had, nadat de Souvereine Vorst getoond had, in het protocol van 21
Juni 1814 over België te willen berusten, zich genegen verklaard, de
onderhandelingen over de koloniën te hervatten, geenszins echter van de
eens gedane eischen afstand te doen. Het staat, zeide Lord Castlereagh,
aan ons te beoordeelen, wat het ons belieft te behouden, wat terug
te geven[491]. En nu heeft er eene gebeurtenis plaats, die men,
lettende zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis van de
regeering van Willem I, niet zoude hebben verwacht. Van Nagell laat de
onderhandelingen uit zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene
Secretaris, die ze weder opneemt. Onwillekeurig herinnert men zich bij
dit feit, wat van Nagell als voorzitter der groote vergadering bij de
inhuldiging van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig aan hetgeen
hij in den tijd zijner ballingschap in Engeland gezien had, en niet aan
den inhoud der Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne betrekkingen
tot zijn volk nimmer verdacht kon worden, daar de ministers voor al
hunne verrichtingen verantwoordelijk bleven[492]. Zoo kan ook hier het
besef zijner verantwoordelijkheid de reden zijn geweest, waarom hij
de verdere behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck, die,
om de woorden van Lord Castlereagh te gebruiken[493], de »bekrompen
inzichten" van van Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de
verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaat met Engeland op
de door dit land bepaalde grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij
ook het geschreeuw dat de afstand van de West-Indische koloniën op de
beurs zoude veroorzaken. Want, meende hij, de teruggave van dit alles
zoude van de Engelschen een _effort de générosité_ zijn geweest, dat men
niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon vergen[494]. Wij zien
dan ook dat bij brief van Falck aan Fagel, van 4 Augustus 1814, deze
gemachtigd wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en Berbice toe
te stemmen en tot de sluiting van het tractaat op de grondslagen, door
Fagel in zijne laatste depêche van 29 Juli[495] neergelegd, over te
gaan. Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte punten eenige
wenken medegedeeld, zonder dat van hunne inwilliging de sluiting van
het tractaat afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na eenige dagen,
den 13den Augustus 1814, het tractaat tusschen Groot-Brittanië en de
Vereenigde Nederlanden over hunne koloniën te Londen geteekend[496].
[491] Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck's _Gedenkschriften_,
354).
[492] Van Nagell bij Metelerkamp.
[493] Aan Clancarty, 14 Aug. 1814 (_Ged._ VII, 176).
[494] Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (_Brieven_ no. 105);
Falck aan Röell, 20 Aug. 1814 (Falck's _Gedenkschriften_, 366).
[495] Falck's _Gedenkschriften_, 351.
[496] Lagemans I, no. 9.
Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger koloniaal bezit behouden,
wat zou door ons worden afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten
op de kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren echter de Kaap
de Goede Hoop. In de Oost werd ons alles teruggeven. Niet alleen de
eilanden, maar ook de kantoren op het vasteland van Azië keerden tot ons
terug. Eene uitzondering maakte daarop het kleine district Bernagore in
de buurt van Calcutta, dat aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de
kust van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eiland Banka in ruil
erlangden. Het is eenigszins bevreemdend, dat, terwijl Engeland zich
genegen betoonde, aan ons dat belangrijke eiland wegens de nabijheid
van Java en de Molukken af te staan, het er niet op aandrong al onze
etablissementen op het vasteland te behouden, en dat te meer, omdat
onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding voor gegeven werd,
tegen den afstand daarvan niet veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk
wij dan ook later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd. Engeland
vergenoegde zich echter met de bepaling, waarbij de Souvereine Vorst
zich verbond in die etablissementen geene versterkingen op te richten,
ten einde de goede verstandhouding tusschen beide landen niet zoude
worden verstoord. In Amerika eindelijk moesten wij alleen het westelijk
gedeelte van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige zoude de
Hollandsche vlag weder wapperen zoowel op het vasteland als op de
eilanden. Aan den wensch van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice
te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter onze diplomatie,
voor de onderdanen van den Souvereinen Vorst, bezitters van plantages
aldaar, te bedingen, dat hun zoude worden veroorloofd _de naviguer
et de trafiquer entre les dits etablissements_ en het moederland. Eene
bepaling, die bij het tractaat van den 12den Augustus 1815[497] nader
werd uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van Engeland, die niet
zonder gewicht was, als men in aanmerking neemt, dat naar de zienswijze
dier dagen het voordeel der koloniën hoofdzakelijk geacht werd te
bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart daarop en den handel
daarmede de vreemdelingen te kunnen uitsluiten. Lord Clancarty meende
zelfs, dat door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de afstand
eener kolonie eerder een voordeel dan een nadeel was, daar men in 't
genot bleef van de vaart en den handel en bevrijd werd van de kosten
noodig voor de verdediging en het bestuur[498].
