Immers niet alleen de souvereinen van Rusland en Pruisen, maar ook de

eerste ministers der drie Oostersche mogendheden, Nesselrode, Metternich

en Hardenberg, hadden, evenals Castlereagh, in 't begin van Juni Parijs

verlaten, en waren naar Engeland overgestoken. Daar was de zaak der

vereeniging het onderwerp van het bekende protocol van 21 Juni

1814[395]. Het bezwaar, dat in Maart 1814 waarschijnlijk in den weg had

gestaan, om den Souvereinen Vorst het bestuur over België te geven, was

weggenomen. Reeds vóór den vrede van Parijs, in 't laatst van April

1814, had het oppercommando van Bernadotte opgehouden en was hij met

zijne Zweedsche troepen afgetrokken. Doch ook nu was België nog niet

van zijne bevrijders bevrijd. De Pruisische troepen onder Bülow waren

na Napoleon's val weder in België teruggekomen, en behandelden het,

zonder zich om het gezag van Vincent te bekommeren, geheel en al

als een veroverd land[396]. Nu echter ook dezen in de maand Juni

waren weggetrokken, stond niets meer in den weg om het bestuur van den

Oostenrijkschen Gouverneur-Generaal te doen overgaan op den Souvereinen

Vorst. Hiertoe strekte het protocol van 21 Juni 1814. Bij dit protocol

verklaarden de geallieerden, met het oog op de vestiging van het

Europeesch evenwicht en krachtens hun recht van verovering, tot de

vereeniging van België met Holland te besluiten. Zij hoopten tevens door

eene volkomene samensmelting van Noord en Zuid het welzijn van beiden te

bevorderen, en meenden het middel daartoe te vinden, door als grondslag

te nemen de acht bovenvermelde voorwaarden. Dat zij van onze zijde waren

in de pen gegeven, werd niet gezegd. Het protocol hield integendeel

in dat zij waren ontworpen door Lord Clancarty en goedgekeurd door

den Souvereinen Vorst. Zoodra nu deze zoude hebben voldaan aan de

uitnoodiging om deze acht voorwaarden ook formeel te bekrachtigen, zoude

hij een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen, die het bestuur over

België uit handen van Vincent zouden kunnen overnemen. Lord Castlereagh,

op wiens aandrang ook dit protocol tot stand kwam[397], meende, met

dit te doen, zich gedragen te hebben »en bon Hollandais"[398]. Het

was er echter ver van af, dat de Souvereine Vorst dit met hem eens

was. Hij zoude wel in het bezit van België komen; hij zoude wel een

Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen; maar het bestuur zoude nog altijd

uit naam der geallieerden worden gevoerd. Het optreden als Souverein, de

vereeniging met Holland, moesten wachten op de »arrangements", te maken

op het Congres te Weenen. Ik gis, dat de reden van dit uitstel voor een

deel gelegen was in de onmogelijkheid om nu reeds het grondgebied van

het nieuwe rijk te omschrijven. Het stond vast, dat de Souvereine Vorst

zoude heerschen tot den linkeroever der Maas; hoever het gebied zich

aan de overzijde zoude uitstrekken, dit hing nog in de lucht. Terwijl

Pruisen zelfs er bezwaren in vond, het gezag van den Souvereinen Vorst

te erkennen over die landen op den rechteroever, welke vóór de Revolutie

aan de Vereenigde Nederlanden hadden behoord, moest toch ook Lord

Castlereagh, hoewel hij die bedenking niet deelde, inzien, dat de

beschikking over al het andere in verband stond met de regeling der

Europeesche aangelegenheden op het Congres van Weenen, en dat men tot

zoolang zich tevreden moest stellen met het feitelijk bestuur. Behalve

dit punt was er nog één, dat de definitieve afsluiting der zaak in den

weg stond. Op het Congres van Weenen zoude volgens het protocol, onder

bemiddeling van Engeland, onderhandeld worden over de vorderingen der

geallieerden ten laste van Holland en België. Wat bedoelt men hiermede?

