Hij, die de bondgenooten, hangende het congres van Châtillon, wist te
bewegen, door het tractaat den 1sten Maart 1814 te Chaumont gesloten,
de handen nauwer ineen te slaan, en zich, voor het geval Frankrijk de
vredesvoorwaarden weigerde, gedurende een tijdvak van twintig jaren ter
handhaving van het Europeesch evenwicht te verbinden; hij maakte van
diezelfde gelegenheid gebruik, om van de bondgenooten eene verklaring
uit te lokken over de vereeniging van Holland met België. Oostenrijk
had van den aanvang af geen bezwaar gezien in dit plan. Het bleef aan
uitbreiding naar het zuiden boven het verwijderde België de voorkeur
geven; het zag bovendien zelf in, dat het belang van Europa het bestaan
van België als zelfstandige Staat onder een Oostenrijksch prins
onmogelijk maakte. Ook Pruisen had tegen het beginsel der vereeniging
geene bezwaren. Zijne bedenkingen betroffen alleen de vraag, of het
nieuwe rijk zich nog verder zoude uitstrekken dan de Maas, daar Pruisen
zelf waarschijnlijk het grondgebied tusschen Maas en Moezel zoude
erlangen, en voor dat geval tevens aanspraak maakte op de landen
tusschen den rechteroever van de Maas en den Rijn[369]. De grootste
moeilijkheden kwamen echter van de zijde van Rusland. Dit rijk had
indertijd door tusschenkomst van het huis Hope in Holland eene leening
gesloten van ruim 88 millioen gulden, waarop nog slechts zeer weinig
was afgelost. Ruslands financiën waren in een berooiden toestand[370].
Reeds in 1812, nadat de vriendschapsbetrekkingen tusschen Engeland en
Rusland weder hersteld waren, had Rusland een vruchtelooze poging bij
Engeland gedaan, om door dit rijk die schuld te doen overnemen[371]. De
Engelsche regeering was waarlijk nooit karig geweest in het verleenen
van subsidiën om zijne bondgenooten in staat te stellen oorlog te
voeren: ook in het tractaat van Chaumont zoude Engeland daarvan weder
de bewijzen geven; maar voor de overneming van eene bestaande schuld
bestonden geene antecedenten. Toch kwam Ruslands minister Nesselrode
bij deze gelegenheid er op terug en wilde aan zijne toestemming de
voorwaarde verbinden, dat Engeland en Holland de schuld voor hunne
rekening zouden nemen. Wat nu te doen? Het zou zijn eene vergoeding voor
de opofferingen, door Rusland gedaan. Maar hadden Oostenrijk en Pruisen
dan ook niet dezelfde aanspraak op dergelijke vergoeding? En wanneer ook
al deze beide mogendheden er geen bezwaar in mochten zien, dat alleen
Rusland geldelijke tegemoetkoming ontving, hoe dit voor het Parlement
te verdedigen? Van de andere zijde wenschte Lord Castlereagh met den
machtigen Keizer aller Russen op een goeden voet te blijven; vooral ook
Ruslands geldelijk belang te verbinden aan de vereeniging van België met
Holland. Hij voor zich zag er geen groot bezwaar in, dat althans van 2/3
der schuld Engeland en Holland de interest en jaarlijks eene zekere som
voor amortisatie zouden betalen. Holland, voor hetwelk men die rijke
gewesten zoude hebben veroverd, mocht 1/3 der schuld wel overnemen.
