Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken toestand van de

Republiek der Vereenigde Nederlanden, zonder voldoende kracht in het

centrum en met de verdeeling van macht tusschen allerlei collegiën, en

den toestand, zooals hij door deze nieuwe orde van zaken werd gevestigd.

De Vorst mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al deze

hindernissen had opgeruimd en het terrein voor hem had effen gemaakt.

Maar welk een afstand lag er ook tusschen het tijdvak der Bataafsche

Republiek, toen men uit vrees voor de overmacht van één persoon, van

geen president, alleen van een collegie van bestuur wilde weten, en

tusschen dit oogenblik, toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd

werd in één en nog wel in een door het toeval der geboorte aangewezen

persoon? Het waren de gulden dagen van het monarchaal bijgeloof. Meende

men dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur inderdaad alles aan

dien eenen persoon te kunnen overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij

van overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat, evenals het

ministerieel bestuur, door de Bataafsche Republiek was in praktijk

gebracht. Ik bedoel den Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan

één collegie, eerst het Uitvoerend, later het Staatsbewind (1798, 1801)

was toevertrouwd en onderlinge raadpleging en besluit in een en 't

zelfde lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen afzonderlijke Raad van

State te pas komen. Toen echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder

Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier op het voorbeeld van

Frankrijk een Staatsraad ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat

de gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde vooraf te gaan. Een

collegie, dat echter niet het gewicht had, 't welk het in Frankrijk

bezat, waar het niet alleen optrad als adviseur in zaken van bestuur,

maar ook tevens de hoeksteen was der administratieve rechtspraak, en

bovendien een beslissenden invloed op de samenstelling der wetten

en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits door den Keizer

goedgekeurd, in rechtskracht de wet evenaarden. Niet alzoo bij ons. In

de constitutie van 1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend gezag

alleen verplicht het collegie te hooren over ontwerpen van wet, en was

het hooren er van verder aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45;

1806 art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld door de Grondwet

van 1814 gevolgd? Ik meen geen van beide. De Raad van State kreeg een

zuiver adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij zich van

den Franschen Staatsraad, maar hij moest gehoord worden over alle daden

der Souvereine waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die

van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of onder koning Lodewijk.

Bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid en in de

vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat hij tevens wat goed

is, weet te onderscheiden, kon in een dergelijk collegie voorzeker een

waarborg liggen voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn

advies moest geven, voordat de Souvereine Vorst eenig besluit nam. Was

de benoeming der Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met

nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het was zeker geen minder

gewichtige taak de instructie voor den Raad van State te ontwerpen en

tevens aan te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen. De

instructie werd den 6den April 1814, denzelfden dag, waarop de ministers

benoemd werden, vastgesteld[551]. Zij regelde de wijze van werken van

het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver adviseerend karakter

door de Grondwet daaraan toegekend. Het zoude den Vorst dienen van

consideratiën en advies over alle stukken en zaken, door hem aan

hetzelve toegezonden (art. 5). Opmerkelijk alleen is de bepaling van

art. 18, waarbij de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid voorbehield,

een of meer leden dienstbaar te maken aan het Staatsbestuur, door hun de

uitvoering van eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder viel

binnen den werkkring der ministers.

[551] Voor het eerst gedrukt in den _Tijdgenoot_, III, 707.

Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij de samenstelling van

dezen grondwettigen regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der

ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine Vorst was hierin

niet geheel vrij. Zooveel mogelijk moesten zij uit al de provinciën of

landschappen gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet te boven

gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich voorshands tot de keuze van

elf. Het waren A. F. van der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt,

Mr. C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van Lunenburg, W. H.

van Hambroick van Weleveld, Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van

Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van Burmania Rengers.--Althans

de meesten hunner waren slachtoffers geweest van de omwenteling van

1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals Jacob Fagel en

van der Duyn, die de opvolgende besturen niet hadden gediend. Dat het

behoord hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt vereischte

voor de benoeming was geweest, bewijst de keuze van den patriot Queysen

en van Canneman. En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, dat

oppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits daarvan slechts niets

bleek in 't openbaar, geene reden was voor volslagen ongenade. Doch

behalve die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-president;

't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn Raad presideeren, maar het

zou hem wel niet mogelijk zijn in de dikwijls te houden vergaderingen

tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de bevoegdheid gaf een

vice-president met den titel van Secretaris van Staat aan te stellen. Ik

heb reeds vroeger er op gewezen, dat aan die bepaling uitvoering gegeven

werd en dat de keuze viel op Hogendorp. Het was een geniaal en energiek,

eer- en heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man bovendien, wiens

verdiensten ten opzichte van de herleving van ons volksbestaan die van

alle anderen in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te nemen,

zoo hij er meende aanspraak op te hebben eene gewichtige plaats in het

Nederlandsche Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van Raadpensionaris,

in zijne Schets eener Grondwet opgenomen, was door het niet overnemen

daarvan in de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan het hoofd

te staan van den grondwettigen Regeeringsraad: den Raad van State.

Hij werd bovendien de president van de eerste gewone vergadering der

Staten-Generaal. Hij heeft zich voorzeker gevleid eene plaats te zullen

innemen, die, zoo zij al niet gelijk stond met die van den Souvereinen

Vorst, toch van eene zelfstandige en invloedrijke natuur was. Evenals de

Vorst gaf ook Hogendorp elke week audientie[552]. Hij zal echter spoedig

hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den regent door geboorte, voor

hem den geboren regent geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten

ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State over alle daden

der Souvereine waardigheid te hooren, de hand niet gehouden werd;

dat integendeel de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn

welgevallen te werk ging. Over diplomatieke aangelegenheden werd de

Raad van State niet gehoord; over zaken van specialen aard evenmin.

Wat er overbleef waren zaken van algemeene strekking, betreffende het

binnenlandsch en koloniaal bestuur[553], en dan waarschijnlijk nog

alleen voor zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch ook

al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk moeilijk op te volgen

voorschrift de hand gehouden, zou het de vraag zijn geweest, of

Hogendorp zich op den duur had kunnen schikken in een toestand,

waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon zijn dan het

invloedrijkste lid van een zuiver adviseerend collegie, waarin hij

alzoo geene actieve rol konde spelen. Die positie veranderde niet van

aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad, waarvan hij tevens,

zooals wij gezien hebben, lid was. Het zij hoe het zij, spoedig kon

het worden voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen de

beide overheerschende persoonlijkheden, den Vorst en het hoofd der

omwenteling--en dat Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude

moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-Generaal duurt slechts

voor ééne zitting; het vice-presidentschap van den Raad van State

overleeft slechts korten tijd de vereeniging met België; het houdt op

met den herfst van 1816[554]. In eene monarchie als die van Willem I was

voor een man als Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.

[552] _Staatscourant_ 1814, no. 106.

[553] Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20 Mei: »de

Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken"

(_Ontstaan_ II, 185).

[554] Uit een brief van Chad aan Lord Castlereagh van 12 Juli 1816

(_Ged._ VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies

aan den gezant te Weenen te geven, wat natuurlijk niet op zijnen weg

lag.--Vgl. over deze zaak _Br. en Ged._ VI, 363; Hogendorp had aan van

Spaen geschreven over eene particuliere zaak die niet aan hem doch aan

van Nagell gerenvoyeerd was.

Zoo hebben wij dan de aandacht gevestigd op de benoeming der Ministers

en op de samenstelling van den Raad van State.

