[343] Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel:
_Overzicht_ 54.
[344] _Br. en Ged._ V, 110.
* * * * *
_Naar men meent_ (hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit
op gezag eener aanteekening van Röell: »Niet weinig werkte tot
verwerping der voorgedragene bepaling omtrent het ambt van
Raadpensionaris mede de waarschijnlijkheid van tot de bedoelde
functiën een man benoemd te zien, wiens uitgebreide kennis van 's
Lands belangen, warme vaderlandsliefde en beproefde trouw door alle
leden naar waarde geschat werden, doch wiens regeerziek karakter,
verregaande vooringenomenheid met eigene denkbeelden en stroeve
omgang bij sommigen de vrees inboezemden van weldra de botsing te
zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking scheen te
hebben[345]. Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich gereedelijk
gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo lang
mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk
niet dan zijn ondanks varen liet."
Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit
de _notulen_ van Röell, gelijk de Bosch Kemper _Letterk. Aantt._ 470
verzekert. Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830
opstelde ten behoeve zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.
[345] Vgl. _Ontstaan_ I, 150, waar Röell voor een tweede uitgave van
Oldenbarnevelt vreest.
* * * * *
_Eene vergoeding?_ (hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5
Jan. het ambt van Raadspensionaris uit de _Schets_ geschrapt heeft,
komt 26 Jan. van der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er
in de constitutie een post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij,
is van meening dat G. K. »het eerste ambt in den Staat" hebben moet.
28 Jan., nog eer Hogendorp geantwoord heeft, geeft de Vorst het
denkbeeld aan de hand, hem te benoemen tot vice-president van den
Raad van State, met rang van Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt
Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst, »zal aan dat van
Raadpensionaris subintreeren[346]".
[346] _Br. en Ged._ V, 68, 264, 266, 275.
* * * * *
_Raad van State_ (hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der
gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de
commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht
tegen. Het artikel der _Schets_ luidt: »De Souvereine Vorst pleegt
alle de daden van souvereine waardigheid in den Raad van Staten". Tot
toelichting verwijst G. K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat
hij zegt te hebben willen volgen: »in Engeland wordt het advies van
den Raad door den President _aan den Koning gebracht_[347] en het
besluit des Konings luidt _the King in Council_. Op dezen voet had
ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst
zijn gezag uitoefent in den Raad".[348] Duidelijker kan hij niet te
kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting
doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens
adviezen zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op
een oogenblik dat G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad
ervaring heeft en eene ervaring die hem die aanwezigheid (om het
plat maar geheel naar waarheid uit te drukken) naar den duivel doet
wenschen[349]. Hij maakt zichzelven nu wijs dat hij die aanwezigheid
nimmer als normaal beschouwd heeft, maar dit is met de waarheid
in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door Röell en van
Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, »dat wat de vrage
aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten
decideeren, _het ongetwijfeld de intentie geweest is_[350] dat zulks
zoude plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen
opleggen, zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen"[351].
[347] Ik cursiveer.
[348] _Br. en Ged._ V, 98.
[349] Zie daarover de aanteekening bij hoofdstuk VIII.
[350] Ik cursiveer.
[351] _Ontstaan_ I, 100.
Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat
hij zich in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke
zaken niet in den Raad brengt[352], terwijl hij 30 Dec. 1813, »tot
opheldering der remarques van Röell en van Maanen", te kennen geeft,
»dat onder de bewoordingen _daden van Souvereine waardigheid_
alleenlijk bedoeld worden _daden van wetgeving_, en niet hetgeen tot
de executive magt behoort."
[352] _Br. en Ged._ V, 99.
Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas
te binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer
persoonlijk standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde
Raadpensionaris te zullen worden, en dus het zwaartepunt der
regeering niet in den Raad van State zag liggen, waar hij het wel
wenschte toen hij later fungeerde als des Raads vice-president.[353]
[353] Noch ik zelf bij een vorige gelegenheid (_Onze Eeuw_ 1903 I, 767
noot 1), noch Mr. Tellegen Az. op bl. 31 _Overzicht_, hebben de plaats
_Br. en Ged._ V, 98 juist begrepen.