[497] Lagemans I, no. 31.
[498] Aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (_Ged._ VII, 89).
Tegenover het behoud dier koloniën door Engeland, stonden geldelijke
opofferingen van grooten omvang. Een millioen pond sterling door
Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe; twee millioen, om met
een gelijk bedrag, dat de Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor
den vestingbouw in België; eindelijk de helft--tot een maximum van 3
millioen pond--van de kosten door Holland te betalen _dans le but de
consolider et d'établir finalement d'une manière satisfaisante l'union
des Pays-Bas avec la Hollande sous la domination de la Maison d'Orange
Nassau_. Met andere woorden: Engeland zoude, voor het geval Rusland van
zijne Hollandsche schuld geheel of ten deele werd bevrijd, een deel
daarvan voor zijne rekening nemen.
Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit kon moeilijk, daar aan het
tractaat geen ruchtbaarheid werd gegeven; een deel der overeenkomst
was zelfs in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat zelf
werd de teruggaaf van al de koloniën en de ruil van Cochin tegen Banka
uitgesproken; alleen werd ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en
van Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene supplementaire
overeenkomst, die, zooals het heette, later zoude worden gesloten. En
om den goeden indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van het
onbeteekenende Bernagore naar de geheime artikelen verwezen. In die
geheime artikelen vond men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en
Guyana zoude geschieden, en waren tevens de geldelijke verbintenissen
opgenomen, die Engeland daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer
men het verlangde, geen bezwaar in de openbaarmaking van het tractaat,
mits de inhoud der geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die artikelen
stonden in een te nauw verband met de nog tusschen de mogendheden
te sluiten overeenkomst over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar
bovendien was het wenschelijk dat Rusland niet wist, tot welk eene som
Engeland zich verbond voor de overname der Russische schuld. Wanneer,
zooals later het geval bleek te zijn[499], de edelmoedige keizer aller
Russen met eene mindere som dan 6 millioen pond sterling tevreden kon
worden gesteld, dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen voor die
zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk dat het Parlement vooreerst
onkundig werd gelaten van de zware geldelijke verplichtingen, die
Engeland op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk evenmin op
openbaarheid gesteld. Hij die krachtens art. 38 der Grondwet voor geen
tractaat hoegenaamd de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had,
schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het hoofdtractaat ter
kennis des volks te brengen. Eerst den 7den November 1814[500] in de
aanspraak, door den Souvereinen Vorst bij de opening van de vergadering
der Staten-Generaal gedaan, wordt gezinspeeld op dit tractaat en op
de teruggaaf van het aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude
bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java. In het verslag,
gedurende dezelfde zitting uitgebracht door den Secretaris van Staat
voor de Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het nog van nadere
onderhandelingen moet afhangen, welke van de West-Indische koloniën aan
ons zouden terugkomen[501]. Nog in Mei van het volgende jaar was de
inhoud van het tractaat onbekend, en moest Hogendorp van den Souvereinen
Vorst de machtiging vragen het mede te deelen aan de leden der commissie
voor het ontwerpen der Grondwet voor het nieuwe koninkrijk[502]. Eerst
in Juni 1815 werd de inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814
wereldkundig door de overlegging er van aan het Parlement[503]. De
redenen van geheimhouding waren vervallen. Immers op het Congres van
Weenen waren de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31 Mei 1815
voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat den 19 Mei 1815 te Londen
door Rusland met ons en Engeland gesloten de zaak der Russische schuld
geregeld was[504].
[499] Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).
[500] Stuart, _Jaarboeken_ van 1814, bl. 245.
[501] Stuart, bl. 252-253.