Dezelfde 6 April 1814 zoude zich echter hiertoe niet bepalen. Er

werd ook gezorgd voor het bestuur der deelen. Onder het Fransche

régime bestonden voor de departementen een _préfet_, een _conseil de

préfecture_ en een _conseil général du département_[555]. De taak dezer

beide collegiën was echter van zeer ondergeschikten aard. Het geheele

bestuur was toevertrouwd aan den prefect. Onder het Keizerrijk was

Frankrijk een aan de krijgstucht onderworpen leger, gecommandeerd door

burgerlijke officieren, die jegens niemand anders dan jegens den Keizer

plichten te vervullen hadden. Dit gold van de gemeente, dit gold ook van

de departementen. Toen nu de Franschen waren afgetrokken, werden door

den Souvereinen Vorst Commissarissen-Generaal voor de departementen

aangesteld, die in de plaats traden der vroegere prefecten. Wat had

echter de Grondwet bepaald? Zij had, in de verte navolgende de Schets

van Hogendorp, aan de deelen zelfbestuur willen toekennen; maar een

zelfbestuur gecontroleerd door het algemeen bestuur, en, voor zoover het

gewestelijk bestuur belast werd met de behartiging van het algemeen

rijksbelang, handelende naar de zienswijze van het centraal gezag. Een

noodzakelijk gevolg hiervan was, dat er een ambtenaar des Vorsten in elk

gewest diende te zijn, die kon waken voor de algemeene belangen. Art. 76

had dan ook, zooals wij gezien hebben[556], bepaald, dat er in alle

provinciën of landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst

zouden zijn, op eene instructie door dezen vast te stellen. Hogendorp

had hun in zijne schets den titel van Stadhouder gegeven. Maar die naam

herinnerde te veel aan het ambt, door de Prinsen van Oranje zelven

bekleed. De Grondwet liet de keuze van de benaming aan den Vorst zelven

over, en zoo werden zij getooid met den weidschen, ook in de Republiek

der Vereenigde Nederlanden gebruikelijken titel van Gouverneur. Hoewel

de Grondwet er van zweeg, liet de Souvereine Vorst bij de vervulling

dezer betrekkingen zich zooveel mogelijk leiden door het beginsel, aan

het hoofd van elke provincie een gewestgenoot te plaatsen. J. C. E.

van Lynden trad op in Gelderland, F. van Leyden van Westbarendrecht

in Zuid-Holland, J. H. Schorer in Zeeland[557], J. M. van Tuyll van

Serooskerken in Utrecht, I. Aebinga van Humalda in Friesland, B. H.

Bentinck van Buckhorst in Overijsel, G. W. van Imhoff in Groningen,

P. Hofstede in Drente. Alleen de keuze van Mr. A. W. N. van Tets

van Goudriaan, geboren te Dordrecht, voor Noord-Holland, en die van

Mr. C. G. Hultman, geboren te Zutphen, voor Brabant, maakten hierop eene

uitzondering. Het trekt de aandacht, dat nog meer dan bij den Raad van

State aanzienlijke geboorte bij de keuze op den voorgrond heeft gestaan.

Niet vreemd, als men in aanmerking neemt, dat deze Gouverneurs den Vorst

in de provincie moesten vertegenwoordigen.

[555] Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.

[556] Bl. 177.

[557] Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen verlost

werd, eenigen tijd later benoemd.

Ik noem hen vertegenwoordigers van den Vorst. De residentie kon zich

vermeien in al den praal en luister, aan een hofhouding verbonden. Zoude

het voor het monarchaal beginsel niet wenschelijk zijn, zoo de provincie

zich ook kon verheugen in iets dat op eene hofhouding geleek? Daarom

werd de Gouverneur ruim bezoldigd en bewoonde hij een paleisje. En

in dat paleisje kon men gaan buigen en met eenigen goeden wil zich

inbeelden, dat men ten hove was. Zoo kon het gebeuren, dat de menigte

in dezen ambtenaar bij voorkeur iemand zag, die door costuum had te

schitteren en door nederbuigende goedheid de menschen aan zich had te

verbinden. Zoo kon het licht gebeuren, dat men voorbijzag, hoe deze

ambtenaar ook eene gewichtige taak te verrichten had. Was dit laatste

ook den Souvereinen Vorst bij het vervullen dezer betrekking ontgaan?