vroeg de Souvereine Vorst. En zoo werd hij eindelijk tot zijne groote

teleurstelling gewaar, dat Rusland van deze gelegenheid wenschte gebruik

te maken, om althans voor een deel van zijne Hollandsche schuld bevrijd

te worden[399]. Een en ander deden den Souverein aarzelen, tot dit

protocol toe te treden. Doch uit den aard der zaak moest toch berusting

het einde zijn; van 's Vorsten aanneming zeker, kon Lord Clancarty,

bij nota van 20 Juli 1814[400], het protocol officieel aan 's Vorsten

Minister van Buitenlandsche Zaken aanbieden, waarop dan den volgenden

dag de _Acte_ volgde, waarbij die Minister, onder vermelding der acht

voorwaarden, de Souvereiniteit over de Belgische provinciën uit naam van

zijnen meester aannam[401]. Tot die berusting heeft voorzeker nog eene

andere omstandigheid het hare bijgedragen: terwijl de vereeniging met

België te Londen een punt van bespreking uitmaakte, werd tevens tusschen

Engeland en ons aldaar onderhandeld over de teruggaaf der koloniën.

Ook deze onderhandeling stuitte--zooals wij later hopen uiteen te

zetten--bij den Souvereinen Vorst op bezwaren. Dit alles zette kwaad

bloed bij de Engelsche regeering, zoodat wij gevaar liepen, dat ook de

koloniale kwestie, in plaats van tusschen Engeland en ons beslist te

worden, verwezen zou worden naar het Congres van Weenen. De Souvereine

Vorst begreep ten slotte het bij zijnen machtigen beschermer niet te

moeten verkerven.

[395] _Ontstaan_ II, 32.

[396] _Ged._ VII, 136, 147, 153.--Reeds 10 Mei 1814 schrijft Capellen

aan van Nagell: »Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont ceux

qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits".

[397] Castlereagh aan Clancarty, 26 Juni 1814 (_Ged._ VII, 153): »I have

prevailed upon the Ministers of the Powers to give him forthwith the

provisional administration of Belgium".

[398] Hendrik Fagel aan van Nagell, 23 Juni 1814.

[399] Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine Vorst een

deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.

[400] _Ontstaan_ II, 44.

[401] _Ontstaan_ II, 46.

Er verliepen slechts weinige dagen tusschen 21 Juli 1814 en de

inbezitneming van België door den Souvereinen Vorst. Bij proclamatie,

gedagteekend 31 Juli, nam de baron Vincent afscheid van de Belgen: de

Souvereine Vorst trad op met eene in 't Hollandsch en Fransch gestelde

publicatie, de dagteekening dragende van den volgenden dag. Beide

stukken werden geplaatst in het Belgische _Journal officiel_[402].

In overleg met zijne raadslieden en volgens den wensch der Engelsche

regeering, was de Vorst zelf naar Brussel getogen, om het bestuur

te organiseeren. Deze organisatie volgde bij besluit van 14 Augustus

1814[403]. Wij missen bij die organisatie, zonder dat de reden daarvan

bekend is, de benoeming van een Gouverneur-Generaal, zooals volgens het

protocol van 21 Juni 1814 had moeten geschieden. De Souvereine Vorst

behield het bestuur in zijne eigene handen, en liet het uitoefenen door

ministerieele departementen, een Geheimen Raad en een Secretaris van

Staat. Het zoude ons te ver leiden, zoo wij ons in dit alles wilden

verdiepen: alleen zij opgemerkt, dat de betrekking van Secretaris van

Staat werd opgedragen aan Capellen, die, zoo men een Hollander wilde,

hiervoor op dat oogenblik de aangewezen persoon was, en die in den

eersten tijd[404] voor België bij den Souvereinen Vorst eene wellicht

nog invloedrijker positie innam dan zijn vriend Falck ten opzichte van

het Noorden.

[402] 1814, I, no. 244. no. 245.

[403] _Journal officiel_, 1814, I, no. 250.

[404] Capellen, »dien", zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9 Sept.

1814, _Brieven_ no. 106) »de Brabanders kennen en eerbiedigen", werd in

Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het

Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indië. Hij trad echter na

de terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder

tijdelijk als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit

totdat in Augustus 1815 Falck ook voor België zijne plaats innam.

