deze bij de wet van 22 April 1809 de instelling van den adel in het
Koninkrijk invoerde, had hij vooral den ouden adel van ons land op het
oog. Deze had--in tegenstelling tot de personen, die de Koning in den
adelstand zou _verheffen_--alleen _bevestiging_ noodig. Daaronder
zouden volgens het besluit van 1 October 1809 niet alleen vallen de
geslachten, vóór de Revolutie van 1795 in de Ridderschap beschreven,
maar ook de zoodanigen, die bewijzen konden, steeds voor inlandschen
adel te zijn gehouden, ja zelfs die, welke vroeger tot den adel van
het land hadden behoord, doch later er geen effect van hadden genoten.
Er waren dus _twee_ categoriën; geslachten, die in den adelstand
_bevestigd_, en geslachten, die er in _verheven_ werden. Hierbij kwam
nu nog eene derde categorie: _de vreemde adeldom_. Geslachten, hier,
te lande gevestigd, die konden aantoonen van een uitheemsch adellijk
geslacht te zijn of brieven van adeldom van uitheemsche Keizers en
Koningen minstens 25 jaar geleden te hebben verkregen, konden door
den Koning in den adel worden _ingelijfd_. Er was dus bevestiging,
verheffing en inlijving.
In denzelfden geest werd gehandeld door den Souvereinen Vorst onder de
Grondwet van 1814. Den 24sten Juni 1814 werd een Hooge Raad van Adel
opgericht. Hij zoude den Souvereinen Vorst als adviseerend lichaam ter
zijde staan. Op zijn advies werd uitvoering gegeven aan art. 77 der
Grondwet en werden bij onderscheidene besluiten de personen aangewezen,
die--zonder dat er eene uitdrukkelijke verheffing in den adelstand
plaats vond--tot de Edelen of Ridderschappen in elke provincie
geadmitteerd werden[565]. Dat echter voor de toekomst de beginselen van
de wetgeving van koning Lodewijk zouden gevolgd worden, bleek uit het
besluit van den Souvereinen Vorst van 13 Februari 1815 (_Staatsblad_
no. 15). Het werd genomen op voordracht van den Hoogen Raad van Adel
en op advies van den Raad van State. Volgens dat besluit zouden niet
alleen tot den adelstand behooren die door den Souvereinen Vorst in de
Ridderschappen of Edelen benoemd en geadmitteerd waren, maar bovendien,
die bij vervolg door Hem in den adelstand zouden worden erkend,
ingelijfd of verheven. Tevens zouden, wat volgens de regeling van koning
Lodewijk niet het geval was, alle hunne wettelijke afstammelingen ook
tot den adelstand behooren.
[565] Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17 September,
7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart, _Jaarboeken_ 1814,
bl. 220).
Hiermede had dan ook de instelling van den adel hare organisatie
ontvangen. Terwijl de Grondwet--behoudens de eerste admissie volgens
art. 77--alleen sprak van _verheffing_ in den adelstand, zag men er
geen bezwaar in de deur open te stellen voor twee andere categoriën. De
eerste werd gevormd door de personen uit de oude adellijke geslachten
van ons land, die bij de eerste admissie konden geacht worden vergeten
te zijn. Daartegen bestond weinig of geen bezwaar. Meer bedenkelijk
was de toelating der tweede categorie, waardoor de nationale adeldom
toegankelijk is gemaakt voor zoovelen, die hun recht ontleenden aan het
gunstbetoon van een of ander vreemden Souverein. Bedenkelijk vooral
om deze reden. Wanneer men in den adelstand verheven werd, zoude men
verwachten, dat dit geschiedde wegens diensten, aan het vaderland
bewezen. Wanneer men tot den Nederlandschen adel bracht die geslachten,
die ook vroeger als zoodanig erkend waren, dan was het de herstelling
van een vroegeren toestand, en bestond er althans een vermoeden, dat
de verdiensten van de voorouders de grond daarvan waren geweest.
Maar nu men ook vreemden adeldom als grond van verheffing boven zijne
medeburgers ging erkennen, nu werd de adel geheel en al losgemaakt van
verdienste. Een poging in de commissie voor het ontwerpen der Grondwet
van 1815 gedaan, om althans de verheffing in den adelstand met diensten,
aan den Staat bewezen, in verband te brengen, stuitte dan ook af op de
beslissing van den Vorst[566].