Toch deinsde Lord Castlereagh voor eene uitdrukkelijke verbintenis
terug; Rusland moest vertrouwen stellen in de mildheid van de Engelsche
regeering[372]. En zoo werd eindelijk ook door Rusland het stuk
geteekend. Want bij gelegenheid van het verdrag van Chaumont is er ook
eene schriftuur opgemaakt over die vereeniging. Lord Castlereagh zelf
noemt het eene conventie[373]. Wat er in stond, is niet bekend. Uit
hetgeen later is voorgevallen op het Congres van Weenen, blijkt echter,
dat men aan België eene grootere uitbreiding wilde geven, dan later
heeft plaats gevonden, ja dat Aken en Keulen er bij zouden worden
gevoegd[374]. Zoo zoude dan de wensch van den Souvereinen Vorst worden
vervuld. Kon Lord Clancarty reeds in Februari 1814 op grond van
berichten van Castlereagh ontvangen, den Vorst mededeelen dat hij vrij
zeker op België tot aan de Maas konde rekenen[375], zoolang er echter
geene uitdrukkelijke verbintenis was aangegaan, had de hoop nog kunnen
worden verijdeld. Doch nu was de zaak zoo goed als zeker. En niet alleen
België tot aan de Maas, maar zelfs een deel van het grondgebied aan den
rechteroever der Maas zoude hem worden toegekend. Ook werd zijne vreugde
niet vergald door het gevaar, dat hem wegens de Russische schuld boven
het hoofd hing. De Engelsche minister begreep, dat de Souvereine Vorst
daarvan vooreerst onkundig moest worden gelaten[376]. Op een ander punt
echter werd de Souvereine Vorst teleurgesteld. Zijn gemachtigde werd wel
toegelaten in de centrale commissie, maar het bestuur over België of
een gedeelte er van werd hem nog niet toevertrouwd. De zaak was deze.
Men had de tot het leger van Bernadotte, het zoogenaamde noorderleger,
behoorende korpsen van Bülow en Wintzingerode, die over Holland en
België de Fransche grenzen waren genaderd, in 't laatst van Februari
1814 onder het opperbevel van Blücher geplaatst, ten einde Napoleon,
wiens kansen op dat oogenblik gunstig stonden, met te meer kracht te
doen aantasten. Om Bernadotte hierdoor niet te ontstemmen, werd deze
uitgenoodigd het oppercommando op zich te nemen van een groot leger
in de Nederlanden. Het zou bestaan, behalve uit het overgebleven
deel van het noorderleger, uit legercorpsen, door Engeland gevormd of
gesubsidieerd, benevens uit Hollandsche corpsen[377]. Met dat aan den
Kroonprins van Zweden in België toe te kennen militair gezag was, naar
ik gis, bezwaarlijk te rijmen de opdracht van het bestuur aan den
Souvereinen Vorst. Er moest dus op eene andere wijze voor het bestuur
over België gezorgd worden. Dit noopt ons een blik te slaan op België
zelf.
[369] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, Châtillon 20 Febr. 1814
(_Ged._ VII, 61).
[370] Brief van den gezant Lord Walpole aan Lord Castlereagh, St.
Petersburg, 9 Aug. 1814: »The Finances and Interior are in a dreadful
state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d.
the rouble" (_Castlereagh's Corr._ X, 83).
[371] Hiervóór, bl. 27.
[372] Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, Chaumont 8 Maart 1814 (_Ged._
VII 85).
[373] _Ged._ VII, 86.
[374] Gagern's _Antheil_ II, bijlage X.
[375] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 1 Febr. 1814 (_Ged._ VII,
38);--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (_Ged._ VII,
61).
[376] »I have not said a syllable here of the Russian debt" (Lord
Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814, _Ged._ VII, 96).
[377] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 27 Febr, 1814 (_Ged._ VII,
67).--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 7 Maart 1814 (_Ged._ VII,
80).--Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII,
90).--Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814 (_Ged._ VII,
95).
Wat was er met België gebeurd, sedert de geallieerden over den Rijn
waren getrokken? België was niet opgestaan. Wanneer het dit ook al
gewild had, zoude België er dan de kracht toe hebben bezeten? Terwijl
ons vaderland op den aantocht der geallieerden langzamerhand van
Fransche legerbenden ontbloot werd, bleef België geheel in de macht des
Keizers. België werd dan ook in letterlijken zin door de geallieerden
veroverd. Het waren de corpsen van het leger van het noorden, onder
Wintzingerode, Bülow en den regeerenden Hertog van Saxen-Weimar, die
deze taak vervulden. Den 8sten Februari 1814 werd Brussel bezet.
