Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad vóór 1810 op het gebied

der belastingen te zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het

nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier te lande te

vestigen. Had koning Lodewijk een paar jaren langer kunnen regeeren, hij

zoude dit hebben tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven is

opgemerkt[687], alleen ingevoerd het Crimineel Wetboek en het Burgerlijk

Wetboek, het eerste den 1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei

1809. Vastgesteld waren de wetboeken betreffende de rechterlijke

instellingen en de burgerlijke rechts- en strafvordering, maar zij waren

nog niet in werking getreden. Het door van Gennep, Asser en van der

Linden ontworpen Wetboek van Koophandel was ontwerp gebleven. Midden in

dien wetgevenden arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de

Fransche Codes gebracht: le Code Napoléon, le Code de procédure civile,

le Code de commerce, le Code d'instruction criminelle en le Code pénal.

Deze wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en zij hadden dus

meer dan twee jaren gewerkt. Een wederinvoering van het Wetboek Lodewijk

Napoleon kwam minder in aanmerking, daar het in de hoofdzaak overeenkwam

met den Code Napoléon. Meer voorliefde schijnt men gehad te hebben voor

het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken zoude ook de Code

d'instruction criminelle hebben moeten worden vervangen door de

Strafvordering van koning Lodewijk, die eene doode letter was gebleven.

Daar het Crimineel Wetboek de Fransche verdeeling in misdaden,

wanbedrijven en overtredingen niet kende, zou men de Fransche

Instruction Criminelle niet hebben kunnen laten bestaan naast dat

Crimineel Wetboek. Hetzelfde was het geval met de Rechterlijke

Organisatie, tusschen welke en de Wetboeken een nauw verband bestond;

ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer ingevoerd, had dan moeten in

werking treden. Het was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige

betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen het rechtswezen en

den nationalen geest, de Fransche wetgeving bleef voortbestaan, althans

tot punt van uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd bleef zij

niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te Parijs vervallende, bleef

het Hooggerechtshof in den Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te

lande. Het besluit van 11 December 1813 (_Staatsblad_ no. 10) maakte

van dit Hooggerechtshof het eenig collegie van hooger beroep voor het

geheele land; het beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de

berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde taak te vervullen

kreeg, die vroeger rustte op de Cour de Cassation te Parijs (art. 19,

20, 26). Soortgelijke regeling--benevens eenige overgangsbepalingen--was

niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij datzelfde besluit toch

werd de jury afgeschaft; de Hoven van assises, bestaande uit leden der

rechtbank en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden voortaan niet

alleen over de toepassing der wet, maar ook over schuld of onschuld

uitspraak doen (art. 16). Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te

wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen hieraan toe te

schrijven, dat de vreemdeling ons die instelling had gebracht. De

latere geschiedenis heeft toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij

van alle zijden omringd zijn door volken, die zelven deelnemen in de

strafrechtspraak, heeft de jury ook in lateren tijd bij ons geen ingang

kunnen vinden--hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in

den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de weinige opgewektheid hier

te lande, om zich met de publieke zaak te bemoeien. Eveneens kon men

zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen besnoeien. Alleen

de pleidooien zouden voortaan in het openbaar gehouden worden, en

de vonnissen in het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de

pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus waaraan zoowel het

een als het ander moest worden getoetst, werd, in strijd met de Fransche

regeling, aan de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de Wet

op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October 1838 de openbaarheid

der terechtzittingen ook in strafzaken weder in. Deze beperking der

openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der jury in 1813

afkeuring gevonden te hebben. Vreemd is het niet, wanneer men zich

herinnert, dat de Staten-Generaal volgens de kort daarna vastgestelde

Grondwet eveneens in het geheim vergaderen zouden, en dat, toen in 1815

de openbaarheid van de zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze

nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-Generaal tegen de

Grondwet van 1815 inbrachten[688]. Publiciteit was in die dagen niet

nationaal.

[687] Bl. 327.

[688] _Ontstaan_ II, 606.

Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit van 11 Dec. 1813, zich

hiertoe bepalen? In geenen deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk

Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene bepaling daaruit weder

ingevoerd. De Code pénal was op sommige punten--hoe zal ik het

uitdrukken?--minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek. Beiden

kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche guillotine weder vervangen

werd door de strop en het zwaard, deed minder af: het was eene kwestie

van slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen? Zij werd voor

sommige gevallen te schandelijk gehouden; in die gevallen trad--volgens

oud gebruik--het onthalzen daarvoor in de plaats (art. 5)[689]; iets,

wat echter bij gebrek aan voor die verrichting bevoegde personen, nimmer

schijnt te zijn toegepast[690]. Behalve de doodstraf kende de Code pénal

slechts nog ééne lijfstraf: die van het brandmerk. Art. 7 van het

Besluit voerde tevens weder in de straf van geeseling; en dit niet

alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen[691].

[689] Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (_de Criminibus_, bl.

901) was de strop voor de _plebeji_, het zwaard voor de _nobiles_. Het

laatste was een _honestius supplicium_ (bl. 835). Op het voorbeeld van

het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van

uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of

meer schandelijke van het misdrijf vastgeknoopt.

[690] Volgens Modderman, _Hervorming onzer Strafwetgeving_, bl. 140, is

wel een enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar,

naar hij vooronderstelt, om den schuldige daardoor zijne begenadiging te

verzekeren.

[691] H. V. A. (Mr. A. W. Engelen) _Herinneringen_, bl. 51 schrijft: »Er

was in dien tijd (tusschen 1820/25) door het Cour d'Assises te Groningen

eene vrouw, eene nog zeer jeugdige vrouw, tot openbare geeseling

veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel--wie kan er

tegenwoordig zonder siddering aan denken?--onderging dan op de Groote

Markt hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige

gelegenheid nooit ontbraken, hadden allen duidelijk opgemerkt, dat de

ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog een levendig

gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in

het werk stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare

handen te bedekken."

Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te Leeuwarden voor

het eerst weder een misdadiger geeselde, het volk »Oranje boven!" riep;

dit is echter zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der

strafvervolging in latere jaren met angst en beving de gevolgen van de

afschaffing dier straf, wat, evenals met het brandmerk, bij de wet van

29 Juni 1854 plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de geeseling

hadden, meenden zij, de boosdoeners een heilzamen schrik. Onschuldiger

was zeker de nu ook weder ingevoerde straf van het zwaaien van het

zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd de straf van geeseling

met den strop om den hals aan de galg vastgemaakt, benevens die van

brandmerk, op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde misdrijf

toepassen »de comedievertooning met zwaard, blinddoek en zand".

De straf van dwangarbeid in de bagno's, hetzij altijddurend, hetzij voor

een bepaalden tijd, maakte weder plaats voor confinement in een rasp- of

tucht- of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook het Crimineel

Wetboek kende geene langere gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit

punt het besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan de Code pénal,

van nog grooter gewicht in dit opzicht was de bevoegdheid den rechter

gegeven, om ook bij misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum

van 5 jaren, op grond van het bestaan van verzachtende omstandigheden,

te bepalen. In zoover een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel

Wetboek, hetwelk alleen een maximum--geen minimum--van gevangenisstraf

kende. Hoe men ook voor het overige over het besluit van 11 December

1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was, werd door deze bepaling

van art. 12 voor een goed deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd

worden de afschaffing van de door den Code pénal weder ingevoerde

algemeene verbeurdverklaring van goederen (art. 2).

Zoo had dan de herwinning onzer onafhankelijkheid niet de afschaffing

van het Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan ook niet

ongewijzigd bestaan. Niet dat men hierin een blijvenden toestand zag; de

Souvereine Vorst noemde immers zelf de bepalingen van het besluit van 11

December »provisioneel". Een nationale wetgeving zou spoedig de Fransche

vervangen. Zoo zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene nieuwe

wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de Justitie, art. 100). De

Grondwet gaf bovendien eenige aanwijzingen betrekkelijk de inrichting

der Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die aan het hoofd der

Justitie stond, en die als eerste president van het Hof in den Haag de

Fransche organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard had, dat

de justitie nimmer beter was geadministreerd dan na de inlijving[692],

gebood toch de Grondwet de Fransche instellingen door Nederlandsche te

doen vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie een Hof van

appèl, in afwijking van de niet ingevoerde wet van koning Lodewijk van

14 Juli 1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf bepaald.

Het provincialisme liet hier zijnen invloed gelden.

