aandacht te vestigen, dat met den omvang der toenmalige belastingen in
nauw verband staat. Men had in 1814 noodig gehad f 59.800.000, terwijl
de gewone inkomsten f 38.400.000 hadden bedragen. Dit moest dus over
het jaar 1814 hebben gegeven een tekort van meer dan 10 millioen.
Toch was er bij den aanvang van het volgend jaar een overschot van
ruim 10 millioen. Van waar dit verschijnsel? Het liet zich slechts
voor een klein deel verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was
binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen, die ten gevolge van
de wet van 14 Mei 1814 (_Staatsblad_ no. 58) in de kas waren gevloeid;
de wet, die tot opschrift had: _herstel der Nationale schuld en vinding
der fondsen, benoodigd tot stijving van 's lands kas_. De titel wijst
aan, dat deze wet in betrekking stond tot den harden maatregel door
Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en dat het hare
bedoeling was, daarop terug te komen. Echter niet voor het geheel,
maar in zoover, zeide de wet, »als de billijkheid in de tegenwoordige
omstandigheden gedoogde en medebracht." Van onderscheidene zijden
is sedert lang erkend, dat, had de inlijving geene plaats gevonden,
het Staatsbankroet toch had moeten worden uitgesproken. Het bestond
feitelijk reeds lang. Men is er echter dankbaar voor, dat het noodlot
den Keizer en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak dwong[667].
Men keurt het echter af, dat toen de Keizer Holland met zijne lusten
opnam in het groote Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente
voor Frankrijks rekening nam[668]. Doch dat hij dit niet gedaan had,
ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst hem dankbaar zijn. Immers zoo
tijdens de Fransche heerschappij de volle rente betaald was, zoude de
financieele toestand bij onze herleving veel moeielijker voor den
Souvereinen Vorst zijn geweest. Dan had deze moeten voortgaan òf die
volle rente te betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een soortgelijken
maatregel als dien van Napoleon moeten nemen, en dus zijne regeering met
een staatsbankroet moeten inwijden[669]. De tierceering van Napoleon
stelde hem nu echter in de gelegenheid, of, om zonder ergernis te
verwekken, het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij,
ook maar voor een gedeelte, op dien harden maatregel terugkwam, als
hersteller van onrecht op te treden. Wat anders spoliatie zoude zijn
geweest, zou nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan nu
beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als hare bedoeling uit, de
ramp te verzachten, die de renteheffers getroffen had. De maatregel,
waardoor dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De nationale
schuld zoude voortaan alleen bestaan uit ééne soort effecten, 2-1/2%
rente dragende. Zij die b.v. in 't bezit waren van effecten op dat
oogenblik gevende f 45 rente, konden daarvoor krijgen een kapitaal van
f 6000, waarvan f 2000 werkelijke, d. i. dadelijk rentegevende schuld
zoude zijn, terwijl f 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren.
Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij niet in de Werkelijke
Schuld was overgegaan. Dit laatste zoude door middel van uitloting
jaarlijks tot een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats vinden;
iets wat tot voortdurende vermeerdering der rentegevende schuld zoude
hebben moeten leiden, ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een
gelijk bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het alleen ten gevolge
hebben, dat niettegenstaande de voortdurende amortisatie de
rentedragende schuld op dezelfde hoogte bleef[670].
[667] Buys, _Nederlandsche Staatsschuld_, 17.
[668] Betz, _Bijdragen tot het Staatsbestuur_, IV, 241.
[669] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 281.
[670] Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamde
_kansbilletten_ betreft, verwijs ik naar Betz, _Bijdragen_ V, 17.
Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas? Hierdoor, dat aan de
bezitters der Nederlandsche effecten de bezwarende voorwaarde was
opgelegd, om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld, dadelijk
rentedragende f 45, eene som van f 100 in contanten te moeten bijpassen.
