
Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet
beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en
groote onheilen in ons land aanrichtten.
Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en
algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren
plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven
hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer
konden opgraven.
Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere
Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond.
Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd,
terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de
oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats
grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den
grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen.
Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten,
zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten,
waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden.
Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal
het volgende verhaal u duidelijk maken.
11.--Een Frankische Knaap.
Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer
jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den
oever der Schelde was gelegen.
Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en
helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken.
Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de
uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden,
die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de
rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar
de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters,
hem mededeelden.
's Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en
achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde
met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig
man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen.
Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: «Mijn zoon»
sprak zij, «weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw
grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn
veelkleurig schild aan den arm hangen.» «Ik geef u mijne francisca[4],
mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak» zeide de vader. «Wij
weven u een prachtigen, gekleurden mantel» voltooiden Bertha en
Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder.
Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de
koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond
liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard.
Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader
verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der
familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd
had.
Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig
uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een
brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen,
versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der
vreemde krijgslieden af.
Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de
borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht
te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem
naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den
oorlogsgod.
Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: «Mijn zoon, gij
zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn
godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding
voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te
velde trek....»
Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk
verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder
aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik.
Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk
en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne
tochten voort.
12.--De Franken.
[Illustration: Frankisch opperhoofd.]
Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige
gebeurtenis vast te knoopen?
's Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de
heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich
als landbouwers of kolonisten in Toxandrië (de Kempen) te vestigen.
Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar
de vruchtbare gouwen van Midden-België. Het Zuid-Oosten van ons land
was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl
de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide
hellingen, hen weinig aanlokten.
De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in
hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken.
Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen
voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan.
Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer
hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken?
De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en
opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis «sale, seele, halle»
genaamd.
[Illustration: Frankische vrouw.]
Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen,
Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant.
Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-België, herinneren ons
aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant,
Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in
West-Vlaanderen, enz.
De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert
kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam.
Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren.
Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon
schoone wapens beloofden?
Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij
juweelen en aarden vaatwerk.
Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven,
waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men
bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit
het Frankisch tijdvak.
Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen.
13.--Grimbald en Bertolf.
«Neen Grimbald» sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, «neen, mijn paard
wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog
voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk
overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer
scheiden kan.»
Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die,
ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn
aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend
landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met
zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok,
zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd
bejegend.
Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke
zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig,
wraakzuchtig en had zich, in meer dan één geval, op wreede en hartlooze
wijze gedragen.
Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was
hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: «Die
weigering zult gij mij duur betalen!»
Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever
der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil
als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen.
Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk;
tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan.
Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning
terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den
paardestal....
Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het
elzenboschje terug.
Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend
licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en
sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te
visschen.
Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over
weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning.
De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar
zeiden:
«Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier
wegvlucht?»
Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne
bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven
zij zich naar de hoeve van Bertolf.
«Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen» zeiden zij
onderweg, want het waren Bertolfs zoons.
Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en
hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en
beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: «Een ijselijke
moord is hier dezen nacht gepleegd,» sprak Bertolf met sidderende stem:
«Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens
moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar
uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der
slachting.»
Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de
arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld,
weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde
hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne
ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.
De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste
hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond
lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds:
«Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat
voorwerp?» vroeg hij toen.
Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep:
«Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij
met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen
Sleipnir.»
De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: «Dezen
nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn
broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar.
Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en
bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.
«Die booswicht! die moordenaar!» kreet Bertolf «hij zal boeten voor
zijne laffe daad» en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd
door zijne beide zoons.