Toen dit besluit genomen werd was de Prins van Oranje reeds

teruggekeerd, doch was het Algemeen Bestuur nog in werking. Welke

gedragslijn volgde nu de Souvereine Vorst, nadat hij den 6den December

1813 de Regeering had overgenomen? Toen de Keurvorst van Hessen in

1813 tot zijne getrouwe onderdanen terugkeerde, haalde hij de pen door

alles wat sedert het oogenblik zijner verdrijving, sedert 1806 was

ingevoerd[648]. Dezen weg kon de Souvereine Vorst niet inslaan, ook

al had hij--wat niet geval was--dit gewenscht. Waar met opdracht der

Souvereiniteit zijn gezag zoude berusten op, zoude omschreven worden

in eene vast te stellen Grondwet, kon restauratie van hetgeen in 1795

bestaan had niet in aanmerking komen. Een terugkeer tot de instellingen

van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was onmogelijk, nu eenmaal

het besluit genomen was den ouden regeeringsvorm niet te herstellen.

Iets anders was het echter, zoo men terugkeerde tot de wetgeving,

zooals die op het oogenblik der inlijving, bij het verdwijnen van

het koninkrijk Holland bestond. Doch ook dit is niet geschied. Dat de

Souvereine Vorst hiertoe niet overging, is voorzeker niet hieraan toe

te schrijven, dat hij door den drang der omstandigheden tijdelijk met

de onbeperkte macht bekleed, van deze macht alleen gebruik wenschte te

maken in afwachting van het tot stand komen der Grondwet. De Souvereine

Vorst werd, getuige menige diep ingrijpende maatregel, door dergelijk

gemoedsbezwaar niet gekweld. Hij was voor het oogenblik onbeperkt

heerscher, en hij gebruikte zijne macht zonder schroom. Had het hem

oorbaar geschenen, hij had den toestand kunnen herstellen, zooals koning

Lodewijk dien bij zijn afstand gelaten had.

[648] Gervinus, _Geschichte des XIX Jahrhunderts_, II, 434.

Toch is dit niet geschied. Heeft de Souvereine Vorst het nagelaten,

omdat het geheele tijdvak van 1795 tot 1810 toch ook onder den invloed

der Fransche denkbeelden gestaan had, en dus de instellingen, bij de

inlijving bestaande, evenmin nationaal konden genoemd worden? Ik bedoel

hier niet het streven naar politieke vrijheid, dat in 1795 op den

voorgrond stond, doch in 1810 reeds lang had gebleken ijdel te zijn;

ik heb op het oog het streven naar eenheid van Volk en Staat, met

vernietiging van de voorrechten, toegekend aan geboorte, kerkelijke

belijdenis of woonplaats. Men had dit beginsel wel nu en dan trachten

te beknibbelen, doch in de hoofdzaak had het toch gezegevierd. Ook op

dit stuk was de Fransche wetgeving geen terugtred geweest; zij had de

opwellingen in tegenovergestelden zin den kop ingedrukt. Ook hierin was

dus geene voldoende reden gelegen om de in 1813 bestaande instellingen

door die van 1810 te vervangen.

Dit alles neemt niet weg, dat men hier te lande voorliefde koesterde

voor hetgeen vóór de inlijving had gegolden, zoodat, hadden er geen

practische bezwaren bestaan, het niet onwaarschijnlijk is dat de

Souvereine Vorst den vroegeren toestand zoude hebben hersteld. Doch

daartegen bestonden wel praktische bezwaren. Men vestige slechts de

aandacht op de burgerlijke en strafwetgeving. Den 1sten Februari 1809

was het crimineel wetboek, den 1sten Mei 1809 het burgerlijk wetboek,

het zoogenaamde wetboek Lodewijk Napoleon ingevoerd. De rechterlijke

inrichting en de regeling der burgerlijke rechtsvordering en der

strafvordering waren daarentegen, hoewel vastgesteld, niet in werking

getreden. De Fransche Codes daarentegen met al hetgeen er bij behoorde,

waren alle den 1sten Maart 1811 ingevoerd en hadden dus meer dan

twee jaren gewerkt. Het ging niet aan, de beide wetboeken van koning

Lodewijk weder te doen herleven en daarnaast de Fransche burgerlijke en

strafvordering en de Fransche rechterlijke organisatie te laten bestaan.

