hebben, en onderwijl met Napoleon onderhandeld wordt te Châtillon,
zoodat het gevaar ontstaat van een vrede met Frankrijk eer Engeland
zelf een vast accoord heeft met de vastelandsmogendheden, wordt
Castlereagh dringend: »it is not reasonable that His Britannic
Majesty should be called upon to make extensive sacrifices of his
conquests to France for the general security of Europe, without being
at least assured as to those arrangements on the continent which most
concern the interests of Great Britain". Hij legt dus de bondgenooten
vier artikelen voor, waarvan er twee voor ons van belang zijn:
»1st. That the Belgian Provinces as far as the Meuse, as comprehended
between the ancient frontier of France and that river, together with
the country in advance of that river, bounded by a line to be drawn
from the said river at Maestricht by Aix-la-Chapelle and Duren to
Cologne on the Rhine, shall be ceded to the Prince of Orange as
Sovereign of the United Netherlands, to be annexed for ever to
Holland as an integral part thereof.
2d. That the other territories on the left bank of the Rhine, if not
annexed in whole or in part to Holland, shall be disposed of with a
due regard to the military security and protection of that State and
the North of Germany; and no arrangement of this sort can be made
without the full consent of His Britannic Majesty".[430]
[430] _Ged._ VII, 63. Naar de plaats waar zij voorgesteld en door
Oostenrijk en Pruisen aangenomen zijn, hebben deze artikelen den naam
behouden van conventie van Troyes; door Rusland zijn zij eerst 1 Maart
te Chaumont geteekend.--Eigenlijk heeft men niet met eene conventie
_in forma_ te doen, maar met een wisseling van nota's waarbij men zich
verbindt de artikelen als deel van een eventueel tractaat te zullen
accepteeren.
Oostenrijk verklaarde zich onmiddellijk bereid deze artikelen aan
te nemen[431]; Pruisen ook, doch met een voorbehoud: het wilde,
zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het
land benoorden de lijn Keulen-Maastricht aan Holland laten, opdat de
nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen te liggen van
de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn[432]. Rusland
wilde, vóór het zich tot teekening verbond, door Castlereagh den
eisch zien ingewilligd omtrent de Russische schuld; het stelde dien
eisch thans in dezen vorm, dat Engeland en Holland gezamenlijk die
schuld voor hun rekening zouden nemen[433]. De Britsche minister
wilde er eerst weinig van hooren: »why pay Russia, rather than
Austria or Prussia? It comes, as a condition, with the worse grace,
after our gratuitous cessions to Denmark to fulfil a Russian
engagement".[434] Doch Rusland teekende niets, eer het in het bezit
was van een mondelinge toezegging van Castlereagh aan den Tsaar, dat
de zaak zou worden aanbevolen in de welwillende overweging van het
Britsche gouvernement, en men had Ruslands onderteekening noodig,
niet slechts voor de conventie, maar voor de groote alliantie van
Chaumont (1 Maart 1814) waarbij Rusland, Oostenrijk en Pruisen, voor
het geval Napoleon de hem te Châtillon gestelde voorwaarden verwierp,
zich verbonden aan den tegen Frankrijk voort te zetten oorlog
ieder met 150,000 man deel te nemen, tegen het genot van Engelsche
subsidiën. De vier mogendheden beloofden elkander, ook na den vrede
verbonden te blijven en een genoegzame krijgsmacht op de been te
houden tot bevestiging der nieuwe Europeesche orde. Die orde zelf
wordt nog slechts in hoofdtrekken geschetst: »l'Allemagne composée de
princes souverains unis par un lien fédéral.........; la fédération
suisse placée sous la garantie des grandes puissances......; l'Italie
partagée en Etats indépendans......; l'Espagne dans ses anciennes
limites......; la Hollande, état libre et indépendant, sous la
souveraineté du Prince d'Orange, avec un accroissement de territoire
et l'établissement d'une frontière convenable"[435]. Tegelijk nu
met dit tractaat zijn de artikelen van Troyes ook door Rusland
