te Groningen de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de
aanvaarding van hun vak de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den
Heidelbergschen Catechismus en de Canones der Dordtsche Synode te
onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu
»bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding
der Kerk van den Staat", zij van oordeel waren, »dat even hierdoor de
verplichting bij het vorig Gouvernement opgelegd, geheel en al kwam te
cesseren, en dus deze onderteekening in het vervolg niet meer behoorde
te worden geëischt". (Jonckbloet, _Gedenkboek_, 268). Aan de andere
hoogescholen had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens,
_Frieslands Hoogeschool_, I, 327.
[703] Vissering in _Gids_ 1867, III, 196.
[704] Vissering in _Gids_ 1867, III, 194: »Ik schat de deugden van
het Besluit zoo hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar
nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe wettelijke regeling, die wij nu
in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal."
Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de wetgeving van 1814
en 1815 te kunnen wijzen. Met het onderwijs staat echter nog in nauw
verband de drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek eene
grootere mate van vrijheid genoten, dan elders op het vasteland haar
was geschonken, maar dit was meer een gevolg van de verbrokkeling
der Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten, dan van
de wetgeving; de censuur immers bestond ook hier te lande. Door de
Staatsregeling van 1798 (Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd
zij veroordeeld. Dit bleef echter meer op het papier uitgesproken,
dan dat het in de werkelijkheid veel gaf. Met de inlijving daarenboven
werd de toestand nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was.
Van een vrije drukpers was schijn noch schaduw overgebleven. Wat zou
de onafhankelijkheid ons brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari
1814 (_Staatsblad_ no. 17) werden de Fransche wetten en besluiten
betrekkelijk de boekdrukkerij en den boekhandel, daaronder de
nieuwspapieren begrepen, afgeschaft, en zoo verdween hierdoor de censuur
voor goed van onzen bodem.
Men moge er over glimlachen, wanneer in het besluit gezegd wordt,
dat de bestaande regeling ten eenenmale strijdig was met de liberale
denkwijze, die het gouvernement dezer landen steeds had gekenmerkt. Men
moge er op wijzen, dat het stellen van het repressieve toezicht in de
plaats van de censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat het te
danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw verkondigd. Dit alles
neemt echter niet weg, dat men dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van
dit besluit, die in de censuur zagen een beletsel voor den voortgang der
verlichting, en in hare afschaffing een uitvloeisel van de liberale
denkwijze.
Het trekt de aandacht hoe in die dagen, niettegenstaande de in vele
opzichten bestaande voorliefde voor het oude, toch het woord _liberaal_
als 't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op iets goeds, iets
aanbevelenswaardigs, iets onbekrompens wilde wijzen.
_Liberaal_ is de maatregel, waarbij het tabaksmonopolie wordt
afgeschaft. _Liberaal_ is de afschaffing der censuur. Wanneer de
Souvereine Vorst over de Schets van Hogendorp een gunstig oordeel
uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van 's mans _liberale_
denkwijze. Zoo meent ook Falck èn Hogendorp èn den Souvereinen Vorst
niet beter te kunnen prijzen, dan door te wijzen op hun _liberalisme_.
»Hogendorp is de _liberaliteit_ zelve", schrijft hij 6 December 1813 aan
D. J. van Lennep. En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen
later: »Al wat _goed_ en _liberaal_ is, neemt hij gereedelijk over, en
meestal is hij de eerste om dit te bedenken"[705].
[705] Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21
December 1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep
van 6 December en 24 December 1813. (_Brieven_, nos. 95, 97).
_Liberaal._ Beteekende het alleen alles wat lofwaardig was; of had
het voor de mannen van dat tijdvak ook nog een meer bepaalden zin?
Ik meen van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er ook in die
dagen, die er geen eerenaam maar het tegenovergestelde in zagen. Voor
Raepsaet, den Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime, zijn de
liberalen _de vijanden van troon en altaar_[706]. Daaronder rangschikte
hij onder anderen een man als Falck[707]. Het zijn dan de voorstanders
der nieuwe begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft men, meen
ik, den spijker op den kop, wanneer men onder de tegenstanders der
liberalen hen rangschikt, die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze
de Vorst zijn recht ontleent aan eene bovenmenschelijke Macht, hij ook
geroepen is, Gods wetten te doen eerbiedigen: de leer, die in dien tijd
door Bonald en de Maistre in Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent,
later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van hier, dat ook in
onze dagen voor hunnen leerling Groen van Prinsterer het liberalisme
de worm was, die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan ons
volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak 1813-1830 was voor hem het
tijdvak van het liberalisme[708]. Waardeert hij het in den Souvereinen
Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't belang van
Godsvrucht en zedelijkheid wordt ingevoerd[709], over 't algemeen wijst
hij er op, hoe de regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving
van de Wetten Gods[710]. De Wetten Gods, die voor Bonald en de zijnen
beteekenen, de leeringen der Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te
lande daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.