Het gevolg hiervan was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de
schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat door de conversie,
in eenerlei effect van 2-1/2 pct., het kapitaal der schuld van 1250
millioen steeg tot 1726 millioen, waarvan f 575.350.000 werkelijke en
f 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere verlaging der rente
zou nu voortaan niet meer te denken zijn. Er zoude echter ten gevolge
der verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente behoeven
betaald te worden dan van de 575 millioen. Na verloop van hoogstens
290 jaren zoude dan de uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de
werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is hier de plaats
niet, over de uitkomsten van dien maatregel te spreken; alleen zij
herinnerd, dat, terwijl onder de regeering van Willem I er voortdurend
nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgestelde schuld eene grootere
hoeveelheid vernietigd werd, dan waartoe men volgens de wet van 1814
verplicht was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag op den
maatregel van 1814 terug te komen, en men de houders der uitgestelde
schuld noodzaakte zich met dadelijke betaling van »de innerlijke waarde"
tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan een kapitaal van
893 millioen in wezen was, waarvan de aflossing den Staat op 71 millioen
te staan kwam[671]. »Hoe lofwaardig", zeide de memorie van toelichting
op de wet van 17 September 1841, »ook de bedoeling moge geweest zijn, de
ondervinding heeft geleerd, dat de genomen maatregel het voorgestelde
doel niet heeft bereikt." Ook niet ten opzichte van de door de
herziening getroffen renteheffers. »Zij die het meest door de herziening
der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans het minst bij machte
het aan hen gegeven renteloos fonds tot eene eventueele uitloting
onaangeroerd te laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve voor
een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om hun aandeel in de aan
de conversie verbondene bijlage te voldoen." Alleen in zoover trof die
maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene gedwongene leening
de toevlucht behoefde te nemen, 28 millioen in kas bracht[672].
[671] Wet van 27 September 1841 (_Staatsblad_ no. 35). Voor duizend
gulden uitgestelde schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook
van f 1000, kreeg men in contanten f 68.
Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall
en Thorbecke voor het eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste
verdedigde de wet van 1841, de andere zag er eene rechtsschennis in
(De Bosch Kemper, _Geschiedenis na 1830_, IV, aant. 48).
[672] In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen
advokaat J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F.
Röell aan Koning Willem I medegedeeld en handelende over de Belgische
onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd: »Het is buiten bedenking,
dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna ondragelijken
schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door de
_tiercering_ verminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die
wijze om zich van schulden te ontdoen niet dan met moeite. Na het
herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch vereenigd
met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den
geldelijken nood te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet
van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met eene aanzienlijk
vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden
kanker der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der
werkelijke schuld komt vergrooten en de rentebetalingen moeilijker
maakt" (Archief van Mr. W. F. Röell).
Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij--hoe onmisbaar ook--de
Staat zich niet van de meest populaire zijde laat kennen. Doch het
onderwerp dat ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den smaak. Ik
bedoel het krijgswezen. Vooral in die dagen was het met eene zwarte kool
geteekend. Zoo iets nog meer gehaat was dan het Fransche douanestelsel,
was het zeker de conscriptie. Een last, te drukkender, omdat hij
dienstbaar was gemaakt aan de heerschzucht van den vreemdeling. In den
aanvang wilde men dan ook hier te lande van gedwongen krijgsdienst
niets weten. Men schijnt zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe
betrekkelijke regeling door de bevrijding van zelve was vervallen.
Zoo trachtte dan ook het hierboven vermelde besluit van 6 Dec. 1813
(_Staatsblad_ no. 6), hetwelk de ingezetenen uitnoodigde tot het
geven van bijdragen, door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte
te voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene gewapende macht
samen te stellen, in staat om het grondgebied te bevrijden. Men ziet
dan ook reeds veertien dagen later den Souvereinen Vorst de toevlucht
nemen tot het opleggen van dwang. Bij een Reglement van 20 December
1813 (_Staatsblad_ no. 14) werd een algemeene volkswapening ingevoerd.
Alle weerbare mannen van 17-50 jaren zouden den landstorm uitmaken, die
bestemd was om naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog door
den vijand bezetene vestingen in te sluiten en zijne aanvallen af te
slaan. Uit dien landstorm zoude tevens, voor zoover het vereischte getal
door vrijwilligers niet verkregen werd, door middel van loting tusschen
de ingezetenen van 17-45 jaren eene landmilitie worden getrokken. De
plaatsvervanging werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men een
militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en 4000 man artillerie)
te verkrijgen. De krijgsmacht bestond dan ook in de maand April, de
eigenlijke landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000 man, eene
macht waarmede men, zoo Parijs zich intusschen niet had overgegeven, de
geallieerden te hulp had kunnen komen[673].