aangenomen, en hierop wisselden, ingevolge de mondelinge afspraak
met Alexander, Nesselrode en Castlereagh 6 Maart stukken van den
volgenden inhoud: Rusland verstaat zijne onderteekening alzoo, »que
lorsque les arrangemens projetés a l'égard des limites de la Hollande
auront reçus leur exécution et auront été cimentés par la paix, le
Prince d'Orange, Souverain de la Hollande, se chargera de la dette
de la Russie dans ce pays"; Engeland is vrij, »en considération
des avantages essentiels que l'agrandissement de la Hollande lui
procure", Holland van een voeglijk deel van dat bezwaar te ontlasten,
door het zelf op zich te nemen. »Parmi tant de puissances rendues
à la vie politique", heet het ter motiveering, »non seulement la
Hollande est celle dont l'indépendance avait été le plus complètement
abolie, et qui pouvait le moins se flatter de la recouvrer un jour,
mais elle va voir encore par les arrangemens que la sûreté de
l'Europe a fait juger nécessaires, son territoire et sa population
s'agrandir presque de moitié. S. M. Impériale ne regrette point les
sacrifices prodigieux qui ont amené d'aussi heureux résultats, mais
elle doit à ses peuples de leur en alléger le fardeau par tous les
moyens auxquels Elle peut recourir avec justice".[436] In antwoord
verzekert Castlereagh, dat hij voor het ontvangen stuk bij privaat
schrijven de welwillende aandacht verzoekt van zijn regeering.[437]
»You will observe", schrijft hij aan Lord Liverpool, »that the
request is wholly founded upon the previous successful execution of
our views for uniting Brabant with Holland. I certainly consider
the advantage by no means unimportant of giving Russia _a direct
interest_ in the execution of our views.... The demand in itself
appears to me much more one of policy than of justice". Verder heeft
hij van den Tsaar meenen te verstaan dat Rusland desnoods genoegen
zou nemen met een schikking waarbij Rusland, Engeland en Holland
ieder één derde van den last zouden dragen[438].
[431] Metternich aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 63).
[432] Hardenberg aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 65; vgl.
aldaar, 61).
[433] Nesselrode aan Castlereagh, 17 Febr. 1814 (_Ged._ VII 65; vgl.
aldaar, 62).
[434] Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 62).
[435] F. de Martens, _Recueil_ III, 194.
[436] _Ged._ VII, 80.
[437] _Ged._ VII, 87.
[438] Castlereagh aan Liverpool, 8 Maart 1814 (_Ged._ VII, 86).
De Engelsche regeering wist nu tot welken prijs de eindelijke
bewilliging van Rusland in de vereeniging van Holland en België
alleen was te verkrijgen. Zij moest zich wel executeeren, maar stelde
Rusland natuurlijk niet tevreden vóór die vereeniging, met Ruslands
medewerking, inderdaad tot stand was gebracht. Als de mogendheden,
waaronder Rusland, bij protocol van 21 Juni 1814, de vereeniging
eindelijk uitspreken, wordt van de zaak nog geen verder gewag gemaakt
dan in de vage slotwoorden: »Les demandes des puissances à la charge
de la Hollande et de la Belgique seront l'objet d'une transaction
particulière avec le Prince d'Orange, à laquelle l'Angleterre prêtera
sa médiation. La négociation pour cet objet aura lieu à Vienne".[439]
Den 11den Juli geeft daarop Castlereagh aan Nesselrode te kennen,
dat te Weenen enkel onderhandeld kan worden op de basis eener
verdeeling van de schuld in drie gelijke deelen, waarvan één voor
Rusland blijft; en hier moet tegenover staan »that the commercial
system of Russia towards Great Britain should be previously placed
upon a different and more friendly footing than has latterly
prevailed".[440] Eerst 19 Mei 1815 is eindelijk het verdrag
geteekend, waarbij Engeland en Nederland elk de betaling der rente
van 25 millioen gulden Russische schuld op zich nemen; dus minder dan
één derde deel ieder; de vergrooting van Holland had ook niet zulk
een omvang gekregen, als Engeland zich te Troyes had voorgesteld. De
betalingen zullen ophouden wanneer de Koning der Nederlanden de
Belgische provinciën zou mogen verliezen.[441]
[439] _Ontstaan_ II, 33.
