dan dat der wetgevende en besturende Macht beoogde en voorstond. Ik
bedoel de Rechterlijke Macht. Eerbiediging van het beginsel van eenheid
werd ook in zooverre door hem gewild, dat alle de provinciën een en
hetzelfde Wetboek en dezelfde manier van procedeeren zouden hebben. Op
dit punt dus geene reactie. Maar, terwijl hij geen onderscheid wenschte
in de burgerlijke en strafwetgeving naar de lokaliteiten, zoude dit ten
opzichte van de inrichting der rechtbanken wel het geval zijn. »Bij deze
inrichting"--zegt hij--»de oude eerwaardige instellingen te herstellen,
en ook hierin den geest der nieuwigheden, die ons land bedorven heeft,
zooveel mogelijk uit te roeien"[322]. En al mocht hij ook al hebben
ingezien, dat de oprichting van een hoogste rechterlijk collegie, de
Hooge Raad, voor het geheele land noodig was, daaronder zoude bijna al
het oude in 't leven zijn teruggeroepen, en zelfs, zooals wij vroeger
gezien hebben, de ambachtsheerlijkheden met haar privaatrechterlijk
karakter. Tegen die denkbeelden stak een storm op in den boezem der
Commissie. Elout, Röell, van Imhoff verhieven daartegen hunne stem. Niet
het minst van Maanen, de president van het Hoog Gerechtshof. Hij noemde
de oude rechtspleging monstrueus en onbestaanbaar met eene algemeene
manier van procedeeren. »Wij hebben"--zeide hij--»bij ondervinding
gezien, dat de zaken met een hof en weinig rechters goed gaan en dat
de justitie nimmer beter is geadministreerd geworden dan thans"[323].
En hoewel men zoover niet ging als van Maanen wenschte, en aan het
provincialisme te gemoet kwam, door in elke provincie een Hof en
daarboven den Hoogen Raad te plaatsen, toch werd er beslist met
het oude gebroken en de rechterlijke macht geheel gezuiverd van
alle privaatrechterlijke denkbeelden. Er dient echter te worden
bijgevoegd, dat ook zij, die in andere opzichten niet wars waren van de
Napoleontische beginselen van Staatsbestuur, die ook in de rechterlijke
organisatie het eenvoudige van het Fransche systeem voorstonden, van
de andere zijde toch van afschrik vervuld waren over de wijze, waarop
door 's Keizers willekeur, door zijne hooge politie met de burgerlijke
vrijheid der ingezetenen was gespeeld. Terwijl de Grondwet zich in
't algemeen zorgvuldig onthield van het toekennen van rechten aan de
ingezetenen, van iets, wat naar eene _déclaration des droits_ van de
Revolutie zweemde, werd in het hoofdstuk der Grondwet over de Justitie
door de commissie toch menige bepaling ingelascht, met het doel om
aan de ingezetenen de burgerlijke vrijheid te verzekeren. Waarborgen
tegen willekeurige inhechtenisneming, waarborgen tegen exeptioneele
rechtspraak en andere van dezelfde strekking werden op voorstel van
Elout in de Grondwet opgenomen[324]. Voor de onafhankelijkheid der
rechterlijke macht werd door de aanstelling van de leden van den Hoogen
Raad niet alleen, maar ook van de leden der provinciale Hoven voor het
leven, wat trouwens door Hogendorp ook was voorgesteld, beter gezorgd,
dan volgens de fransche organisatie het geval was geweest.
[322] _Ontstaan_ I, 75.
[323] _Ontstaan_ I, 253.
[324] _Ontstaan_ I, 248.