Spoedig daarop was het grootste gedeelte van België niet meer in
de handen van Frankrijk. Het bestuur werd geplaatst in handen van
twee Commissarissen-Generaal der geallieerden, Graaf van Lottum
en Delius, terwijl onder hen een Belg, de Hertog de Beaufort, tot
Gouverneur-Generaal werd aangesteld[378]. De geallieerden traden
echter oorspronkelijk als bevrijders en niet als overwinnaars op. En
zoo laat het zich verklaren, dat de Belgen werden uitgenoodigd, hunne
wenschen betrekkelijk de toekomst van hun land bekend te maken in het
hoofdkwartier. Vijf en twintig aanzienlijke Belgen waren den 12den
Februari 1814 opgeroepen eene deputatie te dien einde te verkiezen.
De keuze viel op den Hertog van Beaufort, den Markies d'Assche
en den Markies de Chasteler; zij zouden worden bijgestaan door den
Pensionaris der Staten van Brabant vóór de Revolutie, de Jonghe[379].
Zij muntten, om de taal van de Engelsche diplomatie dier dagen te
gebruiken, allen uit door de zuiverheid hunner staatkundige
beginselen; dat is, zij waren voorstanders van het oude regime.
De heeren trokken op naar het hoofdkwartier, om de vervulling van
België's wenschen te verkrijgen. Wat waren echter die wenschen?
Zoodra--wat uit den aard der zaak het geval was--de vereeniging met
Frankrijk wegviel, lag het voor de hand, dat, evenals ten onzent het
huis van Oranje was teruggekeerd, de aandacht allereerst op het
Oostenrijksche Keizershuis gevestigd werd. Niet het minst voorzeker
was de terugkeer van dit huis het verlangen van de op dat oogenblik
bovendrijvende richting, waartoe de deputatie behoorde[380]. Toen
zij in het hoofdkwartier aankwam, was echter de zaak, waarvoor zij
op reis was gegaan, reeds beslist; men kon haar mededeelen, dat
Oostenrijk zelf België niet terug verlangde; men bracht haar onder
het oog, dat het niet aanging, België als afzonderlijk rijk onder een
Oostenrijksch prins op zich zelf te laten staan; men kon de deputatie
zelve het besluit laten trekken, dat er dus niets anders overbleef
dan de oplossing in een grooter geheel, en dat dit zoowel voor
de zekerheid van België als voor het belang van Europa geëischt
werd[381]. Ik durf niet beslissen, of men der deputatie uitdrukkelijk
gezegd heeft, dat tot de vereeniging van al de Nederlandsche gewesten
besloten was; toch was die heeren er op gewezen, dat het ten slotte
daarop moest uitloopen. Om echter den overgang voor de Belgen te
veraangenamen, begreep men, nu het oogenblik voor de optreding van
den Souvereinen Vorst nog niet was aangebroken, het bestuur van
België te moeten plaatsen in handen van een Gouverneur-Generaal,
door den Keizer van Oostenrijk benoemd. Het bestuur over België,
eerst in handen van de twee Commissarissen, van Lottum en Delius,
was den 23sten Maart 1814 overgegaan op den Baron van Horst, tot
Gouverneur-Generaal door de centrale commissie aangesteld[382]. Deze
trad echter af den 5den Mei 1814, om plaats te maken voor den Baron
de Vincent, Luitenant-Generaal in Oostenrijkschen dienst, door Keizer
Frans reeds den 29sten Maart 1814 daarvoor aangewezen[383]. Mocht
ook al Hogendorp bevreesd zijn, dat uit die benoeming in België de
verkeerde gevolgtrekking kon worden gemaakt, dat Oostenrijk zich
toch ten slotte weder met België zouden willen belasten, bij nader
inzien moet men er eerder het tegenovergestelde uit afleiden. De
Baron de Vincent gaf duidelijk te kennen, dat het niet het oude
voor-revolutionair bestuur was, 't welk zijne plaats weder innam,
maar dat de Keizer van Oostenrijk slechts uitvoering gaf aan een
besluit, door de bondgenooten genomen, zoodat ook België zoude
bestuurd blijven in den naam van de geallieerden. Er lag tevens eene
vingerwijzing naar de vereeniging met Holland in de omstandigheid,
dat niet alleen de bondgenooten elk een Commissaris benoemden bij den
Gouverneur-Generaal, maar dat ditzelfde ook toegestaan werd aan den
Souvereinen Vorst[384]. Eindelijk nog verdient het opmerking, dat de
Baron de Vincent niet alleen het bestuur aanvaardde over België, maar
ook over het daarmede in éénen adem genoemde land van Luik.