En het was eveneens zoo goed als onmogelijk, wat die laatste onderwerpen

betreft, de regeling van koning Lodewijk, die nog nooit had gewerkt, in

't leven te doen treden. Alles moest er dus toe leiden om de Fransche

wetgeving voorloopig te handhaven. Dit ging ook met mindere bezwaren

gepaard, omdat de Keizer zelf niet de geheele Fransche wetgeving met

één pennestreek hier te lande had ingevoerd: hij had de wetten, die hier

zouden gelden, afzonderlijk genoemd; hij had de bestaande regeling van

sommige onderwerpen geëerbiedigd[649].

[649] Zoo werden onder anderen bij decreet van 14 November 1810

gehandhaafd de wet van 31 Januari 1810 op het onderhoud der dijken en

het daarbij behoorende reglement van 15 Juni 1810. Zoo bleven ook van

kracht de wetten, die niet uitdrukkelijk waren afgeschaft, of door eene

nieuwe regeling niet waren vervangen. De vraag is betwist, maar later

door den Hoogen Raad in bovenvermelden zin beantwoord.

De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen bestuur had gedaan: hij

liet, behoudens de wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving

zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te lande, die dit

niet hadden begrepen. De Fransche wetgeving had ons iets gebracht,

dat reeds onder koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in werking

was getreden: de akten van den burgerlijken stand; niet alleen een

doeltreffend middel tot verzekering van den staat der personen, maar

tevens een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de heerschzucht der

geestelijkheid. Nu waren er die meenden, dat met de verdrijving van den

vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was herleefd. Bij besluit

van 16 Februari 1814 (_Staatsblad_ no. 26) moest de Souvereine Vorst

een naderen termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden, geboorten,

sterfgevallen enz. aan te geven, een verzuim, dat, zeide de Souvereine

Vorst, een gevolg was van het »dwalend denkbeeld, dat alle instellingen

zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk afkomstig, door de

gezegende verandering van zaken in dit land, waren komen te vervallen."

Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan, voorzoover ze niet door het

algemeen bestuur gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst, vóór

de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814 door hem alleen, daarna in

overleg met de Staten-Generaal, gewijzigd zoude worden.

In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van 1814 dit laatste plaats

gehad? Het is niet mijne bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden;

ik wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.

Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen vervullen, uitgaven

te doen. Zij moeten in den nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit

de bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte van de Staatszorg

heeft dus betrekking tot de financiën, en in 't bijzonder tot de heffing

van belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd de belastingen

van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, die met eene enkele

uitzondering, de convooien en licenten, een provinciaal karakter

droegen, te doen vervangen door algemeene belastingen en alzoo

uitvoering te geven aan de beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling

van 1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de omwenteling

van 1798 zoo goed als onmogelijk beschouwd werd[650], was onder

Schimmelpenninck door de kunde en energie van den financier der

Revolutie, Gogel, tot stand gekomen[651]. Het beginsel der Staatseenheid

was dus op dit gebied verwezenlijkt.

De groote maatregel was geslaagd, alleen had de opbrengst der

belastingen niet hoog genoeg kunnen worden om de uitgaven te dekken.

Men stond onder koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk

tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd ingelijfd, kon een

afzonderlijk belastingstelsel moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche

belastingen waren lichter; ze zouden dus eene mindere opbrengst geven.

De moeilijkheid werd opgelost door de schrapping van 2/3 van de rente

der staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was die maatregel

voor de renteheffers een financieele ramp, de daardoor met ongeveer 24

millioen verminderde uitgaven zouden nu door de opbrengst der Fransche

belastingen kunnen worden gedekt. Waarom echter met de invoering dezer

belastingen gewacht tot 1 Januari 1812?[652]. Dit geschiedde niet alleen

om de Hollandsche ambtenaren in staat te stellen, op de hoogte te komen

der Fransche inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften van

het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende konden worden gedekt. Alleen

werden reeds met 1 Januari 1811 de directe belasting op het meubilair

en de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en werden ook in andere

opzichten de belastingen verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het

Fransche belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor tevens de

accijns op het gemaal en die op de brandstoffen. De geldelijke uitkomst

van de Fransche belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der

belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had bedragen, zij in

1811 verminderde tot 33-4/10 millioen gulden, om in 1812 tot 61-1/2

millioen franc te dalen[653].

