Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden terugverworven
bij den tweeden vrede van Parijs.--Stavelot kwam aan de Nederlanden maar
Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-Hertogenrade.
* * * * *
_Met het vaste voornemen_ (hiervóór, bl. 198).--Dit leerden wij
hierboven, bl. 221, anders.
* * * * *
_Wat er in stond, is niet bekend_ (hiervóór, bl. 203).--Zie thans
hierboven, bl. 226.
* * * * *
_De wensch van den Souvereinen Vorst_ (hiervóór bl. 203).--Die ging
nog aanmerkelijk verder dan de conventie van Troyes; zie hierboven,
bl. 220.
* * * * *
_De zaak was deze_ (hiervóór, bl. 204).--Wat dan volgt is onjuist.
De uitnoodiging aan Bernadotte is van 27 Februari; toen was reeds
door de feiten beslist dat Castlereagh's verzoek van 27 Januari, den
Souvereinen Vorst met het voorloopig bestuur over België te belasten,
geen gevolg zou hebben. Dat verzoek was gedaan eer men België bezat;
vóór er op beschikt kon worden was België door de Pruisen veroverd en
het door hun generaals ingestelde voorloopig bestuur was reeds door
de centrale commissie onder Pruisische commissarissen gesteld (zie
hierboven, bl. 224). De centrale commissie was evenzeer door de
gebeurtenissen verrast als de verschillende mogendheden zelve.
Stein's oorspronkelijk plan (in Januari) was geweest, dat de
Souvereine Vorst het bestuur zou voeren over de beide Vlaanderens en
Antwerpen, Pruisen over Zuid-Brabant en de rest[461]. Toen in Maart
bleek dat het bestuur van Lottum en Delius in België weinig populair
was, verklaarde Stein zich bereid den Souvereinen Vorst het bestuur
over geheel België tot de Maas te laten, op voorwaarde dat een
gedeelte der landsinkomsten aan Pruisen werd uitgekeerd[462]; dit is
juist tijdens Bernadotte's militair commando, dat geheel tijdelijk is
en met de bestuurszaak niets te maken heeft. Sedert 27 Jan. echter
was gebleken welke voorwaarden Rusland en Pruisen aan de goedkeuring
der »uitbreiding van Holland" verbonden. Dat de aanspraken van den
Souvereinen Vorst voor een zoo groot deel met die van Pruisen bleken
te concurreeren maakte het onraadzaam 't zij Pruisen 't zij den Vorst
in België te veel de vrije hand te laten, of door 's Vorsten bestuur
over het nog vol Pruisische troepen gebleven land de mogelijkheid te
openen van dagelijksche conflicten. Bovendien wilde men, zooals in
Juni gebleken is, den Souvereinen Vorst zelfs niet voorloopig in
België plaatsen voor hij zich geschikt zou hebben in de overname der
Russische schuld; eene zaak die Castlereagh hem thans niet voorleggen
kon daar zij nog in onderzoek was bij de regeering te Londen. In
deze omstandigheden was het gouvernement van een Oostenrijker een
tijdelijk noodbehelp waarmede ieder zich vereenigen kon, en waarmede
men tevens de Belgen in een betere stemming kon terugbrengen dan het
bewind der Pruisische commissarissen bij hen had opgewekt. Ziehier de
werkelijke redenen waarom de Vorst eerst zoo laat in België is
toegelaten.
[461] Stein aan Castlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 38,
60).
[462] Stein aan Castlereagh, 6 Maart 1814 (_Ged._ VII, 78).
* * * * *
_Ik durf niet beslissen_ (hiervóór, bl. 206).--Mondeling heeft men
het wèl gezegd. »The Emperor", schrijft Castlereagh den 13den aan
Clancarty, »has told them plainly that he cannot take them back, and
that an Archduke would be no motive with him to risk a war for their
sakes; he therefore advised them to look to an incorporation with
Holland upon a fair understanding to be guaranteed to them as to
religion, commerce, debt, etc".[463] In het schriftelijk stuk
daarentegen van den 14den staat over Holland geen woord, en de Belgen
bleven hopen tegen hope.[464]
[463] _Ged._ VII, 90.
[464] Capellen 10 Mei (_Ontstaan_ II, 10).
