uitstaande punten moesten worden »geapplaneerd", heeft de S. V.,
op de vrijwilligers na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de
woorden »zooveel mogelijk uit vrijwilligers" na, zijn artt. 123 en
124 der Grondwet dus van hèm. De Vorst zal voorzien hebben, dat
die »vrijwilligers" verkapte remplaçanten zouden zijn, zooals het
volgende jaar ook uitgekomen is. »Gij weet", schrijft 4 April 1815
Kemper aan Falck, »dat bij de wet op de landmilitie[734] de vrijheid
aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om eene zekere som te
besteden tot bekomen van vrijwilligers en alzoo de loting overbodig
te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën gevonden door
vrijwillige inschrijvingen[735], en in kalme tijden is deze mesure
zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te lande
nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit, waarop
menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden,
_publica autoritate_ inschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen,
niet tot stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer
grenzen, niet tot voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van
hen die uittrekken, maar tot kooping van remplaçanten voor
eenloopende jonge menschen, die door de wet tot de wapenen geroepen
worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het geheele doel eener
nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen voor de
staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel kostbaarder
door gemaakt"[736].
[734] Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).
[735] Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag
door »vrijwilligers" vervangen liet voor de nationale garde: _Ged._ VI,
1664.
[736] Falck's _Gedenkschriften_, 375.
* * * * *
_Wetboek van Koophandel_ (hiervóór, bl. 350).--Het ontwerp-van Gennep
c.s. onderscheidde zich van den Franschen Code de Commerce van 1807
op het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den
Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam,
toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met
inbegrip van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende
Wetboek van Koophandel van 1838.
* * * * *
_Meer voorliefde_ (hiervóór, bl. 350).--Deze meerdere voorliefde
voor het Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de
voorgeschiedenis der wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het
Crimineel Wetboek was in veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk
Napoleon een Nederlandsch product.
De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal
wetboek verlangd »zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke
wetten, tegelijk met de wijze van rechtsvordering", en de invoering
daarvan voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering
van dit voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit
van 5 Sept. 1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van
twaalf rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te
ontwerpen. Deze commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout,
Donker Curtius e.a.) kwam het eerst met de manier van procedeeren
gereed, die daarop bij decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, doch
waarvan de invoering wachten moest op de nieuwe organisatie der
rechterlijke macht, die nimmer heeft plaats gehad. Met het algemeen
burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek was men na jaren nog niet
verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801 een »plan van
verdeeling" aan het Bewind kon worden opgegeven, krachtens hetwelk
het wetboek zou worden geopend met »eene inleiding nopens het recht
in het algemeen", en vervolgens in vier deelen zou zijn gesplitst,
»in welker eerste van het recht der personen, in het tweede
van het recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht
en rechtspleging, en in het vierde van misdaden en straffen zou
gehandeld worden". Spoedig daarna werd de staatsregeling van 1798
door die van 1801 vervangen, welke het Staatsbewind belastte met
de zorg, een algemeen civiel en crimineel wetboek, nadat op de
daarvan gemaakte ontwerpen der consideratiën van het Hoog Nationaal
Gerechtshof zouden zijn ingenomen, ten spoedigste aan het Wetgevend
Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden. Nadat opnieuw eenige jaren
waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd bestaande en zich in
leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met haar werk gereed
kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April 1803 den
wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te
mogen ontvangen. De commissie, thans inziende »dat het verband
tusschen alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd
verstoord," was bedacht »op welke wijze zij dit gebrek zou
verhelpen." Zij bood, 3 Oct. 1804, niet slechts het verlangde
lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die gedeelten van het gedroomde
algemeen wetboek, »die tot het straffend recht eene onmiddellijke
betrekking hadden," zijnde de inleiding, »van het recht in het
algemeen," en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van »wetten
omtrent het bewijs." Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift
der Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof
(president: Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed
was toen Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk
Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den
koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.
Het advies keurt af, dat de commissie »aan afgetrokken denkbeelden of
regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk
de toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan
doorzien en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de
commissie opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van een _wetboek_,
hetzelve niet meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige
wetten, en geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of
rechtsgeleerde grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen, over
welke in de scholen der geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat
dit alles in een wetboek behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks
veelal de vatbaarheid van het grootste aantal menschen te boven gaat,
als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo kan worden uitgedrukt, dat het in
alle gevallen tot richtsnoer kan verstrekken, en niet integendeel
lichtelijk aanleiding geven tot overtredingen of spitsvondige
twisten. Over het geheel komt het ons ongeraden voor het oordeel van
den rechter aan afgetrokken voorschriften (in plaats van aan concrete
bepalingen) te binden."
Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende
kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den
Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings,
besproken.
Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe
de commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen
was gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een
crimineel wetboek te zullen schrijven, »maar een _Rechtsboek_,
geschreven voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor
alle denkende koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en
niet zoozeer voor den gemeenen man; waarom dan ook de commissie had
begrepen, dat daarin behoorde een _systema juris_, en wijsgeerige
regels en principes."
De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele
inleiding, »van het recht in het algemeen," ter zijde, en begon het
ontwerp-lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen
te zuiveren. Het gevolg was de benoeming, bij koninklijk besluit
van 18 Nov. 1807, eener kleine commissie (Reuvens, Elout, van
Musschenbroek), om met inachtneming der critiek van den Staatsraad
een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek in te dienen. Reeds 25
Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van haar ontwerp den
koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring onthouden werd
aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp gaf aan
het oud-vaderlandsche stelsel van _transactie_, »van afkoop en
verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds
eene rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens
beschuldigingen welker uitslag nog onzeker kon geacht worden." De
commissie wilde aan dit stelsel, waaraan de officieren van justitie
hier te lande buitengemeen gehecht waren doch dat aanleiding had
gegeven tot diep ingevreten misbruiken, vasthouden; »de ondervinding
leert," zeide zij, »dat langs dien weg vele overtredingen geboet
worden, waarover de beschuldigde, hoezeer waarlijk schuldig, bij
gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden veroordeeld,
behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij
rechterlijk vonnis, hoe zacht dezelve ook zouden mogen zijn,
inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter
vermijd worden." De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in
het bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de
koning, die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en
van de schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden
vergezeld, volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te
kennen, »dat geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen
plaats hebben" (5 Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het
definitief ontwerp der drie heeren aan den koning ingediend, die aan
het onderzoek daarvan door den Staatsraad persoonlijk deelnam[737] en
de deliberatiën, over het ontwerp gevoerd, in openbaren druk liet
uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer energiek en levendig de
beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij zich (zonder
gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks verzette,
uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot gunstbetoon
aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid om
geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in
de wet genoemd.
[737] Van Hamel in _Tijdschrift voor Strafrecht_, III, 1-23.
Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch
zonder de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen
bekeeren. Hij verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk
afschrikkingsmiddel, de tentoonstelling der lijken op het galgenveld;
ook eene verlaging van het strafmaximum voor kinderen.
Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam
ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich
van den Franschen Code Pénal door eenvoud in het stelsel der
vrijheidsstraffen (enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid),
en ruime bevoegdheid van den rechter in de bepaling der
strafmaat[738]. Het sloot zich aan bij Nederlandsche traditiën,
doch corrigeerde deze in belangrijke mate.
[738] In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de
vaderlandsche traditie terug: zie hiervóór, bl. 354.--Zie over dit
besluit (van van Maanen, Philipse en van Gennep afkomstig) van der
Hoeven in _Verh. K.Akad. afd. Letterkunde_ 4e reeks VII, 245 vv.
Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine
commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch
deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon
te bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat
men dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het »Wetboek Napoleon,
ingerigt voor het koninkrijk Holland" (9 Dec. 1808 ingediend bij het
Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts
geringe afwijkingen van het Fransche origineel.
* * * * *
_Jachtwet van 11 Juli 1814_ (hiervóór, bl. 356).--_Br. en Ged._ V,
111: »Er was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals
altijd op dit stuk, omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis
was er levendigheid onder de Staten-Generaal, en elk had in den mond,
dat de wet zou verworpen worden. Het rapport van de commissie was
tegen. Ik merkte aan den Prins in den Kabinetsraad, dat het hem
verdroot. Ik nam daarop voor de wet te verdedigen, en deed dit met
zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de meerderheid van ééne
stem doorging".