[650] _Br. en Ged._ III, 105.

[651] Sillem, _Gogel_, 54.--»Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op

financieel gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der

beginselen, die Gogel heeft uitgesproken, in het doortrekken der groote

lijnen van het stelsel van 1805" (N. G. Pierson in _Gids_ 1881, III,

28).

[652] Decreet van 21 October 1811.

[653] Sickenga, _Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert

1810_, I, 10 vv.

Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam, was hier alzoo het

Fransche belastingstelsel in werking. Niettegenstaande hij de kassen

ledig vond, meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die eene mindere

opbrengst der belastingen ten gevolge moesten hebben. Op denzelfden

dag, dat hij de Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot verlaging

van het recht op de dranken en een en ander van nog grooter gewicht,

waarbij het Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde regie, werd

afgeschaft[654]. Welke denkbeelden den Vorst bezielden, blijke uit

den aanhef van dit besluit, waarin hij den koophandel beschouwde,

»als de bron van vroegeren luister", elk monopolie verklaarde te zijn

onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en »strijdig met de liberale

denkbeelden, welke de Nederlandsche Regeering steeds hadden gekenmerkt."

[654] Besluiten van 6 December 1813 (_Staatsblad_ no. 5 en 7).

Een besluit van den volgenden dag werkte in diezelfde richting[655]. Het

betrof de afschaffing van »het principe" der gehate Fransche douanes

en de wederinvoering van de Convooien en Licenten, tegelijk met het

buitenlandsch lastgeld op de schepen. De in den tijd der Spaansche

troebelen geheven Licenten wegens den handel op den vijand, en de

Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de bescherming der

zeevaart of als afkoop voor plundering en kaperij, waren, nadat de

redenen voor de heffing niet meer bestonden, als belasting op den in-,

uit- en doorvoer van waren blijven bestaan. Het was tegelijk met het

buitenlandsch lastgeld de eenige belasting, die onder de Republiek der

Vereenigde Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven[656]. Het

laatst vastgestelde tarief, dat van 1725[657], was nimmer door een

nieuw tarief vervangen; alleen werd het jaarlijks herzien en dan soms

gewijzigd. Ook Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij werd

nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals zij volgens de Wet van

29 December 1809 het laatst was herzien. Men dient bij dat punt niet

te vergeten, dat het onder de Fransche overheersching zoo uitgestrekte

tolgebied nu weder tot de oude grenzen was ingekrompen, en dat alzoo het

behoud van het hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude geweest zijn.

Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later aangevuld[658], werden tevens

hersteld de niet tot de Convooien en Licenten behoorende imposten op

onderscheidene buitenlandsche producten, die geheven werden volgens de

Wet van 18 December 1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent

van de hier te lande op die goederen gelegde accijnzen.

[655] Besluit van 7 December 1813 (_Staatsblad_ no. 9).

[656] Fruin, _Tien jaren_ (6e druk), 51; Sickenga, _Belastingen der

Republiek_, 102, 132; Sillem, _Gogel_, 159.

[657] _Groot Placcaatboek_, VI, blz. 1338.

[658] Besluit van 16 December 1813 (_Staatsblad_ no. 12).