Wanneer men het IVe hoofdstuk der Grondwet van 1814 over de Justitie
overweegt, dan zal men moeten erkennen, dat de belofte, door Kemper
gedaan, niet ijdel was gebleven, »Uwe burgerlijke vrijheid", zoo sprak
hij tot »zijne landgenooten" in de door hem en Fannius Scholten gedane
proclamatie van 1 December 1813, »Uwe burgerlijke vrijheid zal door
wetten, door eene die vrijheid waarborgende constitutie, zekerder dan
ooit gegrondvest zijn." Maar wat werd er van de politieke vrijheid
onder de handen der commissie? Waren er in de Grondwet van 1814
waarborgen voor een goed en doeltreffend Staatsbestuur? Wie was
verantwoordelijk voor dit bestuur? De erfelijke monarchie brengt mede de
onschendbaarheid, de onverantwoordelijkheid van den persoon des Konings.
Toch zoeken wij te vergeefs in de Grondwet naar de bekrachtiging dezer
stelling. De bepaling van de Grondwet van 1806 (art. 20) die dit wel
deed, werd niet overgenomen. Zij ontbrak trouwens ook in de Schets.
Moet men daarom met Thorbecke[325] aannemen, dat de Souvereine Vorst
bij Hogendorp, hoewel erfelijk, het karakter van eersten ambtenaar bleef
behouden, daar het karakter der verheffing hierboven den Vorst niet
werd geëigend? Ik zoude het niet durven beamen. Ik mag niet aannemen,
dat Hogendorp, die in zijne herziening der Unie van Utrecht, in 1799
opgesteld[326], aan den Erfstadhouder het karakter van onschendbaarheid
had willen toekennen, dit den Souvereinen Vorst zoude hebben willen
onthouden. Wanneer èn in de Schets èn evenzoo in de Grondwet over de
onschendbaarheid des Vorsten werd gezwegen, zoude dan de reden niet
hierin gelegen zijn, dat de uitdrukkelijke vermelding van iets, dat
van zelf sprak, overbodig geacht werd? Wordt die gissing niet hierdoor
bevestigd, dat in de Grondwet evenmin als in de Schets eene bepaling
voorkwam, waaruit 's Vorsten verantwoordelijkheid kon worden afgeleid?
Want al mocht men ook al niet zoover gaan als in het Engelsche
Staatsrecht, al mocht het: de Koning kan geen kwaad doen, daar ook
op civiele zaken worden toegepast, wat volgens art. 9 der Schets en
art. 106 der Grondwet met den Vorst hier niet het geval was; van eene
verantwoordelijkheid daarentegen voor daden van bestuur is geen schijn
of schaduw te vinden. Maar wie was dan verantwoordelijk, zoo de Vorst
het niet was? Was, zooals wij het vinden opgemerkt[327], in de Schets
het beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid opgenomen? Het is
ons uit het derde deel van Hogendorp's _Gedenkschriften_ gebleken,
dat deze in 1795 de omtrekken had geteekend eener Hooge Vierschaar,
en dat hij daarop in 1799 nader terugkwam[328]. Er zou, wij hebben het
hierboven opgemerkt, een Hooge Raad zijn, waaraan de handhaving der
Unie was toevertrouwd. Een Hooge Raad, waarvoor zoowel de leden der
Staten-Generaal, als die van andere collegiën, eveneens als hunne
ambtenaren zouden worden terechtgesteld, en dit op aanklacht der
Staten-Generaal. Wij vinden dit denkbeeld nawerken in de Schets. Ook zij
geeft aan de Staten-Generaal het recht, om èn de leden van hun collegie
met den Raadpensionaris, èn de leden van den Raad van State, èn de
Ministers wegens hunne ambtsverrichtingen aan te klagen bij den Hoogen
Raad (art, 5, 6, 27, 37). Evenzoo staan de leden der provinciale Staten,
op aanklacht van dit collegie, terecht voor het provinciale Hof (art.
