Dit lag niet aan het ambt zelf, dat na hem (aanvankelijk onder een
bescheidener titel) door de Mey van Streefkerk bekleed, nimmer meer
politiek gewicht verkregen heeft. Het trechter zijn tusschen een
alles regelend vorst en ministers wien de koninklijke beslissingen
worden ingegoten is op zich zelf niets gewichtigs. Dat Falck meer was
dan trechter ligt aan drie oorzaken: 1o. dat de Vorst aanvankelijk
vreemd tegenover zaken en personen stond en zich in 1813 en 1814 lang
niet zoo zeker van zichzelf voelen kon als in 1818; 2o. aan den aard
der voorkomende zaken, die toen alles nog moest worden ingericht
veel meer noodzaakten tot overleg dan toen op gelegde grondslagen
werd voortgearbeid; 3o. aan het aanpassingsvermogen, de vlugheid en
staatsmansgaven van Falck zelf. Na de geringschatting der allereerste
dagen is de Vorst, »die knap bediend wilde zijn"[617], zeer spoedig
met hem ingenomen; in 1814 en 1815 stijgt zijn invloed zeer hoog
naarmate die van den als minister onder een man als Willem I
onbruikbaren Hogendorp afneemt. Als alles gereed is krijgt de Koning
argwaan; wanneer Falck in 1816 voor een badkuur naar Aken vertrekt
zijn zijn vrienden al bevreesd dat hij bij zijn terugkeer zijn plaats
door een ander ingenomen zal vinden[618]. Falck lacht hen dan uit;
intusschen zal de volgzame de Mey, die Falck gedurende zijn verlof
vervangen had, den koning meer naar de hand zijn geweest; hij had
het onderscheid nu kunnen voelen, en een paar maanden na Falck's
gerusten brief aan van Lennep, hiervóór bl. 278 noot door Tellegen
aangehaald, poogt de Koning reeds hem kwijt te raken; hij ontsnapt er
aan, doch voor niet langer dan een half jaar, wanneer het aanbod van
een ministerie wordt herhaald in een vorm die, zoo al weigering, in
ieder geval geen behoud van het bezeten ambt meer toelaat, immers de
Koning verklaart dit op te heffen[619].
[617] _Br. en Ged._ V, 44.
[618] Falck's _Gedenkschriften_, 175-176.
[619] Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van »Staatsraad
belast met directie der Staatssecretarie" precies hetzelfde als Falck te
doen. (Aldaar, 203 en 408).
* * * * *
_Kabinetsraad_; _Raad van State_ (hiervóór, bl. 279 vv).--Er is
vóór 1823 geen Ministerraad geweest: die is juist ingesteld na de
afschaffing van den Kabinetsraad, waarin de Koning presideerde. Falck
schrijft omtrent dien Kabinetsraad het volgende:
»Moeite had ik, den Prins over te halen tot het geregeld houden van
een Kabinetsraad[620]. Veelligt hinderde hem het denkbeeld dat hij
aldaar de plichten van Voorzitter zoude te vervullen hebben. Doch
een paar proeven waren genoegzaam om hem te doen zien dat deze
taak zoo moeilijk niet was. Wij hadden dus sedert alle Woensdagen
Kabinetsraad[621], maar mijne hoop om door dit middel aan de zaken
eene eenparige behandeling en gang te verzekeren en de Ministers
zoowel als den Vorst gelegenheid te verschaffen om zich onderling
te orienteeren en zich over en weder een algemeen overzigt te geven
van hetgene ieder vak van bestuur merkwaardigs opleverde--deze hoop
is nimmer verwezenlijkt geworden. De notulen van die vergaderingen
bevinden zich onder de papieren die ik als mijn eigendom
beschouw[622], omdat ik, bij mijn scheiden van de Staats-Secretarie,
geen blijk heb willen achterlaten van al het onbeduidende met welk
ambtenaren van dat kaliber zich gemeenschappelijk bezig hielden en
van het gebrek dat zij doorgaans geleden hebben aan onderwerpen van
waarachtig belang. Röell weet ik dat zich heeft uitgelaten alsof de
schuld daarvan bij mij gezocht worden moest, die liever de zaken
met den Prins tusschen vier oogen afdeed en meer kans had om ze
dus naar mijn zin te krijgen, dan indien men er eerst stellig over
beraadslaagd had en gestemd. Maar deze zijne meening is niet juist.