[673] Hogendorp, _Bijdragen_ I, 5.--(Zie echter de aanteekening
hierachter).
Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp bepalen? Zoude zij,
evenals de Schets van Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen
eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het ontwerp der Grondwet
zoo goed als gereed was, kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari
1814 met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen omtrent de
landmilitie en de landmacht vast te stellen[674]. Met Röell belast die
artikelen te ontwerpen, werd het Hoofdstuk over de defensie, het 6e van
de Grondwet van 1814, na eerst aan de goedkeuring van den Souvereinen
Vorst onderworpen te zijn[675], in de daaropvolgende zitting, die van 28
Februari, door beide heeren voorgesteld en door de commissie aangenomen.
[674] _Ontstaan_ I, 423.
[675] _Ontstaan_ I, 440, 445.
Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe Hoofdstuk in de
Grondwet te plaatsen? Wanneer men het eerste artikel (art. 121),
waarin op voorstel van Hogendorp[676] naar _'s lands oude gewoonte
en het grondbeginsel der Unie van Utrecht_ verwezen werd, leest,
zou men denken dat het de bedoeling was om de ingezetenen aan hunnen
plicht te herinneren, de wapenen op te vatten tot handhaving van de
onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter in het volgende
artikel (122) den Souvereinen Vorst de plicht ziet opgelegd, te zorgen
voor eene toereikende zee- en landmacht, door werving van inboorlingen
of vreemdelingen te verkrijgen, dan wordt het duidelijk, dat men
dien last zoo weinig mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als
aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123-126). De militie,
door loting samengesteld uit de ingezetenen van 18-22 jaren, die vijf
jaar zullen dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den wapenhandel
geoefend worden, behoudens het recht van den Souvereinen Vorst om 1/4
van het geheele getal te doen samenblijven, en om in buitengewone
omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in 't laatste geval
echter in nader overleg met de Staten-Generaal. De wet zoude voorts het
getal en de inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude eene wet
gemaakt worden voor de naast of achter de militie geplaatste schutterij,
vooral bestemd tot behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander
af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de Grondwet ten doel heeft
gehad, het recht van den Staat binnen zekere grenzen te beperken, om
tevens daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met die
gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou loopen.
[676] _Ontstaan_ I, 424.
In dien geest handelde dan ook de Souvereine Vorst, toen hij de werving
niet alleen bepaalde tot de ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in
het werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen. Ook hierbij kan
men spreken van »als van ouds". Het oog werd daarvoor op Duitschland
en Zwitserland gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't
bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden 2000 man; het door
den anderen tak bezeten Nassau 3000; eenige Zwitsersche kantons 8000.
De belangen der soldaten werden door hunne overheid in zoover niet uit
het oog verloren, dat zij alleen in geval van nood in Zeeland zouden
mogen verblijven en in geen geval naar de Koloniën gezonden mochten
worden[677]. Men had dus wel eenige zorg voor de gezondheid der troepen.
Alleen de Vorst van Inn- en Kniphausen leverde ± 1000 man voor de
Koloniën, tegen f 130 per stuk.
Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van den dienstplicht niet
worden bevrijd. Noch het in dienst nemen van vreemde troepen, noch het
werven van soldaten was in staat eene voldoende legermacht te vormen.
Het was dus gelukkig dat de Grondwet eene achterdeur had opengelaten
voor de invoering van den gedwongen dienst. De wetten van 27 Februari
1815 (_Staatsblad_ nos. 19, 20) gaven uitvoering aan het zesde hoofdstuk
der Grondwet. De eerste betrof de nationale militie, de tweede de
schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde leest geschoeid als
de landmilitie van 1813. Het land verdeeld in districten van 100.000
zielen: op elk district een bataillon infanterie en eene afdeeling
artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen allereerst door
vrijwilligers en daarna door loting uit de ongehuwde ingezetenen van
18 tot 22 jaren. Zij, die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven
niet wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van een vrijgelote
te verwisselen, òf een plaatsvervanger te stellen. Verboden werd het
zenden van de militie naar de koloniën, en voor het zenden daarvan
buiten de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de toestemming der
Staten-Generaal noodig. Van 15 Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend
worden. Terugkeer tot de haardsteden van minstens 3/4 na afloop dezer
oefening. Zoo verkreeg men eene macht van ongeveer 20.000 man, waarvan
het waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de wapenen zoude
worden gehouden. Het was de bedoeling, dat van het 3/4 't welk naar huis
ging, ook de militie-officieren en onderofficieren, die voor het overige
met die van de staande armee werden gelijk gesteld, verlof zouden
bekomen.