[378] _Journal officiel du Gouvernement de la Belgique_, 1814, I, no. 9
(15 Febr. 1814).
[379] _Journal officiel_, 1814, I, no. 45.
[380] Engelands agent in België, Johnson, aan Lord Aberdeen, 20 Febr.
1814 (_Ged._ VII, 88); Lord Aberdeen aan Lord Castlereagh, 12 Maart 1814
(ibidem); Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814
(_Ged._ VII, 90).
[381] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII,
90).
[382] _Journal officiel_, 1814, I. no. 82.
[383] _Journal officiel_, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van 29
Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van
Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisitiën uit
België te halen wat er uit te halen was. Zie Johnson aan Clancarty, 20
April 1814 (_Ged._ VII, 111); Clancarty aan Castlereagh, 25 April 1814
(_Ged._ VII, 109).
[384] _Journal officiel_, 1814, I, no. 171, 174; Castlereagh aan
Clancarty, 14 Maart 1814 (_Ged._ VII, 92); Clancarty aan Castlereagh,
22 Maart 1814 (_Ged._ VII, 96).
Dit was de toestand, toen twee maanden na de inneming van Parijs, den
30sten Mei 1814, het tractaat tusschen Frankrijk en de geallieerden
gesloten werd. In art. 6 van het tractaat werd bevestigd, wat tusschen
Engeland en zijne bondgenooten vroeger was overeengekomen. Holland,
geplaatst onder de souvereiniteit van het huis van Oranje, zoude eene
aanwinst van grondgebied erlangen. Met het oog op het voorgenomen
huwelijk van den Erfprins met prinses Charlotte, werd tevens bepaald,
dat de Souverein van Nederland geene vreemde kroon zoude mogen dragen.
Antwerpen zou, volgens art. 15, voortaan alleen _port de commerce_
zijn. Was dit alles? Was alles verder overgelaten aan de nadere
regeling, te maken op het Congres, dat, volgens art. 32 van het
tractaat, te Weenen zoude bijeenkomen? Geenszins. Men begreep zooveel
mogelijk reeds dadelijk den omvang van het nieuwe rijk te moeten
bepalen. De landen, gelegen tusschen de zee, de bij het tractaat
bepaalde grenzen van Frankrijk en de Maas, zouden ten eeuwige dage
met Holland vereenigd worden; alleen over hetgeen tusschen de Maas en
den Rijn lag, zoude op het Congres nader worden beslist. Echter werd
uitdrukkelijk gezegd, dat de grenzen op den rechter Maasoever geregeld
zouden worden naar de militaire behoeften van Holland en zijne naburen,
en dat de op Frankrijk heroverde landen op den linker Rijnoever zouden
dienen tot vergrooting van Holland en tot compensatie voor Pruisen en
andere Duitsche Staten. Men maakte echter bezwaar, dit alles op te nemen
in het openbaar te maken tractaat. Daarvoor dienden de geheime artikelen
(artt. 3 en 4). Ook de bepaling, dat de Schelde vrij zoude zijn, dat
is: dat zij beheerscht zoude worden door het nieuwe recht der Revolutie
betrekkelijk de gemeenschappelijke rivieren; ook deze bepaling vond in
die geheime artikelen hare plaats. Zoo was dan de vereeniging van België
en Holland opgenomen in het Europeesche recht.