[440] _Ged._ VII, 160.
[441] Lagemans I, 72.
Moest dus Rusland met geld worden tevreden gesteld, ook Pruisen had
een voorbehoud gemaakt. Wat het daarmede bedoelde, zette Hardenberg
29 April 1814 in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst alle
oude Pruisische bezittingen, ook die op den linker Rijnoever, terug;
voorts het geheele koninkrijk Saksen; en eindelijk wilde hij den
ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken;
beide oevers moesten tot den Pruisischen staat behooren. Hiertoe was
noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan
Nassau-Dillenburg er één was) hun bezittingen aan Pruisen afstonden.
Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden worden schadeloos gesteld op
den rechter Maasoever tusschen Aken en Spa; Nassau-Dillenburg vond
zijn schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land
zouden volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts
halvemanen komen om de vestingen Venlo en Roermond heen, en tegenover
Maastricht en Luik; voorts (afgezonderd) Gulik met een rayon, en
Luxemburg. Om deze laatste vesting te kunnen insluiten moest het
Hollandsche gebied in een langen, smallen tong worden uitgerekt langs
den geheelen loop der Fransche grens tusschen Maas en Moezel[442].
Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen Frankrijk wilde staan,
begeerde het de beide Rijnoevers tot de oude grens van Nederland toe.
[442] _Ged._ VII, 113.
Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het
voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht,
werd onder een anderen commissaris gesteld, maar niet onder den
zijnen. In het hoofdkwartier te Chaumont waren de Belgische
aanzienlijken verschenen, om van de bondgenooten te vernemen wat
het lot van hun land zou zijn.[443] Zij hielden bij Keizer Frans
aan, dat deze België onder zijn hoede nemen zou; was het herstel
van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan hoopten zij een
afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een Oostenrijksch
prins. De Keizer nam alle hoop weg, zoowel op het een als op het
ander, en men gaf aan de deputatie te verstaan, dat de toekomstige
vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was.[444] Om de
Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd beloofd dat
de Pruisische commissarissen door een Oostenrijkschen zouden worden
vervangen; tevens gaf men hun schriftelijk de verzekering dat door
de bondgenooten op hunne belangen zou worden gelet, wat betreft
godsdienst, handel, schuldenlast en vertegenwoordiging.[445] Den
nieuwen commissaris Vincent, Belg van geboorte, werd opgedragen de
bevolking zoo geleidelijk mogelijk op de vereeniging met Holland voor
te bereiden.[446]
[443] Hiervóór, bl. 205.
[444] Castlereagh aan Clancarty, 13 Maart 1814, (_Ged._ VII, 90).
[445] »Les souverains alliés auront à coeur de maintenir la religion
du peuple belgique, de protéger son commerce contre toute entrave
contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher
qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé.
Ils employeront leur haute influence et autorité pour lui procurer une
existence politique propre à lui assurer les avantages d'un systême de
gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de
ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de
l'indépendance qu'il est décidé à conquérir" (Note verbale adressée aux
députés belges, 14 Maart 1814; _Ged._ VII, 92).
[446] Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (_Ged._ VII, 334).
Een gevoel van onbehagen maakte zich van de Belgen meester. Wat hun
het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch
prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het
Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen;
met een overwegend burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met
lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het
minst tegen de vereeniging opzagen waren de gezeten liberale burgers,
fabrikanten, »acquéreurs de biens nationaux", zooals de heeren
Huyttens en Bauwens. Maar hun vrijheid verloor het groote Fransche
afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. Over
de hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één
Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire
natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het
onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Hadden wij
dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de algemeene raad van
het departement van de Dijle, om ons armen te beschermen![447] En
onderwijl drongen geruchten door omtrent een aanstaande verdeeling
van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij de Maas tot
grens te nemen, dan werden oud-Luik en oud-Namen in tweeën gereten,
waardoor tal van belangen werden geschaad.
