van binnenlandsche zaken in te richten. De naam van den titularis is
18 Nov. niet ingevuld; voor een voorloopige benoeming brengt G. K.
21 Nov. in aanmerking Changuion, den eenige van het comité van 17
Nov., die, met van der Duyn, hem onder alle omstandigheden was trouw
gebleven. Changuion was een even bescheiden als standvastig man,
en kende zich tot den post niet geschikt. Hij vergenoegde zich het
Bestuur tot de aankomst van Falck als secretaris te dienen, en is
vervolgens 29 Nov. benoemd tot commissaris bij de te dien dage
gelande Engelsche hulptroepen. Onderwijl bracht Canneman[591]
Hendrik van Stralen aan voor den post van commissaris-generaal van
binnenlandsche zaken; hij is er 1 Dec. toe benoemd. Dit departement
omvat ook den waterstaat[592], die echter 8 Jan. 1814 door den S. V.
weder zelfstandig gemaakt is en in April tot een ministerieel
departement werd verheven. »De C.-G." heet het in het besluit
van 1 Dec., »zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en
lager onderwijs, de kunsten en wetenschappen, de geneeskundige
staatsregeling, de landbouw, de fabrieken en trafieken, het armwezen,
provisioneel beheerd blijven op den tegenwoordigen voet"[593]. Op de
vergadering van den 18den had Hogendorp zich over de medewerking
van van Stralen niet zeer te verheugen gehad, die toen met den
onsterfelijken voorslag gekomen was, Hogendorp's voorstellen......
»commissoriaal te maken"![594] Doch dit was geschied om zijn bezwaar
tegen Hogendorp's opzet: »moest er tegen regeeringloosheid worden
gezorgd, dan behoorde daaromtrent te worden gehandeld met notabele
leden zonder onderscheid van staatkundige of godsdienstige
gevoelens"[595]. Minder te verdedigen was zijn houding geweest den
20sten, toen aan die voorwaarde voldaan was: ook toen had hij niet
dan uitstel weten te pleiten[596]. Maar Hogendorp hield niemand zijn
houding op dien dag na, tevreden zoo zij medewerken wilden nu het A.
B. er was. Van Stralen was iemand die reeds tijdens Schimmelpenninck
wel met de nieuwe beginselen van regeeringsbeleid verzoend was
geraakt, maar in zijn persoonlijk optreden nog alles van de oude
breedsprakige regentengewichtigheid had behouden, zoodat het niet
verwonderen kan dat Canneman liever Capellen zou hebben gehad,
ware deze reeds beschikbaar geweest. Wij hebben reeds vermeld dat
ambtenaren van d'Alphonse's bureau naar den Haag waren ontboden,
zoodat van Stralen aanstonds goede en met de administratie der
laatste jaren vertrouwde hulp had.
[591] _Br. en Ged._ V, 38. »Naarmate de heer Canneman aan het werk ging,
ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch ministerie, en
bragt mij den heer van Stralen, als den eenigsten bekwamen man daartoe
bij afwezigheid van den heer van der Capellen". Van Stralen was de
minister van dit departement geweest onder Schimmelpenninck; van der
Capellen onder koning Lodewijk. Van Stralen zal aan Canneman hierom
vooral welkom zijn geweest, wijl hij zich een warm voorstander had
betoond der belastinghervorming van Gogel, en in 1805 de reorganisatie
der departementale en gemeentebesturen had tot stand gebracht die tot
het welslagen van Gogels plannen de noodzakelijke voorwaarde was (zie
mijn _Schimmelpenninck en Koning Lodewijk_, 43).
[592] Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).
[593] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCVII.
[594] Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der inleiding
op mijn uitgave van diens _Gedenkschrift_); vgl. Falck's
_Gedenkschriften_, 99.
[595] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXII.
[596] Aldaar, LXXIII.
Tot secretaris van de Staten-Generaal had G. K. den 18den Falck
bestemd, geen oud-regent, maar plachten ook niet tijdens de Republiek
juist door de poort der penvoerderij _homines novi_ hun intrede te
doen in den geheiligden kring? Hogendorp had Falck nooit ontmoet,
maar had reeds eenigen tijd verstandhouding met hem door Repelaer,
een zwager van Falck's zwager Singendonck, die vóór 15 Nov. eenige
malen tusschen den Haag en Amsterdam heen en weer ging[597].