De omvang van het nieuwe rijk bleef dus naar de oostzijde onbepaald.
Hoever het rijk naar dien kant zoude reiken, werd eerst geregeld in
het tractaat, den 31sten Mei 1815 te Weenen tusschen Nederland en de
bondgenooten gesloten. Doch de nadere omschrijving van het grondgebied
was niet het eenige, wat nog regeling vereischte. Onder welke
voorwaarden zoude de vereeniging plaats vinden? De noordelijke en
zuidelijke Nederlanden, in de 16e eeuw voor een kort tijdsbestek
onder één scepter vereenigd, waren sedert ieder huns weegs gegaan. Zij
mochten nog één naam dragen; was er echter anders tusschen beiden veel
overeenkomst? Hier Noord-Nederland met zijn eigen taal en letterkunde,
met zijn Protestantsch karakter, bovenal op den handel en scheepvaart
als de hoofdbronnen zijner welvaart gericht. Ginds België, door taal
en zeden aan Frankrijk verwant, Roomsch-Katholiek in zijn godsdienst,
in landbouw en fabriekwezen zijn bestaan zoekende. En terwijl
Noord-Nederland, onder den invloed van zijn rijk verleden, met eene
zekere voornaamheid nederzag op België, dat nog geene rol op het tooneel
der wereld had gespeeld, waren de herinneringen, die de handelspolitiek
van het noorden, in 't bijzonder de sluiting der Schelde in België
hadden achtergelaten, niet geschikt om die vereeniging met Holland,
en dat nog wel onder een protestantsch Vorst, met ingenomenheid te
beschouwen. En hoewel de tijd er niet naar was, om veel gewicht te
hechten aan de wenschen der volken, zoo konden toch de machthebbenden de
oogen niet sluiten voor de moeielijkheden, die deze vereeniging in den
weg stonden, eene vereeniging, waarbij een grooter volk als aanhangsel
aan een kleiner werd toegevoegd. De diplomatie brak zich er het hoofd
mede. »Laat", zoo schreef Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, den 16den
Mei 1814[385], »laat de Souvereine Vorst eene commissie benoemen, b.v.
van drie Hollanders en drie Belgen, om een project voor de vereeniging
op te maken, hetwelk aan de goedkeuring van de Souvereinen kan worden
onderworpen." Dit denkbeeld lachte echter onze staatslieden niet toe.
Men duide hun dit niet ten kwade. Het was vooruit te zien, niet alleen
dat langs dezen weg de zaak op de lange baan zoude worden geschoven,
maar bovendien, dat wat de Belgen, vooral die van de bovendrijvende
richting, wenschten, onmogelijk kon worden ingewilligd. Voor zoover
hierover nog twijfel mocht hebben bestaan, de Nederlandsche regeering
was door haren commissaris bij den baron de Vincent voldoende op de
hoogte gebracht van de stemming in België. Die commissaris was G. A. G.
