Commissariaat-Generaal van financien. Niet minder dat voor
binnenlandsche zaken. De man, die hiermede werd belast, Mr. Hendrik
van Stralen, was geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit
niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen zouden worden
vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene patricische familie geboren, behoorde
hij met Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde aanhangers van
het huis van Oranje; evenals Hogendorp was ook hij aan de zege der
Oranjepartij in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van 1795
ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij den inval der Russen en
Engelschen in Noord-Holland en bij de aankomst van den toenmaligen
Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het alleen aan een
gelukkige samenloop van omstandigheden te danken, dat een tegen hem
te dier zake aangevangen strafproces gesmoord werd. Maar hij was
sedert--wat met Hogendorp wel het geval was--niet ambteloos gebleven;
integendeel, met autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij,
evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in 1802 in den dienst der
Bataafsche Republiek overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs
Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken. Lodewijk benoemt hem
tot lid van het wetgevend lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een
pensioen van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan Hogendorp
gestemd voor de afschudding van het fransche juk en den terugkeer van
het huis van Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van
oud-regenten, die voor eene kloeke daad terugdeinsden. Zeker niet om
gemoedsbezwaren; maar de herinnering aan de bange dagen van 1799, de
vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen man, een werkzaam
aandeel aan de omwenteling te nemen. Dit belette Hogendorp niet, van
Stralen, die in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de betrekking
van Commissaris-Generaal op te dragen[530].
[530] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 253 vv.
Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog en de Politie? Minder
gewichtig was het ambt van den laatste. Immers het kon de bedoeling
niet zijn, de geheime politie, onder welke men gedurende de fransche
heerschappij zoo gezucht had, te laten voortduren; men meende echter,
terwijl de vijand nog in het land was en men wellicht niet overal van
den geest der bevolking zeker was, vooreerst een algemeenen Commissaris
van politie noodig te hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van
Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend. Gewichtiger dan deze
betrekking was voorzeker het Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd
aanvaard door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van Buckhorst.
Geboren in 1751, page van Willem V, later officier, in 1795 uitgeweken,
in 1801 teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis van Oranje
getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens de fransche heerschappij
alleen door den invloed van Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens
eene geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde dan ook tot de
eedgenooten, die na den oorlog met Rusland zich hadden verbonden om voor
de afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn. Ik vermoed, dat
meer de naam en de gezindheid van Bentinck, dan de kunde van den man de
aandacht op hem hebben doen vestigen.
Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den December 1813 de
Souvereiniteit aanvaardde en den 6den December 1813 het bestuur overnam.
Hij liet de titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot zijnen
Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken, en den 71-jarigen
oud-regent Mr. J. C. van der Hoop tot Commissaris-Generaal voor de
Marine. Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te
Amsterdam, had hij sedert de revolutie van 1795 zich geheel van het
werkzame leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van 1813 ontmoet
men hem weder en nu als voorzitter van het provisioneel bestuur te
Amsterdam. Onttrok hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de
beweging, het was niet om de vaan des opstands omhoog te heffen,
integendeel om in een stillen geest werkzaam te zijn tot behoud van orde
en rust[531]. Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot Canneman
zijne toevlucht moeten nemen, de halsstarrigheid van den Vice-Admiraal
Verhuell in het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn geweest
dat de keuze werd gevestigd op een man, aanbevelenswaardig, door zijne
Oranjegezindheid zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de
Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle rechtstreeksche
aanraking met dit vak gebleven was.
[531] _Br. en Ged._ IV, 309.
Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur: Binnenlandsche Zaken,
Financien, Oorlog, Marine, benevens Politie, elk onder een eigen hoofd
gesteld. Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke ambtenaar hier
te lande was Mr. C. F. van Maanen, de eerste president van het Hoog
Gerechtshof, de man, die hoewel een kind der revolutie, evenals Gogel,
den Keizer met groote toewijding gediend had.--Van Maanen had tot aan de
komst van den Prins hier te lande van deelneming aan de omwenteling
niets willen weten. Is er in die dagen recht gesproken, 't moet geweest
zijn in naam des Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November 1813
was teruggekomen, volgde het besluit van het Algemeen Bestuur van 1
December 1813, waarbij al de rechterlijke autoriteiten werden ontbonden,
doch te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht, om nu in
naam der Hooge Overheid in plaats van in naam des Keizers recht te
spreken. Ook van Maanen ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur.