Het was niet alles gekomen, zooals de Souvereine Vorst gewenscht en

verwacht had. Hij moest zich nog geruimen tijd, tot in het voorjaar

van 1815, dien voorloopigen toestand laten welgevallen, en zich er

van spenen, om als Souverein over België op te treden en dit land met

Holland te vereenigen. Ook op een ander punt werd hij teleurgesteld. In

de maand Juni 1814 was het huwelijk tusschen Prinses Charlotte met onzen

Erfprins afgesprongen[405]. Die teleurstelling was echter te boven te

komen, mits het voor Engeland slechts geene reden werd, zich minder voor

ons in de bres te stellen dan het dit tot dusver gedaan had. Hiervoor nu

scheen vooreerst geen gevaar te bestaan. De Souvereine Vorst kon zich

blijven vleien met de hoop, dat op het Congres van Weenen al zijne

wenschen zouden worden vervuld; dat hij zijnen oudsten zoon niet alleen

de regeering zoude kunnen nalaten over een aanzienlijk rijk, maar dat

ook voor den tweeden zoon als regent over de Nassausche erflanden een

positie zoude zijn geschapen[406]. En ééne zaak was op dat oogenblik

reeds zoo goed als zeker. Wat schreef de gezant Hendrik Fagel den 29sten

Juli 1814 aan zijnen meester? Dat de Prins-Regent nu voor het eerst

hem gezegd had, hoe de vereeniging met België de aanneming van den

koningstitel noodzakelijk maakte, en dat de titel van Koning der

Nederlanden daarvoor de meest eigenaardige was, terwijl de erfgenaam der

kroon Prins van Oranje zoude kunnen genoemd worden[407]. De luister van

het koningschap zoude dus afstralen op den Souvereinen Vorst en zijn

geslacht. Er was dus veel, dat den Souvereinen Vorst tot tevredenheid en

dankbaarheid moest stemmen, hem met vertrouwen de toekomst moest doen

tegemoet zien. En de vraag die ons, met de uitkomsten der latere jaren

bekend, op de lippen komt, zal hem niet hebben verontrust; de vraag:

zoude die koningskroon ook eene doornenkroon blijken te zijn?

[405] _Ged._ VII, 149.

[406] Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken te Chaumont,

had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van zijnen

broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de Nassausche

erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan Pruisen bij

de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van den Souvereinen

Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling zijner hoop

schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816

(_Staatsblad_ no. 25) toegekende domeingoederen.

[407] Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart 1815

(_Staatsblad_ no. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.

* * * * *

_Nassausche erflanden_ (hiervóór, bl. 195). Zij werden in December

1813 door H. von Gagern voor den Vorst in bezit genomen; zie

Schliephake-Menzel, _Geschichte von Nassau_ VII, 762. De Prins had

reeds in 1813 aan Hardenberg en Metternich verzocht, dat hij bij

het herstel der zaken in Duitschland wederom als hoofd van het

gansche huis Nassau zou worden erkend.[408] Hoezeer hij ook op

die waardigheid gesteld was, hij is niet vreemd geweest aan het

denkbeeld, de Nassausche erflanden tegen ander gebied te ruilen. Wij

hebben gezien[409], dat hij het geheele gebied tusschen Maas, Moezel

en Rijn hoopte te verkrijgen. In dat geval gaf de verwerving van een

gebied op den rechter Rijnoever, doch meer stroomafwaarts gelegen,

veel beter afronding dan het bezit der Nassausche erflanden. Kon hij

dus het hertogdom Berg verkrijgen, hij zou van Nassau afstand hebben

willen doen.[410] Daar echter bleek dat Pruisen dit gebied voor zich

verlangde, hield hij later weer te krampachtiger aan Nassau vast, ook

om een brug te hebben voor het verkeer met de landen waaruit hij

Duitsche huurtroepen voor Nederland hoopte te trekken, en was zeer

ontsticht toen zijn erflanden hem toch nog ontgingen. Pruisen, dat

er te Weenen de beschikking over kreeg, behield Siegen, maar stond

Dillenburg, Dietz en Hadamar aan Nassau-Weilburg af, in ruil voor de

door dat huis bezeten landen tusschen Lahn en Sieg.

[408] _Ged._ VI, 1870-'71.

[409] Hiervóór, bl. 30.

* * * * *

_De vereeniging te Amsterdam impopulair_ (hiervóór, bl. 197). Zie het

stuk van den Amsterdammer Röell in Ontstaan II, 5, doch tevens zijne

aanteekening aldaar, bl. LXXXV, waar hij erkennen moet, »dat dezelve

in de toenmalige Vereenigde Nederlanden over het algemeen geene

afkeuring vond. Het innemend denkbeeld eener vergrooting van

grondgebied en eener gelijke draging der publieke schuld konde niet

missen de gemoederen der menigte weg te sleepen."--»De Hollanders",

schrijft Falck, »konden den Souverein hunner keuze niet anders dan

gaarne zien klimmen in aanzien en waardigheid. Hoe meer invloed en

magt hem verschaft werd naar buiten, hoe grooter bescherming zij

verwachten mogten voor hunne veelzijdige belangen."[411]

[410] Heinrich von Gagern, _Leben des Generals Friedrich von Gagern_ I,

137.