P. baron van der Capellen. In 1778 uit een patriotsch geslacht geboren,
zoon van een slachtoffer der gebeurtenissen van 1787, had hij posten
bekleed onder de Bataafsche Republiek; als Landdrost van Oost-Friesland
en vervolgens als Minister van Binnenlandsche Zaken in dienst van Koning
Lodewijk gestaan, ja had hij dezen Vorst na zijnen val te Gratz bezocht,
om eerst na de bevrijding in ons vaderland terug te keeren. Wij zien hem
dadelijk optreden als Commissaris in het departement der Zuiderzee; kort
daarop, na de invoering der Grondwet van 1814, als Secretaris van Staat
voor Koophandel en Koloniën. En dit alles niettegenstaande zijne
antecedenten en die van zijn geslacht; niettegenstaande de Souvereine
Vorst hem nooit gezien had; alleen door den invloed van Falck, die van
der Capellen hoogschatte en vereerde[386]. Op dezen man, die bij de
organisatie van Oost-Friesland de genegenheid der bevolking aldaar had
weten te winnen, was voor deze moeilijke en kiesche zending de keus
gevallen[387]. Wanneer men nu de briefwisseling door van der Capellen
in Mei 1814 met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell tot
Ampsen gevoerd, naleest[388], dan springt het in 't oog, welke bezwaren
het zoude inhebben, België te verzoenen met de vereeniging. Weg te nemen
was de slechte indruk, verwekt doordat de Souverein gepoogd had, het
Belgische gepeupel te zijnen gunste te stemmen, en eene beweging voor
de vereeniging te doen ontstaan. Had dit hem in der tijd eene berisping
van de Engelsche diplomatie berokkend, ook in België had dit eene zeer
onaangename stemming teweeggebracht[389]. Maar dit was niet het voorname
struikelblok, dat uit den weg geruimd moest worden. Men zoude de
Belgen zeer gunstig stemmen, zeide Vincent, wanneer het niet werd de
vereeniging van België met Holland, maar van Holland met België. Een
verschil in woorden, naar van der Capellen meende; dat echter van
gewicht was, omdat van de te kiezen uitdrukking afhing, welk van
beide deelen de hoofdzaak, welke het toevoegsel zoude uitmaken. Het
tractaat van Parijs besliste, door in art. 6 te spreken van aanwinst van
grondgebied voor Holland, dit punt tegen den wensch der Belgen. Eveneens
zoude de vraag van de opening der Schelde hare oplossing vinden in
dit tractaat. Maar twee punten waren er bovenal, die de gemoederen in
België verontrustten; de twee punten, die overal het meeste gewicht
in de schaal leggen: het geld en de godsdienst. Terwijl Holland in de
vereeniging zoude treden, beladen met een zwaren schuldenlast, was
België zoo goed als daarvan bevrijd. Eene samensmelting der schulden, en
dus gelijkheid van belastingen in noord en zuid, was een punt van groot
bezwaar. Van nog grooter gewicht echter was het stuk van den godsdienst.
Vooral op een oogenblik toen uit den aard der zaak de oude denkbeelden
den boventoon voerden, denkbeelden die zelfs de goedkeuring hadden
verworven van hen, die in naam der geallieerden België bestuurden. In
den brief, den 7den Maart 1814 onder uitdrukkelijke goedkeuring van de
commissarissen van Lottum en Delius aan de Belgische geestelijkheid
gezonden, was met zooveel woorden verklaard, dat de verhouding tusschen
den Staat en de Roomsch-Katholieke kerk zoude geregeld worden naar het
kanonieke recht en de oude constitutioneele wetten van den lande[390].
De handhaving dezer beginselen was de wensch van allen, die onder den
invloed der geestelijkheid stonden. Zoude men hierop kunnen rekenen
onder een protestantsch Vorst, wien de Grondwet bovendien in art. 139
het recht had toegekend, toezicht op alle gezindten uit te oefenen? Men
maakte zich hierover ongerust, en voorzeker niet ten onrechte. Indien er
eenige waarheid is in het vroeger door mij gezegde, was het niet minder
onmogelijk, in België de Roomsch-Katholieke kerk als Staatskerk te
herstellen, dan in het noorden de Hervormde kerk. Althans zoo er van
eene vereeniging tusschen beide landen sprake zoude zijn. Wat zoude bij
dergelijke aanspraken het resultaat zijn van eene gemengde uit Belgen en
Hollanders te benoemen commissie? Neen, laat ons gaan naar Parijs,
zullen de Souvereine Vorst, zijne rechterhand Falck, en zijn beschermer