* * * * *
_Lang tijdsverloop_ (hiervóór, bl. 206).--De volte van zaken was
aan het hoofdkwartier zóó enorm dat, gelijk herhaaldelijk blijkt,
aan velerlei beslissingen eerst uitvoering gegeven werd wanneer de
omstandigheden onderwijl al weder veranderd waren. Het besluit om
een Oostenrijkschen commissaris te zenden is van den 14den Maart;
de opdracht van Metternich aan Vincent is pas van 29 Maart[465];
intusschen was Horst, een tweede en slechter uitgaaf van Lottum en
Delius, al in functie. Vincent bevond zich te Luik en schrijft 7
April nog van die plaats[466]; toen hij zich kort daarna te Brussel
vertoonde maakte Horst gebruik van een of andere onregelmatigheid
in de papieren om de overgave van het bestuur te weigeren.
Dientengevolge moest de zaak voor de tweede maal voor de mogendheden
komen, en eerst 1 Mei kan Metternich aan Vincent schrijven dat er
stellig bevel aan Horst is gezonden tot onmiddellijke
bestuursoverdracht[467].
[465] _Ged._ VII, 329.
[466] _Ged._ VII, 331.
[467] _Ged._ VII, 333.
* * * * *
_Te Gratz bezocht_ (hiervóór, bl. 210).--Capellen bleef, als alle
Hollandsche ministers, tot 31 Dec. 1810 in functie; daarna weigerde
hij een plaats in het Wetgevend Lichaam te Parijs[468] en ging te
Maarsen »vegeteeren", zooals Lebrun het uitdrukt[469]. In den zomer
van 1811 gaf hij gehoor aan eene uitnoodiging van den graaf van
Saint-Leu om dezen te Gratz te bezoeken, bleef er nagenoeg een jaar,
en corrigeerde er, tot zijn verdriet, de proeven van Lodewijks
zouteloozen roman _Marie ou les Peines de l'Amour_. Toen hij naar
huis begon te verlangen verdacht de ex-koning hem dat hij toch zijn
hof zou gaan maken bij de Franschen, zoodat de vrienden in onmin
scheidden. Het tweede halfjaar van 1812 en het grootste gedeelte van
1813 verbleef Capellen weer te Maarsen, maar toen hij bemerkte door
de politie op last van de Celles te worden gesurveilleerd, nam hij
het besluit het land voorgoed vaarwel te zeggen en ging met zijne
vrouw te Mannheim wonen (Sept. 1813)[470]. Op het bericht der
omwenteling keerde hij naar Holland terug, waar hij midden December
aankwam.
[468] Grovestins, _Notice_ 418.
[469] _Ged._ VI, 110.
[470] Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn Falck's
_Gedenkschriften_, 67 en 335.
* * * * *
_Alleen door den invloed van Falck_ (hiervóór, bl. 210).--Neen, ook
van Capellens zwager van der Duyn[471].
[471] Falck's _Gedenkschriften_, 126.--»M. van der Duyn me présenta au
Prince" (_Notice_, 428).
* * * * *
_Eene gemengde commissie_ (hiervóór, bl. 212).--Daarvan spreekt
inderdaad Castlereagh in zijn brief van 16 Mei: »a commission to
prepare for the approbation of the Sovereigns a project[472] for the
reunion of the Belgic Provinces with Holland; this commission may be
assembled according to mutual convenience either at Brussels or the
Hague, and should consist of an equal number of Dutch and Belgian
members; possibly three of each might be sufficient".--Clancarty
daarentegen in zijn stuk van den 25sten zegt: »Si ces principes
[de door hem uit van Nagell's stuk getrokken, bekende principes
van den Vorst] paraissent fondés, on pense qu'il serait convenable
de transmettre au gouverneur général de la Belgique [Vincent] les
articles qui en résultent, et dont la rédaction ne peut pas avoir de
grandes difficultés. Le gouverneur devra les communiquer _à ceux des
notables de ce pays_[473] qu'il trouvera bon de choisir, et dans la
vue d'obtenir leur adhésion qui, dans l'opinion du gouverneur général
lui-même, n'est pas douteuse". Het is tegen dezen voorslag dat de
Vorst bij zijn hiervóór, bl. 233 aangehaalde woorden van 30 Mei
opkomt.
[472] In _Ontstaan_ II, 16 is voor »project" verkeerdelijk gedrukt
»subject".
[473] Ik cursiveer.
De dépêche van Vincent aan Metternich, waarop Clancarty zijne
verzekering grondt dat de aanneming in België volgens Vincent zelven
niet twijfelachtig is, indien hij maar de notabelen mag kiezen, geeft
inderdaad tot die verzekering geen recht; eer het tegendeel. Vincent
toch schrijft letterlijk het volgende (21 Mei): »J'avouerai à V. A.
qu'il m'eût paru préférable qui la réunion fût prononcée et définie
par les plénipotentiaires des alliés plutôt que préparée par le
concours des deux nations. Vingt-cinq années d'exagération et de
fausse direction dans les esprits ont remué trop de passions pour
qu'il ne soit pas plus facile de commander d'en haut l'accord des
volontés que de le faire sortir de tout concours de représentans.