42). Kan men dit nu de huldiging van het beginsel der ministerieele
verantwoordelijkheid noemen? Het middel, dat bestemd is, om de
onschendbaarheid van den vorst in overeenstemming te brengen met de
eischen van een goed bestuur, door de verantwoordelijkheid voor de
handelingen van Regeering over te brengen op zijne Ministers? Eenerzijds
reikten die bepalingen verder, daar niet alleen de Ministers, maar ook
andere dienaren van den Staat onder hare toepassing vielen; van de
andere zijde zal men juist hieruit moeten afleiden dat Hogendorp met
deze bepalingen iets anders bedoelde dan de invoering van het beginsel
der ministerieele verantwoordelijkheid, zooals zich dit in Engeland
had ontwikkeld: een beginsel volgens hetwelk de Ministers niet alleen
aansprakelijk werden gesteld voor de inachtneming der wet, maar
bovendien voor een doeltreffend bestuur, een bestuur, waardoor het
algemeen belang werd behartigd. Toch valt het niet te ontkennen, dat
dit recht der Staten-Generaal, om de Ministers aan te klagen, op hunne
zelfstandigheid een gewichtigen invloed had kunnen uitoefenen, er toe
had kunnen leiden, dat zij zich niet zouden beschouwen louter als
dienaren van den Vorst, als gedekt door zijne bevelen, maar gedachtig
zouden blijven aan het zwaard van Damocles, dat hun van wege de
Staten-Generaal boven het hoofd hing. Maar die bepalingen vonden--zonder
dat mij het waarom daarvan is gebleken--geene genade in de oogen
der commissie. Het initiatief door de Schets aan de Staten-Generaal
toegekend, verdween uit de Grondwet. Wat er voor in de plaats kwam,
was iets geheel anders, t. w. dat de in de Schets genoemde personen,
benevens nog eenige andere, niet in rechten mochten vervolgd worden,
tenzij met verlof der Staten-Generaal. Het was niet alleen iets
anders; het was juist het tegenovergestelde. Wat een wapen voor
de Staten-Generaal had moeten zijn tegen die personen en tegen hun
wanbestuur, werd nu een privilegie voor dezen. Het waren nu niet meer de
Staten-Generaal, die de dienaren van den Vorst ter verantwoording konden
roepen; maar het was de Souvereine Vorst, die, mits onder goedkeuring
der Staten-Generaal, dit kon laten doen. Nu behoefden die dienaren
niet meer bevreesd te zijn voor de Staten-Generaal; nu behoefden
zij zich alleen te richten naar de wenken van den Vorst. Nu kon van
Maanen in zijne Aanspraak naar waarheid zeggen, dat de Vorst de
groote maatregelen, die hij ten dienste van het behoud der gemeene
zaak noodzakelijk oordeelde, met spoed, kracht en nadruk kon doen
uitvoeren door zijne Raden en dienaars, die van hem alleen hun gezag
ontleenden[329].
[325] _Aanteekening_, I, 107.
[326] _Br. en Ged._ III, 180.
[327] De Bosch Kemper, _Geschiedenis_, 419.
[328] _Br. en Ged._ III, 108, 178 vlg.
[329] Metelerkamp, 211.
Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht mogelijk, dat de
Staten-Generaal invloed op de richting van het staatsbestuur zouden
kunnen uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in zich zelven
voelden, om voor het algemeen belang op te treden. De overweging der
jaarlijksche buitengewone begrooting kon daarvoor een handvatsel zijn.
Maar was die overtuiging, was die kracht van dit collegie te wachten?
Wij herinneren ons hoe de Grondwet over de eerste vervulling der
grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de notabelen dit punt
met stilzwijgen voorbijgingen, en hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt
werd, dat de Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest doen,
dus ook van de Staten-Generaal. Deze door hem aangewezen leden zouden
zitting hebben tot 1 November 1817; eerst van dit tijdstip af begon
de keuze door de provinciale Staten te werken, die telken jare een
derde van het getal zouden kiezen. De definitieve voor eens vast te
stellen begrooting zoude dus tot stand komen door de toestemming van
Staten-Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren benoemd.