[566] _Ontstaan_ II, 110, 117, 152 (waar voor »voegelijk" het woord
»niet" is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.--»Omtrent de verheffing in
den adel", schrijft de Koning, »dient geen conditie gesteld te worden.
Het spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt
om bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart
kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk
zijn, den Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer
zijne keuzen niet goed waren".
Tot dit alles heeft voorzeker medegewerkt het voorbeeld van koning
Lodewijk. Wellicht echter nog meer het politiek recht aan den adel
verbonden. De oude adel was in sommige gewesten bijna uitgestorven, in
andere had hij niet bestaan. In elke provincie moest nu een aanzienlijk
getal edelen aanwezig zijn, hetzij om als kiescollegie dienst te doen,
hetzij om er uit te kunnen kiezen. Daarom moesten de deuren zoo wijd
mogelijk worden opengezet. Daardoor laat zich ook de mildheid verklaren,
waarmede Willem I in het verleenen dezer gunst te werk ging. Eindelijk
ook, met afwijking van het beginsel van koning Lodewijk, de bepaling,
dat de adel op al de wettelijke afstammelingen zoude overgaan. Ware de
toestand geweest, zooals hij nu is, er zoude met deze sociale distinctie
niet zoo zijn gemorst, als onder de werking der Grondwet van 1814 en
vooral onder die van 1815 het geval is geweest.
Zoo waren dan binnen het tijdsverloop van één jaar de maatregelen
genomen, noodig voor de invoering der staatsregeling van het herboren
vaderland. Eene zaak van gewicht moet hiervan echter worden
uitgezonderd. Het geheele vierde hoofdstuk: _van de Justitie_, bleef
onuitgevoerd. Niet alleen wat de beloofde nieuwe burgerlijke- en
strafwetgeving, maar tevens wat de eveneens voorgeschreven nieuwe
samenstelling der Rechterlijke Macht betreft. Ten opzichte van het
laatste onderwerp had men zich dit niet voorgesteld. Had toch niet de
grondwetcommissie bij art. 4 van het besluit van 21 December 1813 de
opdracht gekregen reeds vóór de indiening van het ontwerp der Grondwet
een voorloopig rapport over de regeling der judicieele administratie
aan den Souvereinen Vorst in te dienen; blijkbaar met het doel dezen in
staat te stellen de noodige maatregelen voor eene nieuwe samenstelling
der Rechterlijke Macht voor te bereiden? Aan die opdracht had de
commissie door de afzonderlijke aanbieding van het vierde hoofdstuk
voldaan[567]. Doch na de invoering der Grondwet en onder hare werking
kwam er niets tot stand. Behoudens de bij het besluit van 11 December
1813 reeds ingevoerde wijzigingen, bleven de Fransche rechterlijke
instellingen bestaan, en het duurde tot 1 October 1838 voordat de
belofte, ook gedaan door de Grondwet van 1815, vervuld werd en het
daarin voorkomende vijfde hoofdstuk: van de Justitie, tot uitvoering
kwam--altijd nog zonder de vaststelling van een Nederlandsch
Strafwetboek. Is het behoud der Fransche rechterlijke organisatie
gedurende zoo langen tijd alleen een gevolg geweest van de moeilijkheid
van het onderwerp, of lag de reden ook tevens hierin, dat men tegen de
afschaffing van het sedert de inlijving hier bestaande stelsel opzag?
De man, die als hoofd der justitie den meesten invloed op dit onderwerp
uitoefende, van Maanen, was een verklaard voorstander van dat stelsel.
In de zitting der grondwetcommissie van 19 Januari 1814 hoorden wij
hem zeggen, dat de oude rechtspleging monstrueus was en dat de justitie
zeker nimmer beter was geadministreerd dan op dat oogenblik[568]. Wij
mogen dus aannemen, dat de drang naar de invoering der grondwettelijke
bepalingen bij de machthebbenden niet sterk is geweest.
[567] Zie hierboven bl. 81.
[568] Bl. 180.