[411] Falck's _Gedenkschriften_, 142.

* * * * *

_Memorie van van Hogendorp_ (hiervóór, bl. 197). Deze was meer een

algemeen stuk dat gezonden werd omdat het sedert 1812 gereed lag en

de steller er zooals begrijpelijk was groote waarde aan hechtte.

Bijzonder actueel was zij niet, immers het overleg met de Engelsche

regeering over de zaken, daarin behandeld, was door den Prins vóór

zijn vertrek uit Londen reeds met Castlereagh geopend. Het werkelijke

»richtsnoer" voor de voortzetting van dat overleg was niet het stuk

van van Hogendorp, maar een memorandum van 26 Dec. geheel door

den Vorst gesteld en aan Fagel ter overlegging aan Castlereagh

toegezonden: »La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la

Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut

seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de

l'Europe contre la France, la consistance nécessaire."[412]

[412] _Ged._ VII, 19.

Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of

hij door zijn zendelingen België mocht doen bewerken[413]. De

Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de

bondgenooten worden gehoord. Den 26sten December had de ministerraad

plaats, waar Castlereagh's instructie voor zijne reis naar het

vasteland werd vastgesteld. Men bepaalde, dat hij voor Holland zou

vragen een barrière voor het minst omvattende Antwerpen, Maastricht

en Gulik, met een »behoorlijke" uitbreiding van grondgebied buiten de

grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden, maar »daarvoor" Holland

2 millioen sterling zou bieden om die barrière te versterken; dat men

onderzoeken zou of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België;

dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van België af moest

houden[414]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag, waar de Vorst

hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte. Er

kwamen uit België, meende de Vorst, reeds gunstige stemmen; zelfs

waren twee Gentenaars, de »propriétaire" Huyttens en de katoenspinner

Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest

vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden

zij gezegd, de nijverheid beschermen en het midden houden tusschen

de uiterste clericale factie en de verklaarde Franschgezinden[415].

Castlereagh liet den Vorst beloven dat hij zijn administratie

vooralsnog tot het grondgebied der oude Republiek zou beperken, en

lichtte hem in van het voornemen omtrent de Kaap, zonder nog eenige

som te noemen.[416]

[413] Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813: »whether I saw any

objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch

Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian

Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for

the Government of H. R. H. the Prince of Orange" (_Ged._ VII, 11).

[414] »Should Austria propose the settlement of the Archduke Charles

in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By

connecting a considerable part of the German territory on the left bank

of the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable

importance might be created, and one which supported by Austria would

form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince

of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the

side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express

consent of the Allies" (_Ged._ VII, 17). Er is dus thans nog een

geweldig verschil tusschen Castlereagh en den Souvereinen Vorst: de

eerste denkt zich een »intermediary Power" tusschen Holland en Frankrijk

en bestemt ook den linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn

België èn den linker Rijnoever voor zich.

[415] _Br. en Ged._ V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar, 480.

Vgl. ook Fauchille, _Une chouannerie flamande_ (Paris 1905), 122 vv.

Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.

[416] »I had the satisfaction of finding that, without specifying any

sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape

is likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier

without funds to render it effectual to its purpose, has long been an

object of anxiety" (Castlereagh aan Liverpool 8 Jan 1814; _Ged._ VII,

25).

Toen de Britsche minister bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek

onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf,

en ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel. In

deze omstandigheden had Castlereagh geen bezwaar geheel België tot

de Maas aan Holland te hechten, maar nu Oostenrijk zich terugtrok

wenschte hij voor het minst de andere groote militaire Duitsche

mogendheid, Pruisen, nevens het vergroote Holland in eerste linie

tegen Frankrijk te stellen. Derhalve wenschte hij Pruisen zoo ver

mogelijk zuidwaarts uit te breiden op den linker Rijnoever, en aan

deze macht de beide vestingen Luxemburg en Mainz toe te vertrouwen,

waartegen het dan lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan

Holland kon laten, welks nieuwe grens dan zou samenvallen met de

grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas,

en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik

en Keulen, om vervolgens den Rijn te volgen tot de oude grenzen

der Republiek[417]. »I should not wish to say that this projet

was actually _countenanced_, but it did not seem to alarm.... I was

induced to throw out the idea of thus bringing forward Prussia, as I

recollect it was a favorite scheme of Mr. Pitt. By this arrangement

Holland would not be _enclavé_ in Prussia, but stand in joint

frontier with her against France. I doubt much the policy of making

Holland a power of the first order, to which she would approach

if she possessed the whole of these territories (tot aan de

Moezel)".[418]

[417] Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden verkregen,

dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen Berg.