En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens het geval met de
Staten-provinciaal. De eerste aftreding, voor een derde, van de door den
Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond volgens de door hem
den 26sten Augustus 1814 vastgestelde reglementen[330] eerst plaats den
1sten Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der Staten-Generaal
zoude geschieden door leden voor het grootste deel nog door den Vorst
benoemd. En later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden
verstreken was, ook dan zoude de invloed van den Souvereinen Vorst nog
nawerken in de stedelijke raden en in den adel, de bron in de meeste
gewesten van twee derde der provinciale Staten. Immers de stedelijke
besturen werden ook den eersten keer door den Souvereinen Vorst
aangesteld voor het leven; de Ridderschap bestond uit personen, door
den Vorst in den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en dus door
banden van dankbaarheid aan hem verknocht. Alleen bij den landelijken
stand kon met 1 Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der Staten
sprake zijn; trouwens was het geen rechtstreeksche keuze, maar
verkiezing met een trap. Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden
der Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste jaren van eene
krachtige vertegenwoordiging geen sprake kon zijn. En zoude ook later de
Regeering, gesteund door de Gouverneurs in de provinciën, niet middelen
in de hand hebben, om de keuze van onwelgevallige personen tegen te
gaan? Men bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in de
Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die klasse der maatschappij
zouden behooren, die bij voorkeur tot vervulling der ambten geroepen
was. Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet mede te werken
tot de keuze van zelfstandige mannen; men liep toch gevaar, daardoor in
ongenade te vallen en de bron van eer en van voordeel voor zich en de
zijnen verstopt te zien.
[330] Reglementen op de wijze van samenstelling der Staten (_Bijv. tot
het Staatsblad_, I, 566).
De bedervende invloed van dit alles zoude te sterker moeten werken bij
het volslagen gemis aan openbaarheid in het bestuur. Staten-Generaal,
Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden achter gesloten deuren.
Iets waarin geen bezwaar werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten
slotte een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle mogelijkheid
om een oordeel over de verkozenen te vellen, daardoor werd afgesneden.
Het beginsel van openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij
onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art. 30), dat door den
druk zoude worden publiek gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen
jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen, werd geschrapt. De
ingezetenen zouden dus van hetgeen er omging in het bestuur niets anders
behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of vorstelijk besluit, bij
provinciale of gemeentelijke verordening, te hunner kennis moest worden
gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de publieke zaak, aan contrôle
van het publiek op het bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te
denken. Klinkt het ons dan bijna niet als ironie in de ooren, wanneer
Hogendorp aan het slot zijner Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor
het vaderland, een _public spirit_ door al de klassen van ingezetenen
verspreid en in alle gemoederen opgewekt zal worden[331]?
[331] _Ontstaan_ I, 64.
Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der Vereenigde Nederlanden
onder de Grondwet van 1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te
houden met eene Grondwet, die niet meer dan een jaar heeft geleefd, om
in 1815 door de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden te worden
vervangen? Ik meende van ja, omdat het de Grondwet van 1814 is, waarbij
de grondwettige monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het eerst
in ons vaderland is gevestigd, omdat de hoofdtrekken en hoofdbeginselen
dezer Grondwet zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze haar
op enkele punten--zooals door de openbaarheid van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal--ten goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet voor
het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het overige het bestuur in een
geheimzinnig duister, ook zij kende aan de natie geen meerderen invloed
toe; zij kenschetste zich vooral--evenals die van 1814--door het gemis
van hetgeen het merg der constitutioneele monarchie uitmaakt, door het
gemis der ministerieele verantwoordelijkheid en de handhaving mitsdien
van het persoonlijk gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van 1814
tot 1840, gedurende de geheele regeering van Willem I, hare werking doen
gevoelen. Zoo er ooit harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm
en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen, dan is het voorzeker
hier het geval geweest. In het verslag van den toestand des lands, den
7den November 1814 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell,
aan de Staten-Generaal gedaan[332], wees deze reeds op »de rustelooze
zorgen, waarmede de Souvereine Vorst van het eerste oogenblik zijner
regeering de belangen zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks
bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van nabij volgden,