Op één punt echter begreep de Souvereine Vorst, dat door de invoering
der Grondwet wijziging in de Fransche wetgeving gekomen was. De Fransche
constitutie van het jaar VIII had in art. 75 bepaald, dat geen agenten
van het gouvernement wegens daden betrekkelijk hunne functiën konden
worden vervolgd dan krachtens eene beslissing van den Staatsraad. De
Souvereine Vorst gaf bij besluit van 22 September 1814 te kennen, dat
door de invoering der Grondwet deze bepaling der Fransche constitutie
vervallen was. Men zoude dus voortaan bij ondervonden willekeur een
ambtenaar zonder vergunning van het hooge bestuur voor den rechter
kunnen dagen. Eene bescherming tegen willekeur, die echter meer zoude
gebaat hebben wanneer de Fransche wetgeving over de rechterlijke macht
tevens was vervallen. Zoo bleef het hier te lande executoir verklaarde
art. 13 der wet van 24 Augustus 1790 van kracht, hetwelk luidde: »Les
fonctions judiciaires sont distinctes et demeureront toujours séparées
des fonctions administratives. Les juges ne pourront, à peine de
forfaiture, troubler de quelque manière que ce soit les opérations des
corps administratifs, ni citer devant eux les administrateurs pour
raison de leurs fonctions". Het slot van dit artikel nam veel weg
van de waarde van het besluit van 22 September 1814. De annalen onzer
rechtspleging zouden, indien ik mij niet bedrieg, dit kunnen bewijzen.
Doch ik loop vooruit op hetgeen ik in de volgende bladzijden wensch te
behandelen.
_Ministers van het Algemeen Bestuur_ (hiervóór, bl. 268).--18
November, als hij hoopt omringd te worden door zijne Staten-Generaal,
heeft Gijsbert Karel het volgende lijstje van door dit lichaam te
doene politieke aanstellingen in den zak:
President van de Staten-Generaal: van der Duyn.
Raadpensionaris van de Staten-Generaal: Hogendorp.
Secretaris van de Staten-Generaal: Falck.
Minister van Buitenlandsche Zaken: Hendrik Fagel.
Minister van Binnenlandsche Zaken: .................. (blank).
Minister van Oorlog en Marine: Bentinck van Buckhorst; onder hem
Jacob May als commissaris-generaal voor marine, C. F. de Jonge als
dito voor oorlog.
Minister van Financiën: Repelaer.
Minister van Koophandel en Koloniën: .................. (blank).
Ambassadeur in Engeland: Jacob Fagel[569].
[569] _Br. en Ged._ IV, 250.--Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken met een
geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet het
minste voornemen zijn broeder Hendrik te verdringen die niet uit
Engeland weg wilde en dus de aangewezen ambassadeur was voor later.
De Staten-Generaal dacht hij zich dus majestueus genoeg, om
»ministers" aan te stellen ook in afwezigheid van den Prins.--Maar
er kwam niet van; en als hij 21 Nov. met van der Duyn het Algemeen
Bestuur in eigen handen genomen heeft maakt hij een nieuw lijstje:
Intendant van Financiën: Canneman.
Commissaris-generaal voor oorlog: C. F. de Jonge; dito voor marine:
Job May.
Secretaris van Binnenlandsche Zaken: Changuion.
Secretaris van het Algemeen Bestuur: Falck[570].
[570] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.
Deze »provisioneele aanstellingen" gelijk hij er boven schrijft, zijn
niet alle aldus geschied, daar de omstandigheden ieder oogenblik
veranderden. Gaan wij ze intusschen één voor één na.
Voor minister van financiën is 18 Nov. Repelaer bestemd. Deze is 21
Nov. niet meer beschikbaar, daar hij met een zelfgegeven opdracht
veiligheid had gezocht in Engeland. Daarentegen heeft zich 20 Nov.
bij geschrifte met G. K. in betrekking gesteld de ex-patriot en
Keizerlijke ambtenaar Canneman[571]; hij wordt op den 21sten 's
ochtends door G. K. ontvangen[572], stelt voor hem de proclamatie
van ontslag uit den eed van trouw aan Napoleon en de brieven waarbij
Gogel en Falck worden opgeroepen zich ter beschikking te stellen van
het A.B.
[571] _Br. en Ged._ V, 26; met »eene memorie betoogende de
noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe
aanwijzende". Dit stuk is helaas nergens teruggevonden.
[572] Vgl. met de in de vorige noot genoemde plaats _Ged._ VII, 1742,
welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zie _Ged._ VII, inl. 3e
stuk, CCXXV).