[418] Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814 (_Ged._ VII, 33).

Den 27sten Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst van dit

hem door Engeland toegedachte gebied, voor zoover het bewesten de

Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht, en of zijn

gezant van Spaen in de centrale commissie tot het bestuur der op

Frankrijk heroverde landen kon worden toegelaten; hij stelde deze

vraag »referring to the earnest desire expressed on the part of his

court that Holland may receive on the side of the Low Countries at

a general peace a suitable accession to its military frontier and

territorial resources."[419] Oostenrijk maakte geen bezwaar;[420]

Pruisen bewilligde, na eenig dralen, alleen in de toelating van van

Spaen;[421] Rusland antwoordde niet. Desniettemin had Castlereagh,

onmiddellijk na het ontvangen van Oostenrijks toestemmend antwoord

en in de verwachting, door gesprekken met Hardenberg en Nesselrode

opgewekt, dat Pruisen en Rusland spoedig volgen zouden, reeds verlof

gegeven dat de Souvereine Vorst aanving, België tot de Maas »op een

bedaarde manier" in zijn voordeel te bewerken.[422]

[419] Castlereagh aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg, 27 Jan. 1814

(_Ged._ VII, 39).

[420] Metternich aan Castlereagh, 1 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 39).

[421] Hardenberg aan Castlereagh, 12 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 60).

Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in België

afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te

Brussel stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.

[422] »With respect to political connection, altho' no adjudication

of new territory can take place till a Peace, I see no reason why

the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly

encourage the people of the Low Countries to look to him as their future

Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe" (Castlereagh

aan Clancarty, 1 Febr. 1814; _Ged._ VII, 38).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, Hugo

van Zuylen van Nyevelt, was in het gevolg der troepen van Bülow de

grens overgegaan, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij

verspreidde blaadjes, op twee kolommen in het Hollandsch en Fransch

gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangezet om zich

vervolgens met het Noorden te vereenigen.[423] Een sedert eenige

jaren te Brussel wonend Hollander, A. graaf van Bylandt-Palstercamp,

schreef een brochure van dezelfde strekking.[424] Toen Bülow en de

hertog van Saksen-Weimar den 8sten Februari Brussel binnentrokken,

waren de hertog van Clarence en prins Frederik, de tweede zoon

van den Souvereinen Vorst, aan hunne zijde. De stad onthaalde de

bevrijders in den schouwburg; een der loges was versierd voor de

generaals. Toen na een oogenblik Bülow en de hertog van Weimar

vertrokken waren, verschenen de hertog van Clarence en prins

Frederik; het orkest speelde »God save the King". De hertog van

Clarence dook in de loge terug, en liet prins Frederik de ovatie in

ontvangst nemen. Het publiek had het zoo niet bedoeld, en had er

vrij wat op te zeggen.[425] Lord Clancarty, nog onder den indruk van

het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in België nog niets zou

ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen

bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen die den Vorst

haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij

de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den

Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden.[426]

[423] »Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les vastes

projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations

de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort" (een van van

Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr. 1814,

_Ged._ VII, 43).

[424] _Br. en Ged._ V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans, _Hist.

de la Belgique_ I, 53, 71.

[425] »Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient

nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a fait une

fâcheuse sensation" (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814,

door dezen overgelegd aan Castlereagh 17 Febr. _Ged._ VII, 65). Vgl.

Feltz aan Metternich 11 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 327).

[426] _Br. en Ged._ V, 54; Falck's _Gedenkschriften_ 137; Fauchille 130;

_Ged._ VII, 52, 55 (Clancarty aan Hamilton, onder-staatssecretaris, van

buitenlandsche zaken te Londen, 9 Febr. 1814: »The Prince of Orange has

been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in

the Low Countries to tender the sovereignty to him; in some parts among

the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have

been directly against the opinions of the better and more respectable

inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for

the return of their old Government, or in default of this to be disposed

of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will

consult their interests, these movements have had little effect, and

indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force

have scarcely appeared at all").