Heb ik, nu en dan, over opkomende voordragten of vragen een besluit
doen nemen, welk het meer eigenaardig geweest ware door eene
discussie in den Kabinetsraad te doen voorafgaan, zoo ben ik daartoe
waarschijnlijk verleid geworden door de, ik zoude haast zeggen,
plichtmatige zucht om met den stroom der dagelijksche bezigheden
gelijk te blijven, en zoo kort mogelijk in mijn portefeuille te
houden wat voor beslissing en afdoening rijp scheen. De hoofden
der departementen zullen om soortgelijke redenen hunne respective
maatregelen bespoedigd, en voor den Kabinetsraad slechts zoodanige
vraagpunten ter zijde gelegd hebben omtrent welker vertraging en
eindelijke beantwoording zij zich onverschillig gevoelden; en de
Souvereine Vorst zelve mag de ruime toelichting en nauwkeurig
onderzoek, voor welke het hem zeker niet aan smaak ontbrak, liever in
schrifturen aangetroffen hebben die hij op den hem gelegen tijd met
koelen hoofde overwegen kon, dan in de gedachten- en woordenwisseling
zijner meest vertrouwde raadslieden. Kortom, anderen beschuldig
ik even weinig als ik zelve beschuldigd worden wil. De daadzaak
slechts heb ik willen vermelden. De Mey's notulen zullen van geen
belangrijker inhoud geweest zijn dan de mijne, en na eene verveling
van bijkans tien jaren heeft de Koning opgehouden den Kabinetsraad
bij te wonen en denzelven afgeschaft[623]".
[620] De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck's _Brieven_, no. 90,
welke brief, enkel gedateerd »Dinsdagavond", door den uitgever ten
onrechte op 23 Nov. gebracht is in plaats van op 7 Dec.)
[621] In den aanvang vaker; zie hierachter den brief van den S. V. aan
Hogendorp van 8 April 1814.
[622] Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen Mevrouw
de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der Koningin ten
geschenke gegeven waar zij nog berusten, en bevestigen wat Falck omtrent
het karakter van den Kabinetsraad mededeelt; bovendien zijn zij zóó
summier dat een ander dan de man die ze schreef er nagenoeg niets aan
heeft.--Voorbeeld Falck's _Gedenkschriften_, 348; ander voorbeeld:
_Ontstaan_ II, bl. XCI. Het waren dan ook geen notulen die in de
volgende vergadering werden gelezen en goedgekeurd; zie Hogendorp
hierachter.
[623] Falck's _Gedenkschriften_, 127-128.
Uit G. K.'s gedenkschriften blijkt dat zeer belangrijke zaken
buiten den Kabinetsraad zijn afgedaan; zoo is b.v. van Nagell's
ontwerp van instructiën aan Hendrik Fagel omtrent de teruggave
der koloniën niet daar behandeld, maar in een door den Vorst
bijeengeroepen conseil, uit G. K., van Nagell, Falck en Janssens (als
oud-gouverneur-generaal) bestaande[624]; zoo is de lijst van tot lid
der Staten-Generaal te benoemen personen in Maart 1814 (reeds vóór de
reis naar Amsterdam) opgemaakt door den Vorst, G. K. en Falck[625].
[624] _Br. en Ged._ V, 72.
[625] Aldaar, V, 93.--Te Amsterdam werden er veranderingen in gemaakt.
De Vorst schrijft aan Hogendorp, 8 April 1814: »Woensdags zal
ordinaire zitting van den Kabinetsraad kunnen zijn, welke vervolgens
mij schijnt voldoende te zijn eens in de week, om zulke objecten
daarin voor te dragen, waar meerdere Departementen bij betrokken
zijn, of materies van groot gewicht, waarop het wenschelijk is dat
de geheele Raad gehoord worde, eer het stuk aan den Raad van State
afgegeven wordt. Met de Chefs van Departementen [afzonderlijk] zal
ik daarentegen eens of tweemaal in de week arbeiden, waar zij mij
alsdan mondelinge berichten kunnen maken en projectbesluiten afgeven,
waardoor mij voorkomt tijd bespaard te worden, zonder nadeel voor de
zaak. In bijzondere gevallen wordt de Raad of eenige der Ministers
beroepen tot eene buitengewone conferentie[626]".