Doch niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen Vorst zonder den
titel de functie van Minister van Justitie, zoodat al de voordrachten,
het justitiewezen betreffende, voortaan door hem zouden gedaan
worden[532]. Daarentegen werd het afzonderlijke Departement van Politie
na de bevestiging van den staat van zaken bij besluit van 2 Februari
1814 hier te lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het Hoog
Gerechtshof[533] met de zorg voor de Politie belast[534].
[532] Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 92; de uitgever
dateert verkeerdelijk 23 Nov.)--_Staatscourant_ 1814, no. 1, 2.
[533] A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.
[534] _Staatscourant_ 1814, no. 36.
Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot 30 Maart 1814, het
gewichtige tusschentijdvak, waarin de Prins als Souvereine Vorst de
onbeperkte macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst geplaatst in
handen van van Hogendorp, van Stralen, van Maanen, Canneman, Bentinck
en van der Hoop. Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R. Falck,
die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog slechts 36 jaren oud, door zijn
kloekmoedig gedrag in de dagen der omwenteling op den voorgrond was
gekomen, en alzoo was geroepen om eerst het Algemeen Bestuur, later
den Souvereinen Vorst als Secretaris ter zijde te staan, totdat hij 31
December 1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van Staat[535], eene
betrekking, waarop ik later terugkom.
[535] _Staatscourant_ 1814, no. 4.
Welke verandering zoude in dit alles komen door de uitvoering, die
de Souvereine Vorst moest geven aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare
aanneming was die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten Maart
1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld moest ruimen voor een
ander, en reeds den 23sten Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger
zoude zijn[536]. De besluiten van de benoeming der Ministers dragen
echter de dagteekening van 6 April 1814[537]. Behalve van Stralen,
werden ook Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen vervangen. In
de inrichting van het Staatsbestuur kwam overigens geene verandering
dan dat de Waterstaat van het departement van Binnenlandsche Zaken
afgescheiden en een afzonderlijke tak van bestuur werd, terwijl met het
oog op de te verwachten teruggaaf der Koloniën een nieuw departement
voor Koophandel en Koloniën werd opgericht.
[536] Van Akerlaken, _Hendrik van Stralen_, 278.
[537] _Staatscourant_ 1814, no. 84.
Het Staatsbestuur was alsnu op de volgende wijze verdeeld: Oorlog: Mr.
J. H. Mollerus, onder de opperdirectie van den Erfprins, Generaal en
Chef der Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W. C. van Nagell
tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der Hoop; Binnenlandsche Zaken:
Mr. W. F. Röell; Financiën: Mr. C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en
Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat: Mr. O. Repelaer van
Driel. De zorg voor de Justitie bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten
president, evenals die voor de Politie aan den procureur-generaal[538].
Falck bleef eveneens Algemeen Secretaris van Staat.
[538] Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der
uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor de _Justitie_ voorkomt.
Deze uitgaven komen voor onder die van het Departement van
Binnenlandsche Zaken.
Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen Bestuur, hetzij door den
Souvereinen Vorst benoemd, niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat
Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken vervangen werd, laat
zich gereedelijk hieruit verklaren, dat de hem opgedragene betrekking
van vice-president van den Raad van State moeilijk met het beheer der
Buitenlandsche Zaken vereenigbaar was. Aan Bentinck viel de taak van
Minister van Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel, naar
zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om aldaar als Gouverneur aan het
hoofd te worden geplaatst. Dat van Stralen en Canneman het veld moesten
ruimen, was zeker niet een gevolg hunner politieke antecedenten, want
de eerste was een der slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles
aan de omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong om onder
de patriotten te kunnen worden gerekend. In verschil tusschen den
Souvereinen Vorst en deze beide Staatslieden over de beginselen van
Staatsbestuur schijnt de oorzaak te moeten worden gezocht. Waarom nu
juist Mollerus, van Nagell, Röell, Six, Repelaer en van der Capellen
werden benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en ondervinding van
de meesten hunner, wellicht hierin, dat met uitzondering van van der
Capellen, een loot uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen
behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook slechts twee
hunner, van der Hoop en van Nagell, in de bange jaren 1795-1813
ambteloos gebleven. Dat de overigen zich hadden verzoend met de
revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar, daar dit geschied was
onder uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader.
Bij allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich kenschetsen door
adellijke of patricische geboorte, van Maanen alleen uitgezonderd, die,
evenals Canneman, door de revolutie zijn fortuin had gemaakt.
Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men meenen, dat ten opzichte
van de uitvoering van art. 35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers
het Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld en aan het hoofd
van elk dier takken was één persoon geplaatst. Het gewichtige van een
ambt, denkt men wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De
naam, dien het ambt draagt, zal toch wel onverschillig zijn. Is dit
echter wel juist? Ook volwassen mannen blijven groote kinderen. Men
hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het ambt bekleedt,
als de menigte, die u met dien naam aanspreekt. En naarmate de macht
minder is, is de behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers
waren volgens de Grondwet van 1814 geen zelfstandige Staatsdienaren:
zij voerden den wil van den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele
verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd aan ons land. Zoowel
onder de Staatsregelingen der Bataafsche Republiek, als onder koning
Lodewijk waren de Ministers niets anders geweest dan de dienaren der
uitvoerende macht en jegens die macht alleen verantwoordelijk. Aan
den aard van dit ambt paste zeer goed de naam van _Agent_, een naam,
voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog de naam, gebruikt
in de constitutie van 1806, de naam van Minister; dit beteekent immers
dienaar. Of men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben kunnen
noemen. De Souvereine Vorst koos echter een anderen, een meer weidschen
titel: den titel van _Secretaris van Staat_. Een titel, die niet voor
het eerst hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het ontwerp
der Staatsregeling van 1797 deze dienaren der uitvoerende macht aldus
genoemd, doch in de Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen
naam van _agent_ de voorkeur gegeven. In de Staatsregelingen van 1801
en 1805 komen die dienaren echter voor als _Secretarissen van Staat_.
En zoo had de Souvereine Vorst, zooals wij vroeger hebben opgemerkt,
Hogendorp onder dezen titel aan het hoofd der Buitenlandsche Zaken
geplaatst. Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook de
Vice-President van den Raad van State een Secretaris van Staat zijn.
Een titel, die hooger geacht werd--zooals ook hieruit blijkt, dat aan
Mollerus, die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam kreeg van
Commissaris-Generaal voor Oorlog, desniettegenstaande de rang van
Secretaris van Staat werd toegekend[539]. Wanneer nu echter, zooals ik
geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de Engelsche Monarchie, waar
de Secretarissen van Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening
aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en kracht te verzekeren,
dan betwijfel ik, of wel een van die Ministers tusschen wie het
Staatsbestuur verdeeld was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen,
dat dit alleen het geval was met Falck, die, zooals wij gezien hebben,
de betrekking van Algemeen Secretaris van Staat bekleedde.
[539] _Staatscourant_ 1814, no. 85.
Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te blijven stilstaan.
Wij vinden haar onder den naam van Algemeen Secretaris in de
Staatsregelingen van 1798 (art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van
Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling van 1805 (art. 47).
Een ambtenaar, die het Uitvoerend Gezag in zijn geheel ter zijde stond
en wiens mede-onderteekening voor de geldigheid van de akten van het
gouvernement vereischt werd. Wanneer men de instructie van 1 Mei 1805
naleest, zal men zien, dat het na den Raadpensionaris het gewichtigste
ambt der Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G. Hultman bekleedde
die betrekking onder de Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning
Lodewijk optrad, benoemde hij in zijne plaats onder den titel van
Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F. Röell, dien wij nu hebben
zien optreden als Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het
is opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand begon te vreezen,
door Röell te zullen worden overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als
eerste minister zoude worden beschouwd, en eerste minister wenschte
hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het aftreden van Röell de heer
Appelius, die hem opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar
Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens ontslag in 1809
de geheele betrekking verviel en met een deel der werkzaamheden de
Minister van Justitie en Politie belast werd, terwijl een ander deel
werd opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten Secretaris van 's
Konings Kabinet[540]. Toen dit geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk:
»_un jeune homme très instruit et d'une grande espérance_", reeds
in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij het Ministerie van
Marine en Koloniën. Was het de herinnering aan hetgeen met Röell was
voorgevallen, die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden opgedragen,
eerst deed terugdeinzen voor den titel van Algemeen Secretaris van
Staat, en hem de voorkeur deed geven aan dien van Raad-Secretaris?
Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te doen was, dacht
hierdoor minder naijver op te wekken; hij meende ook, dat deze naam
beter overeenkwam met de ideeën van eenvoudigheid en economie, die hij
ook elders voortplanten wilde[541]. Onbekend zijn de redenen, die ten
slotte toch den titel van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen
herleven. Hij stond dus in rang met de overige Ministers gelijk. Het
maakt een vreemden indruk, wanneer wij zien, dat Falck's grootste
vereerder dit ambt beschouwt als eene ondergeschikte betrekking[542].