De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien, dat althans in de

eerste tijden niet aan een verlichting der belastingen, eerder aan

verzwaring daarvan zou moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der

Franschen van het grondgebied waren niet alleen soldaten, er was

daarvoor bovendien geld noodig. Toen de Souvereine Vorst bij besluit

van 6 December 1813 (_Staatsblad_ no. 6) de Nederlanders te wapen riep,

deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen. »Gedwongen leeningen

voegden niet aan een volk, dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich

had genomen". Door vrijwillige bijdragen moest de schatkist worden

gevuld. De bron vloeide echter niet ruim genoeg om daarmede de behoefte

te kunnen dekken[659]. Evenmin kon aan het oogmerk voldoen, dat de

ingezetenen bij besluit van 18 December 1813 (_Staatsblad_ no. 13)

werden uitgenoodigd tegen genot van 1/2% per maand voorschotten te

doen op de belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al ware

deze maatregel beter geslaagd dan het geval schijnt te zijn geweest,

kon hij alleen voor het oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van

de inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine Vorst moest dus wel

zijne toevlucht nemen tot eene nieuwe regeling der belastingen.

[659] Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand

van 1814 ruim f 1.200.000 ontvangen (Stuart, _Jaarboek voor 1814_, bl.

194).

»In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om ten spoedigste aan 's

lands schatkist te verzekeren de geldmiddelen, welke dezelve in staat

kunnen stellen om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en gewone

uitgaven, die, ter voldoening der verschuldigde renten van de nationale

schuld, ter bestrijding van de onkosten voor het inwendig Bestuur, voor

den Waterstaat, voor de Zeemacht, mitsgaders voor de defensie en de

armee van den Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te nemen

in den oorlog, welke voor de onafhankelijkheid der Staten van Europa

gevoerd wordt, benoodigd zijn." Zoo luidde de aanhef van 's Vorsten

besluit van 23 December 1813[660], aanwijzende de belastingen in 1814 te

heffen. Bij dit besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de

richting van de afschaffing der Fransche belastingen en de vervanging

daarvan door belastingen volgens het stelsel van Gogel. De zoogenaamde

vereenigde rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het oogenblik

van de inlijving bestaande. Zout, gedistilleerd en wijn werden weder

volgens de Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf, zeep en

gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend, traden weder uit het niet

te voorschijn. De domaniale, provinciale en watertollen traden in de

plaats der _droits de navigation_, eveneens een der vereenigde rechten.

Zoo herleefden ook het recht op de waag en op de ronde maat, van oudsher

in ons land bekende belastingen, drukkende, met vrijstelling van den

kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de maat, 't zij

bij het gewicht. Tevens werd weder ingevoerd de belasting op de

binnenlandsche scheepvaart, geheven onder den naam van het binnenlandsch

last-, water-, plaisier- en passagegeld. De wederinvoering van Gogel's

wet op de successie was eenerzijds eene verlichting, doordat het

successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk geheven, hierdoor

verdween; anderzijds was het eene verzwaring, daar het tarief van Gogel

veel hooger was dan het Fransche[661].

[660] _Staatsblad_ no. 17.

[661] Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der

nalatenschap; vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders

voor zoover hun aandeel bij versterf betrof; verminderd werd dit recht

eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor grootouders en

broeders en zusters, tot 7-1/2% voor bloedverwanten in den derden

graad. Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in

de rechte lijn 1/4% van roerende, 1% van onroerende goederen, en in

de zijlinie 1-1/4% van roerende, 5% van onroerende goederen. Daar het

recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was

de verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot,

als het oppervlakkig zou schijnen.

In vele opzichten keerde men dus tot de Hollandsche wetgeving terug.

Van de belastingen bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der

personeele en patentbelasting, benevens de rechten op den waarborg[662]

aan de Fransche wetgeving onderworpen, terwijl ook de zegel-,

registratie-, griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend

in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver zouden worden

geheven.

Het valt niet gemakkelijk na te gaan, wat den Souvereinen Vorst heeft

bewogen van de Fransche belastingen deze te behouden, gene af te

schaffen. Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang der

schatkist geput, die tot het een of ander hadden doen besluiten. Dat

bij de afschaffing der tabaksregie een ander doel beoogd werd, sprong

ook, al ware dit niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog.

Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de wederinvoering van de

Convooien en Licenten. Zij waren, voorzoover dit van eenige belasting

kan gezegd worden, steeds populair geweest. Was de reden hiervan gelegen

in de lage rechten? Maar toen de Souvereine Vorst de Convooien en

Licenten herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief,

zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit tarief ademde een

protectionistisch karakter. »De zee", zegt Hogendorp[663], »was toen

gesloten, de koophandel scheen vernietigd en men zocht eenige vonken

van welvaart op te wekken uit fabrieken, die om verbod of bezwaar van

invoer van vreemde goederen verzochten. De vergunningen toen verleend

en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en zonder

vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen koophandel, zeer nadeelig

te zijn. De belemmeringen aan den algemeenen handel toegebracht,

strekten veel meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de

flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan doen kon." Dit was

dan ook de reden dat men niet staan bleef bij de in December 1813 weder

ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die volgens de wet van 1809

geheven werden. De zucht »om den herlevenden koophandel te begunstigen",

leidde er toe om na de invoering der Grondwet van 1814 en dus nu in

overleg met de Staten-Generaal bij de wet van 25 Juni 1814 (_Staatsblad_

no. 70) het tarief in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets

anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt dient te worden. »Het

was", zegt Hogendorp, »eene oude gewoonte, dat de koopman verklaarde

onzeker te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der goederen, en dat

diensvolgens eene overeenkomst werd getroffen tusschen hem en den

ontvanger aangaande de verschuldigde som." Hiervan was het gevolg, dat

in werkelijkheid de betaalde rechten minder bedroegen dan volgens het

tarief verschuldigd was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair

bij den handel had gemaakt; het was echter geen noodzakelijk gevolg van

deze heffing. Men zag dan ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht

blijven bestaan. Toen kort daarna, bij de wet van 1 December 1814

(_Staatsblad_ no. 109) de zoogenaamde premie bedragende 2% van de

inkomende en 1% van de uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men

van de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van het placcaat van

1725 (art. 40-42) waarin dat misbruik geworteld was, te doen vervallen.

[662] Besluit van 26 December 1813 (_Staatsblad_ no. 18).

[663] _Bijdragen_, I, 9.

Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door maatregelen van den

Souvereinen Vorst alleen uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had

de inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de herstelling

deed het tegenovergestelde. »De _droits réunis_," zegt Hogendorp[664],

»waren afgeschaft, het monopolie van den tabak was vernietigd; maar men

stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder het gemaal), die

veel meer opbrachten. Doch alzoo er een geduchte oorlog te voeren, de

troepen der bondgenooten te voorzien, een leger op de been te brengen en

een ruim materieel aan te schaffen waren, begreep de natie, dat er ook

geduchte oorlogslasten tot bescherming der onafhankelijkheid moesten

gedragen worden". In den loop van het jaar 1814 was echter aan den

oorlog een einde gekomen en mocht men zich vleien, dat een toestand

van vrede ons voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook voor

het jaar 1815 op vermindering van belasting bedacht zijn. Bij de wet

1 December 1814 (_Staatsblad_ no. 109) werd niet alleen de premie of

het veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de transitorechten in

1802 ingevoerd, weder op de helft gebracht, en de rechten op den

indigo verlaagd. Een andere vermindering betrof de belasting op de

dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de afschaffing van het

proportioneele recht op de patenten. Tevens werd in de eerste maanden

van 1815 de belasting op paarden en dienstboden, en op de patenten, door

eene geheel nieuwe regeling vervangen, waarbij weder de wetgeving van

Gogel tot voorbeeld werd genomen[665].

[664] _Bijdragen_, I, 7.

[665] Wetten van 10 Februari (_Staatsbl._ no. 12, 13) en wet van 10

Maart 1815 (_Staatsbl._ no. 22).

Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte der belastingen voor

verreweg het grootste deel weder vervangen door hetgeen hier te lande

in 1805 en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo nog alleen de

grondbelasting, de belasting op den waarborg en de zegel-, registratie-,

griffie- en hypotheekrechten, die aan de vreemde overheersching bleven

herinneren.[666]

[666] De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en

al door de wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de

wet van 26 Mei 1870, die op het zegel door de wet van 3 October 1843.

De griffierechten verdwenen bij de wet van 31 December 1856. Bij de

registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde

overheersching eerst in 1893 uitgewischt.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 30 / 35 段