[626] _Br. en Ged._ V, 362.
Over den aanvang van 's Vorsten regeering onder de Grondwet schrijft
Hogendorp in 1817:
»Het beginsel om het geheel van het Bestuur, het overzigt van alle
deelen, voor zig alleen te houden, was nog niet tot volkomen rijpheid
bij den Prins gekomen, maar het lag in zijn karakter, en moest zig
met den tijd ontwikkelen. Hij begon met de mindere zaken en klom op
tot de meerdere....
De Prins schreef mij, dat Hij nu maar eens in de week den
Kabinetsraad houden zou; dat Hij er slechts die zaken brengen wilde,
waar meer dan een ministerie in gemengd was, en dat de zaken voorts
in den Raad van State zouden komen[627]. Hij gaf eene instructie
aan dezen Raad, die mij goed voorkwam, en die denkelijk door Falck
ontworpen was[628]. Hij opende denzelven en las er eene aanspraak
voor, waarbij de Leden aangemoedigd werden om vrij te adviseeren. Ik
droeg zorg, dat 's Prinsen aanspraak in de notulen kwam. Dien eersten
dag was er niets anders te doen, dan zaken commissoriaal te maken,
zoodat de vergadering schielijk afgeloopen was. Ik bemerkte egter
wel, dat de Prins de deliberatiën wilde bijwonen, dat Hij een tweeden
Kabinetsraad beoogde. Zijne verdere bezigheden, audientiën enz.
lieten Hem egter niet toe er altijd te komen, en zoo moest Hij wel
den draad verliezen. Daar kwam bij, dat Hij mij het beleid opdroeg,
zig voorbehoudende om tusschen in te spreken; maar dan behandelde ik
alles zoo volledig, dat er weinig te zeggen viel. Vervolgens kwam Hij
ook maar bij gewigtige deliberatiën, en eigentlijk met een voornemen
om de zaken naar zijnen zin te doen uitvallen. Was ik het eens met
Hem, zoo was dit niet noodig, en zoo bepaalden zig eindelijk zijne
verschijningen tot gevallen, waar Hij niet zeker van mij was, of wist
dat ik anders dagt. Dan zeide Hij mij van te voren: ik zal komen om
aan te hooren, ik wil wel eens de gedagten vernemen. Dog niemand was
er in bedrogen.... In Engeland wordt het advies van den Raad door den
President aan den Koning gebragt en het besluit des Konings luidt
_the King in Council_. Op dezen voet had ik mijn ontwerp van de
Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in
den Raad. Dit had men zoo veranderd, dat Hij den Raad hoort[629],
juist omdat zijne tegenwoordigheid niet noodzakelijk voorkwam. In den
Kabinetsraad is het wat anders; daar hoort Hij de adviezen en doet
wat Hij wil, zonder eenig besluit op te maken, zonder dat er notulen
gehouden worden[630]. In den Raad van State wordt er op elke zaak een
advies bij de meerderheid opgemaakt, aan den Prins gezonden en in de
notulen bewaard. De Raad van State is een lichaam bij de Grondwet
ingesteld en moet gehoord worden; de Kabinetsraad niet. De Grondwet
bepaalde, dat alle zaken tot het Souverein gezag behoorende, in
den Raad van State kwamen, en dus ook de buitenlandsche. De Prins
verstond dit ook zoo, alzoo Hij mij eens zeide, dat [Jacob] Fagel
voor de buitenlandsche zaken dienen zou. Nogtans heeft Hij er de
buitenlandsche zaken niet gebragt, zooals hij die ook gaarne buiten
den Kabinetsraad hield. In mijnen tijd[631] zeide ik Hem meermalen,
dat ik iets in den Kabinetsraad brengen wilde, en Hij belette het.
Een vast plan van bestuur was dit alles niet, maar het lag in zijn
karakter om alleen te regeeren....
[627] Zie bovenstaanden brief.