Het vijfde artikel der _Schets_, art. 20 der aan den Souvereinen
Vorst voorgelegde redactie geworden[354], ontmoette bij dezen een
bezwaar waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid
der Commissie, Mollerus. De uitdrukking: »_de S. V. pleegt alle de
daden van souvereine waardigheid in den Raad van State_," schrijft
deze[355] »schijnt mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te
definieeren welke daden van souvereine waardigheid zijn, en welke
dus in den Raad van State zouden moeten worden gepleegd. B.v. het
verheffen in den adelstand is eene daad van souvereiniteit: zal de
Vorst die uitoefenen in den Raad van State?" Hij wil de rol van het
college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken die de Vorst
er brengen wil, waartoe _moeten_ behooren voordrachten van wet. De
Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van
redactie op 25 Febr. dit artikel voor: »De S. V. pleegt alle daden
van Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad
van State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen
besluit aan den Raad"[356]. Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem
geraden had, maar in ieder geval is de Raad nu niet langer de plaats
_waar_ de daden van souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig
anders dan 's Vorsten artikel luidt dat der Grondwet (32): »de
S. V. pleegt alle daden van souvereine waardigheid, na de zaak in
overweging te hebben gebragt bij den Raad van State. Hij alleen
beslist, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den
Raad".
[354] _Ontstaan_ I, 346.
[355] _Ontstaan_ II, bl. CXIII.
[356] _Ontstaan_ II, bl. CXVIII.
Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in
1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.
* * * * *
_Op het voorbeeld der Schets_ (hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen,
pas van de _Schets_ in derde redactie (zie hiervóór, bl. 97).
* * * * *
_Vereenigde Nederlanden_ (hiervóór bl. 171).--Art. 53 _geeft_ niet
den naam, maar _noemt_ hem als den bestaanden en algemeen bekenden
(zie hiervóór, bl. 71).
* * * * *
_Elout over de Rechterlijke Macht_ (hiervóór bl. 179).--Het is vooral
Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te
worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake: _Ontstaan_ 1,
512.
VI.
DE VEREENIGING MET BELGIË.
Welk een ommekeer! Welk een ommekeer voor den Vorst, die, uit zijn
vaderland verjaagd, had rondgezworven in den vreemde, en die thans, door
de wisseling der fortuin, als 't ware met éen slag zich verheven zag tot
eene positie, hooger dan ooit door zijne vaderen was ingenomen; hij, die
door zijne vroegere landgenooten, thans zijne onderdanen, als een redder
werd begroet, op de handen werd gedragen!
Welk een ommekeer voor den Vorst, die zich tevens hersteld zag in het
bezit zijner Nassausche erflanden, hem door Napoleon ontnomen bij de
oprichting van het Rijnverbond in 1806. De Vorst had voorzeker alle
redenen om dankbaar te zijn. Maar de begeerlijkheid wordt niet licht
verzadigd--en zoo begeerlijkheid een echt menschelijke karaktertrek is,
de Vorst was in dit opzicht voorzeker een mensch. Zijne verbeelding
spiegelde hem een nog uitgestrekter rijk voor, een nog grooter getal
onderdanen. Een rijk zoo groot, dat voor zijn tweeden zoon de Nassausche
erflanden zonder bezwaar als secundo-genituur zouden kunnen worden
weggelegd. En wat hij in zijne verbeelding zag, vond steun in de
werkelijkheid. De Vorst konde weten, dat reeds in vroegere jaren, bij
elke flikkering van hoop op de fnuiking van de heerschzucht des Keizers,
op het terugdringen van Frankrijk binnen zijne oude grenzen, de aandacht
der mogendheden op België was gevestigd, de vraag was gedaan, wat het
lot zoude worden van dat land, te zwak om, met Frankrijk naast zich, op
zich zelf te blijven staan. De natuurlijkste oplossing zoude zijn, dat
het terugkeerde tot het Oostenrijksche keizershuis, maar zoude dit niet
liever vasten voet willen hebben in het aangrenzende Italië, liever dan
weder te heerschen over het verwijderde België? Zoo kwam het, dat reeds
vroeger, in 1798, in 1805 de vereeniging van Holland en België een
onderwerp van bespreking was geweest[357]. Toen nu door den slag van
Leipzig de macht van Napoleon gebroken was, moesten uit den aard der
zaak dezelfde denkbeelden op den voorgrond treden. Vooral bij Engeland,
dat, zoolang Antwerpen eene oorlogshaven was, en die haven in 't bezit
was van Frankrijk, zich in zijne veiligheid bedreigd achtte. Mocht geene
der groote Duitsche mogendheden in 't bezit van België komen, dan moest
het voor een groot deel met Holland worden vereenigd, althans zoover
dat Antwerpen tot ons land zoude behooren. Zoo lezen wij in het
Memorandum[358], kort na den slag bij Leipzig, nog vóór de bevrijding
van ons vaderland, door Engeland voor zijne bondgenooten opgesteld.
