commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary
(die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch
kapitaal en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering
voorafgegaan. De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur
van suiker en koffie zóó geschikt, dat de waarde van den grond er
tusschen 1759 en 1769 meer dan vertienvoudigde. Maar het waren meer
en meer Engelschen van de naburige eilanden, die op deze cultures
afkwamen. In 1762 telt het oudere Essequebo 68 plantages, waarvan er
8 in Engelsche handen zijn; het voorspoediger Demerary 93, waarvan er
34 aan Engelschen toebehooren. In 1769 zijn er in Demerary reeds 206
plantages, waarvan er 56 aan Engelschen toekomen. Op de plantages
die eigendom van Nederlanders waren, moeten vele Engelschen als
administrateurs enz. zijn werkzaam geweest; immers Storm bericht in
een brief van 1760, dat onder de blanke bevolking van Demerary de
Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn. Na Storm's tijd (hij
vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen; eerder is het
verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en
Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de
Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver
Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in
1814 Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reeds
af te leiden uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek,
in 1812 verdoopt in Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in
1796 woonden daar 250 blanken; in 1807, na tien jaar slechts even
onderbroken Engelsch bestuur, 1500[513]. Ik geloof dat het Nederland
van 1814 geheel onmachtig zou zijn gebleken, tegelijk deze Engelschen
in Demerary weer te overvleugelen en de Engelschen uit den Maleischen
Archipel te werken. Het is voor onze toekomst een groot voordeel
geweest, dat Engeland een stuk van de West behield en niet de Oost;
maar het verval van de West was toen onmogelijk te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin
dat een goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren
verhypothekeerd aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie
weder Nederlandsch geworden, het dus wel in de macht zouden hebben
gehad, het vervoer der producten voor een deel naar Nederland te
leiden. Doch ook het Engelsche kapitaal was sedert 1796 in die mate
direct bij Demerary betrokken geraakt, dat het den strijd nimmer
zou hebben opgegeven, en het had, door het overwicht der Engelsche
bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling der Engelsche
scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
* * * * *
_Van Nagell laat de onderhandelingen glippen_ (hiervóór, bl.
246).--De koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell
overbracht, was een Engelsche koerier, met dépêches van Castlereagh
aan Clancarty belast, die zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel
bevond. De koerier nam zijn weg over den Haag, om daar Fagel's brief
aan van Nagell af te geven, maar had ook een afschrift daarvan bij
zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel meldde, in ieder geval direct
van Brussel met het antwoord moeten terugkeeren. De eenige manier dus
voor van Nagell om invloed op de beslissing uit te oefenen, ware
geweest onmiddellijk naar Brussel mede te reizen; hij zendt echter
alles aan den Vorst door, »sans se permettre aucune réflexion"[514]
(2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel een
langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den
Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met
het door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan
Fagel teruggezonden.
[513] Harris en de Villiers, _Storm van 's-Gravesande_ (London 1911).
[514] Falck's _Gedenkschriften_, 355.
* * * * *
_Banka_ (hiervóór, bl. 247).--Clancarty aan Castlereagh, 4 Aug. 1814:
»M. Falck as well as the Prince is of opinion that the exchange of
Cochin for the island of Banca will be advantageous to the Dutch, but
the Secretary of State doubts (not invidiously however) our title to
Banca, and has waited upon me to enquire upon what it is founded. I
have answered him: »upon unlitigated possession", which he admits to
be sufficient if the fact of possession is established"[515]. Van
Deventer[516] en van der Kemp[517] werpen Falck naar het hoofd, dat
hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij contract van 10 Juli
1668 onder de bescherming van het Nederlandsch gezag hadden gesteld.
Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug. 1814 evenwel geen
studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I. C., maar een
gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronder _de sedert 1 Jan.
1803 op Nederland veroverde bezittingen_ zouden worden teruggegeven.
Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803 geen spoor
van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De Engelschen
bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan van
Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet
gesproken is van »Banka en onderhoorigheden", zoodat de Engelschen
bij de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun
afzien van Billiton hebben kunnen maken.
[515] _Ged._ VII, 172.
[516] _Ned. Gezag_, CCVII.
[517] _Tractaat 1814_, bl. 78.
* * * * *
_Geschreeuw op de beurs?_ (hiervóór, bl. 249).--Jawel, want de
Engelsche couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit
de afstand van Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met
genoegzame zekerheid viel af te leiden. »La nouvelle donnée par le
_Times_", schrijft Falck aan Fagel, 12 Sept. 1814, »de la cession de
quelques-unes de nos colonies a fait à la Bourse d'Amsterdam une plus
grande sensation qu'on ne devait attendre d'un article de gazette.