[628] Dit was inderdaad het geval.--Over de instructie hiervóór, bl.
282.
[629] Hiervóór, bl. 169 en 193.
[630] Vgl. echter hiervóór, bl. 315; Falck's notulen waren dus
aanteekeningen ten eigen behoeve.
[631] Als minister van buitenlandsche zaken.
De zaken kregen dezen loop. Een minister leverde een rapport
in, hetzij uit eigen beweging of op last; dit rapport werd òf
aanstonds goedgekeurd en in een besluit veranderd, òf het kwam in
den Kabinetsraad, en werd daar eerst goedgekeurd; òf het ging hetzij
uit den Kabinetsraad, hetzij aanstonds, naar den Raad van State. Het
advies van den Raad van State gaf dan aanleiding tot een besluit, of
werd ook altemets wederom in den Kabinetsraad gebragt. Dit laatste
egter zelden of nooit... In alle gevallen bleef de laatste beslissing
aan den Prins. De minister wiens rapport aanleiding tot een besluit
gegeven had, wist niet of de veranderingen in zijne voordragt van
den Raad van State of van den Prins kwamen. De Raad van State had
nogal de meeste kennis van de zaken, maar de Kabinetsraad veel
minder, en de eene minister vernam hoe langer hoe minder van de
werkzaamheden der anderen. Deze afzondering der Ministeriën nam
vervolgens gedurig toe, en de deliberatiën in den Kabinetsraad liepen
eindelijk genoegzaam te niet. Vóór de invoering der Grondwet was de
Kabinetsraad de eenige vergadering geweest, en hij zat altemets vijf
uren. In de laatste tijden gebeurde het, dat er niets voorgedragen
werd; dat de Prins een kwartiertje praatte en opstond......
De eerste zaak van zeer groot gewigt [na de invoering der Grondwet]
is de vermaarde financieele wet van 14 Mei 1814 geweest[632]...
In den Raad van State vond de zaak grooten tegenstand, vooral omdat
men daarin zooveel aanleiding tot spel met uitgestelde schuld vond,
hetwelk door de uitkomst bewaarheid is. Bij mij bleef de zwarigheid
over, dat renteniers, die niet hadden om bij te leggen, met zware
schade zouden moeten verkoopen, zooals ook gebleken is. De heer Six
rekende uit van neen, omdat de fondsen zouden blijven staan: maar zij
vielen, zooals ik voorzegd had. Ik stemde dus tegen, in bijzijn van
den Prins, en de stemmen staakten, alzoo er eene twijfelagtig was.
Nu moest deze zig voor of tegen verklaren; zij viel uit voor de
wet...... De Prins kon zijn gelaat niet meester blijven, en met
blikken, ja met woorden, ondersteunde Hij die met Hem, en schrikte
Hij af, die tegen Hem waren. Ik at bij Hem dien dag, en genoot geen
goed onthaal[633]. Door al het gebeurde was ik overtuigd, dat de
vrijheid van deliberatiën verloren was[634], dat mijn werk niet meer
bestond in het overbrengen van het advies van den Raad van State aan
den Prins, maar dat deze van mij vergde om zijne denkbeelden aan te
nemen en in den Raad door te zetten. De Raad kon nooit regt vrij
delibereren over de gewigtigste zaken, vooral van Financiën, en zijn
werkzaamheid bepaalde zich hoe langer zoo meer tot mindere zaken.
Het gebeurde zelfs dat er eene zaak in den Kabinetsraad verhandeld
zijnde, de Prins mij zeide, dat ik nu wist hoe men het begrepen had,
en dat Hij de stukken aan den Raad zenden zou. Op deze wijze moest
deze eindelijk een schaduw worden, een bloote vorm, een naam, die
indruk maakte op het publiek, op de Staten-Generaal in de eerste
plaats; maar geen aanzienlijk werktuig blijven van de Regering, daar
hij bij de Grondwet toe ingesteld was".
[632] Zie Tellegen's volgende hoofdstuk.