Ik meen van neen. Van Imhoff, vóór 1795 oranjeman, in 1813 lid van het

Fransche Wetgevend Lichaam, werd gouverneur van Groningen; Hofstede,

eveneens oranjeman, maar in den Franschen tijd 's Keizers prefect, werd

gouverneur van Drente; Hultman, een dienaar van de Bataafsche Republiek

reeds in hare eerste jaren, en tot het einde der Fransche heerschappij

eveneens prefect, werd gouverneur van Brabant. Moet bij deze benoemingen

niet hunne bekwaamheid den doorslag hebben gegeven?

Tot dusver heb ik gehandeld over de invoering der Grondwet, voor zoover

die, volgens uitdrukkelijke bepalingen, aan den Souvereinen Vorst

was opgedragen. Doch er waren andere keuzen te doen, waarbij dit niet

het geval was. De collegiën moesten worden samengesteld, die, nog

meer dan de Raad van State, de waarborg moesten zijn voor een goed

staatsbestuur. Allereerst komen in aanmerking de Staten-Generaal. Niet

de Staten-Generaal van voorheen, niet meer de afgezanten der Souvereine

gewesten, maar eene vergadering, door welker oprichting geofferd werd

aan de goden van den nieuwen tijd. Eene vergadering, die evenals

het hoogste collegie in de staatsregeling van 1798, het volk zoude

vertegenwoordigen, en welker leden eveneens vrij en onafhankelijk zouden

zijn in het uitbrengen hunner stem (art. 52, 62). Zonder haar zouden

geene wetten worden vastgesteld; met haar zouden de financiën worden

geregeld (art. 46, 70, 72). Bij de samenstelling van dit lichaam kwam

het dus op personen aan, die het vertrouwen des volks, juist niet

dat des Vorsten, genoten. De Grondwet had de keuze aan de Staten der

gewesten opgedragen. Maar deze Staten moesten nog geboren worden. Wie

zoude nu de eerste keuze doen? Zoo er nog eenig bewijs voor het gemis

van alle publiek leven noodig was, het zou wel dit zijn, dat de Vorst

zich bij het zwijgen der Grondwet geroepen achtte de eerste keuze te

doen, en dat dit denkbeeld bij niemand eenige afkeuring ontmoette.