En partant de cette persuasion je regarderais du moins comme un
devoir de hâter cette mesure transitoire, en désignant (s'il en
est question) tout de suite et directement les personnes, pour ne
pas s'exposer à des inconvéniens trop graves en faisant un appel
dangereux à des délibérations tumultueuses."[474]--7 Juni schrijft
hij: »En considérant la disposition générale de esprits, qui n'est
que trop contraire à la Hollande, soite par un suite de l'esprit de
parti constitutionnaire[475] réveillé par la réaction contre la
France, soit par une exubérance des prétentions nationales de la
Belgique, il me devient de plus en plus évident que les clauses de la
réunion des deux pays doivent être décidées d'autorité et de la part
des hautes puissances. Il importe que les clauses portant garantie
en faveur des Belges de leur sûreté, de leur religion et de leur
commerce, soient toutes définies dans la transaction qui transmettra
la souveraineté au Prince d'Orange, car si l'on permet de s'établir
une délibération, on peut être assuré que le nouvel état _n'aura ni
l'unité_[476] ni la force nécessaire pour exclure les machinations
françaises, et qu'ainsi le but que les hautes puissances alliées ont
en vue sera contrarié par les prétentions d'isolement et de
provincialisme des Belges[477]."
[474] _Ged._ VII, 335.
[475] Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie, die hij
opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook de
talrijke Franschen en Franschgezinden in België waren tegen de
vereeniging.
[476] Ik cursiveer.--Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan Röell, toen
deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd aanbeval: »het
doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, kan niet
bereikt worden dan door éénheid" (_Ontstaan_ II, 8).
[477] _Ged._ VII, 337.
* * * * *
_Het bezwaar_ (_Bernadotte_) (hiervóór, bl. 214).--Niet juist; het
bezwaar was de Russische schuld, tegen de overname waarvan Lord
Liverpool tot in Juni bezwaar maakte.
* * * * *
_Ik gis_ (hiervóór, bl. 215).--Juist, maar het is maar één der
redenen. Pruisen zou niets geteekend hebben vóór de grens vaststond;
Rusland niets, eer het zijn tractaat van schuldoverdracht in den zak
had. Trouwens »les arrangemens qui doivent compléter les dispositions
du présent traité", waaronder de oprichting van het koninkrijk der
Nederlanden stellig behoorde, waren uitdrukkelijk bij art. 32 van
het tractaat van Parijs aan het congres van Weenen voorbehouden. De
vaststelling der acht artikelen te Londen beantwoordde aan het eerste
_geheim_ artikel van het Parijsche tractaat: »Les dispositions à
faire des territoires auxquels Sa Majesté très chrétienne renonce
seront réglées au congrès, _sur les bases arrêtées par les puissances
alliées entre elles_."
* * * * *
_Terwijl Pruisen_ (hiervóór, bl. 216).--Bij conventie tusschen de
geallieerden (Bazel, 12 Jan. 1814) was nl. het voorloopig bestuur
der landen tot de Maas aan Pruisen toevertrouwd, dat daartoe een
gouvernement-generaal vormde te Aken. In plaatsen als Maastricht en
Venlo kwam dit gouvernement-generaal in botsing met de commissarissen
van den Souvereinen Vorst, die in last hadden onmiddellijk weder
bezit te nemen van alles wat eenmaal tot de Vereenigde Nederlanden
behoord had[478].
[478] Vgl. von Geusau in _Publications de Limbourg_ XXXVI, 233 vv.
VII.
DE TERUGGAAF DER KOLONIËN.
(Tractaat van 13 Augustus 1814).