[633] Hieruit blijkt dat Falck (die zijn gedenkschriften zooveel later
schrijft) van de zaak een minder juiste voorstelling geeft, wanneer hij
meldt (_Gedenkschr._ 133) dat Hogendorp vóór de behandeling in den Raad,
»na een ernstig onderhoud", de belofte had moeten afleggen niet te
zullen tegenwerken. Hij zal naderhand hebben beloofd niet te zullen
tegenwerken in de Staten-Generaal, waaruit hij wegbleef toen de wet in
behandeling kwam.
[634] Inderdaad werden van Bylandt-Halt en Canneman om hun adviezen bij
deze gelegenheid uitgebracht, uit den Raad gezet (Falck, _Gedenkschr._
133; _Br. en Ged._ V, 104, 193).
Bij de Grondwet van 1815 (art. 73) werd de rol van den Raad van State
teruggebracht tot het adviseeren over voorstellen door den Koning aan
de Staten-Generaal te doen of door dezen aan Hem gedaan, alsmede over
alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van
deszelfs bezittingen in andere werelddeelen.
* * * * *
_Geen president_ (hiervóór, bl. 281). Als in 1801 de Fransche gezant
Sémonville, fijn kenner van onzen volksaard, uit Parijs over het
denkbeeld gepolst wordt, een presidentschap der Bataafsche Republiek
in te stellen, raadt hij het beslist af. »Tel homme n'existe point
ici, à qui on permette de prendre un pareil titre à vie ou pour
l'espace de dix ans; dans ce cas on préférerait le Stathoudérat.
Une famille princière froisserait moins l'amour propre. Le peuple
s'acharnerait par tous les moyens à renverser celui que la veille
il aurait vu son égal. Vous pouvez (s'il est nécessaire) placer
un pouvoir plus étendu et plus durable sur une seule tête du
gouvernement, pourvu que vous la décoriez d'un titre modeste comme
celui de greffier. Mais ce sera beaucoup faire que de donner deux
années d'existence à votre président"[635].
[635] _Ged._ III, 183 (20 Jan. 1801).
* * * * *
_Nog wel door het toeval der geboorte aangewezen_ (hiervóór,
bl. 281). Dit »toeval" dat de man Oranje heette en niet b.v.
Schimmelpenninck maakte voor het volksgevoel juist het verschil
(zie vorige aanteekening).
* * * * *
_Monarchaal bijgeloof_ (hiervóór, bl. 281). Ik zou eerder zeggen:
volstrekte politieke afmatting en ontgoocheling. De natie was blijde
iemand te hebben die haar van de zorg, over zaken van regeering na te
denken, ontsloeg. Een mystiek gevoel voor de _monarchie_ als zoodanig
is er in Nederland nooit geweest; ook toen niet; het gevoel voor
Oranje is geheel iets anders.
* * * * *
_Leden van den Raad van State_ (hiervóór, bl. 283). De samenstelling
is iets minder overwegend oud-orangistisch als Tellegen te verstaan
wil geven. Hij wil Elout, dien hij niet bij de ex-patriotten noemt,
toch niet bij de »slachtoffers" tellen?[636] En van Lamsweerde was
een katholiek, ex-lid der Nationale Vergadering.
[636] Zie hiervóór, bl. 104.
* * * * *
_Oppositie tegen de zienswijze van den Vorst_ (hiervóór, bl. 283).
Daaraan was Canneman's ontslag als minister niet te wijten, maar aan
's Vorsten overtuiging van zijn mindere geschiktheid voor dien
post[637]. Eerst zijn gedrag in den Raad van State bij de financieele
wet was oppositie, niet in het openbaar, en echter reden tot
ongenade.
[637] Zie hiervóór, bl. 312.
* * * * *
_Werden door den Souvereinen Vorst commissarissen-generaal
aangesteld_ (hiervóór, bl. 285). Dit was reeds aanstonds geschied
door het A. B.: 23 Nov. Kemper en Scholten naar Amsterdam, die weldra
gemachtigd worden voor het geheele departement der Zuiderzee; 29 Nov.
Monden van den IJsel, 1 Dec. Monden van de Maas, 2 Dec. Friesland, 3
Dec. Wester-Eems, 4 Dec. Boven-IJsel. De Vorst completeert het voor
Monden van de Schelde, Generaliteitslanden, Drente.