[692] Hiervóór, bl. 180.

Waar ik de vraag behandel, in hoever de herwinning onzer

onafhankelijkheid ons tevens verloste van de Fransche beginselen van

staatsbestuur, heb ik, wat de Justitie betreft, het meeste gezegd.

Hoewel de Souvereine Vorst reeds den 18den April 1814 eene Commissie

benoemde tot het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met Kemper aan het

hoofd, zoo bleef eerst door de vereeniging met België, later door het

verschil van gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp, deze

zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding met 1 October 1838 den

eindpaal te bereiken, met uitzondering nog van het eerst in 1881

vastgestelde, in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.

Bijzondere vermelding verdienen echter twee besluiten van den

Souvereinen Vorst, het eene van 26 Maart 1814 (_Staatsblad_ no. 46), het

andere van 22 October 1814 (_Staatsblad_ no. 103), die beide met dit

onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel der voormalige

heerlijke rechten, is reeds vroeger door mij besproken[693]. Het

herstelde onder anderen de heerlijke rechten van de jacht en visscherij.

Deze inbreuk op de vrijheid van den grond, eene van de weldaden der

revolutie, werd vooral wat het jachtrecht betreft nader uitgewerkt door

de in overleg met de Staten-Generaal vastgestelde wet van 11 Juli 1814

(_Staatsblad_ no. 79) op het stuk der jacht en visscherij. Een ieder,

die zich het jachtgebied niet had voorbehouden en dit niet had laten

registreeren, moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door derden

werd uitgeoefend, ook dan wanneer een heerlijk jachtrecht op dien grond

niet kleefde. Eerst na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de

nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het reeds in art. 641 van

het Burgerlijk Wetboek verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht

en ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden van den grond,

maar werd tevens bepaald, dat niemand op eens anders grond zonder diens

toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de gelegenheid tot afkoop

van de rechten door derden bezeten door de wet werd geopend.

[693] Bl. 134.

Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit. Daarbij verviel het

Keizerlijk Decreet van 22 Januari 1813, waarbij de tiendplichtige

de bevoegdheid erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek Lodewijk

Napoleon had dit niet toegestaan, het had alleen eenig uitzicht geopend

op soortgelijke regeling (art. 528). In den »Conseil pour les affaires

de Hollande" den 22sten Juli 1810 door den Keizer ingesteld, om hem

te dienen van advies over de maatregelen ten gevolge der inlijving te

nemen, was door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving de wensch

uitgesproken, dat dergelijke bevoegdheid tot afkoop niet mocht worden

toegestaan[694]. Dit rapport was echter niet zonder tegenspraak

gebleven. Men wees op het belang van den landbouw en op de beginselen

der Fransche wetgeving die het tegendeel vereischten[695]. Napoleon

hakte bij zijn decreet van 22 Januari 1813 den knoop door en regelde de

afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in lateren tijd een onzer

rechtsgeleerden[696], behoorde tot de belangrijkste en voortreffelijkste

verordeningen onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het eene

regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht, hetwelk volgens

art. 100 der Grondwet bij de wet moest worden vastgesteld, zoude men

verwacht hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet verandering kon

gebracht worden. De Souvereine Vorst echter, met de ruime opvatting

zijner bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen overleg met de

Staten-Generaal buiten werking, terwijl hij voor de nadere regeling

verwees naar het vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek heeft,

zooals bekend is, dit onderwerp geen stap verder gebracht. Eerst bij de

wet van 11 April 1872 (_Staatsblad_ no. 25) gelukte het, door het recht

van afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw deze weldaad, elders

reeds lang bewezen, deelachtig te doen worden.

[694] _Ged._ VI, 1443.

[695] Jorissen in Fruin's _Bijdragen_, 2e reeks IX, 90.

[696] Fortuyn, _Verzameling van Fransche Wetten_ III, 538.

Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten uitspreken over de regeling

van een onderwerp van eene geheel andere natuur, dan waarover in het

laatst is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815 (_Staatsblad_

no. 21)[697], houdende voorschriften ter viering der dagen aan den

openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest

strekken om »op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, de

pligtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den

openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd, te verzekeren". Uit dezen

aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had de herstelling van

een vroegeren toestand. De vrijheid der ingezetenen moest weder aan

banden worden gelegd; de bedoeling was, hen dientengevolge tot kerkgang

te nopen. Onder de Fransche heerschappij, wellicht reeds sedert de

staatsregeling van 1798, had op dit stuk--in tegenoverstelling van

vroeger--volledige vrijheid geheerscht. Zoo iets was niet in den geest

van de in 1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden. Mocht men al

niet terugkeeren tot eene staatskerk, mocht ook al in hoofdzaak aan

alle kerkgenootschappen gelijke bescherming blijven verleend, het

scheen toch tot de roeping van den Staat te behooren, op de belijders

der onderscheidene Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit te

oefenen in 't belang van het vieren van den openbaren eeredienst. Had

men vroeger in vele opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed

het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde richting. Reeds bij

ordonnance de police van 7 Juni 1814[698] werden in Frankrijk bepalingen

gemaakt, ten einde de viering van den Zondag enz. te bevorderen.

Eveneens had dit de Souvereine Vorst voor België gedaan. Den 1sten

October 1814 had hij zoodanig besluit genomen--zooals de aanhef

luidde--»tot herstel van de zedelijkheid en de openbare orde".

Zoo kon men verwachten, dat ook hier te lande iets dergelijks zoude

plaatsvinden. Er bestond daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de

verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene provinciën en steden

dergelijke verordeningen waren vastgesteld, zoodat het wenschelijk was,

deze door ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam dan ook zonder

tegenstand de wet van 1 Maart 1815 tot stand. In die wet zal niemand het

wraken, dat alle hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op

die dagen worden verboden (art. 5). Velen zijn er, die evenmin bezwaar

hebben tegen de bepalingen, waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen

wordt aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het denkbeeld, dat

één dag rust op de zeven door het belang der maatschappij, vooral door

dat der arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder den steun der

wet die arbeidende klasse geene kracht genoeg in zich zelve bezit, om

zich die rust te verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof ik,

in die dagen niemand. Had men daaraan wel gedacht, men had, tegelijk met

den arbeid, de vrijheid om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had

geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd daarna (1818) schreef: »Ce

repos a été prescrit à l'homme pour qu'il connût le délassement et la

joie, pour que la douce gaîté, pour que la danse, le chant, tous les

plaisirs honnêtes dont l'homme sent le besoin, fussent aussi de temps en

temps à portée de l'esclave et de l'ouvrier"[699].

[697] Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.

[698] Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.

[699] Smit, bl. 142.

Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet bepaald, dat de openbare

vermakelijkheden op die dagen in den regel niet zouden worden gedoogd

(art. 4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan, enz., gedurende

den tijd voor de openbare godsdienstoefening bestemd (art. 3). Was voor

het eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij uitzondering

daarvan dispensatie te verleenen, het tweede was een onverbiddelijke

regel. De bedoeling was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid,

èn door het niet toelaten van eenige openbare uitspanning, zoude men de

ingezetenen nopen ter kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze

wet als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te wijzen; alleen

moet men erkennen, dat niettegenstaande al de vellen druks, die in

betrekking tot deze wet later zijn volgeschreven, niettegenstaande

de maatschappij zelve aan die wet geheel en al is ontgroeid, dat

niettegenstaande dit alles de Nederlandsche wetgever tot dusver

onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door eene betere wet te

vervangen. Moge het oogenblik daarvoor niet te laat zijn!

Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellicht onder een

ongunstigen indruk van hetgeen toen ter tijd geschied is, laten gaan?

Of zijn er andere onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker

regeling in die dagen men met welgevallen kan wijzen?

Er is zeker geen onderwerp dat na de Justitie meer verdient de aandacht

te trekken, dan dat van het Onderwijs--het lager zoowel als het hooger.