wel eens het gevoel van eerbied en bewondering over eene zoo zeldzame
opoffering door vrees voor de gevolgen van onafgebroken inspanning
werden opgewogen". Deze woorden waren geene vleierij, maar de zuivere
waarheid. Zoo iemand het _métier de roi_ ernstig opvatte, zoo iemand
zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak, dan is het voorzeker
Willem I geweest. De geschiedenis echter heeft met onuitwischbare
trekken opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles geweest zijn, in
welken ontredderden toestand ons vaderland bij het einde der regeering
van dezen Vorst was gebracht. En hoewel het nu onbillijk zou zijn,
bij de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te brengen de
moeilijkheden, waarmede Willem I te kampen had, in 't bijzonder de
bezwaren, voortvloeiende uit de vereeniging met België, uit de gedwongen
samenleving van Noord en Zuid; zoo zoude het niet minder eenzijdig zijn
te willen ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de beste
bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van een regeeringstelsel als
dat van de Grondwet van 1815, waaronder een volk zijn lot plaatst
in handen van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn inzicht,
buiten het weten des volks om, het land regeert. Het kan dan ook
alleen uit onbekendheid met de politieke geschiedenis van ons
vaderland verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de opwelling
ontstaat om met terzijdestelling van den overwegenden invloed der
volksvertegenwoordiging eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals
die onder de regeering van onzen eersten Koning heeft gewerkt. Wanneer
men dit overweegt, zal men het mij eerder vergeven, dat ik bij de
beschouwing van den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29 Maart 1814
zoolang heb stilgestaan.
[332] Stuart, _Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden_, 1814, bl.
250.
* * * * *
_Hogendorp knoopte het erfrecht vast_ (hiervóór, bl. 153). Zie over
deze geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à
Thuessink van der Hoop, _De Orde van Erfopvolging tot den Troon in
Nederland_ (Amsterdam 1911). bl. 1-84.
* * * * *
_Zonder eenige beperking_ (hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art.
5 der eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij
gemis van mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters
of derzelver _mannelijke_ nakomelingen. Het wegvallen van het woord
_mannelijke_ uit art. 6, waarover Tellegen zich in zijne noot op
bl. 156 zoo verbaast, heeft denzelfden grond als het wegvallen dier
woorden uit art. 5. Zie daarover van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef
het woord _mannelijke_ staan wegens de resolutie van 1747 waarin het
voorkwam. De woorden »op gelijke wijze als voren", die in art. 5
bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet aangenomen
stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815 heeft
deze zaak in het reine gebracht.
* * * * *
_Vreemd is het in elk geval_ (hiervóór, bl. 158). Men kan het geval
in 1814 moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze
aangegeven waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten
worden voorzien.
* * * * *
_'s Vorsten inkomen_ (hiervóór, bl. 159). Zie hiervóór, bl. 96.
»De Prins", schrijft G. K. in 1817, »was te vrede geweest met een
millioen vast inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit
domeinen zoude voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal
goed werden afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen
te worden gebruikt".[333]. Niet billijk voor de commissie is hetgeen
dan verder volgt: »Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen
misvatten, weet ik niet; maar zeker is het, dat het denkbeeld
ontstond en doorging, om de domeinen toe te voegen boven het
millioen". Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's eigen nieuwe
redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het millioen
aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch[334] stelt het inkomen
uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog
onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik
der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton
in gereed geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som
van anderhalf millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van
Elout. Eerst bleek het onpractisch een gedeelte van het inkomen
in vruchtgebruik der landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten
tot onderpand der domeinbons en men was verlegen daar een andere
hypotheek voor aan te wijzen. Men bracht dus de zes ton op een
millioen en sprak niet van het vruchtgebruik der landsdomeinen,
nog wel van teruggave der onvervreemde oude goederen van het huis.
Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn: immers onder de
verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke van het huis
van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere hypotheek
uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te spreken,
en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der teruggave
van als hypotheek vastliggende goederen »opzien baren". Zoo is men
er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken, ter gedeeltelijke
voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen
eigendom zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver
inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen[335].