* * * * *
_Praal en luister_ (hiervóór, bl. 287). Deze was heel wat minder dan
onder Lodewijk Napoleon; de Souvereine Vorst, burgerlijk van leven en
voorkomen, was er ook geheel de man niet naar. Alles wat het hof
betrof werd zeer eenvoudig ingericht, en dit viel ook in den smaak
der natie.
* * * * *
_Mij is niet bekend_ (hiervóór, bl. 289). Toch wel: er is eene wet
verworpen op eene quotisatie voor de landprovinciën in plaats van het
gemaal, om reden dat de quotisatie te hoog voorkwam. De Raad van
State was ook tegen geweest[638]. Maar dit is dan ook het eenige
voorbeeld. Een wet op de jacht ging door met één stem meerderheid
(zie de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk).
[638] _Br. en Ged._ V, 112.
»Onder het bijwonen der eerste vergaderingen", schrijft G. K., »was
ik getroffen over het gemak, waarmede alle voordragten doorgingen. Er
was geen schijn van oppositie. Deze stemming kwam overeen met hetgeen
ik in het algemeen bij de Natie bemerkt had. Zij was de revolutiën en
de onlusten zoo moede, dat zij alles aan den Prins overliet. Ik werd
er door bevestigd in mijn opgevat denkbeeld, dat zij slegts allengs
weer aan eene vrije Regering kon gewend worden...
Het karakter van den Prins was bekend; men wist dat hij de zaken
wilde doorzetten, zonder er den schijn van te hebben. Hij zag er
vriendelijk uit, zoo lang het naar zijnen zin ging. Iedereen moest
er even vriendelijk uitzien. Dog men verstond elkander zonder te
spreken....."
G. K. verhaalt dan, hoe hij, als president[639], aan de
commissiën[640] aan de hand deed, de ministers om inlichtingen te
vragen, en toen van den Vorst »den wind van voren" kreeg. »Ik wilde
alle de Collegies nader bij elkander brengen; Hij wilde alle dezelven
afgezonderd houden. Ik zogt de ware eenheid van de Regering[641]. Hij
wilde de eenheid voor zig alleen houden. Dit bleek hoe langer hoe
meer, en verwekte in mij den weerzin, die op mijne retraite uit het
ministerie uitgeloopen is.....[642]".
[639] Voor elk tijdvak dat de Staten-Generaal bijeen waren, werd een
nieuwe president benoemd. De eerste (in Mei) was een Gelderschman
geweest, van Lynden van Hoevelaken, die aanstonds begon met de
stemmen op te nemen, zooals in de collegiën der oude Republiek.
»Had dan iemand iets in te brengen, die tot de laatste helft behoorde,
zoo was dit verloren voor de eerste helft, die al gestemd had",
m. a. w. beraadslaging en stemming waren niet gescheiden. Dit was
te bedenkelijker daar de leden zaten en stemden volgens de orde der
provinciën, zoodat de eerste provincie een groot voordeel had. Hogendorp
veranderde dit tijdens zijn presidium in November: hij liet de leden het
woord vragen en na afloop der beraadslaging stemmen, zooals het sedert
in gebruik is gebleven.
[640] Er waren zooveel commissiën in de Staten-Generaal gevormd als er
ministeriën waren.
[641] Maar in zijn eigen boezem!
[642] _Br. en Ged._ V, 111 vv.