[502] _Ontstaan_ II, 77.
[503] Stuart, 391.--Volgens de _Times_ van 12 Juni 1815 had die
overlegging plaats den 9den Juni.
[504] Lagemans, I, no. 28, 27.
Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop de conventie van
13 Augustus 1814 tot uitvoering zoude komen. Binnen drie weken zoude
het tractaat door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst worden
geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden daarna de bezittingen in
de West, binnen zes maanden die in de Oost weder worden gesteld in ons
bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter voorbijgaan, zonder dat van
dit alles iets kwam. De vertraging was voor een deel teweeggebracht door
den langen duur van het Weener Congres, voor een deel ook door Napoleons
terugkomst uit Elba, die het noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de
Indiën bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van het Rijk in
Europa. Eerst in Januari 1816 ging de West, in Augustus 1816 de Oost uit
de handen van Engeland in de onze over.
Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden waren over de
gedragslijn van Engeland, omdat het niet alles teruggaf. Opmerkelijk is
het, dat, terwijl men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van
het recht van verovering op België en in het beroep op dat recht door de
geallieerden bij het Londensche protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men
het Engeland ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van hetgeen
het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot 1814 met zijn zwaard had
verkregen. Wanneer men echter let op de opofferingen, die Engeland zich
in den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude de volledige
teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een buitengemeen, niet te vergen
en niet te verwachten _effort de générosité_ van de zijde van Engeland
zijn geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van Engelands gedrag
niet deelen, en dit te minder, als ik denk aan de zware geldelijke
verplichtingen, die Engeland als equivalent voor de door ons afgestane
koloniën op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen gedaan worden,
waaraan wij het te danken hebben, dat wij zonder eenige inspanning
onzerzijds weder in 't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer
koloniën?
Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne bondgenooten tot die
teruggaaf genoopt was. Ik meen ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene
der andere mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13 Augustus
1814 eenigen invloed had uitgeoefend; integendeel bestond juist, zooals
wij vroeger gezien hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale
kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude worden beslist, maar
dat zij, ter behandeling verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd
zou worden met al de netelige vraagstukken der Europeesche politiek.
Alleen in zoover hebben de geallieerden invloed ten onzen gunste
uitgeoefend, dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie op
het continent vreesde te zullen bederven en daardoor zijne zedelijke
kracht te zullen verzwakken[505].
[505] Lord Castlereagh uit Parijs aan Lord Liverpool, 19 April 1814.
(_Ged._ VII, 108): »I still feel great doubts about the acquisition
of so many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent,
as a feature of strength, power, and confidence, is of more real moment
to us than an acquisition thus made. The British merchant ought to be
satisfied, if we secure them a direct import. Holland cannot well refuse
this, nor Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More
than this I think Holland ought not to lose, even though compensated on
the side of the Netherlands."
Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen uitbreiding van het koloniaal
bezit _quand même_ bij Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren
nog andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde hechtte. De
beginselen van de gewapende neutraliteit, in het laatst der vorige eeuw
door Rusland verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den handel
der neutralen te beschermen, de handhaving vooral van den nieuwen
volkenrechtelijken regel: vrij schip, vrij goed, waren altijd Engeland
een doorn in het oog geweest. De Engelschen meenden, om meester ter zee
te blijven, de wapenen van het oude Engelsche zeerecht niet te kunnen
missen, en de ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in die
zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling van het Europeesche
Statenstelsel na den val van Napoleon over het zeerecht niets werd
bepaald, de beginselen der gewapende neutraliteit werden doodgezwegen en
alzoo het oude zeerecht bleef bestaan[506].
Het omgekeerde was het geval met een ander punt, dat de Engelsche
staatslieden niet minder ter harte ging: ik bedoel de afschaffing van
den slavenhandel. Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de
bovendrijvende partij in Engeland, de Tories, bewoog, een strijd op
leven en dood te voeren tegen dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit
was anders niet het zwak van die staatslieden met hun ingeworteld
conservatisme. De reden was, dat in de Engelsche natie langzamerhand
eene beweging voor de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo
sterk, dat de regeering om politieke redenen het geraden achtte, voor
haar partij te kiezen. Dit is zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon
Engeland van Portugal en Zweden de veroordeeling van den slavenhandel
wist te verkrijgen, en dat na den val van Napoleon geene gelegenheid
ongebruikt werd voorbijgegaan, om van de andere mogendheden hetzelfde te
bedingen. Zoo zien wij dan ook den Souvereinen Vorst ter voldoening aan
eene nota van Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot wering van
den slavenhandel, terwijl ook het verdrag van 13 Augustus 1814 in art. 8
eene uitdrukkelijke verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.