Repelaer, staatsraad onder Lodewijk Napoleon, kende Falck's reeds
toen vermaarde buitengemeene penvaardigheid[598], en uit Singendonck
vernam men zijn goeden geest en voornemen, om te Amsterdam te doen
wat hij kon. Het optreden der provisioneele regeering in de groote
stad is dan ook bovenal Falck's werk geweest, maar hij wist dat
lichaam niet met zijn eigen voortvarendheid te bezielen. Grootendeels
was het vrees voor Molitor die de Amsterdammers weerhield, kleur te
bekennen; gedeeltelijk ook wantrouwen in »het Haagsche werk". Uit
wat hij van Singendonck vernam, was het ook Falck reeds vóór den
opstand duidelijk geworden dat hij van Hogendorp in denkbeelden veel
verschilde en diens plannen niet geheel zou kunnen ondersteunen. Het
amalgama van partijen waartegen Hogendorp geen bezwaar had mits het
geschiedde onder den zegen zijner Staten-Generaal, had Falck in zijn
Amsterdamsche regeering aanstonds tot stand gebracht. »Vereeniging
van alle weldenkenden welke ook de Staatspartij wezen mogt waartoe
men vroeger behoord had, was bij Hogendorp, evenzeer als bij ons te
Amsterdam, een voornaam oogmerk: maar tengevolge van dat gebrek aan
menschenkennis dat zijne uitmuntende gaven en zuivere bedoelingen
zoo dikwijls nutteloos heeft gemaakt voor de maatschappij, had hij
èn zich zelven èn zijn Haagsche medestanders overreed dat dit doel
bereikbaar zoude zijn ook zonder een onverwijld en onmiddellijk
ineenslaan aller handen[599]". Het geviel echter dat toen Falck op de
vergadering van den 18den verscheen, hij Hogendorp op dit punt niet
sterk meer behoefde tegen te spreken: het Staten-Generaalplan was
door de flauwhartigheid der opgeroepen regenten toen reeds van zelf
verdwenen. Daarentegen viel hij Hogendorp bij in alles wat strekken
kon om den opstand zelf door te zetten en algemeen te maken, en
keerde naar Amsterdam terug in den hoop deze stad tot toetreding te
zullen bewegen, zoodra uit de vergadering van 20 Nov. een algemeene
landsregeering, uit prinsgezinden en patriotten samengesteld, was
voortgekomen. Daar hij vóór zijn vertrek wist dat tot die vergadering
zijn vrienden Kemper en Elout zouden worden genoodigd, zal hij het
minder betreurd hebben, toen den 19den bleek dat hij daar zelf niet
aanwezig kon zijn: de Amsterdammers, in vrees voor Molitor bevangen,
waren »volstrekt onbeweegbaar", en liever dan van hun stemming
verslag te moeten doen, bleef hij geheel weg[600]. Doch ook Kemper
en Elout hadden den 20sten geen wonderen verricht; het allegaartje
bleek geen zier moediger dan de oude heeren van twee dagen geleden.
Nu bleek eindelijk dat nòch in een regentenbewind _qua talis_,
nòch in een pijnlijk afgewogen politiek amalgama _qua talis_, heil
gelegen was, maar slechts in het naar voren treden van mannen die
verantwoordelijkheid aandurfden en door _daden_ toonen zouden dat zij
niets dan het nationaal belang bedoelden. Die mannen zijn Hogendorp
en van der Duyn geweest, en zoowel oud-oranjelui als oud-patriotten
hebben zich onder hen geschaard: van Stirum en Changuion en Fannius
Scholten, maar ook Canneman en Kemper en Falck.
[597] _Br. en Ged._ V, 20, waar voor »Repelaer vond hem bij mij" gelezen
moet worden »zond hem bij mij"; Falck's _Gedenkschriften_, 76.
[598] Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten van zijne
hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit een
doorhaling.
[599] Falck's _Gedenkschriften_, 99.
[600] _Br. en Ged._ IV, 256.
De oproeping om zich als secretaris bij het A.B. te vervoegen kwam
den 22sten in zijn handen. Hij gaf er niet aanstonds gevolg aan.
Er was op het oogenblik iets dringenders te doen: Amsterdam om te
zetten. In overleg met den naar die stad overgekomen van der Duyn en
zijn metgezel Fannius Scholten besluit Falck een laatste poging te
doen tot overreding der provisioneelen; als die mislukt doordat de
commandant der nationale garde, van Brienen, hem niet ondersteunt,
moet er op dwang worden gezind. Daartoe zijn wel middelen voorhanden.