Om in de beoordeeling dezer gansche zaak billijk te blijven, moet men
zich wèl te binnen brengen dat Hogendorp zich in zijn hart nog altijd
de »Raadpensionaris" voelde, en dat, wanneer b.v. de Raad van State
alles in handen gekregen had wat hij er gebracht wilde hebben, en de
Vorst slechts te onderteekenen had wat die Raad hem voorlegde, 's
lands regeering een collegiale zou zijn geweest in plaats van een
monarchale. Als hij 30 Jan. 1814 den voor hem uitgedachten post van
vice-president van den Raad van State aanneemt, schrijft hij: »Ik
zal in dien post zelfs al het wezenlijke van mijn tegenwoordigen
post kunnen verrigten [aangenaam vooruitzicht voor zijn opvolger
aan Buitenlandsche Zaken!], dat is te zeggen, ik zal de tijdingen
kunnen vernemen en beoordeelen"[643]. Hij verbeeldt zich dus dat
zelfs de buitenlandsche dépêches in den Raad moeten komen, zooals
vóór 1795 in de Staten-Generaal! En zoo hij het van Willem I gewonnen
had, zouden de »collegies" dan niet vervallen zijn in de (door den
Vorst en Falck gevreesde) zonde, van »een zeer geruimen tijd naar den
oud-Hollandschen trant in herhaalde commissorialen, beschouwingen,
overwegingen, zal ik zeggen te besteden of te verkwisten?"[644] Dat
zij nog vol zaten van herinneringen uit den provincialen tijd getuigt
Hogendorp zelf. Dáárvoor was de Prins geen Vorst gemaakt, maar voor
het doel door d'Yvoy zoo goed geformuleerd, wanneer hij hem in een
brief van 29 Nov. 1813 toeroept: »Aucun de Vos ancêtres eut un moment
si beau et si propre à donner enfin à la patrie ce qui lui a manqué
jusqu'ici pour être à l'abri des factions, des délibérations sans fin
et des irrésolutions".[645]
[643] _Br. en Ged._ V, 275.
[644] Falck's _Gedenkschriften_, 133.
[645] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, CXLVII.
IX.
DE VERVANGING OF WIJZIGING DER FRANSCHE WETGEVING.
De sporen der vreemde overheersching waren in zoover uitgewischt, dat
eene nieuwe Grondwet was tot stand gekomen niet alleen, maar dat zij
ook was ingevoerd. De regeeringsvorm van het Keizerrijk was door eene
nationale regeling vervangen. Souvereine Vorst, Staten-Generaal, Raad
van State, Rekenkamer, Staten Provinciaal treden in de plaats van de
instellingen der Fransche constitutie. De Franschen hadden ons echter
nog iets anders gebracht dan hun regeeringsvorm. De beginselen van
staatsbestuur uitgewerkt in Wetten en Decreten waren eveneens uit den
vreemde overgeplant op Nederlandschen grond[646]. Werden wij ook hiervan
bevrijd tegelijk met de afwerping van het vreemde juk?
[646] Het is bekend, dat de Fransche wetgeving eerder is ingevoerd in de
landen, afgestaan bij tractaat van 16 Maart 1810, dan in het bij decreet
van 9 Juli 1810 ingelijfde grondgebied. Voor zoover in den tekst de
invoering van Wetten of Decreten wordt vermeld, ziet dit alleen op de
invoering in het vóór de inlijving overgebleven grondgebied. Het was,
meen ik, voor mijn onderwerp minder noodig, afzonderlijk melding te
maken van de invoering dier wetgeving in het bij tractaat vroeger
afgestane deel.
Dat in de dagen van November 1813, toen alle kracht gericht moest
worden op de herwinning onzer onafhankelijkheid, de bestaande wetten
en verordeningen van kracht bleven, was vooral bij de afwezigheid van
den Prins van Oranje niet te verwonderen. Het Staatsbestuur kon niet
stilstaan. Toen Hogendorp, bijgestaan door van der Duyn, den knoop
doorhakte en zij in naam van den Prins zich stelden aan het hoofd der
Regeering, werd in hunne daartoe strekkende proclamatie van 21 November
1813 zoowel op het stuk der belastingen als op dat van het bestuur en
de justitie de bestaande wetgeving gehandhaafd. Alleen werd bij hun
besluit van 1 December 1813 bepaald, dat er voortaan niet meer in naam
des Keizers, maar in naam der Hooge Overheid recht gesproken zoude
worden; dat de titulaturen der rechterlijke collegiën in harmonie
zouden gebracht worden met de nieuwe orde van zaken, en dat alleen de
Nederduitsche moedertaal bij die collegiën zou worden gebruikt[647].
Het eerste was een noodzakelijk gevolg van de vernietiging der vreemde
heerschappij; het tweede kon bij de herleving van ons volksbestaan niet
achterwege blijven.
[647] Art. 21 van het Keizerlijk Decreet van 18 October 1810: »La langue
hollandaise pourra être employée concurremment avec la langue française
dans les tribunaux, dans les actes d'administration, dans ceux des
notaires en dans ceux sous signature privée."