Lord Clancarty tot elkander gezegd hebben; laat ons zien de geallieerden
te bewegen, de voorwaarden der vereeniging zelfstandig vast te stellen
buiten de Belgen om. En zoo werd even vóór de onderteekening van het
tractaat van Parijs tot de reis naar die stad besloten[391]; daar werd
men het voorloopig eens over de bekende acht artikelen, waaronder de
vereeniging tot stand zou komen. De vereeniging zoude zijn »entière et
complète"; het zoude één Staat zijn, onderworpen aan de Hollandsche
grondwet, die met onderling overleg zou worden gewijzigd (art. 1). Op
het punt van den godsdienst echter werden de liberale beginselen onzer
grondwet als onvatbaar voor wijziging verklaard (art. 2). Op het stuk
der schuld werd eveneens de knoop doorgehakt; de eenheid zoude ook op
dit punt gehuldigd worden (art. 6); eene oplossing, die onzerzijds ook
verdedigd kon worden met te verwijzen naar de voordeelen, die België
uit den handel en de scheepvaart op onze koloniën zoude kunnen trekken
(art. 5), met te wijzen op de kosten die het stichten van nieuwe en
het onderhouden der oude vestingen op de grenzen van België zouden
veroorzaken (art. 7). Er was echter één voornaam punt, dat men
niet durfde te beslissen: ik bedoel het aandeel van beide deelen
in de vertegenwoordiging. Uitgaande van het beginsel »eener geheele
en volledige vereeniging der beide landen" (art. 1) en van »de
constitutioneele gelijkstelling hunner bewoners" (art. 4), had men
geen onderscheid moeten maken tusschen Belgen en Hollanders, waar
het gold hun recht om vertegenwoordigers te kiezen. Toch deinsden onze
staatslieden er voor terug, om aan België, in bevolking talrijker[392],
dus een grooter aandeel in de vertegenwoordiging toe te kennen.
Men behielp zich met de uitdrukking, dat de Belgische provinciën
»convenablement" zouden worden vertegenwoordigd in de Staten-Generaal
(art. 3). Dit een en ander zoude de wet zijn, die aan de vereeniging
door de Bondgenooten--zooals het heette--zoude worden opgelegd. Want
mag men Falck gelooven, dan waren die acht artikelen het voortbrengsel
zijner pen; was hij het, die ze de geallieerden deed aannemen[393]. Na
dit werk volbracht te hebben, keerde de Souvereine Vorst, in hooge mate
voldaan, uit Parijs terug; hij was echter, zeide Lord Clancarty[394],
als een jonge bruidegom, die vurig verlangt in het bezit te komen van
zijne bruid. Zoude wellicht in Londen hiertoe de toestemming worden
gegeven?
[385] _Ontstaan_ II, 16.
[386] Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813
(_Brieven_, no. 96, 97).
[387] Gagern (_Antheil_ II, 99), beschrijft hem als »verständig,
angenehm, kalt, ruhig".
[388] _Ontstaan_ II, 10, 12.
[389] Capellen aan van Nagel, 10 Mei 1814: »L'opinion pour la réunion
aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les
commencemens on ne s'était pas servi de petits moyens et d'intrigues
pour la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de
la dignité d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon
Souverain". Dit slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt
naar België in het begin van 1814. Zie hierover Clancarty aan
Castlereagh 8, 11, 12 Februari en 1 Maart 1814 (_Ged._ VII, 52,
56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijft Johnson, Engelands
commissaris in België, aan Lord Clancarty: »I presume the Dutch
Government is thinking of sending some commissioner here, but I trust
it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some
difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought
it for the interest of his Sovereign to form in this country".
[390] _Journal officiel_, 1814, I, no. 45: »Lettre adressée par le
gouvernement provisoire à monsieur l'évêque de Namur et à messieurs
les vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique."--Ook
gedrukt bij Terlinden, _Guillaume Ier et l'Eglise catholique_, I, 10.
[391] De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den Haag en
keerde den 5den Juni aldaar terug.
[392] Hogendorp (_Bijdragen_ I, 10) stelde de bevolking van België op
3.200.000 zielen.
[393] Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (_Brieven_ no. 105).
[394] Clancarty aan Castlereagh, 7 Juni 1814 (_Ged._ VII, 136).