Op zijn eigen compagnie kan Falck vertrouwen, ook wel op enkele
medeofficieren. Als zij weten dat het voor Oranje gaat, zullen de
Bijltjes zich niet onbetuigd laten, en het patriotsche _Doctrina_,
waar de kern van den Amsterdamschen middenstand vergadert, van
Hall, Wiselius en de hunnen, zegt dat het van die leus niet zal
verschrikken, nu die, naar Scholten's verzekering, niet leiden zal
tot een stadhouderlijke restauratie, maar tot het constitutioneele
koningschap. Valckenaer heeft zijne vindingrijkheid, Krayenhoff zijn
militaire ervaring, ten behoeve van iedere energieke poging gereed.
Den 23sten begeeft zich Falck naar den Haag, om van de hoopvolle
verwachting kennis te geven. Als hij aankomt, hoort hij dat Kemper
en Scholten reeds als commissarissen van het Bestuur naar Amsterdam
vertrokken zijn; hij keert nu terug om hunne pogingen met zijne
compagnie de noodige kracht te kunnen bijzetten. Na een laatste
overleg met Valckenaer laat hij haar aantreden op het Koningsplein en
begeeft zich naar het hôtel waar Kemper en Scholten gelogeerd zijn,
om hun kennis te geven dat hij tot hun beschikking staat voor de
»onaangename middelen" waarmede de Amsterdamsche Raad alleen tot rede
kan worden gebracht[601]. Onderweg stuit hij op het troepje kozakken,
dat thans de eer genoot van der Hoop c.s. de schroomvalligheid te
doen afleggen die beraden Hollanders gereed stonden hun uit te
kloppen.
[601] Falck's _Gedenkschriften_, 110.
Zoodra Utrecht ontruimd was zeide Falck den schutterlijken dienst
vaarwel en ging zijn post innemen bij het Bestuur (28 Nov.).
Changuion had secretariaat gehouden zoo goed het ging, in het
beneden zijkamertje van Hogendorp's huis, tegelijk »tot zoeten inval
strekkende aan allen die belust waren op eenig nieuws, en ook tot
wachtplaats voor hen, die aan het Bestuur iets te berigten of voor
te stellen hadden"[602]. Falck nam wat er aan papieren was, van hem
over, en vestigde zijn bureau in het logement van Rotterdam op het
Plein, waar hij van den 29sten af zetelt. Onmiddellijk vallen nu in
de zaken van het Bestuur eene regelmaat en snelheid van afdoening op,
die tot dusver uit verklaarbare oorzaken hadden ontbroken. Het eerste
werk waaraan hij zich zet, is de organisatie der departementen van
algemeen bestuur; 29 Nov. worden financiën en oorlog ingericht,
1 Dec. binnenlandsche zaken. Falck's titel is: »Algemeen Secretaris
van het Bestuur".
[602] Aldaar, 113.
De aanstelling van A. Hoynck van Papendrecht, oud-baljuw van
Zuid-Holland, tot commissaris-generaal van politie, is van 30 Nov.
Het is geheel een tijdelijke maatregel. Van uit Gorkum waren nog
herhaaldelijk aanschrijvingen door de Fransche autoriteiten gedaan;
men had op verdachten te letten en het briefverkeer te bewaken.
Er waren bij de Franschen ook Hollanders als politie-ambtenaren
aangesteld geweest, waarvan sommigen thans den opstand dienden als
de bekende Ampt in den Haag, een man die door zijn tijdigen overgang
een oogenblik een importantie kreeg ver boven zijn bekwaamheden.
Hij was alleen voor plaatselijken dienst geschikt doch had, na 23
Nov. te zijn aangesteld tot »directeur van politie in het ressort
van den Haag", den 25sten den titel verkregen van »provisioneel
intendant-generaal van politie", daar men de behoefte gevoelde
aan een centraal punt. Hij wordt nu 30 Nov. tot zijn niet geringe
woede vervangen door iemand van hooger maatschappelijken rang,
oud-rechterlijk ambtenaar. Handhaving der politie als een zelfstandig
Staatsdepartement heeft nimmer in de bedoeling gelegen; 2 Febr. 1814
reeds keert men tot de vaderlandsche traditie terug door de algemeene
politie ondergeschikt te maken aan den procureur-generaal.
Summa summarum mag men vaststellen, dat reeds vóór de Prins de
regeering aanvaardde, alle belangrijke takken van algemeen bestuur
benevens de justitie in handen waren van lieden òf na de revolutie
opgekomen òf met de resultaten der revolutie in vroeger ambt
vertrouwen geraakt: Canneman, Piepers, van Stralen, van Maanen;
terwijl het algemeen secretariaat mede aan een man van na '95 was
toevertrouwd.