[677] De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste
helft van 1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne
Inleiding, § 59.
De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de schutterijen, bracht
hare sterkte op 3% der bevolking, beschouwde ze als een plaatselijke
instelling en verdeelde ze in _dienstdoende_ en _rustende_, de eerste in
plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide samen te stellen
uit de ingezetenen, die den vollen ouderdom van 18 jaren zouden hebben
bereikt en het 51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede
strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige rust, en in tijd van
oorlog gezamenlijk met de rustende tot verdediging van het vaderland. Om
uittemaken, wie tot den schutterlijken dienst zoude worden aangewezen,
werd niet de toevlucht genomen tot het lot: de aanwijzing werd
overgelaten aan eene commissie, die, daarbij lettende op leeftijd
en ongehuwden staat, de meest geschikten moest uitkiezen.
Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet, ook op het gebied der
landsverdediging de Fransche instellingen door nationale vervangen. Ook
nog ten opzichte van een hiertoe eveneens behoorend onderwerp. Ik bedoel
het militair strafrecht en zijne toepassing.
Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn voor de
onafhankelijkheid van den Staat te waken, vormen een bijzondere
maatschappij. Eene maatschappij, die men in orde tracht te houden door
een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in verband staand _esprit
de corps_. Men moet »eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder
in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en dus ook tot het wel
betrachten van 's lands dienst medewerken"[678]. Voorzoover dit bij de
zwakheid der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge tucht en
streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo hebben het leger zoowel als
de marine behoefte aan bijzondere regelen ter handhaving van de orde in
die militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving dergelijke
regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat zij voldoende waren, was ook
niet te ontkennen; men zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig
met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben beholpen. Het schijnt
echter, dat, evenals men de wetten op de conscriptie als vervallen
beschouwd had, ditzelfde ook het geval is geweest met het militaire
strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand kon niet blijven. Men zou
hebben gevangenen, gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van
hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813 (_Staatsblad_ no. 19),
voor zoover de qualificatie van misdaden en strafbepalingen aanging,
weder ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of Crimineel Wetboek
voor de Militie van den Staat van 26 Juni 1799. Met de marine zou men
zich intusschen zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het
vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp in zijn vollen
omvang zoude zijn geregeld. Eene verwachting die hierin haren grond
had, dat op het oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire
strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De commissie, door den
Souvereinen Vorst reeds den 18den December 1813 voor de Armee benoemd,
en den 27sten December 1813 voor de Marine aangevuld, gebruikte de
aanwezige bouwstoffen, en was zoo spoedig met haar werk gereed, dat
de Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de Staten-Generaal
eene wet over dit onderwerp kon inzenden[679], die, door dit lichaam
aangenomen, onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in het _Staatsblad_
verscheen. Zij behelsde de vaststelling van vijf wetboeken[680].
[678] § 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het
krijgsvolk te lande, van 15 Maart 1815.
[679] De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend,
was F. H. Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge
Militaire Vierschaar, thans lid van het Hooggerechtshof en benoemd tot
president der Commissie. De man was geen optimist. In een advies aan van
Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: »Nu wil alles vegten, elk
loopt te wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er
gebeurt, gaan ze loopen als hazen; den eenen Commandant zondigt uit
doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat hij nog geen
genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote
verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als
de vijand ons meer ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je
misdaden hebben--gevangenen, gearresteerden--zonder Wetboek, zonder
Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het acheveren van dit stuk in
't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik
voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen" (te vinden
bij Mr. H. van der Hoeven, _Onze Militaire Strafwetgeving_, 28).