[506] Clancarty aan Castlereagh, 14 Dec. 1813 (_Castlereagh's Corr._ IX,
97).--Treitschke (_Deutsche Geschichte_ I, 543) wijst er op, hoe het
»glorreiche Albion" reeds op het congres van Châtillon wist gedaan te
krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk
overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de
grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne
humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidiën van het niet
alleen »glorreiche" maar ook goudrijke Engeland.
Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog grooteren prijs stelde
dan op de uitbreiding van het koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk
nog meer van de verlorene koloniën had kunnen terug erlangen, zoo
het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot wering van den
slavenhandel had willen aangaan[507]. Maar ook zonder dat kreeg zelfs
dit land bij het Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner
koloniën terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan genegen zijn,
dezelfde gedragslijn tegenover ons te volgen, die vroeger wel de
verbondenen van Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de
inlijving als het slachtoffer van Napoleons heerschzucht moesten worden
beschouwd; tegenover ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het
Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die door de herstelling
van het huis van Oranje ons berouw hadden getoond over de afdwalingen
der revolutie, en den band met den voorrevolutionairen tijd weder hadden
trachten vast te knoopen.
[507] Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: »It would be
desirable to have some producible record that we had offered to France
a pecuniary compensation, or an island, for the immediate abolition
of the Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by
the Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an
island for this object, since it has been determined to retain Demerary,
Essequibo and Berbice. _The retention of them will add in some degree to
the colonial jealousy which exists on the continent of Great Britain_;
and I have reason to believe that the planters and merchants interested
in the settlements in question _did not expect that we should keep
them_. Under these circumstances, I think we can afford to offer a West
India colony for the accomplishment of an object which the nation has
certainly so much at heart" (_Ged._ VII, 184).
Onze wenschen moesten dus bij Engeland een geopend oor vinden. Wat
echter dit land had kunnen weerhouden, terug te geven wat het had
veroverd, zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren de
heerschappij over de koloniën te handhaven. Maar die vrees trad op den
achtergrond, zoodra het zoo goed als zeker was dat door de vereeniging
met België een naar men meende krachtig rijk zoude verrijzen. De vrees
verdween geheel door de overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van
Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche bescherming zouden
kunnen rekenen. Het zal, zeide Lord Castlereagh aan Fagel, een groot
voordeel voor het vereenigde Holland en België zijn, dat het zoozeer
onder het bereik van Engeland ligt. Bij het minste gevaar kan het
Engelsche leger den Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine
Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te zijner beschikking
staande, zonder tot zijnen last te zijn[508]. Toen Engeland aan ons
de koloniën teruggaf, deed het dit in de verwachting, dat beide
landen door een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld. Eene
alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was men van de Engelsche
zijde niet bevreesd geweest, hierdoor den naijver der andere mogendheden
op te wekken en daardoor een nadeeligen invloed uit te oefenen op de
onderhandelingen, die over de vereeniging van al de Nederlanden nog op
het Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar was dit congres eens
afgeloopen, dan zoude er, hierover was men het eens, een
alliantie-verdrag worden geteekend[509].
[508] Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: »Le Prince Régent et
Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce nouvel
Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant pour
ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au
besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit
l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme
étant à sa disposition sans être à sa charge".
[509] Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: »C'est à son retour dans ce
pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de renvoyer
la conclusion d'un traité d'alliance entre les deux Etats, un tel
traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies
et des ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la
Hollande et la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain
congrès".