[706] _Oeuvres_, VI, 45: »_Libéraux_ est un nom que les philosophes
et les Jacobins ont pris, depuis qu'ayant sous le nom de _philosophes_
bouleversé le trône et l'autel, ce nom est devenu en horreur dans toute
l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui avait
été à même de bien connaître ce parti, en rendant compte en 1816 au
parlement des traités de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que les
_libéraux_ étaient de _francs jacobins_". Elders schrijft hij: »Je me
rappelle encore que ces mots (_idées libérales_) n'ont acquis leur
grande vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble
qu'alors c'était le mot de parti pour se reconnaître. Le but était de
donner à la France un gouvernement _libéral_; le nom de _philosophe_
avait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et
que cependant on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système,
il fallait de toute nécessité inventer un mot inintelligible, au moins
pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur d'un
mot plus doux et plus agréable. Le mot _libéral_ fut donc adopté".
(_Ontstaan_ I, bl. XXVII.)
[707] _Ontstaan_ II, bl. XXXVII: »Falck, le confident principal du Roi,
mais du parti des libéraux."
[708] _Geschiedenis des Vaderlands_, § 987 vv.
[709] Aldaar, § 1001.
[710] Aldaar, § 1071.
De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan de eene en het
menschelijk recht aan de andere zijde, kenmerkt mijns inziens hen, die
in het liberalisme hunnen vijand zagen en nog zien.
Blijkt het dus, dat ook in die dagen het woord _liberaal_ als een
eerenaam beschouwd werd[711], dan is dit weder een bewijs te meer, dat
ook hier te lande met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel, dat
men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak voortbouwde op de grondslagen,
gelegd in de achttiende eeuw.
[711] Aldaar, § 998: »Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans
iedereen Oranjegezind was."
* * * * *
_Het valt niet gemakkelijk_, enz. (hiervóór, bl. 334).--Afgeschaft
zijn de belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten,
benevens het tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van
alle zijden gaan onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op,
en bij de instelling van het departement van financiën (29 Nov.)
wordt aan Canneman de onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun
intrekking en de wederinvoering van het oude tarief opgedragen[712].
Het was om deze wederinvoering met den Amsterdamschen handel te
bespreken dat Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den
30sten laat aankondigen[713]. De grondbelasting daarentegen bleef
op den Franschen voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder
drukte dan die van Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder
hevig verzet vooral uit de landprovinciën was ingevoerd[714]. Turf,
zeep, gemaal en dergelijke kwamen gemakkelijk terug omdat men er
vanouds aan gewend was; zij waren door de Franschen afgeschaft niet
omdat zij in Holland moeilijk werden gedragen, maar omdat zij in
_hun_ stelsel onbekend waren.
[712] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.
[713] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.--»Onze opinie", schrijft reeds
28 Nov. het Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, »is dat de douanes
geheel weg moeten; dat de lijst van 1725 wederom moet worden ingevoerd"
(aldaar, LXXXIX).
[714] Zie mijn _Schimmelpenninck en Koning Lodewijk_, 102-'03.
* * * * *
_Wet van 14 Mei 1814_ (hiervóór, bl. 337).--Vgl. hiervóór, bl.
319.--Over de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert
Karel: »Over de wet van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd.
Er waren meen ik 17 stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste
Hollanders, alzoo in Holland de meeste renteniers zijn, en deze de
bijlage moesten doen. Ik had dien dag Raad van State en was blij met
fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek was de vleug ook niet
voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig. Naderhand hebben
de financiers zich voor den maatregel verklaard, en bekend dat zij de
zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen merkelijk
gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het
hoofd der oppositie"[715].
[715] _Br. en Ged._ V, 112.
Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van »betering
van het lot der renteheffers," van het »eeuwigdurend bezwaar op de
schatkist," uit de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was.
Hij troost zich met »het getal millioenen dat het arrosement van 1814
in den loop van weinige maanden in de circulatie en eindelijk in de
schatkist bracht"[716].
[716] _Gedenkschriften_, 132.
O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden
gesprek aldus op:
»Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de
geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het
voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering
verloren hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?