Ik heb er vroeger op gewezen, hoe van den aanvang onzer bevrijding de
aandacht van Hogendorp op dit voor de toekomst van ons vaderland zoo
gewichtig onderwerp gevestigd was. Zooals blijkt uit den brief, door
hem den 28 November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was het naar
zijne meening eene zaak, die van zelve sprak, dat Engeland ons weder
in 't bezit van al onze koloniën zoude stellen[479]. Ook de Souvereine
Vorst had reeds vroeger--getuige zijn schrijven uit Londen aan H. von
Gagern van 11 November 1813[480]--dit punt met de Engelsche regeering
besproken, al ging hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij
zich toen nog niet met het volledig herstel van ons koloniaal bezit. Wij
hadden toch bijna alles verloren. Had Engeland bij het vredesverdrag,
27 Maart 1802 te Amiens gesloten, zich verbonden, met uitzondering van
Ceilon, alles terug te geven wat het na de revolutie van 1795 ons had
ontnomen, de vreugde was van korten duur geweest, daar met 1803 de
oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich langzamerhand, evenals
van de Fransche, ook van onze koloniën meester had gemaakt. Alleen de
nederzetting te Desima in Japan en de forten op de kust van Guinea
maakten hierop eene uitzondering. Zoude Engeland genegen zijn, wat
het met zijn zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te geven?
Het begeerde althans niet alles te behouden. Men leze slechts het
Engelsche memorandum kort na den slag van Leipzig, nog vóór onze
bevrijding opgesteld[481]. De geheele of gedeeltelijke teruggaaf was
echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland moest krachtig genoeg
zijn, om zijn koloniaal bezit te kunnen verdedigen. En in zoover bestond
er van den aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp en de
vergrooting van Holland, de vereeniging van Noord en Zuid. Van hier, dat
de onderhandelingen over de teruggaaf der koloniën eerst werden geopend
na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814, ja
eerst nadat den 21 Juni 1814 te Londen het protocol over de voorwaarden
der vereeniging was vastgesteld. Tot zoolang was wel over deze zaak
bij de eene of andere opkomende gelegenheid gesproken; eene eigenlijke
onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de Engelschen hadden den
indruk gekregen, dat de Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan,
wanneer een gedeelte der koloniën hem niet teruggegeven werd. Bij de
komst van Lord Castlereagh in den Haag in 't begin van 1814 werd het
behoud van de Kaap door Engeland besproken, waartegen door dit land aan
den Souvereinen Vorst eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij
uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk te versterken. De
Souvereine Vorst scheen daartegen geen bezwaar te hebben; hij vond het
billijk en redelijk[482]. Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de
onderhandelingen te Chaumont zien wij het denkbeeld opkomen, dat wij
ook in de West niet alles terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe
was het eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op Frankrijk
veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het tusschen Engeland en Zweden
den 3 Maart 1813 te Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan
Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het congres te Châtillon
eenen vredelievenden afloop mocht hebben, weder aan Frankrijk zoude
moeten terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag gerezen, op welk
eene wijze Zweden dan zoude moeten worden schadeloos gesteld. Door eene
Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord geweest: Holland,
dat zoozeer zoude worden vergroot, moest die opoffering zich laten
getroosten. Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding tot
de vergrooting van Holland, terwijl men--zooals wij vroeger hebben
gezien--nog de zaak der Russische schuld verzweeg, werd door Clancarty
met den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De laatste nam den
afstand eener kolonie in de West beter op, dan Clancarty zich had
voorgesteld; de Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private
eigendom in de af te stane kolonie zouden worden geëerbiedigd, en dat
die zijner onderdanen, welke aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met
het moederland handel zouden mogen drijven[483]. Toen dus bij art. 9
van het tractaat van Parijs, onder toestemming van Zweden tengevolge
van met zijne geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe weder
aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor den Souvereinen Vorst
niet onverwacht zijn, bijaldien het bleek dat deze zaak invloed zou
uitoefenen op de teruggaaf der West-Indische koloniën. En dit was dan
ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men oorspronkelijk zich
had voorgesteld. Zweden zoude in geld, door Engeland te betalen, de
vergoeding vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-Indische
koloniën, oorspronkelijk voor Zweden bestemd. Essequebo, Demerary en
Berbice, het westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren daarvoor
uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze kolonie of koloniën veel
Britsch kapitaal was vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen,
noodig voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de Engelsche
regeering te hebben bewogen, nevens de Kaap de Goede Hoop ook deze
koloniën te willen behouden[484]. Toen dan de Engelsche regeering het
oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit onderwerp over
te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet verwacht, dat die regeling
met moeilijkheden zoude gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der
onderhandelingen meent Lord Clancarty, dat onze minister van
buitenlandsche zaken, van Nagell, geen bezwaar zoude vinden in den
afstand van alle West-Indische koloniën, mits eene schadeloosstelling in
geld daarvoor in de plaats kwam[485]. Het zoude echter spoedig blijken,
dat Engelands gezant zich deerlijk had vergist. Den 24sten Juni 1814
zond van Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructiën voor de
onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf der koloniën. Onze minister
van buitenlandsche zaken was bij het ontwerpen der instructiën uitgegaan
van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de Revolutie van 1795
bezetene koloniën, zelfs op het bij vredesverdrag afgestane Ceilon,
aanspraak konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf van al de
koloniën, en voor zoover dit niet mocht geschieden, zooals met de Kaap,
moest daarvoor eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden.