Tusschen die proclamatie van 21 Nov.[573] en het plakkaat
dat G.K. den 18den had willen doen uitvaardigen door zijne
Staten-Generaal[574], ligt eene wereld. In het Plakkaat verzinkt
het Keizerlijk Nederland in het niet en duikt dat van vóór 1795
»provisioneel" weder op: »in alle de steden vergaderen de oude
Regenten......, ten platten lande de oude Geregten......; alle
de Hoven Provintiaal, zooals dezelven bestonden in 1794 en 1795,
aanvaarden hun oud Regtsgebied......" Behouden blijven slechts
(voorshands) de bestaande belastingen, en er zal worden recht
gesproken niet naar de in 1795 gevolgde wetten, maar naar die van
1809. Aan dit plakkaat zullen de hand houden »_onze_ Ministers,
Commissarissen, Ambtenaren......"; andere dan die aan de
Staten-Generaal hun aanwezen ontleenen zullen er niet meer zijn.
[573] _Br. en Ged._ IV, 258.
[574] _Br. en Ged._ IV, 245.
Canneman's stuk daarentegen ontslaat slechts van den eed en verbiedt
correspondentie met de Franschen; het beveelt »alle Hollandsche
ambtenaren" (dat is, op enkele weggeloopen Fransche hoofden na, de
gansche toestel des Keizerlijken bestuurs) op _hunne_ posten (die van
1811 dagteekenen) te blijven, en stelt hen in de uitoefening hunner
ambtsverrichtingen onder de bescherming van alle rechtschapen
Nederlanders. Waar een hoofdambtenaar vertrokken is, moet de
eerstvolgende in rang diens plaats innemen, en wordt verantwoordelijk
gesteld voor alle nadeelen welke, door zijn dralen of verzuimen,
uit langeren stilstand der (ex-Keizerlijke) administratie kunnen
voortvloeien. De justitie is uit te oefenen volgens de wetten,
_thans_ in vigueur.
Of Gijsbert Karel de volle draagwijdte van wat hij onderteekende
aanstonds begrepen heeft? Men zou er aan willen twijfelen, gelet op
eene aanschrijving als hij b.v. 25 Nov. aan een »gewezen baljuw van
Delfland" doet, om de stukken van het A. B. te doen publiceeren en
affigeeren »waar zulks in Delfland gebruikelijk was[575]". In een
stelsel dat de prefecturen en onderprefecturen handhaaft, komt geen
baljuwschap Delfland te pas. Doch dit zijn kleine onregelmatigheden,
in verband staande met omstandigheden van plaats en oogenblik die
wij natuurlijk niet alle meer kunnen nagaan. De algemeene gang
van het werk is duidelijk genoeg, en die is niet in de richting
dier aanschrijving van 25 Nov. Als Kemper en Scholten informeeren
hoever hun gezag als »commissarissen voor Amsterdam en verdere
Noordhollandsche steden" eigenlijk gaat, is het ommegaand antwoord:
»Heeren commissarissen hebben de macht van den Prefect en stellen aan
een onder-commissaris in iedere sous-prefectuur[576]". Zoodra Falck
zijne functiën aanvaard heeft en het A. B. voor het eerst over een
geordend bureau beschikt, wordt deze wederopneming der Keizerlijke
administratie met groote snelheid en regelmaat tot stand gebracht
zoover het gezag van het bestuur reikt. Trouwens wie hebben
zij aanstonds uit Amsterdam ontboden om hun in zaken van het
binnenlandsch bestuur bij te staan? Janssen, chef van divisie,
Schneither, chef de bureau der intendance van binnenlandsche
zaken, de twee bekwaamste Hollandsche ambtenaren van d'Alphonse;
eerstgenoemde diens rechterhand, bewerker van het _Aperçu_[577]!
[575] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.
[576] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXVI (27 Nov.; minuut van van der
Duyn.)
[577] Aldaar, XL en LVIII.
Men bespeurt dus dat Gijsbert Karel tegelijk zeer illusionnair is en
zeer realistisch. Op zijn studeerkamer laat hij zich makkelijk gaan,
maar als hij handelen moet weet hij zich zeer wel naar bestaande
noodzaak te voegen. Het eerste belang is voor hem de bevrijding des
lands, en als hij erkennen moet dat het op _zijne_ wijze niet gaat,
gaat hij zonder mokken over tot een andere.