Het antwoord was: »Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je
hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's
anders." Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het
crediet weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren;
dat hoewel vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een
gedeelte hunner bezittingen ook in vreemde effecten belegd hadden,
velen echter uit gehechtheid aan het bestaande, uit te groot
vertrouwen enz. het meerendeel hunner fortuinen in Hollandsche
fondsen hadden; dat vooral de openbare instellingen, weeshuizen,
armengestichten enz. alle[717] Hollandsche effecten bezeten hadden;
dat ieder die effecten na de tiërceering wel had moeten houden, omdat
ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid om geld had dus de
verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te erkennen, waardoor
die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot der houders
op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat men zich
in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen ontheffen,
maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de wederverkregen
onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de toekomst mogten
hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook behalve de dadelijke
hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de vereeniging met België
dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en [er] twee volle
jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen toen
van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af
ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene
zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot,
en voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip[718]."
[717] »Alle" niet te verbinden met »effecten", maar met »instellingen."
[718] Appendix achter Falck's _Gedenkschriften_, bl. 652.
* * * * *
_Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend_
(hiervóór, bl. 341).--In het liberale Groningen van 1884 ook nog,
naar men uit Tellegen's toon kan opmaken.
* * * * *
_Algemeene volkswapening_ (hiervóór, bl. 341).--Tellegen begaat hier
de fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het leger
_in de plaats_ kwam, en wel als »toevlucht" omdat het met het leger
niets werd. Dit nu is geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en
militie, hebben reeds vóór de regeeringsaanvaarding van den S. V.
bestaan, maar natuurlijk is het militieplan eerst veel later tot
uitvoering gekomen, daar de invoering eener militie een uitgebreid
stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit den aard der
zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie zich
voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het
bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan
werving noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;--met de
militie niet.
De werving begint 20 Nov. in den Haag[719]; overal waar het gezag
van het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen.
25 Nov. publiceert het A. B.: »Wij doen van nu af gereed maken de
organisatie van een leger van 25.000 man; dezer dagen zullen wij
alomme de wervingen openen[720]". Dagelijks gaan deze maatregelen
voort; nog 5 Dec., den dag vóór zijn aftreden, gelast het A. B.
Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn overkomst naar den Haag in
de provinciën aan gene zijde van den IJsel een corps infanterie
op te richten en werfofficiers aan te stellen[721]. Het zijn deze
maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt,
en het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man
te verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op
den achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit
leger eene organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend[722].
Natuurlijk werd die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen
die voor vrijwillige dienstneming bij een staand leger in aanmerking
kwamen waren reeds voor het overgroote deel door Napoleons
conscriptie (waarbij plaatsvervanging toegelaten was) opgezogen, en
voor zoover zij niet in den oorlog omgekomen waren, kwamen er van
deze lieden in Noordduitschland, Boheme en elders wel dag voor dag
vrij, maar zij waren niet in een oogwenk weder in Holland terug.
Desniettemin waren er van de bij de organisatie van 9 Jan. 1814
verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor het einde van 1813
reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten cavalerie
bestonden er reeds 2[723]. Eind Februari wezen de sterktelijsten
aan 21.415 man in totaal[724], waarvan 5.755 militie en 1.062
vreemdelingen (Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers,
waarvan 11.884 geworven in Nederland zelf en 2.714 in
Duitschland[725]. De in Nederland geworvenen waren echter over
het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep ongeoefend,
gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger viel
nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den
grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten
aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te
velde te zullen kunnen deelnemen met 25.000 man[726], komt deze
verwachting bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar
11 à 12.000 werkelijk gereed over de grenzen te trekken[727], al
hoopt men eerlang, naarmate de militie beschikbaar komt, dit getal te
kunnen vergrooten.
[719] _Ged._ VI, inl. 3e stuk LXXVIII.
[720] Aldaar, LXXXV.--Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar,
aldaar CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.
[721] Aldaar, XCIX.
[722] Koolemans Beynen in _Gedenkboek 1813_, I, 179.
[723] Aldaar, 218.
[724] _Ged._ VII, 73.
[725] Het Oranje-legioen vermeld hiervóór, bl. 31-32.
[726] _Br. en Ged._ V, 458; vgl. _Ged._ VII, 74.
[727] _Ged._ VII, 97-103.
Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van
een staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens
een militie en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde.