* * * * *
_Eedgenooten_ (hiervóór, bl. 271).--Dit woord is veel te deftig voor
de zaak. Hogendorp's »losse woorden op een wandeling in den tuin"
klinkt veel echter[603].
[603] »Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen, die
van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom denzelfden
gang zoude gaan. Maar ik zelf stelde geen prijs hoegenaamd op die
aardigheden, en deed er niets aan" (_Br. en Ged._ V, 17).--»Alles
bepaalde zich tot de vertrouwelijke woorden welke Singendonck nu en dan
over en weer droeg. Het was niet eens een stellige afspraak, veel min
een stellige samenzwering" (Falck's _Gedenkschriften_, 77).
* * * * *
_Meer de naam en gezindheid, dan de kunde_ (hiervóór, bl. 271).--Daar
is waars in, maar er is een nuance. De keus _moest_ gedaan worden uit
officieren van vóór '95, want de andere waren er niet! De Hollanders
die onder Napoleon dienden waren mijlen ver, en--zij dienden
Napoleon! Hoogstens waren er eenige generaals uit Lodewijk's tijd,
waar Napoleon niet van had willen weten, zooals Bruce en van Sandick,
thans beiden te Leiden wonende. Hun gedrag aldaar op 22 Nov. toen zij
niet te bewegen waren hun diensten aan de goede zaak te verleenen,
en den nieuwbakken generaal de Jonge tegen zijn zin naar Woerden
lieten trekken, doet niet betreuren dat Hogendorp niet naar hen
heeft omgezien. Dan was er Krayenhoff, maar van diens gezindheid
kon G. K. op den 18den niets bekend zijn; het is de vraag, of zij
het Krayenhoff zelf op dien dag reeds was[604]. Sommige militairen
van vóór '95 zijn in den opstand goud waard gebleken: van Stirum en
Sweerts, maar de eerste had zijn aangewezen rol in den Haag eerst
als plaatselijk gouverneur, vervolgens als commandant-generaal van
den opstand en hoofddirecteur der algemeene wapening[605], functiën
waartoe hij even wel berekend is gebleken als hij het weinig heeten
mocht of wilde voor een ministerspost. Sweerts komt eerst 20 Nov. uit
zijn afgelegen landhuis in den Haag opdagen, en neemt dan aanstonds
het gewichtig commando tegen Gorkum op zich, waarin hij goed op zijn
plaats blijkt. Ik geloof niet dat G. K. uit het personeel dat hem
18 Nov. voor oogen kon staan, een betere keus zou hebben kunnen
treffen dan Bentinck, die een goeden naam had zoowel om kunde als om
karaktervastheid; hij had in 1794 met onderscheiding gediend, en men
wist dat hij bij den Prins gunstig bekend was. Hij is dan ook, toen
hij eenmaal in functie was, vooral tegengevallen om de buitengewone
moeilijkheid waarin hij was geplaatst: een leger te voorschijn te
roepen uit het niet, en in een zóó korten tijd dat het, zooals de
bondgenooten verlangden en ook ons eigen belang raadzaam maakte, nog
aan de verovering van België deel kon nemen. »Wordt er beweerd dat
hij niet voldaan heeft", schrijft Falck, »men bedenke, alvorens
liefdeloos te oordeelen, wat het zeggen wil uit zoo ongelijksoortige
bestanddeelen als zich bij ons opdeden een leger met zijn toebehooren
te vormen, en dat een man talenten hebben kan van geen gewonen
stempel zonder juist berekend te zijn voor een werk van dien omvang,
en waarbij niet eens ruimte van tijd gegund werd"[606].
[604] Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.
[605] Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van Stirum (22
Nov.) eene plaats boven hen, als »gouverneur-generaal over de gewapende
magt in Holland" (_Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXIX).
[606] Falck's _Gedenkschriften_, 124.