Hoe heeft nu Willem I die taak vervuld? Welke leidende beginselen

zijn bij deze keuze gevolgd? Wij vinden onder de leden Hogendorp, die

moeilijk kon worden voorbijgegaan. Wij vinden er onder vier leden der

grondwetcommissie: van Aylva, van Heerdt, van Lynden tot Blitterswijk,

van Tuyll van Serooskerken. Ook de overige leden zijn bijna allen mannen

van aanzienlijke geboorte, die een jaar later op de lijst der edelen

staan geboekt. Het was menschelijk, dat de Vorst hierop meer lette dan

op kunde en zelfstandigheid. Men beschouwde die benoeming dan ook als de

ontvangst eener weldaad. Het was een begeerlijk baantje. Versierd met

den titel van Edelmogende, begiftigd met eene bezoldiging van f 2500,

had men niets anders te doen, dan een paar maanden des jaars genoegelijk

in de residentie door te brengen. Toen van Stralen de portefeuille

van Binnenlandsche Zaken moest vaarwel zeggen, verkreeg hij als

pleister op de wonde eene plaats in 't gerechtshof voor zijnen zoon,

een pensioen van f 3000 en het lidmaatschap van de Staten-Generaal voor

zich zelven. Hij betuigt aan den Souvereinen Vorst, dat door het een

zoowel als door het ander de dankbaarheid en verplichting jegens dezen

vermeerderd zijn[558]. Het was dan ook te verwachten, dat dit collegie

den Souvereinen Vorst geene bezwaren in den weg zou leggen. Is die

verwachting beschaamd? De Staten-Generaal vergaderden achter gesloten

deuren; hierdoor wordt het moeilijk een juist oordeel over dit lichaam

te vellen. Mij is echter niet bekend, dat het ooit eene wet heeft

afgestemd, terwijl de stormpas, waarmede de gewichtigste ontwerpen

werden aangenomen, doet vermoeden, dat er weinig kracht in dit collegie

zat. Een sterk sprekend voorbeeld van zijne volgzaamheid vindt men in de

regeling der Nationale Schuld; eene regeling, waardoor onze financiën

voor eeuwen zouden worden verbonden. Den 6den Mei 1814 werd het ontwerp

ingediend; den 14den Mei verscheen het als wet in het Staatsblad. Dat

het een collegie was, zooals een Vorst die zelf in alles zijn zin wilde

hebben zich zoude wenschen, wordt bevestigd door het oordeel, dat een

jaar later door Falck is uitgesproken. Toen tengevolge der vereeniging

met België het tweekamerstelsel werd ingevoerd, en de keuze der Tweede

Kamer voor de eerste reis ook weder aan den Koning was toevertrouwd,

verzocht Falck zijnen vriend D. J. van Lennep hem eenige knappe

lieden op te geven, die hij den Koning kon aanbevelen, lieden,

die niet alleen in naam het volk vertegenwoordigden, zooals »de

zwijgende Staten-Generaal", waarvan men toen stond afscheid te nemen.

»Patriciërs", zegt Falck, »zijn er genoeg, en ook adellijken. Op

Plebejers komt het aan, of ten minste op menschen, die het volk kennen

en van hetzelve gekend worden"[559].

[558] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 279.

[559] 11 Aug. 1815, (_Brieven_, no. 116).

Zoo werd door Falck de volksvertegenwoordiging geteekend, waarmede

Willem I zijne regeering aanving.

Wat er, met deze inzichten, van de besturen, van de vertegenwoordiging

der deelen worden zou, valt gemakkelijk te gissen. Ook de eerste keuze

van de Provinciale Staten ging eveneens--hoewel 't niet was bepaald--van

den Vorst uit. Eerst met 1817 zoude toch het beginsel van verkiezing

door Ridderschappen, stedelijke besturen en eigenerfden of landeigenaren

beginnen te werken[560]. Hier kon dus de Vorst een nog grooter aantal

zijner onderdanen door dankbaarheid aan zich verbinden. Hetzelfde was

het geval met de samenstelling der Ridderschappen en met de eerste

vervulling der stedelijke besturen, ja met de eerste benoeming der

kiezers voor den stedelijken raad. Dat de Vorst dit alles deed, sprak,

meende men, van zelf[561].

[560] Hiervóór, bl. 185.

[561] Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland van 9 Aug.

1814, _Bijv. t. h. Staatsblad_ 1814, bl. 1623.

Dat men alzoo niet alleen de benoeming van griffier als eene gunst

beschouwde, maar eveneens het lidmaatschap zelf, blijkt uit de menigte

rekwesten, ingekomen om lid der Staten, om Gedeputeerde Staat te

worden[562]. De nieuw benoemde Gouverneurs waren de mannen, die

hierover den Minister van Binnenlandsche Zaken moesten adviseeren.

Wanneer men nu op de personen let, die tot Gouverneur benoemd waren,

dan is het natuurlijk, dat men in de Provinciale Staten dezelfde

klasse in hoofdzaak zou zien vertegenwoordigd, die de grondstof voor de

Staten-Generaal had opgeleverd. Men werd door gunst vertegenwoordiger

der Provincie, ja zelfs erlangde men langs dezen weg het bezoldigde ambt

van Gedeputeerden Staat. Van dergelijke collegiën was wel volgzaamheid,

geene zelfstandigheid te verwachten, en zoo laat het zich dan ook

verklaren, dat de kiemen van zelfregeering der deelen in de Grondwet van

1814 nedergelegd, en in die van 1815 overgenomen, eerst in veel lateren

tijd, vooral na 1848, tot wasdom zijn gekomen.