Une députation des principaux intéressés est venue jusqu'à Bruxelles
pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins accompagnée de
stipulations favorables à leurs intérêts[518]". Hiertoe strekte de
conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeld hiervóór, bl. 248.
[518] Falck's _Gedenkschriften_, 366.
* * * * *
_Russische schuld_ (hiervóór, bl. 250).--Engelands eerste minister
tilde hieraan nog zeer zwaar. »The continuance of the American
war[519]", schrijft hij 2 Nov. 1814 aan Castlereagh, »will entail
upon us a prodigious expense, much more than we had any idea of; and
I cannot, therefore, avoid pressing upon you the importance of not
entailing upon us any part of the Russian debt to Holland if you can
avoid it. Consider only what this charge will be in addition to our
war expenditure and to our pecuniary obligations to Holland and
Sweden. It would be in principle one of the most difficult questions
to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had
been in peace with all the world, and the arrangements to be made
at Vienna were likely to contain anything very gratifying to the
feelings of this country, we might have met the question with some
degree of confidence; but as matters now stand, everything that
is really valuable will be considered _as having been gained
before_[520], and we shall be asked whether we can really meet such
a charge in addition to all the burthens which the American war will
bring upon us[521]".
[519] De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in November
scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
[520] Ik cursiveer.
[521] _Ged._ VII, 210.
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór
Weenen is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet
afzag en Ruslands handteekening onvermijdelijk noodig was voor de
oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar
geloopen hebben dat in deze stemming Engeland b.v. ook nog op
Suriname aanspraak had gemaakt.
* * * * *
_Genoopt was_ (hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te
worden genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van
het begin af de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van
koloniën, op Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou
moeten staan tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van
zaken op het continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen.
Zie hiervóór bl. 225 het medegedeelde uit Castlereagh's
correspondentie met Liverpool.
* * * * *
_Wel eens afstel zou kunnen zijn_ (hiervóór, bl. 256). In het systeem
der Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van
Parijs toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland
en Nederland geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter
sprake gekomen.
VIII.
DE INVOERING DER GRONDWET.
Zoo was dan Nederland niet alleen weder opgenomen in de rij der
onafhankelijke volken; het herrees ook als koloniale mogendheid; ja het
was bovendien zoo goed als verzekerd van een aanzienlijke uitbreiding
van grondgebied. Een gevoel van verademing, een gevoel van dankbaarheid
doortintelde de geheele natie. »Zij erkende", zoo sprak men in die
dagen, »in den Vorst den redder door de Voorzienigheid gegeven. Oranje
was het middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige rustpunt,
waarop men de toekomst veilig kon te gemoet zien." »Onze redding", riep
men uit, »is volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de aarde,
opent al onze bronnen van welvaart en hergeeft ons niet alleen landen
sedert twintig jaren van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs
eene vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor deze nauwelijks
herboren Staat, tot een hoogeren rang onder de Mogendheden verheven, de
krachten zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen, tot ons
behoud en de rust van Europa met waarde te handhaven"[522].
[522] Besluit van 22 Juni 1814, bevelende een algemeenen
dankdag.--Verslag den 7 November 1813 door den Minister van
Binnenlandsche Zaken, Mr. W. F. Röell, gedaan aan de Staten-Generaal
(Stuart, _Jaarboeken_ van 1814, bl. 211, 248.)
Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet minder was dit het geval
met den Souvereinen Vorst, die bovendien in zijne verbeelding zich
reeds getooid zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor hem,
dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven was, want het was er verre
van af, dat de tijd van rust en ontspanning voor hem zou zijn gekomen.
Den 29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen. Hiermede was het
tusschentijdvak van 's Vorsten onbeperkte heerschappij geëindigd en was
de nieuwe orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en volk. Maar
tusschen de vaststelling eener Grondwet en haar in werking treden ligt
nog eene breede kloof. Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat
wat op het papier stond, te doen overgaan in het leven. Dat dit zijne
taak was, volgde voor een deel uit de uitdrukkelijke bepalingen der
Grondwet. Doch ook wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de
Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de maatregelen te nemen en
de benoemingen te doen, noodig voor de invoering der Grondwet. Eene
meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was, zooals wij gezien
hebben[523], alle grond om aan te nemen, dat ook de Notabelen bij de
aanneming der Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.
[523] Hiervóór, bl. 90.
Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen Vorst te wachten. Eéne
zaak moest allereerst zijne aandacht trekken. De Grondwet droeg den
Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke hoofdtakken het Staatsbestuur
zoude worden verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk dier
takken ter zijde zouden staan. »De Souvereine Vorst", zoo luidde art. 35
der Grondwet, »stelt ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver
hoofden en ontslaat die naar goedvinden". Aan het hoofd van den Staat
één persoon, de Monarch; aan het hoofd van elk der onderscheidene takken
van Staatszorg één persoon, de Minister.
Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo gewoon zijn geraakt,
dat wij ze ons bijna niet anders kunnen denken. Toch was ze--wanneer men
let op de organisatie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en
haar daarmede vergelijkt--eene nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de
oude Republiek, het was dit, dat niet alleen het stedelijk, niet alleen
het provinciaal, maar ook het algemeen bestuur niet geplaatst was in
handen van één persoon, maar in die van een collegie. De Staten-Generaal
aan het hoofd--maar toch staande onder den invloed van de Staten der
gewesten en van de vroedschappen der steden. Collegiën toegerust met
_wetgevende_ en _uitvoerende_ macht tevens. Onder die Staten-Generaal
stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de vijf
Admiraliteiten, de Raad van State, de Rekenkamer. Dat er, bij de
verbrokkeling der Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd
stonden, en bij de verdere verdeeling van de bestuurstaak onder die
ondergeschikte collegiën, nog van het algemeen bestuur iets terecht
kwam, was bijna een wonder in de oogen van den Raadpensionaris
Slingelandt en andere staatslieden der Republiek. Hogendorp[524], na
de revolutie van 1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht
de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel geschiedde,
wat staatsrechtelijk niet was te verdedigen. Hij spreekt, als van
iets onbekend bij de constitutie, van een geheimen raad van het
bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit den Raadpensionaris
van Holland, uit de ministers of dienaren der Hooge Vergaderingen en
Collegiën, en eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-Generaal
en van de groote Hollandsche steden, welke laatsten, daar zij
voortdurend door anderen werden vervangen, echter in invloed bij al
de eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de Stadhouder met eenige
bekwame ambtenaren eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt
Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van vernuft en van moed
was, kon hij met den Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit
niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in de vergadering der
Staten-Generaal, en de Raadpensionaris van Holland niets anders was dan
de dienaar van één lid van het bondgenootschap en een der gedeputeerden
van dit lid in die hoogste vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al
wat men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste Vergadering
erlangen of althans door haar niet worden afgekeurd, van die hoogste
Vergadering, welke op hare beurt weder afhankelijk was van de zienswijze
der provinciale en stedelijke besturen.
[524] _Br. en Ged._ III, 95.
Werd nu door de revolutie van 1795, die het beginsel van staatseenheid
invoerde, tevens de collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier
niet van de wetgevende macht, die van de uitvoerende of besturende macht
werd gescheiden. Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen.
Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika, en één persoon, de
president, aan het hoofd der uitvoerende macht geplaatst? Evenals
de vrees voor de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de
instelling van het Directoire, zoo was ook hier de vrees voor het
eenhoofdig bestuur levendig en wilde men van een president niets weten.
De uitvoerende macht werd volgens de staatsregeling van 1798 gesteld in
handen van een collegie van 5 leden: _het Uitvoerend Bewind_. Met den
collegialen vorm van bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij
echter worden erkend, dat al de moeilijkheden, verbonden aan het bestuur
van de Unie, niet zoozeer een gevolg waren van het collegiale van het
bestuur, als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de leden van
het bondgenootschap en de daarmede gepaard gaande onzelfstandigheid van
het hoogste collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die bezwaren niet
meer te duchten, nu het beginsel van staatseenheid was ingevoerd en de
uitvoerende macht in haar geheel in handen van één collegie geplaatst
was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan. Er waren er, die, uit
een overdreven vrees voor het eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen
vorm wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende macht, bij de
verdeeling der verschillende takken van staatsbestuur. Er waren er,
die het uitvoerend bewind door comités wenschten te zien geadsisteerd.
De meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde zich echter voor
ministers. Dit beginsel werd eveneens in de staatsregeling van 1798
gehuldigd. Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het
denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou raadplegen over de
te nemen maatregelen, terwijl de werkelijke uitvoering, de eigenlijke
bediening der uitvoerende macht voor elken hoofdtak van staatsbestuur
zoude worden opgedragen aan één persoon, aan één minister. Deze had,
meende men, niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van de
maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze alleen uit te voeren in
den geest van het collegie. Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk
één persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij tegenover het
uitvoerend bewind zich niet kon verschuilen achter het scherm van een
comité en alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude worden, als
omdat, waar het op snelheid en gemakkelijkheid van handelen aankwam, de
macht in handen van één persoon verre de voorkeur verdiende. Het springt
in het oog, dat veel van hetgeen voor het bestaan van ministers pleitte,
ook kon worden aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende macht
in de handen van één persoon, en dat omgekeerd zoo aan het hoofd een
collegie de vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten waren aan
te voeren voor het collegiaal karakter der meer ondergeschikte macht.