Nu de bestaande bestuurstoestel overeind was gebleven, was het voor
de leiders van den opstand een groot belang, zich de medewerking der
financieele ambtenaren te verzekeren. De Franschen hadden bij hun
vertrek de kassen zooveel mogelijk geleegd; kon men de bestaande
organisatie in werking houden, dan zouden zij geheel automatisch
weer worden gevuld. Nu bleek, wat een goed gedrild, goed bezoldigd
ambtenarencorps voor een regeering waard was, mits die regeering
bevelen kon. De keizerlijke ambtenaren hadden het gehoorzamen geleerd
en verlangden niet beter dan zich voor de macht te buigen, maar zij
waren er niet op gesteld hun aanzienlijke posten te verliezen of de
geperfectionneerde techniek hunner administratie te verruilen voor
de gebrekkige oud-vaderlandsche methoden uit een tijd waarin het
centrale regeeringsgezag òf ontbrak òf slecht bewerktuigd was. Er
zijn een vrij groot aantal brieven uit de Novemberdagen bewaard,
waarbij ambtenaren aan van Maanen of aan Gogel verslag doen van de
moeilijkheden waarin zij verkeeren, en daaronder drie van Canneman
zelf. »De positie der publieke ambtenaren is belabberd in deze
conjoncture", is het thema van een brief van hem van den 18den
aan zijn chef Gogel[578]. Den 19den schrijft hij hem: »Uit vele
bijzonderheden is op te maken, dat de Franschen geen plan hebben
om terug te keeren. Hier als elders hebben zij alles in confusie
gelaten, wie zal de boel aanpakken? Het verwondert mij, dat het
provisioneel gouvernement nog geen orders gegeven heeft, want specie
is altoos de eerste behoefte...[579]". Die zoo schrijft is in de
beste stemming om een bevel te ontvangen; Canneman heeft het zelfs
niet afgewacht, maar zich zelf 20 Nov. tot Gijsbert Karel gewend met
een opwekking tot het vestigen eener regeering en inrichting eener
volkswapening; »nu maar alles opgezet", is zijn gedachtengang
geweest, »om de Franschen er beslist uit te houden[580]".
[578] _Ged._ VII, 1523.
[579] Aldaar, 1525.
[580] Aldaar, 1526.
Naar aanleiding van zijn stuk, laat G. K. hem 21 Nov. roepen[581] en
biedt hem het opperbestuur der financiën aan. Canneman's persoonlijke
verhouding tot Gogel laat niet toe, zulk een post aan te nemen
zoolang Gogel zelf dien niet geweigerd heeft; hij stelt dus een
oproepingsbrief aan Gogel die door G. K. wordt geteekend[582]. Als
den 23sten Gogel's bericht is ontvangen dat hij op die oproeping »de
orders vraagt van het (Fransche) gouvernement", wordt Canneman 24
Nov. benoemd tot »commissaris voor de financiën, om ons bij alle
voorkomende zaken van advies te dienen[583]", en 29 Nov., op een
door hemzelf geschreven instructie, tot commissaris-generaal van
financiën[584]. Een overleg met Hogendorp omtrent de wederinvoering
van het oude tarief brengt hem 30 Nov. op diens studeerkamer, op het
belangrijk oogenblik der nadering van den Prins[585].
[581] »Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G. K. van Hogendorp",
schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K. schrijft: »ik
ontving hem", doch hij schrijft dit eerst in 1817.
[582] _Br. en Ged._ IV, 337.
[583] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, LXXXII.
[584] Aldaar, XCII.
[585] Hiervóór, bl. 67.
Voor oorlog en marine zien wij 18 Nov. Bentinck van Buckhorst
aangewezen, van wien Hogendorp in den zomer van 1813 »een belangrijk
bezoek" ontvangen had; »wandelende in mijnen tuin gaf hij mij
ongemeen veel licht door losse woorden, met dat onbepaald vertrouwen,
welk de vrienden van het Vaderland toen aan elkander bond"[586].
Bentinck was toen juist uit de gevangenis ontslagen, waarin de
Fransche politie hem geworpen had wegens de onderschepping van
een brief, waarbij Willem VI hem kennis gaf van zijn vertrek naar
Engeland[587]. De Russen hadden hem kort na hun verschijning te
Zwolle tot gouverneur van Overijsel aangesteld, waar hij zich nu
vooralsnog onmisbaar hield. Dat hij op het lijstje van 21 Nov.
niet voorkomt beteekent niet dat Gijsbert Karel hem niet langer tot
minister bestemde; dat lijstje is er een van oogenblikkelijk te doene
aanstellingen, en Bentinck was nog niet aanwezig.
[586] _Br. en Ged._ V, 14.