[562] Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.

Vóór het einde van 1814 was het groote werk volbracht. De Grondwet van

1814 was zoowel wat betreft het algemeen bestuur, als dat der deelen,

ingevoerd. Er was niet alleen eene uitvoerende of besturende macht,

er was ook eene vertegenwoordiging van Rijk, Provincie en Stad--al

was het er ook eene, die gekozen was door hen, wien zij geroepen was te

controleeren. Dit was vreemd, maar 't was nu eenmaal niet anders, en wie

vond er eenig bezwaar in? Evenmin was dit het geval met de samenstelling

der Rekenkamer, het collegie, dat waken moest tegen financieel

wanbeheer. Zoo ergens zelfstandigheid tegenover de Regeering een eerste

vereischte was, 't was voorzeker hier. Overeenkomstig art. 120 der

Grondwet zoude de Souvereine Vorst dan ook de leden van dit collegie

kiezen uit eene door de Staten-Generaal op te maken nominatie. Toch werd

voor de eerste samenstelling van dit collegie geene nominatie opgemaakt.

Waarom niet? Omdat de Grondwet in art. 120 alleen van nominatie bij

eene vacature gesproken had; hier nu was geene vacature--er kwam een

geheel nieuw collegie. Dit was nu de reden dat, niettegenstaande de

Staten-Generaal er reeds waren, de wet van 9 Juli 1814 (_Staatsblad_ no.

76) den Vorst voor de eerste benoeming aan geene nominatie bond. Evenmin

geschiedde dit met de eerste benoeming van Raden en Generaalmeesters van

de Munt, voor wie art. 119 der Grondwet hetzelfde had bepaald. Ook hier

gaf de wet van 11 Juli 1814 (_Staatsblad_ no. 78) voor de eerste

benoeming de vrije keus aan den Souvereinen Vorst.

Ik zoude hier mijne beschouwingen over de maatregelen genomen ter

invoering der Grondwet van 1814 kunnen eindigen, ware het niet, dat

de adel een aandeel aan het Staatsbestuur zoude hebben, en dat dus

over de organisatie dezer instelling een woord dient gezegd te worden.