Dit voor de keus van Bentinck--op 18 Nov. Intusschen werd kort
daarna in den Haag bekend dat hij als gouverneur van Overijsel
was opgetreden onder de Russen. Als zoodanig nam hij tegenover de
Haagsche heeren een zeer zelfstandige houding aan; hij wilde zich
volstrekt niet onder het A.B. schikken, integendeel als de volkomen
gelijke van dat Bestuur beschouwd worden tot de Prins in het land
zou zijn[607]. Juist deze omstandigheid droeg er toe bij, dat
hij ondanks zijn afwezigheid 29 Nov. zonder verder verwijl tot
commissaris-generaal van oorlog benoemd werd; men hoopte op deze
wijze hem naar den Haag te lokken, en zoo te voorkomen dat zijn
voorbeeld een ongunstigen invloed had op Friesland en Groningen,
die ook nog aarzelden zich bij het A. B. aan te sluiten. Tegelijk
met Bentinck's aanstelling werden twee commissarissen benoemd om de
provincie Overijsel op naam van het A. B. van hem over te nemen[608].
Hij weigerde ze te erkennen en beschouwde ook zijn aanstelling tot
commissaris-generaal als nul en van geener waarde[609]. Eerst toen
de Vorst de aanschrijving van het Bestuur herhaalde heeft hij zich
onderworpen en is naar den Haag gekomen.
[607] Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (_Ged._ VI, inl. 3e
stuk, CXC).
[608] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCII.
[609] Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl. _Br. en Ged._ IV, 389.
* * * * *
_Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken_ (hiervóór, bl.
271).--Ten onrechte is het voorgesteld[610] alsof dit een zeer
zonderlinge benoeming was van den Vorst en een man als G. K.
natuurlijk Binnenlandsche Zaken had moeten hebben. Ten eerste was
dit departement al voorzien; maar bovendien was de combinatie van
zaken die G. K. nu in handen kreeg: 1o. het presidiaat der commissie
die over zijne _Schets_ zou beraadslagen, en 2o. de leiding der
buitenlandsche betrekkingen van den pas herboren staat op het
oogenblik dat diens erkenning en het lot van België aan de orde
moesten komen, veel gewichtiger dan de opvolging, voor eenige
maanden, van van Stralen het in de omstandigheden van medio December
1813 met mogelijkheid kon worden. Natuurlijk was alles provisioneel
en nam G. K. zich niet voor op den duur in dien post te blijven. Hij
hoopte dat de Grondwet hem het Raadpensionarisschap zou bezorgen en
heeft later, als vergoeding, ontvangen wat daar het dichtste bij
kwam: het voorzitterschap der Staten-Generaal vereenigd met het
vice-voorzitterschap van den Raad van State.
[610] Door Byvanck in _Gids_ 1890, II, 296.
* * * * *
_Verschil over de beginselen van Staatsbestuur_ (hiervóór, bl.
274).--Dit is weer veel te deftig uitgedrukt. Waaruit is dat
verschil in »beginselen" dan gebleken? De zaak was lager bij
den grond. »Wij waren nog niet aan het einde der eerste maand",
schrijft Falck, »of het was voor mij al duidelijk dat Z. H. noch
met Canneman in zijn schik was noch met Heintje van Stralen. Deze,
te dier tijd door Changuion met den bijnaam van de Baker vereerd,
omdat hij een ieder met wien hij te doen had, den Prins niet
uitgezonderd, met zijne onmetelijke armen omvademde en als het
ware inpakte onder de breedsprakige verzekering, dat hij voor
alles zorgen, den boel aan kant helpen zoude--van Stralen, zeg
ik, was Minister van Binnenlandsche Zaken zonder dat iemand de
eer of de verantwoordelijkheid wilde aannemen van hem te hebben
aanbevolen[611]. In oogenblikken zoo oneindig kostbaar voor het in
orde brengen der algemeene zaken was hij gestadig in de weer voor
allerlei kleine belangen. Daar ik wel zag dat wij niet lang met hem
opgescheept zouden zijn, begon ik al vroeg de aandacht van Z. H. op
Röell te vestigen, door wiens keuze tot een Ministerie, om nu niet
van de aanwinst van zoo beproefde bekwaamheden te gewagen, te gemoet
zou worden gekomen aan het bezwaar dat de eerste stad van het land
bij het algemeen bestuur geen invloed of aanblijvenden woordvoerder
had. Canneman, namelijk, wilde men niet als Amsterdammer laten
gelden, en de Souverein was niet van zins hem lang aan het hoofd
der Financiën te laten. Zijne knapheid was onbetwistbaar, maar hij
benadeelde zich zelven door al te veel praten. Vluchtige denkbeelden
werden dus geopperd waaraan geenerhande gevolg gegeven werd; half
bekookte ontwerpen van welke men naderhand niets meer hoorde. Elk
_travail_ met den Prins wist hij wel te vullen met zaken van meer
of minder aanbelang, maar zelden met die welke Z. H. verwachtte of
waarvoor hij gestemd was, en zoo kreeg zijn doen en laten een schijn
van wanorde, de fout die aan dat hooge kantoor van alle fouten de
onbehagelijkste was"[612].