Het tijdvak 1813-1818, waarin Falck als zoodanig optreedt, is
integendeel het gewichtigste deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel
bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij het geheel
persoonlijk gouvernement van Willem I de Algemeene Secretaris in
gewichtige zaken niets te bevelen had, zoo werd hij toch wegens den
aard zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne inzichten in
alle zaken van aanbelang ter kennis van den Vorst komen. Zoowel in de
buitenlandsche als in de binnenlandsche politiek moest hij meer dan
iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor een groot deel de
trechter tusschen den Vorst en zijne Ministers; hij is het, die, bij
't overbrengen van 's Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op
gewezen[543], hoe, toen in 1814 de onderhandelingen met Engeland over
de teruggaaf der koloniën gevaar liepen te mislukken, Falck de man was,
die den wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was, althans wat
de eerste jaren na 1813 betreft, geene ijdele lofuiting, dat Willem I,
Falck voorstellende aan Keizer Alexander, tot dezen zeide: »ziehier
mijne rechterhand"[544]. Zoo er dus onder de dienaren van den Vorst
iemand was, die aanspraak had op den weidschen titel van Secretaris
van Staat, dan was het Falck;--Falck, wiens taak het was door
mede-onderteekening aan de handelingen van het Souverein Gezag
authenticiteit te verzekeren; Falck, die in 't middenpunt van alles
stond en dus den gang van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of
was dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen van Staat,
had er ook tusschen hen onderlinge raadpleging plaats? De Staatsregeling
van 1798 had in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad door de
Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had de Grondwet van 1814 niet
gedaan. Toch lag een dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet.
De Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen departement te zorgen;
zij hadden, elk voor zijn eigen departement, uitvoering te geven
aan de besluiten van den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een
Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de Souvereine Vorst
presideert[545]. Het was, zooals men het later noemde, een Kabinetsraad.
Daarin hadden, behalve de Ministers, ook andere hooge Staatsdienaren
zitting, althans de Vice-President van den Raad van State[546]. Is er in
de eerste jaren reeds bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan
vóór 1823 geene sporen gevonden[547]. Maar dit is zeker: de taak van
dien, 't zij Kabinets-, 't zij Ministerraad, is in elk geval niet van
dien aard geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden met den
gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe weinig de Ministers onder de
regeering van Willem I met de algemeene staatsbelangen bekend waren,
blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die meer dan iemand anders
in lateren tijd voor het regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk
werd gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de Financiën onwetender
te zijn dan de minste leek, en schijnt dit zeer natuurlijk te
vinden[548]. Nog sterker is hetgeen voorviel met den Minister van
Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818 op aandrang der
vreemde mogendheden een wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot
beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de indiening er van
aan den Engelschen gezant moest bekennen, dat hij van dat ontwerp nog
niets gezien had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder
ander, tusschen den Koning en van Maanen was afgesproken en in orde
gebracht[549]. Soms wordt een dergelijke wijze van handelen zelfs
van Maanen te kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in
aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet bijeenroept tot onderling
overleg, zoodat ieder geheel op zich zelven werkt, en zij niets weten
van elkander[550].
[540] Lodewijk Bonaparte, _Gedenkstukken_ I, 152, III, 89; vgl. Röell in
_Ged._ V, 572.
[541] Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 97).
[542] O. W. Hora Siccama in de voorrede der _Ambtsbrieven_, blz. XVI.
[543] Bl. 247.
[544] _Brieven_, 23.--In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan
D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft
Falck over zijne verhouding tot Willem I: »Mijne positie is, òf
onveranderd gebleven, òf zelfs nog verbeterd. Dezelfde onderscheidende
goedheid, dezelfde welwillendheid van de zijde des meesters. Wel
geene overeenstemming op alle punten en geen toegeven aan alle mijne
denkbeelden of tegenwerpingen, maar dezelfde blijken van innig en
onbeperkt vertrouwen, en moet ik mijne meening ronduit uitdrukken, ik
ben in te veel en in te velerlei dingen van aanbelang gebruikt om ooit
onder deze regeering het slachtoffer te kunnen zijn van iets anders dan
van eigene onvoorzichtigheden of van nalatigheid in mijne
plichtsbetrachting."
[545] Brief van 7 Dec. 1813 (_Brieven_, no. 92); van 2 Maart 1814 (no.
100).
[546] »M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state, and
one of the cabinet ministers" (Chad aan Castlereagh, 12 Juli 1816;
_Ged._ VIII, 38).
[547] Thorbecke, _Aanteekening_ I, 186.--_Handleiding tot de kennis van
het Staatsbestuur_, II, 5.
[548] Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste Kamer.
[549] Clancarty aan Castlereagh, 3 Febr. 1818 (_Ged._ VIII, 90).
[550] Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.