Uitdrukkelijk, zooals vroeger reeds is vermeld[563], had de Grondwet in

art. 58 bepaald, dat het aan den Souvereinen Vorst bleef voorbehouden

eene wet voor te dragen, waardoor aan de edelen of Ridderschappen een

evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal zoude

worden verzekerd. Doch voor de toepassing dezer bepaling was alzoo eerst

eene wet noodig, eene wet, die niet is tot stand gekomen, zelfs niet is

voorgesteld. Dit aandeel in het Staatsbestuur ontging dus den adel. Wat

echter de Grondwet wel niet uitdrukkelijk bepaald had, maar toch in de

bedoeling zoowel van den Souvereinen Vorst als van de Commissie had

gelegen, was dat de adel een aandeel zoude hebben in de verkiezing van

de leden der Provinciale Staten. Van Maanen wees in zijne toespraak

aan de Notabelen er op, hoe in de Staten der Provinciën onze oude,

edele, aanzienlijke geslachten naast de vertegenwoordigers der steden

en die van het platteland plaats zouden nemen. Het was dus geheel

en al overeenkomstig die bedoeling, toen de Souvereine Vorst in de

Reglementen, den 26sten Augustus 1814 over de samenstelling der

provinciale Staten ter uitvoering van art. 74 der Grondwet vastgesteld,

aan den adel in elke provincie een aandeel in de verkiezing van of

verkiesbaarheid voor de Staten toekende. Bij die reglementen werd tevens

de vraag beslist, in welke provincie de Edelen op zich zelven zouden

staan, in welke zij eene Ridderschap, een lichaam van Edelen zouden

uitmaken. Voorshands werden hiervan alleen uitgesloten Zeeland en

Friesland. In Zeeland was--zooals bekend is--vóór de revolutie van 1795

het hoofd van het Huis van Oranje de eenige Edele. Er was dus in 1814 in

Zeeland weinig stof voor een lichaam van Edelen. Dit zal wel de reden

zijn geweest, dat men aan de Edelen in Zeeland geen kiesrecht toekende,

maar alleen bepaalde dat de kiezers 6 leden der Staten uit den stand der

Edelen moesten kiezen. Voor Friesland kan zoo iets de reden niet geweest

zijn. Er waren oude Edelen in voldoenden getale; edelen, wier recht

wel niet rustte op brieven van adeldom, wier recht alleen in verjaring

gegrond was, maar die daarom vóór de revolutie van 1795 niet minder als

zoodanig waren erkend. Immers elke grietenij vaardigde één edele en één

eigenerfde ter Statenvergadering af. Waarom dan in Friesland niet, in

het daarnaast gelegen Groningen wel eene Ridderschap ingesteld? In

Groningen wel, waar vóór 1795 wel de bezitters der regeeringsrechten ten

platten lande uit courtoisie jonkers genoemd werden, maar waar aan eenen

adel als zoodanig geene rechten waren toegekend, waar iets dergelijks

noch krachtens vorstelijke opdracht, noch krachtens verjaring had

bestaan? Zoude de reden niet deze geweest zijn, dat men de gehechtheid

der Friezen aan hunne vroegere instellingen wilde eerbiedigen en

daarom in plaats van eene afzonderlijke Ridderschap in te stellen,

de stemgerechtigden in elke grietenij, evenals van ouds, een edelman

en een eigenerfde liet verkiezen? Daar nu in de overige gewesten eene

Ridderschap als kiescollegie werd ingesteld, bleven Zeeland en Friesland

in dit opzicht voorloopig een bijzondere positie innemen[564].

[563] Bl. 129.

[564] In Zeeland werd echter reeds in 1816, in Friesland in 1825 eene

Ridderschap ingesteld.

Wie zouden echter tot die Edelen of Ridderschappen behooren? Het

antwoord ligt voor de hand. Men moest van _adel_ zijn. Maar wie was van

adel? De Grondwet bepaalde in art. 42, dat de Souvereine Vorst in den

adelstand verhief. En art. 77 bepaalde, dat de eerste bijeenroeping en

admissie tot de Edelen of Ridderschappen door den Vorst overeenkomstig

de omstandigheden zoude geschieden. Toen men, om aan de bepalingen

van de reglementen van 26 Augustus 1814 werking te verzekeren, zoude

overgaan tot de uitvoering van dit art. 77, kwam de vraag op, of de

Souvereine Vorst niet eerst gebruik moest maken van zijn prerogatief,

vervat in art. 42, en daarna de alzoo geadelden moest oproepen en

admitteeren. De Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell, toen hij zag,

dat men die verheffing in den adelstand niet wilde laten voorafgaan,

deed die vraag aan den Algemeenen Secretaris van Staat. Waarom zoude dit

noodig zijn? antwoordde Falck. Admissie tot de Ridderschap was volgens

hem verheffing in den adelstand, gelijk het mindere in het meerdere was

begrepen. Men zoude, meende Falck, door den anderen weg in te slaan, ook

stuiten op het bezwaar, dat eenigen, hij noemde van der Dussen, van

Leyden, zouden beweren, die verheffing niet noodig te hebben, dat wil

zeggen: zij zouden beweren reeds van adel te zijn. Daar lag dus in de

erkenning van Falck, dat, wanneer de Grondwet den Souverein het recht

toekende, iemand in den adelstand te verheffen, er reeds buiten de

Grondwet zoodanige stand bestond, en dat die er toe behoorden, geene

verheffing meer noodig hadden.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 26 / 35 段