Intusschen vervloog het geheele voorloopig gouvernement van den

Souvereinen Vorst in rook. Onmiddellijk toen Bülow en de hertog

van Weimar te Brussel kwamen richtten zij er een voorloopig

bestuur in[427] waarbij eerlang namens de centrale commissie twee

Pruisen als commissarissen optraden: von Lottum en Delius. Van den

Souvereinen Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit

was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar

de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig

meer was.[428] De Belgen konden hieronder kwalijk anders verstaan,

dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren. Hoe zouden Bülow

en de hertog van Weimar ook van de vereeniging met Holland hebben

kunnen spreken? Zij hadden nog niet de minste orders daaromtrent uit

het hoofdkwartier.

[427] Coremans, _Ephémérides Belges_ (in: Compte-rendu Comm. Royale

1847), bl. 135. De te Brussel wonende oud-Oostenrijksche diplomaat,

geboren Luxemburger, baron Feltz, schrijft aan Metternich 11 Febr. 1814,

dat de Pruisische generaal Borstell bij het binnentrekken van Brussel

links en rechts verklaarde »que les Pays-Bas retourneraient sous la

domination autrichienne, si pas immédiatement au moins à titre de

suzeraineté, ces provinces passant selon toute probabilité à l'archiduc

Charles." Feltz vraagt hier den hertog van Weimar naar, die antwoordt:

»qu'il croyait que chacune des puissances reprendrait ce qu'elle

avait perdu, que tel était le principe général de l'alliance; que les

événemens s'étant précipités contre toute attente, on ne connaissait

pas de disposition particulière sur les Pays-Bas; qu'il serait urgent

que des députés de la Belgique allassent en solliciter une au quartier

général des puissances alliées; qu'en attendant il fallait composer un

gouvernement provisoire" (_Ged._ VII, 326).

[428] »Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....;

l'indépendance n'en est plus douteuse" (proclamatie van 4 Febr.;

Coremans 133).

Castlereagh begreep, dat nu de Pruisen te Brussel waren, het

zaak werd door te tasten. In het begin van Februari had hij de

uitgebreidste verzekeringen gegeven van Engelands bereidwilligheid

tot teruggave van koloniën, indien Engelands oogmerken op het

vasteland konden worden bereikt. De Deensche koloniën zou Denemarken

terugbekomen om het te doen berusten in het verlies van Noorwegen;

tot verdere belooning van Zweden voor zijn hulp in Duitschland werd

het Fransche eiland Guadeloupe bestemd. De Hollandsche koloniën

behalve de Kaap kwamen aan Holland terug, »provided Holland could be

rendered so effectually independent of France as to make it clear

that we were strengthening an ally, and not an enemy". Tot beter

verzekering van dit doel zal Engeland twee millioen pond sterling

geven voor den opbouw van een nieuw frontier tegen Frankrijk. De

grens van Holland wordt thans voorgesteld geheel zooals Castlereagh

zich die 22 Jan. reeds had gedacht: Noordzee-Givet-loop der Maas

tot Maastricht-Keulen-loop van den Rijn; de toewijzing van wat

er tusschen Maas, Rijn en Moezel overblijft bezuiden de lijn

Maastricht-Keulen zal nader zijn te bepalen. Aan Frankrijk, indien

het bewilligt in den door de bondgenooten te stellen eisch van

terugkeer binnen zijn oude grenzen, alle veroverde eilanden terug

behalve Guadeloupe, dat aan Zweden is toegezegd, en Mauritius en

Bourbon, die Engeland behouden wil om dezelfde reden waarom het

de Kaap behoudt: de verzekering van zijn bezit in Indië[429].

[429] Castlereagh aan Liverpool, 6 Febr. 1814 (_Ged._ VII, 44): »The

explanation throughout was received with general satisfaction. The

possibility of something being found to give France in exchange for

Guadeloupe and the Mauritius was thrown out, and prince Metternich

suggested the idea of such a sacrifice on the part of Spain and Holland.

I observed that this was a proposition which could not originate with

the British government; that it was not their practice to call upon

their allies to pay the price of acquisitions made by Great Britain;

that I saw no reason why France after such a war should be relieved from

all direct sacrifice".

De Wedergeboorte van Nederland · 第 20 / 35 段