[680] 1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een
reglement van discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de
rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de rechtspleging voor het
krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog
Militair gerechtshof.
Deze regelden echter niet het geheele onderwerp. De Wet van 1799 bleef
voorloopig gehandhaafd. De ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek
voor het krijgsvolk te lande, en het reglement van discipline voor
hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan een nader onderzoek worden
onderworpen. Waarom? De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook
de gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie zouden worden
onderworpen. Dit onder de Republiek der Vereenigde Nederlanden zoo
betwiste punt was na de omwenteling van 1795[681] in ontkennenden zin
beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht, dat hierop zoude worden
teruggekomen[682]; zijne aftreding verhinderde echter de uitvoering van
dit voornemen; nu was het de Fransche wetgeving die het na de Revolutie
gehuldigde beginsel weder ter zij zette. Hierin bracht de verdrijving
der Fransche heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der
Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene delicten aan de militaire
rechtspleging. Dit kon dus bij de vaststelling der nieuwe regeling
geene aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het bezwaar dan?
In de vraag, of krijgstucht kon gehandhaafd worden zonder lichamelijke
tuchtiging; iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine meende
men vrij algemeen het kielhalen en laarzen, het uit de ra vallen en
laarzen, het slaan met handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan
ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de zeemacht (art. 22).
Ten opzichte van de Armee had echter Koning Lodewijk de stokslagen en
de slagen met de sabel afgeschaft[683]. Overeenkomstig de ontwerpen van
Koning Lodewijk en met toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan
ook in de Commissie deze straffen bij de Armee weggelaten. De Erfprins,
wiens militaire ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en die
dit middel bij het Engelsche leger had zien werken, vreesde dat de
discipline zonder die tuchtmiddelen niet kon worden gehandhaafd.
Eveneens de Raad van State, in wiens handen de ontwerpen om advies waren
gesteld. Men wees op de nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest
der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het slaan in zwang
geraakt, uit Duitschland in Frankrijk overgebracht en tot een uiterste
gedreven. Na de Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat
de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd. De Raad meende
echter zeker te weten, dat men zelfs in de Fransche armee daarop was
teruggekomen; een kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes
doen slaan, onder den naam van _correction paternelle_, en als 't ware
met zijne toestemming, ten einde een toegewezen onteerende straf te
ontgaan[684]. Het gevolg was, dat in de bij de wet van 15 Maart 1815
(_Staatsblad_ no. 26) bekrachtigde twee ontwerpen[685], overeenkomstig
het Reglement van 1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere
hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten van 14 November
1879 (_Staatsblad_ no. 191-194) zoowel voor het krijgsvolk te water als
te lande lichamelijke tuchtiging afschaften.
[681] Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75
Staatsr. van 1805, art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van
1799, afd. 2, Hoofdstuk _b_, art. 1.
[682] Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten
worden gewijzigd.
[683] Van der Hoeven, 8.
[684] Van der Hoeven, 62, 173.
[685] Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het
krijgsvolk te lande; 2. een reglement van discipline voor hetzelve
krijgsvolk.
Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de wetgeving van 20 Juli 1814
tevens uitvoering was gegeven aan art. 115 van de Grondwet, hetwelk
voorschreef de oprichting van een Hoog Militair Gerechtshof.
Zoo waren dan het militaire strafrecht en de militaire rechtspleging
binnen één jaar na de invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in
harmonie met de op dat tijdstip hier te lande bovendrijvende
meening[686].
[686] Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814
(_Staatsbl._ no. 72), aangevuld door de wet van 19 November 1814
(_Staatsbl._ no. 107) tegen de begunstiging van desertie van het
krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het
generaal pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni
1814, _Staatsbl._ no. 71). Men denkt aan het gezegde van Moorrees
(hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit besluit hoort
spreken van »menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de
gelukkige omwenteling dienst genomen hebben of ook tot de landmilitie
opgeroepen zijnde, veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps
hebben verlaten."
Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen ik nu wensch uiteen
te zetten. Ook de gewone maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en
rechtspraak. Dit onderwerp, reeds vroeger meer dan eens door mij
aangeroerd, verdient eenige nadere bespreking.