[333] _Br. en Ged._ V, 87.
[334] _Ontstaan_ I, 46.
[335] _Ontstaan_ I, 518 vv.; vgl. _Overzicht_ 19 vv.
* * * * *
_Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht_ (hiervóór bl.
162). Door den S. V. aanvankelijk wèl: hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer
verklaart zich in de commissie voor het tweekamerstelsel[336], maar
komt er niet op terug als de president het denkbeeld af doet met op
te merken dat het »hier te lande eene volstrekte nieuwigheid" zijn
zoude.
[336] _Ontstaan_ I, 124.
* * * * *
_Gekozen door de Staten der Provinciën_ (hiervóór bl. 164). 3 Jan.
stelt Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een
nominatie van twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden[337].
Hogendorp antwoordt, »dat de Vorst dit middel van gezag nu niet
noodig heeft, zooals in de stadhouderlijke tijden, toen hij, om
zijnen invloed te vermeerderen, zijn gezag op allerlei wijze moest
zoeken uit te breiden". Aylva komt niet terug, doch de Vorst verlangt
22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie[338]. De commissie
van redactie antwoordt kortweg: »Men oordeelt, dat de keuze aan de
Staten-Provinciaal dient te blijven"[339], waarop de Vorst met een
uitvoeriger aanteekening terugkomt. »Het is de vraag", schrijft hij,
»of eene nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn.
Nu is het niet noodig, maar in latere tijden konde bij een minder
goede geest, zwarigheid en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan,
wanneer op hare electie geen invloed (des Vorsten) kan verzekerd
zijn. De kiezers benoemen de Raden in de Steden, deze de Leden
Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal, en alle deze
instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S. V."[340]
Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr. worden
afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek
herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd
praatte. »Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen
baat gevonden hadden bij den invloed op de aanstelling der Stedelijke
Regenten, omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zij
zig vele vijanden daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer
vooruit dan achteruit zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn
verstand en rondborstige taal hetgeen hij mijne menschkundige
aanmerkingen noemde, en de Prins berustte in de zaak"[341].
[337] _Ontstaan_ I, 123.--Staten-_Generaal_ aldaar is klaarblijkelijk
een schrijffout voor Staten-_Provinciaal_.
[338] _Ontstaan_ I, 440.
[339] _Ontstaan_ I, 443.
[340] _Ontstaan_ II, bl. CXX.
[341] _Br. en Ged._ V, 98.
* * * * *
_Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers_,
enz. (hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt
niet dat de ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn,
maar dat de leden van de Staten-Generaal tevens minister enz.
kunnen zijn. Dit is geen verschil in woordschikking; een der
eigenaardigheden van Hogendorp's voorstelling is er mede gemoeid.
Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals Tellegen opgeeft, »dat de
dienaren der Besturende Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak
te vervullen hadden", maar juist omgekeerd, dat die dienaren voort
zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich zelfs voor dat
leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als
hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair
commando kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg
dragen naar de Staten-Generaal af te vaardigen »de bloem der natie",
lieden »uit allerlei standen, uit allerlei collegiën, uit het huis
van den Souvereinen Vorst, uit de vloot en het leger", zoodat »alle
mogelijke kunde en talenten" in die vergadering vereenigd zijn[342].
In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt hij zich nog, dat dit
denkbeeld er »met eenige moeite in de commissie doorgegaan was, en
eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de uitzonderingen
alleen te noemen[343]"; ook dat de Vorst bij de eerste benoeming van
de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had gebracht,
en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal
zullen nu maar spoedig door hun keuzen »de egte beginselen" moeten
verlevendigen[344]. Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem
in alle behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien.
De Vorst zal in G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de
Staten-Generaal brengen; integendeel de Staten-Generaal zullen hem
helpen aan het hooge bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem
toen eenige kans van slagen had; de ondervinding leerde het wel
anders; maar het was niettemin Hogendorp's voorstelling, en men
begrijpt den man niet in zijn eigenaardigheid wanneer men dit
voorbijziet.