Zóóveel hadden de tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat
men de landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten
aankomen. Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening
bij Gijsbert Karel ter sprake[728]; en nauwelijks is 6 Dec. de
Kabinetsraad gevormd, of Canneman wordt, bij afwezigheid van
Bentinck, met het ontwerpen eener wettelijke regeling belast, die
evenwel, toen zij gereed was, te draconisch voorkwam, en moest worden
»verzacht"[729]. Eerst het opstellen van dit stuk (een militie- en
landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het onderzoek door
Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar althans
17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds
vastgestaan[730]. Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement
het gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping
van den 6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst
bekend zijn geweest op een oogenblik waarop de voorbereiding der
andere zaak reeds in vollen gang was.
[728] _Br. en Ged._ V, 26.
[729] _Br. en Ged._ V, 46.--Canneman's ontwerp, schrijft G. K., »eischte
vier maal zooveel volk als eene Fransche conscriptie."
[730] Falck's _Brieven_, no. 96.
Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de
plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk
op den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van
Limburg Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan.
1814 aan Oorlog: »Sedert de loting een aanvang genomen heeft,
staat de Werving niet alleen stil, maar de desertie neemt toe.
De luiden worden verleid door groote premies om als remplaçanten
zich te engageeren"[731]. Het begin der ondervinding, dat het
militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger nevens zich
verdraagt!
[731] Bij Koolemans Beynen, _Gedenkboek_ I, 219.
* * * * *
_Zesde hoofdstuk der Grondwet_ (hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp
in 1812 de _Schets_ opstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog
niet gedacht, doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor
aan de zaak een »grondwettigen ondergrond" te geven, tot verzekering
der nieuwe instelling zoowel als tot bescherming der ingezetenen.
Als men dus de Grondwet door is en de president vraagt of iemand
nog iets te proponeeren heeft, komt Repelaer met de opmerking, »dat
de Staten-Generaal zich zullen verlegen vinden, indien omtrent de
landmilitie en den landstorm niets in de Grondwet gevonden wordt".
De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den inhoud van het voorstel
dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud van het reglement
van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij ongenoegzaam aanbod
loting uit de ongehuwden van 17-45 jaar, met plaatsvervanging)
in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000 man een
_fixum_ zijn, »voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar
dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir." De
president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij
zelf blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te
hebben. Dit verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin,
dat het eene herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht
in den voorgevel heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet,
den diensttijd der militie bepaalt (op vijf jaar, te verlengen
bij de wet in geval van nood). Na een niet zeer diepgaande maar
niet onwelwillende beraadslaging worden de voorstellen-Repelaer en
Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en Röell. Wat zij er van
gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit de aanmerkingen
van den Souvereinen Vorst[732]. Hun hoofdstuk moet hebben ingehouden:
[732] _Ontstaan_ I, 440, 444; II, bl. CXXI.
1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij
inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten
Europa.
2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het
grondgebied, bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen
uit de ongehuwden van 17-45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht
5 jaar. In vredestijd doet slechts een klein gedeelte dienst.
3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook
schutterijen op het platteland, die dan, met de stedelijke
schutterijen vereenigd, een landstorm vormen.
4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de
wet.
De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:
1o, 3o en 4o als boven.
2o. Militie uit de mannen van 18-22 jaar; sterkte niet in de
Grondwet. Dienst 5 jaar; jaarlijks valt 1/5 af, dat door nieuwe
loting wordt aangevuld. _De geheele militie komt jaarlijks éénmaal
samen_ om gedurende een maand of daaromtrent geoefend te worden; en
de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo lang hij zulks noodig oordeelt 1/4
van het geheel te doen samenblijven. De _geheele_ militie blijft niet
samen dan op machtiging der Staten-Generaal. Geen vrijwilligers; en
de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.
De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit
tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de
mannen van 18-22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot
bezwaar: »de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij
herleving van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der
koloniën"[733]. Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van
23 Februari, een uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden.
»Om de verdediging van 't land op de medewerking der Landmilitie
te gronden, moet dezelve bij het begin van oorlog in den kortst
mogelijken tijd op de been en disponibel zijn. Wanneer alsdan eerst
tot completeering derzelve vrijwilligers opgeroepen worden, eene
loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht, kan een gedeelte des
grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden, voor wij in staat
zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te beschermen. Ik
ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene permanente
militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende
eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te
worden. Een vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de
noodige manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door
loting genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de
17 tot 45 jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken,
de grootste economie voor de financiën, en het verzekeren der
middelen van verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa
moeten wij daarbij in 't oog houden; bij het militair zijn van alle
natiën is de rust der naburen in grooter gevaar, en vereischt
middelen welke vroeger niet noodig waren".
[733] _Ontstaan_ I, 444.