Waarop echter boven alles prijs moest worden gesteld, was de teruggaaf
van geheel Nederlandsch Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en
Berbice.[486]
[479] _Br. en Ged._ IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
[480] _Ged._ VI, 1958.
[481] Hiervóór, bl. 29.
[482] Castlereagh aan Liverpool, 8 Jan. 1814 (_Ged._ VII, 25); S. V. aan
Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (_Ged._ VII).
[483] Clancarty aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (_Ged._ VII, 89).
[484] Edward Cooke onder-staatssecretaris van buitenlandsche zaken, aan
Lord Castlereagh (17 Febr. 1814): »The cessions will be much felt,
chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized" (_Ged._ VII, 61).
Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: »These settlements are
most valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by
British proprietors, but likewise as they contain the principal cotton
establishments in America for the use of our manufactures" (_Ged._ VII,
185).
[485] Clancarty aan Castlereagh, 17 Juni 1814 (_Ged._ VII, 150).
[486] De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp, _Tractaat 1814_,
bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.
Fagel, die met de inzichten der Engelsche bewindslieden nauwkeurig
bekend was en zijnen chef daarvan ook niet onkundig had gelaten,
schrikte, toen hij die instructiën met de daarbij gevoegde toelichtende
missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij kon dan ook niet nalaten bij brief
van 30 Juni 1814 aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon,
afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen sprake kon zijn,
en dat Engeland evenmin de bedoeling had, al de etablissementen van
Guyana terug te geven. Bij dergelijk verschil van inzichten wanhoopte
hij aan den goeden uitslag der onderhandelingen[487]. En hij had hierin
niet misgezien. Terwijl, zooals wij vroeger hebben medegedeeld, Engeland
reeds ontevreden was over de wijze waarop hetgeen de geallieerden over
België besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was opgenomen,
werd die ontevredenheid vermeerderd door onze eischen betrekkelijk
de koloniën. Fagel moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell
schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo te zeggen waren
afgebroken, voordat zij begonnen waren, en dat Lord Castlereagh zich
genoopt zag ons te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet mij
leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het mij niet. Gij zult, zegt
hij, u herinneren, dat ik er een voorgevoel van heb gehad, en het zelfs
bijna heb voorspeld, toen de instructiën van 24 Juni mij zijn geworden.
Moge, voegt hij niet zonder ironie er bij, deze zaak te Weenen aan
bekwamer handen dan de mijne toevertrouwd en met een beteren uitslag
bekroond worden: te Weenen, waar de onderhandelingen niet meer
tusschen de beide gouvernementen alleen in een geest van wederzijdsche
inschikkelijkheid zullen kunnen gevoerd worden, maar onder den invloed
van aan deze zaak vreemde belangen. Maar mag ik dan, schreef de
Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan Fagel, onze beste koloniën
opofferen of bederven en de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben
als prijs voor de vereeniging met België en alzoo de glorie van mijn
huis hooger te hebben gesteld dan het welzijn van den Staat[488]?
[487] Van der Kemp, _Tractaat 1814_, bl. 22.
[488] De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt in _Ged._
VII.
Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk maakt, zoo te hooren
spreken over onze bezittingen op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij
zijn er zoo gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal bezit
hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te zoeken; ja zijn er niet,
die al onze West-Indische koloniën als een lastpost beschouwen? Dit was
echter in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al in 1814
twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of het bezit der West-Indische
eilanden voor ons nog wel van zooveel belang was als vroeger, ten
opzichte van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver van
_Le Commerce de la Hollande_[489] in 't midden der vorige eeuw, en
na hem, nog even vóór de revolutie, Kluit[490] beweerd hadden, dat
alleen Suriname van meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde
Nederlanden, dan de handel op de Oost, schijnt ook nog in 1814 ten
opzichte van Suriname met Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze
van velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine Vorst niet
alleen, maar ook zijn minister van buitenlandsche zaken al hunne
krachten meenden te moeten inspannen, om den afstand van Essequebo,
Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van Nederlandsch Guyana te
beletten. Men deinsde vooral voor de ontevredenheid terug, die deze
maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.
[489] I, 256.
[490] _Historia foederum_, § 390.