De wet van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in hoofdzaak

onder het Fransche bestuur blijven werken. De Souvereine Vorst had

dan ook niet anders te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814

(_Staatsblad_ no. 39) die wet verklaarde bij voortduring te zullen zijn

de grondslag der Nederlandsche schoolinrichtingen, met invoering daarvan

in die gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan afgescheurd

hadden bevonden. Op dit stuk alzoo--zoo verwaarloosd onder de

Republiek--bleef men de vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de

minister Röell het in zijn verslag van 7 November 1814 uitdrukte: »men

wilde de nagedachtenis der voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men

op hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw licht het oog niet

sluiten, maar moest men daar waar verbetering te vinden was, verbetering

zoeken"[700]. Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp van

overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed der kerk. Het is de

vraag of de Souvereine Vorst in de behartiging dezer zaak nog niet een

stap verder zoude hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er

op gewezen, hoe de Souvereine Vorst, als regent van Corvey en Fulda,

aldaar den leerplicht, en naar het schijnt ook kosteloos onderwijs,

had ingevoerd. Noch van het een, noch van het ander is intusschen

hier te lande iets gekomen. Evenmin echter--wat ons in den tijd dien

wij beleven, vreemd in de ooren klinkt--is de vrijheid van onderwijs

gehuldigd. Niemand schijnt haar in die dagen te hebben verlangd[701].

[700] Stuart, _Jaarboeken 1814_, bl. 265.

[701] _Ontstaan_ I, 300.

Met niet minder welgevallen rust de blik op de regeling van het andere

gedeelte van dit onderwerp: het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging

de regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de Revolutie ten opzichte

van het Lager Onderwijs ons de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van

het Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er waren in wezen

gebleven de vijf provinciale Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen,

Franeker en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van Leiden en

Groningen faculteitsscholen, van Utrecht eene école secondaire, alle

ondergeschikt aan het alles centraliseerende lichaam van Onderwijs:

_l' Université_. Franeker en Harderwijk werden opgeheven. Deze Fransche

inrichting kon niet blijven. Evenmin was het met het beginsel van

staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale inrichtingen weder in

't leven te roepen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij

besluit van 18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last om eene

organisatie van het Hooger Onderwijs te ontwerpen. Naar aanleiding van

haar rapport werd door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815 de

nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs vastgesteld, inhoudende

zoowel eene regeling der Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs

in engeren zin.

De Commissie had volgens hare opdracht moeten letten zoowel op onzen

landaard en de gehechtheid aan voorouderlijke instellingen, als op de

maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste was het voorzeker

toe te schrijven, dat zij de drie Hoogescholen, Leiden, Utrecht en

Groningen, in wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als Athenaea

met een meer bescheiden werkkring deed voortleven. Wat was echter het

nieuwe, dat meer in 't bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde

van de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de band, die ze

vastklonk aan de denkbeelden van Calvijn. De rechtzinnigheid drukte

als eene nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet alleen dat

hierdoor uitstekende mannen van den leerstoel geweerd werden; het was

bovendien een blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval

was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om de ketterjacht

van predikanten en kerkeraden te ontkomen. Dat zij, die daarvoor te

zelfstandig waren, dit met het verlies van hun ambt moesten boeten,

bewijst nog de afzetting van den Groningschen hoogleeraar in de rechten,

Frederik Adolf van der Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was

met de beginselen der revolutie, met de scheiding van Kerk en Staat in

strijd. De vrijheid der professoren was alzoo aan de nieuwe beginselen

te danken[702], en nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de nieuwe

regeling volgens het besluit van 2 Augustus 1815 in waarheid gaf eene

vrije Universiteit. »Het was", zegt een bevoegd beoordeelaar, »op

liberale grondslagen gebouwd"[703]. Noch de professoren, noch de

studenten werden ten opzichte van de resultaten hunner studiën aan

banden gelegd. Het zou ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele

besluit uit het oogpunt van de vrijheid _docendi_ en _discendi_ gingen

beschouwen en waardeeren. Ik heb echter gemeend, niet met stilzwijgen te

mogen voorbijgaan, dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit

is overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door de wet van 28

April 1876 (_Staatsblad_ no. 102). Moge het oordeel van den nakomeling

over de wet even gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na

verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen[704].

De Wedergeboorte van Nederland · 第 32 / 35 段