En zoo is het ook niet vreemd, dat het hoofd van het huis van Oranje,
met den inhoud van deze memorie bekend, dien geest bij de Engelsche
regeering trachtte te versterken. Terwijl hij zich nog op Engelschen
bodem bevond, was hij er op uit, bij Engelands regeering de zienswijze
ingang te doen vinden, dat geheel België bij Holland moest worden
gevoegd, dat het naar de zijde van den Rijn moest worden vergroot, en
zich moest uitstrekken tot aan de Moezel en de oude grens tusschen
Frankrijk en de Oostenrijksche Nederlanden[359]. Met de hoop op
verwezenlijking dezer denkbeelden, keerde de Vorst naar zijn vaderland
terug.
[357] Hiervóór, bl. 13 en 27.
[358] Hiervóór, bl. 28.
[359] Hiervóór, bl. 30.
Wat zoude men in Nederland van die plannen denken? Zouden zij ook
moeten worden opgegeven, om Amsterdam te believen? De vereeniging,
meende men, was te Amsterdam zeer impopulair, om de vrees voor de
mededinging met Antwerpen[360]. Bijaldien de Vorst bezorgd is geweest
dat zijn lievelingsdenkbeeld op den tegenzin zijner landgenooten zoude
afstuiten, zal hij spoedig zijn gerustgesteld. Immers was niet de man,
op wiens gevoelen het in die dagen vooral aankwam, het geheel eens met
den Vorst? Had niet Hogendorp reeds in 1812 zich bezig gehouden met de
reconstructie van Europa en alstoen in een opstel de redenen ontvouwd,
waarom Holland en België met eenige geseculariseerde landen op den
linker Rijnoever tot een rijk als voormuur tegen Frankrijk moesten
worden vereenigd[361]? Die memorie drukte geheel en al het gevoelen uit
van den Souvereinen Vorst. Zij werd den 14den December 1813 naar Londen
gezonden, om als richtsnoer te dienen voor Hendrik Fagel, 's Vorsten
vertrouwde, nu onzen gezant aldaar; hij moest ze als leiddraad gebruiken
bij zijne besprekingen met de Engelsche regeering. Het gold hier, meende
Hogendorp, niet alleen ons, maar ook Engelands belang[362], Engeland was
daarvan niet moeilijk te overtuigen. De Engelsche regeering, schreef
onze gezant kort daarop aan den Souvereinen Vorst[363], wenschte de
vereeniging der 17 gewesten: maar de zaak was nog niet rijp genoeg, om
zich er positief over te verklaren. Ja reeds vroeger had dezelfde gezant
den Souvereinen Vorst berichten van dezelfde strekking over den geest
der Oostenrijksche diplomatie kunnen mededeelen[364]. Alles scheen dus
samen te loopen, om de vervulling zijner wenschen te verzekeren.
[360] Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (_Ged._ VII, 9).
[361] _Br. en Ged._ V, 448.
[362] Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (_G. K. van Hogendorp in
1813_, bl. 31).
[363] Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.--Dit en het
in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-mémoires van
Grovestins ontleend, zullen door mij in _Ged._ VII worden medegedeeld,
maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de bladzijde
kan aanhalen.
[364] Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij
Grovestins).
Toen de Engelsche Minister van Buitenlandsche Zaken, Lord Castlereagh,
in de eerste dagen van 1814, op zijne reis naar het hoofdkwartier der
geallieerden, den Haag aandeed, was de vereeniging met België dan ook
een onderwerp van bespreking tusschen hem, den Souvereinen Vorst, en den
Engelschen gezant bij ons hof, Lord Clancarty. Er was intusschen een
plan tot rijpheid gekomen, dat de ingenomenheid der Engelsche regeering
met die vereeniging nog meer had versterkt. De vermoedelijke erfgename
der Britsche kroon, het eenige kind van den Prins-Regent, Prinses
Charlotte, zoude in het huwelijk treden met den oudsten zoon van den
Souvereinen Vorst, en door deze echtverbintenis zouden de banden
tusschen Engeland en Nederland nog nauwer worden toegehaald. Engeland
mocht zich vleien, dat Nederland--om eene latere uitdrukking van den
Souvereinen Vorst[365] te gebruiken--de schildwacht van die mogendheid
op het vasteland zoude worden. Lord Castlereagh ging dan ook uit de
residentie met het vaste voornemen, om, bijaldien het mocht gelukken,
Frankrijk tot zijne oude grenzen te beperken, in het hoofdkwartier al
zijnen invloed te doen gelden, om al de Nederlanden tot één rijk te
vereenigen; een rijk, krachtig genoeg, om als voormuur tegen Frankrijk
eene belangrijke plaats in het Europeesche Statenstelsel in te nemen.
Want in het hoofdkwartier der geallieerden en niet in den Haag moest die
kwestie worden beslist.