[611] Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus weldra
moet zijn afgevallen.
[612] Falck's _Gedenkschriften_, 120-'21.--»Zijn eigen ambtenaren
klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was"
(_Br. en Ged._ V, 193).
Mollerus en Six waren oude kennissen van den Vorst: Mollerus vóór '95
als secretaris van den Raad van State met den toenmaligen Erfprins
als opperbevelhebber van het leger in gedurige aanraking; Six had
dien opperbevelhebber in den veldtocht van 1794 ter zijde gestaan als
commissaris der Staten-Generaal. Zij waren bij het uitbreken van den
opstand beiden in Franschen dienst, de eerste als directeur-generaal
van bruggen en wegen, de tweede als directeur der publieke schuld, en
Kemper en Scholten hadden vrij veel moeite gehad hen tot aansluiting
bij het Bestuur te bewegen. Beiden werden zeer duidelijk aangewezen
in de brochures die Valckenaer in December schrijven liet om Vorst
en volk tegen de gewezen Keizerlijke ambtenaren op te zetten[613].
Die beweging liep evenwel op niets uit; de leus: uitsluiting van
Napoleonsdienaars, pakte niet, en de Vorst was te minder geneigd er
gehoor aan te geven, wijl zulk een uitsluiting zoovelen treffen zou
die hem persoonlijk van vroeger bekend waren en als zoodanig hem
aangenamer moesten zijn dan anderen. Zoodra het geschreeuw dan ook
wat verstomd was zien wij hem Mollerus en Six naar voren brengen,
waartoe de invoering der Grondwet goede gelegenheid gaf. Mollerus was
wel iemand die verdiend had in de grondwetcommissie te zitten eerder
dan b.v. Lampsins of van Heerdt; maar juist toen de commissie benoemd
werd was het geschreeuw tegen hem op het hoogst. Officieus heeft de
Vorst Mollerus wèl over de Grondwet geraadpleegd: zie _Ontstaan_ II,
CXI vv.
[613] Falck's _Gedenkschriften_, 120; vgl. Sillem, _Valckenaer_ II, 340
vv. en _Ged._ VII.
Ook van Nagell, gezant der oude Republiek te Londen op het oogenblik
der aankomst van de stadhouderlijke familie in 1795, en gedurende
eenige jaren tusschenpersoon tusschen die familie en de Engelsche
regeering, was een oude kennis van den Vorst. Hogendorp had als zijn
opvolger van Spaen van Voorstonde voorgedragen, maar de Vorst verkoos
van Nagell ook omdat deze hem zoo goed voldaan had door zijn vast in
de hand houden der notabelenvergadering te Amsterdam[614].
[614] _Br. en Ged._ V, 68.
* * * * *
_Falck in rang met de overige ministers gelijk_ (hiervóór, bl. 278).
Dit is onjuist; Tellegen heeft den brief van Falck aan D. J. van
Lennep van 24 Dec. 1813 niet begrepen. Falck schrijft daar, dat hij,
»om bij een eventueelen val zich minder te bezeeren", den titel Raad
Secretaris [van Staat] boven dien van Minister Secretaris van Staat
verkiest. Welnu, hij wordt 31 Dec. ook niet benoemd tot Minister
Secretaris van Staat, maar tot »Algemeen Secretaris van Staat",
zooals hij 21 Nov. benoemd was tot »Algemeen Secretaris van het A.
B." Deze titel sluit den ministersrang niet in; Falck heeft toegang
tot den Kabinetsraad, maar alleen als »penvoerder"[615]. Ook bij
de correspondentie tusschen Falck en den Koning in 1817 en 1818
gevoerd[616] over zijn door Z. M. gewenschte verwijdering van de
Staatssecretarie, blijkt duidelijk dat zoowel de Koning als Falck
zelf den overgang tot het ministersambt _formeel_ als een bevordering
beschouwen, ook al is Falck op die bevordering niet gesteld.
[615] _Br. en Ged._ V, 46.--»Zijn titel", schrijft G. K. in 1817, »was
eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later [Algemeen]
Secretaris van Staat en is nog niet Minister" (_Br. en Ged._ V, 45).
[616] Falck's _Gedenkschriften_, 404 vv.