Immers de voorstelling was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport
deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den minister was in de
meeste gevallen niet machinaal. »Wilde men," zoo vroeg men in de
Nationale Vergadering, »eene vloot doen uitzeilen, eene armee doen
marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste de noodige victualie
en de laatste de vereischte sterkte had[525]?" Het kon dan ook niet
bevreemden, dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en er
weder heimwee ontstond naar veel van het oude, ook het nieuwe hoofd
der uitvoerende macht: het _Staatsbewind_, de vrijheid kreeg, om, met
uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door collegiën te laten
bijstaan (art. 32). Dit was echter iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld
van Frankrijk zette men in 1805 de vrees voor het eenhoofdig gezag
ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der uitvoerende macht eerst een
Raadpensionaris, daarna in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag
het voor de hand, dat ook de bediening van elk der onderscheidene deelen
der uitvoerende macht aan één persoon werd opgedragen. Had voorts de
staatsregeling van 1805--evenals die van 1798 en 1801--nog zelve de
wijze van verdeeling van het staatsbestuur geformuleerd (art. 48),
koning Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij benoemde niet
alleen zijne ministers, hij bepaalde ook hun getal en hunne
werkzaamheden (art. 27).
[525] Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.
Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35 opdroeg aan den
Souvereinen Vorst, had zich alzoo uit het staatswezen der Revolutie
ontwikkeld en had onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het
onderwerp ook nu behield. Toen echter de Souvereine Vorst tot de
uitvoering van art. 35 wilde overgaan, vond hij geene _tabula rasa_
meer. Hij had te rekenen met hetgeen er sedert de Novemberdagen van
1813, sedert de optreding van het Algemeen Bestuur en zijne daarop
gevolgde aanvaarding der Souvereiniteit, geschied was.
Toen Hogendorp en van der Duyn den 21sten November 1813 het Algemeen
Bestuur op zich hadden genomen, waren door hen den 29sten November
1813, dus even vóór de terugkomst van den Prins van Oranje,
Commissarissen-Generaal aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken,
oorlog en politie[526]. Hunne aandacht was gevallen op Elias Canneman,
Mr. Hendrik van Stralen, B. H. Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck
van Papendrecht.
[526] Falck, _Brieven_ no. 91.--_Staatscourant_ no. 1.--Hogendorp
aan Fagel, 29 Nov. 1813 (_Br. en Ged._ IV, 272): »Nous organisons
aujourd'hui les Ministères de la Guerre, de la Marine, des Finances,
de l'Intérieur, parce que physiquement nous ne pouvons pas tarder
davantage. Nous plaçons à la tête sous le nom de Commissaires Généraux,
afin de laisser au Prince l'honneur de nommer des Ministres, M. M.
Bentinck, Job May, Canneman, van Stralen". De benoeming van May is
echter achterwege gebleven.
Canneman werd Commissaris-Generaal van financien. In 1777 in nederigen
stand te Amsterdam geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van
den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in 1798 door dezen, toen
Agent of Minister van financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was
hij door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen geroepen en diende
hij na de inlijving het Keizerrijk als directeur der belastingen in het
departement van de Monden van de Maas[527]. Dit laatste had hem echter
niet belet met Hogendorp bij de omwenteling gemeene zaak te maken.
Hij was immers ook de steller der proclamatie van 21 November 1813,
waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van den eed van trouw en
gehoorzaamheid aan den Keizer ontsloeg. Evenmin verhinderde hem de nauwe
betrekking waarin hij stond tot Gogel[528], toen Intendant-Generaal
van financien hier te lande, om voor Hogendorp een brief te ontwerpen,
waarin deze van Gogel onder inroeping zijner verantwoordelijkheid aan de
Hollandsche Natie eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te
gaan[529]. Onder deze omstandigheden en bij de weigering van Gogel om
den eed aan den Keizer gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat
Canneman tot Commissaris-Generaal van financien benoemd werd: Canneman,
die, na Gogel, wegens zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam,
en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door vrees had laten
terughouden tot het vestigen der onafhankelijkheid mede te werken.
[527] Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel voorloopig
van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den Raad van
Financiën. Dit verstoorde echter beider vriendschap niet. Men vindt
Canneman onder koning Lodewijk als secretaris-generaal aan het
departement van Financiën, terwijl Gogel minister is.
[528] Sillem, _Gogel_, 314.
[529] _Br. en Ged._ IV, 337; V, 27.--Sillem, _Gogel_, 111.