[365] S.V. aan Lord Clancarty, 11 Nov. 1814 (_Ged._ VII, 211).
Toen Lord Castlereagh, na eene reis van 8 dagen, den 18den Januari 1814
Bazel bereikte, stonden de kansen voor het welslagen van deze plannen
gunstiger dan ooit te voren. Napoleon had in zijnen overmoed het
gunstige oogenblik laten voorbijgaan, om door aanneming der voorwaarden,
hem in de maand November uit Frankfort aangeboden, aan Frankrijk zijne
zoogenaamde natuurlijke grenzen te verzekeren. De tijding van de
bevrijding van Holland, uit een militair oogpunt van zoo groot gewicht
voor de geallieerden, had het hare gedaan, om dezen berouw te doen
gevoelen over de aanbieding dezer voor Napoleon zoo gunstige
vredesvoorwaarden. De angst om het oude Frankrijk binnen te trekken, was
geweken. Zooals bekend is, was dan ook in de laatste dagen van December
1813 het hoofdleger, het zoogenaamde leger van Bohemen, onder den
opperbevelhebber Schwartzenberg, den Boven-Rijn overgetrokken, en was
ditzelfde in de eerste dagen van Januari 1814 onder Blücher, door het
zoogenaamde leger van Silezië aan den Midden-Rijn geschied. Beide legers
zouden, het eerste uit het oosten, het tweede uit het noorden, in de
richting van Parijs optrekken.
Het ligt buiten mijn bestek, den veldtocht te schetsen, die in de
eerste maanden van 1814 in Frankrijks velden, aan Seine en Marne, met
afwisselend geluk gevoerd werd, of mij te verdiepen in den vruchteloozen
afloop van het congres van Châtillon (3 Febr.-15 Maart 1814), waardoor
Napoleon, had hij zich met Frankrijks oude grenzen tevreden willen
stellen, nog den troon had kunnen behouden. Genoeg zij het, ons hier te
herinneren, hoe, niettegenstaande het veldheersgenie van Napoleon, in
dien veldtocht zoo schitterend geopenbaard, niettegenstaande de weinige
eensgezindheid, die er heerschte in het kamp der geallieerden, hij ten
slotte voor de overmacht moest bukken, hoe eindelijk den 30sten Maart
1814 Parijs werd ingenomen, en die inneming gevolgd werd door den val
des Keizers en door het wederoptreden der Bourbons.
In die dagen van strijd en onderhandelingen werd de vraag beslist, die
ons hier bezig houdt. Toen Lord Castlereagh Bazel bereikte, waren de
Keizer van Oostenrijk en de Koning van Pruisen met hunne ministers
Metternich en Hardenberg nog aldaar, terwijl Keizer Alexander, op dat
oogenblik de invloedrijkste der souvereinen, zich reeds met Nesselrode
op Frankrijks grondgebied bevond, waar hij eenige dagen later door Lord
Castlereagh te Langres werd aangetroffen. De Engelsche minister maakte
geen geheim van de bestaande plannen. Men schijnt in Engeland gevreesd
te hebben, dat het voorgenomen huwelijk aanstoot zou verwekken; doch die
vrees bleek ijdel te zijn, wellicht ook ten gevolge van de verzekering,
dat er maatregelen zouden worden genomen, om de vereeniging der beide
kronen op één hoofd te beletten[366]. Wat de uitbreiding van Holland
betreft, bij nota van 27 Januari 1814[367], aan de Ministers der drie
geallieerde mogendheden door Lord Castlereagh ter hand gesteld, werd de
wenschelijkheid daarvan aangewezen en tegelijk er op aangedrongen, dat
de Souvereine Vorst zoude worden belast met het bestuur over België,
althans over een gedeelte daarvan, en dat de heer van Spaen, die als
gemachtigde van den Souvereinen Vorst in het hoofdkwartier aanwezig was,
zoude worden opgenomen in de centrale commissie voor de administratie
der op den vijand heroverde landen[368].
[366] Lord Castlereagh aan den Minister van Oorlog en Koloniën Lord
Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (_Castlereagh's Corr._ IX, 181). Dit
punt was in den Haag door Hogendorp met Lord Castlereagh besproken: »My
attention", schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten
minister Lord Liverpool, »was called to this [the succession] by an
observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making
provision for the separation of the two Crowns in the Act, which
would shortly be proposed for regulating the succession to the crown
of Holland under the new Constitution." (_Ged._ VII, 24). Dit is de
aanleiding geweest tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van
1814, waardoor verandering in de troonsopvolging mogelijk werd
gemaakt (_Ontstaan_ I, 433; II, 418, 423).
[367] _Ged._ VII, 39.
[368] Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct. 1813.