[587] Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam Bentinck
bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen van
den bekenden graaf Bentinck van Rhoon, toen maire van Varel, bij
den boerenopstand in Oostfriesland (_Ged._ VI, 264).--Bentinck van
Buckhorst kwam vrij door de voorspraak van zijn provinciegenoot R. J.
Schimmelpenninck bij den minister van politie te Parijs (aldaar, 662).
Onder hem worden op het lijstje van 18 Nov. aangewezen de gewezen
majoor C. F. de Jonge als commissaris van oorlog en de gewezen
kapitein ter zee Job May als commissaris van marine. De Jonge was de
broeder van F. C. de Jonge, het weldra naar Engeland uitgeweken lid
van het Haagsche opstandscomité. De hem op het lijstje van 21 Nov.
wederom toegedachte bestemming van commissaris van oorlog wordt
tenzelfden dage vervangen door eene benoeming tot »generaal van
het leger tegen Utrecht", in welke kwaliteit hij te Woerden in den
vroegen morgen van den 24sten de bekende nederlaag lijdt. Het A.B.
heeft hem toen 25 Nov. inderdaad tot commissaris van oorlog benoemd
en Krayenhoff tot generaal van het leger tegen Utrecht; daar Kemper
en Scholten echter meenen, Krayenhoff te Amsterdam te moeten houden,
blijft de Jonge in zijn commando en treedt niet aan het hoofd van
het bureau van oorlog op, dat inmiddels toch gevormd wordt onder
van Stirum, bijgestaan (zonder titel) door Piepers, den gewezen
secretaris-generaal van het oorlogsdepartement onder koning
Lodewijk[588]. Den 29sten Nov. wordt Bentinck van Buckhorst formeel
benoemd tot commissaris-generaal van oorlog, en tot hij uit Overijsel
over zal komen de waarneming van het departement opgedragen aan de
Jonge, die 30 Nov. aanschrijving krijgt, zijn bevel te Leiden over
te dragen aan den in rang volgenden officier, gelijk hij 1 Dec. doet;
hij is echter nimmer in zijn post van waarnemend minister opgetreden,
maar 6 Dec. met een nieuw commando te Alkmaar, tegen Verhuell belast.
Onderwijl heeft van Stirum het departement van oorlog waargenomen tot
de komst van Bentinck op 12 December.
[588] »Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne medewerken
en is de ziel van alles" (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813; _Brieven_
no. 91).--Piepers, zoon van een huisschilder uit Middelburg, was in
den bureaudienst opgeklommen. »Mij is verhaald", schrijft de Bosch
Kemper, »dat hem die afkomst eens door een adellijke, in den nog zeer
patricischen tijd van 1815, op onaangename wijze werd herinnerd, hetgeen
Willem I zeer kwalijk nam" (_Letterk. Aant._, 504).
Job May, zoowel 18 als 21 Nov. tot commissaris van marine bestemd, is
niet als zoodanig opgetreden; hij verschijnt 21 Nov. in den Haag maar
wordt den volgenden dag uitgezonden om de Engelsche oorlogsschepen,
die in zee mochten zijn, naar de Maas te dirigeeren. Deze zending
brengt hem tot in Engeland, vanwaar hij in December terugkeert om dan
den post op zich te nemen van secretaris-generaal van het inmiddels
(7 Dec.) opgerichte departement van marine onder van der Hoop. Dat
deze de benoeming aannam was eigenlijk een tegenvaller; de Vorst
meende hem niet voorbij te kunnen gaan maar was niet aangenaam
verrast toen op Falck's polsingsbrief per omgaande een toestemmend
antwoord inliep.[589] Canneman had Falck zelven den aangewezen
minister van marine genoemd (hij was secretaris-generaal van dit
departement geweest onder Lodewijk), en Falck zou bij weigering
van van der Hoop de benoeming wel niet zijn ontloopen, daar de
Vorst Falck's naam onder zijn besluiten (om de woorden van G. K. te
gebruiken)[590] aanvankelijk »te gemeen" vond, en eigenlijk den nog
in Engeland verblijvenden Jacob Fagel tot Algemeenen Secretaris van
Staat doodverfde. Toen deze echter, uit Engeland terug, gansch niet
belust bleek op dien drukken post, nam de Vorst Falck voor goed aan,
wiens buitengemeene talenten hij onderwijl had leeren op prijs
stellen.
[589] Falck's _Gedenkschriften_, 125.
[590] _Br. en Ged._ V, 44.