* * * * *
_Afkoopbaarstelling van tienden_ (hiervóór, bl. 357).--Tot mijn
leedwezen heb ik hiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van
22 Jan. 1813 over het hoofd gezien. De woorden: »Tot zoodanige
afkoopbaarstelling is het evenwel onder het Fransche bestuur niet
meer gekomen," moeten worden geschrapt, en vervangen door deze
andere: »Deze afkoopbaarstelling is inderdaad ingevoerd bij
keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III, 539), doch door den
Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van 22 Oct. 1814
(_Staatsblad_ no. 103)."
* * * * *
_Onderwijs_ (hiervóór, bl. 360).--Over dit onderwerp was onder
Lodewijk vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft
viel slechts op de wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het
hooger onderwijs, misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche
scholen, eischte dringend herziening. De koning is aanvankelijk
niet vreemd geweest aan het denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan
welke hij het praedicaat van Koninklijke verleende) tot de centrale
hoogeronderwijsinstelling van het land te maken, maar liet dit plan
spoedig varen toen zich daartegen, uit Utrecht en Franeker vooral,
een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van 15 Aug. 1809 werd
aan eene commissie van vier leden (van Swinden, Bennet, Valckenaer,
van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen reorganisatieplan
van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar rapport (22
April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen schakel
tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich tusschen
die beide een »tweede of middelbaar onderwijs," dat niet enkel de
voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus de latijnsche scholen)
omvat, maar ook bestemd moet zijn »tot vorming en opvoeding van den
meer beschaafden mensch." Ten tijde dat de latijnsche scholen voor
het eerst werden opgericht, zegt de commissie, »waren de menschen,
om zoo te spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in
die der geleerden en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich
niet om kundigheden te verkrijgen die eenige oefening vereischten;
de handwerken, fabrieken, kunsten en vele andere beroepen bestonden
slechts in het blind volgen van een oud gebruik. Thans echter heeft
men er zich toe gezet over alle voorwerpen onzer kundigheden in
hedendaagsche talen te schrijven; de natuurkundige wetenschappen
zijn beoefend geworden; oude gewoonten hebben plaats gemaakt voor
beredeneerde handelwijze en inrichtingen. Alles rondom ons is
veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche scholen, 't welk
hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van menschen.
Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn te
verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die
kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor
allerlei slag van zaken."
Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig
verslag uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering
niet meer gekomen.
Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland
gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te
bereiden, Cuvier en Noël, luidt voor de latijnsche scholen ook
zeer ongunstig, en concludeert tot hunne vervanging door middelbare
scholen van het Fransche model[739], die ook bij decreet van 22 Oct.
1811 werden voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot
stand gekomen.
De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden
als dat van Cuvier en Noël gebruikt. Haar voorstellen tot
reorganisatie der latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van
Lennep te danken[740].
[739] _Ged._ VI, inl. 2e stuk, XLV.--Het rapport verscheen bij den
drukker der Universiteit en werd in Holland bekend.
[740] _Leven van D. J. van Lennep_ II, 1.--Eischen gesteld aan de
benoembaarheid tot leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling
alleen af van de gunst van onkundige curatoren); staatsinspectie;
verruiming van het leerplan.
Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815
deelt Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te
maken had, het volgende mede:
»De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel
er allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men
bleef echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke
van den ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan.
Al was dus op een paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en
vrugtbaar, wat op dezelven aangeleerd en gewonnen was bleef op de
volgende meestal zonder ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen,
op de rapporten en voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten
weinig ten goede, want evenals de bezorging der benoodigde gelden
was ook het eigentlijke beheer, het dagelijksche toezicht een
plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt het ons gebeuren
Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame belangstelling
werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik weet,
dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste
jaren[741] gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt
het eens tot de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van
onderwijs, dan zal al hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort
minder moeilijk vallen dan de regeling van dit tusschenvak"[742].
[741] Falck schrijft dit in 1835.
[742] Falck's _Gedenkschriften_, 217.
Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit
professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de
nieuwe verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:
»De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde
onder den invloed van eenen geest van reactie die men, daar
hij personen spaarde, des te vrijer met zaken en instellingen
begaan liet. Napoleon's regeering had den stand der onderwijzers
verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val niet te veel meende
te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het ware schadeloos
te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de van
ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen
ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en
inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam? _Ut vitent homines
vitia in contraria currunt._ A. G. Camper ijverde niet minder om
Franeker wederom met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede
aangedrongen had om Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld
te zien. Ten laatste liet hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden
stellen. Billijkheidshalve had men begrepen voor Harderwijk niet
minder te mogen doen dan voor Franeker, maar daar bleef alles zoo
achterlijk dat ik mij al in de eerste maanden na de aanvaarding van
het ministerie onbezwaard vond om de afschaffing van het Geldersche
Athenaeum aan te raden, en deze vond dan ook plaats _nemine
contradicente_. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs gewaar
worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den Raad van
State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat al
bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen
betroffen had!......
Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en
al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelen
omvang. De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne
lessen en den geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden
de altijd eenige dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles
behalve het voortbrengen van zulke geschriften en het doen van zulke
nasporingen als waardoor hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan
grondige wetenschap bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een
Europeeschen naam verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven--en
hier meen ik dat het Reglement meest voor berisping vatbaar is--aan
de onafhankelijkheid waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd
geworden. De professor, eens benoemd, is zeker van zijn niet
onaanzienlijke jaarwedde; zeker van collegie- en promotiegelden
die in meer dan ééne faculteit tot een alterum tantum der jaarwedde
oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst eene verhooging
van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene andere loopbaan
eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige voordeelen had
ten minste behooren te worden in verband gebracht met de redenen
van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en
werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren
zelve! Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van
den gang der studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van
het Reglement gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige
hoogleeraren naar behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees
meer: ik vrees dat deze collegiën niet zijn wat zij zijn moesten:
een doelmatig intermediair tusschen de regeering en de hoogescholen.
Dezelve werden oudtijds samengesteld uit leden van den Provincialen
Souverein. Zij beschikten over de inkomsten. Bij hun was de
bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene monarchie, wanneer
de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker geldelijke
behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles geheel
anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan de
benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het
oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling
allerwege heerschende was......"[743].
[743] Falck's _Gedenkschriften_, 231-'22.
* * * * *
_Dit bleef echter meer_, enz. (hiervóór, bl. 363).--Hier meen ik
dat Tellegen zich vergist. _Censuur_, d.w.z. preventief toezicht,
is bij mijn weten tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet
uitgeoefend. Wel af en toe sterke repressie, tot verbod van bepaalde
bladen toe[744]; maar dit is iets anders dan censuur.
[744] Zie b.v. Falck's _Gedenkschriften_, 427.
* * * * *
_Liberaal_ (hiervóór, bl. 365).--In Frankrijk en België, waar een
hevige katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede
bedoeld anti-clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang
ook Koning Willem I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck
hem reeds minder »liberaal" begint te vinden. Bij Falck is het
een vage term voor »ruimdenkend"; zelfs de bisschop van Namen
heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de Broglie, »braaf en
liberaal"[745]; (in het volgende jaar teekende hij het _Jugement
doctrinal_). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als
»niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op
de oude letter." Men was dus bij ons in 1813-'14 liberaal, door zoo
weinig mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte.
Later gaan andere begrippen, van politieken en economischen aard,
den leeg geworden term vullen, maar in 1813-'14 heeft die nòch met
de quaestie van volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van
particulier initiatief tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te
maken.
[745] Falck's _Brieven_, no. 105.
DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.
Bl. 12 reg. 12 v. b. _staat_ Ambonia; _lees_ Amboina.
» 28 » 1 v. o. » te Allies; » the Allies.
» 30 » 17 v. b. » _Barier_; » _Barrier_.
» 34 » 4 v. o. » parhaps; » perhaps.
» 34 noot.--Het werk, hier betiteld »Ondergang
en Herstel", zal uitkomen onder den titel:
»Inlijving en Opstand."
» 35 reg. 6 v. b. _staat_ aso; _lees_ ago.
» 36 » 5 v. b. » stry; » shy.
» 42 » 1 v. b. » stuk; » het stuk.
» 63 » 19 v. b. » staatskundige; » staatkundige.
» 69 » 14 v. b. » aangenomen; » aangeboden.
» 134 » 5 v. b. » den vrijheid; » de vrijheid.
» 151 » 7 v. o. » Schrap de woorden:
»Tot... gekomen", en vervang ze door die,
vermeld op bl. 377.
» 154 reg. 14 v. b. _staat_ leven; _lees_ huwen.
» 162 » 7 v. o. » tweedekamerstelsel; » tweekamerstelsel.