[447] »Qu'il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du Souverain
que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le conjurant
de sauver son peuple prêt à périr"! (Le conseil général du département
de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1814; _Ged._ VII, 123).
Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen; zij konden
den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe
regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte,
kon daar nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten
aan het te Weenen te vergaderen Europeesch congres. De geheime
artikelen van het vredestractaat (30 Mei) bepalen ten aanzien der
Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden
vergroot met België tot de Maas; dat zijn grens op den rechter
Maasoever zou worden geregeld »naar vereisch eener goede verdediging
van Holland en van zijn naburen"; dat de Schelde geopend zal zijn;
dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert 1792 bij Frankrijk
waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan Pruisen en aan
andere Duitsche staten[448]. De kwestie tusschen Holland en Pruisen
bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel
open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg,
Namen en Luik ongedeeld zou laten. Ook van voorwaarden ter
verzekering van de Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont
beloofd, was in het tractaat niets te vinden.
[448] Lagemans I, 15.
De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd
omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was
daarop 20 Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van
hemzelf afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve
met het antwoord aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden
had met bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn commissaris
bij het voorloopig bestuur te Brussel, van der Capellen, waren
opgegeven[449]. Men had daar, behalve van de reeds vroeger opgegeven
punten van godsdienst, handel, schulden en vertegenwoordiging, ook
van de residentie van den vorst en van het onderhoud der Hollandsche
dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke Hollandsche
toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de Belgen
een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling
gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het
gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft,
verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche grondwet,
die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet, en de
gelijke benoembaarheid van alle ingezetenen tot staatsambten. Verder
verklaarde de Vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van lusten
en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de Hollandsche
koloniën; amalgama van schulden. De beide helften zouden in de
Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk
getal.[450] De Vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel
doorbrengen, en de Staten-Generaal zouden afwisselend bijeenkomen
in een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden.[451] De
vereeniging zal dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet
zal voor het geheele rijk gelden, »modifiée d'un commun accord
d'après les nouvelles circonstances".
[449] Er bestaan van de bekende »acht artikelen" vier staten. Zij zijn,
na het inkomen der brieven van Capellen van 10 en 11 Mei (_Ontstaan_ II,
10 vv.) in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf,
in een brief aan van Nagell van 16 Mei (_Ontstaan_ II, 14); vervolgens
door van Nagell in den vorm van een diplomatiek stuk gebracht 20 Mei
(_Ontstaan_ II, 18). De Souvereine Vorst neemt dit stuk mede naar
Parijs, waar Clancarty den inhoud overgiet en tevens beredeneert in een
uitvoerige, voor de bondgenooten bestemde memorie, die hij 25 Mei aan de
goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderwerpt (_Ontstaan_ II, 19),
welke hem, in antwoord, 30 Mei de acht artikelen toezendt in hun
definitieven vorm, als artikelen die hij gereed is ten uitvoer te leggen
wanneer zij bij tractaat zullen zijn bekrachtigd (_Ontstaan_ II, 26).
Zij waren, naar 's Vorsten aanwijzingen, door Falck geredigeerd (Falck's
Brieven no. 105; Falck's _Gedenkschriften_, 138 vv.) en zijn, zonder
verandering, 21 Juni te Londen door de bondgenooten gearresteerd
(_Ontstaan_ II, 32), en vervolgens 21 Juli door hun werkelijken auteur,
den Souvereinen Vorst, officieel aangenomen (_Ontstaan_ II, 46).
[450] Zoo in het stuk van 20 Mei.--In de acht artikelen: »les provinces
belges seront convenablement représentées".
[451] Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat het Zuiden een afzonderlijken
Raad van State zal hebben.--Niet in de acht artikelen overgenomen.
Het oorspronkelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de
voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering
van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne
bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was 16 Mei door
Castlereagh naar den Haag afgezonden[452]. De Souvereine Vorst had er
dadelijk zooveel bezwaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs
was getrokken om het te verhinderen[453]. De Belgische aanzienlijken
waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk
nut zou het hebben het resultaat van het onderzoek der daar vernomen
bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te
onderwerpen die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen?
Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij
ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid
van dit »ja" zou kunnen trekken kwam niet in vergelijking bij het
nadeel dat een altijd mogelijk »neen" zou toebrengen aan eene zaak
waartoe de bondgenooten toch reeds waren besloten. »Les Belges, loin
d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de
la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et
d'apprendre que le soin d'assurer leur sort et de hâter la réunion
sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement
confié au nouveau Souverain dont ils savent bien que les intentions
et le caractère[454] seront à la longue une garantie de leur bonheur
bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme
celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs
compatriotes"[455].
[452] _Ontstaan_ II, 16.
[453] _Ontstaan_ II, 17.
[454] »Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis
te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn oponthoud
te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan
was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is" (S. V. aan
van Nagell, 16 Mei 1814; _Ontstaan_ II, 15). Maar Fulda was Vlaanderen
niet!
[455] Uit het stuk van den Vorst aan Clancarty van 30 Mei (_Ontstaan_
II, 27).
Noch de Noordnederlandsche souverein, noch het Noordnederlandsche
volk, dat tot dit alles, in de personen van Falck, van Nagell, van
Hogendorp, zijne medewerking verleende, hebben de Belgen voor vol
aangezien. Waren hunne bezwaren, ik zeg niet weerlegd, doch zelfs
maar gevat? Wat beteekende het, hun te verzekeren, dat de Katholieken
tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?[456] Een dergelijke
verzekering, gegeven aan een natie voor 99% uit Katholieken
bestaande, was alleen al een beleediging aan het gezond verstand. Met
het opperen van hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet
bedoeld te vragen, of Katholieken in België wel tot landsbetrekkingen
benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij
werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of
minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische
notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou die
verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het
nieuwe rijk werden gescheiden, en de toewijzing van het gebied
tusschen Maas, Rijn en Moezel bleek een der moeilijkste onderwerpen
van alle en bleef nog lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van
België af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te
verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het
evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er,
tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over
opdroegen aan den Souvereinen Vorst[457]. Deze aanvaardde het den
1sten Augustus met een niet ongeschikte proclamatie, door Falck
gesteld, waarin getracht was elk wat wils te geven. De moeilijkheid
van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond,
werd ook door Falck niet doorzien. Dezelfde gebeurtenis, die het
vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden: »La
Hollande recevra un accroissement de territoire", wordt in deze
proclamatie, zooals indertijd Vincent aangeraden had[458],
»l'agrandissement de la Belgique" genoemd. Werd Holland uitgebreid,
of België? In den gedachtengang van hen die de zaak uitgevonden
hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor
tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Een fraaie
»vergrooting van België" inderdaad waarbij het, volgens Falck's
eigen bekentenis, »te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te
raadplegen"![459] De vergrooting was door België bedacht noch
goedgekeurd; zij werd ondergaan.
[456] »Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la
constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là
même éligibles à tous les postes". (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).
[457] Protocol van 21 Juni.
[458] Hiervóór, bl. 211.
[459] Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's _Brieven_, no. 105.)
De grenzen van het nieuwe koninkrijk zijn pas bij tractaat van 31
Mei 1815 bepaald. Willem I verkreeg daarbij verreweg het grootste
gedeelte der over de Maas gelegen oud-Namensche, oud-Luiksche en
oud-Limburgsche landen[460]; voorts van Sittard tot Mook de smalle
strook, die Pruisen verhindert tot aan de Maas te reiken. Onder
bijzondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd,
als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De
verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won geen
duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt gezien
aan Pruisen de grootste helft van Saksen te onthouden, doch hadden
in ruil aan Pruisens begeerte naar de Rijnlanden in grooter mate
toegegeven dan de conventie van Troyes had kunnen doen verwachten.
In het oorspronkelijk plan om aan den Souvereinen Vorst den linker
Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker
Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld
eener »uitbreiding van Holland" duidelijker uitgedrukt dan in de
nieuwe regeling, die geheel op eene vereeniging van Holland en België
nederkwam.