De Engelsche Regeering schijnt niet te hebben gevreesd, dat--zooals
later is gebleken--uitstel wel eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen bezwaar in gezien, zich
bij de formuleering van het tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat
het, met uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij in natura,
hetzij in andere equivalenten. Tegenover de vereeniging van België
stond de afstand van een deel van Guyana aan Zweden, en, daar dit
Rijk van Engeland daarvoor een millioen pond sterling ontving, de
overdracht daarvan aan Engeland. Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden
de 5 millioen pond als maximum te betalen voor den vestingbouw en de
Russische schuld. De draad, die door alles liep, was dus de vereeniging
met België. Na 1830 is ten onzent gezegd, dat »de gedwongene Belgische
bruid ons reeds, als beginsel der smarten, vier allerbelangrijkste
koloniën kostte"[510]. Als men het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen
leest, is dit beweren juist. Wanneer men echter meer achter de schermen
ziet, dan wordt met meer recht de zaak aldus voorgesteld, dat de
vereeniging met België de prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf
der koloniën hebben gekocht.
[510] Van Kampen, _Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa_, III
(1833), bl. 516.
Over de zaak van de teruggave der koloniën bestaat thans een
uitgebreide literatuur: van Deventer, _Ned. gezag over Java sedert
1811_ (den Haag, 1891); Heeres, _De afstand der Kaap de Goede Hoop
aan Engeland_ (Hand. en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896-'97);
Heeres, _De overgang der Kaapkolonie van Nederlands in Engelands
bezit_ (Ind. Genootschap, verg. van 29 Oct. 1901); van der Kemp, _De
sluiting van het Londensch tractaat van 13 Aug. 1814_ (Bijdr. Ind.
Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp, _De teruggave der O. I.
Koloniën_ (den Haag, 1910). De heldere voorstelling van Tellegen kan
echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
* * * * *
_Demerary etc._ (hiervóór, bl. 243).--Reeds in eene brochure van
1806, toen er sterke geruchten van vrede liepen: »Letter to the Right
Hon. Charles James Fox on the importance of the Colonies situated on
the Coast of Guiana, by a British Merchant[511]", wordt, met cijfers,
op de groote waarde gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland
verkregen hebben. »You cannot be ignorant, Sir, that the colonies of
Surinam, Berbice and Demerary even in their present unimproved state,
contain more estates and negroes, and send more produce of sugars,
coffee, cotton, and cocoa to Europe, than all the old British islands
in the West Indies together, Jamaica excepted; that in case these
colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we should
be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton
produced by these colonies for the use of our own manufactories, who
have introduced them, since the first possession last war, into so
many branches of that lucrative trade, that they cannot do without
them. The revenue will tell you what immense duties the produce of
these colonies pay.... Threi-fourthe of the colony of Demerary, and
nearly as much of the colony of Berbice, belong to British owners.
In Surinam, the most important of these colonies, British capital in
less engaged, but soon will be so, whenever this colony will continue
to be a part of the British Empire. I may venture to add, from what
happened during the last short interval of peace, that the French
and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to
deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our
seamen into their service to carry on their trade; whereas now we
navigate to these very colonies with some of the ships captured from
them, and have many hundreds of Dutch seamen in our merchant service,
to supply the want of British.... By giving up these colonies, we
lose first a very large revenue to the State; second, the employ of
30.000 tons of shipping annually, and more: third, employ of 2500 to
3000 seamen; fourth, an export annually of £ 5 or 600.000 of British
merchandise to these colonies only; fifth, the immense re-exportation
of coffee and sugar to the continent; and sixth, the additional
employ of shipping for these re-exports and the profits attached to
the same...."
[511] Naar den hoofdinhoud overgedrukt, _Ged._ VII, 146.
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aan Castlereagh
van John Robert Gladstone en 42 andere Liverpoolsche firma's, door
Canning, afgevaardigde voor Liverpool in het Lagerhuis, 9 Juni 1814
bij den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling:
»they venture to derive some hopes of its success from the very
generally prevailing notion among the inhabitants that it has been
long intended finally to annex these colonies to the British Empire."
Het request vestigt er de aandacht op, dat alles in Demerary,
Essequebo en Berbice Engelsch is geworden, dat de Nederlandsche taal
er bij de rechtbanken reeds is afgeschaft. »Should H. M. think it
right to restore the important colony of Surinam to Holland, the same
disadvantages wil not be felt there in that event, as the population
and capital remain chiefly Dutch".[512]
[512] _Ged._ VII, 142 vv.