Maar, behalve de bepalingen, rechtstreeks met het monarchaal beginsel

in strijd, waren er bovendien andere, die het vermoeden wettigen, dat

Hogendorp in de Staten-Generaal nog iets meer zag, dan een lichaam,

geroepen om wetsontwerpen goed te keuren en wetsvoorstellen te doen.

Deze gissing kwam bij mij op onder de overweging der vraag: waarom

Hogendorp, met afwijking van het bepaalde in de constitutiën van

1798, 1805 en 1806, in art. 38 der Schets het lidmaatschap der

Vertegenwoordiging openstelde voor de Ministers, de Staatsraden enz.,

in een woord voor de hoogste dienaren van den Staat. Of was dit

alleen om, zooals hij het in zijne _Aanmerkingen_[304] uitdrukte,

de Staten-Generaal te zien samengesteld uit de bloem der natie: niet

omdat hij van oordeel was, dat de dienaren der Besturende Macht in de

Staten-Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden? In de commissie

had men er niet recht vrede mede, doch na eenige oppositie werd toch

Hogendorp's beginsel gehandhaafd[305]. Eene andere bepaling wijst echter

met meer zekerheid op de oude Republiek. Ik bedoel de herstelling van

het ambt van Raadpensionaris, door Hogendorp gewild. Een Staatsdienaar,

die door den Souvereinen Vorst uit eene door de Staten-Generaal

opgemaakte nominatie voor vijf jaren zoude worden gekozen, en aan het

hoofd van dit collegie zoude staan. Hij kon lid der Staten-Generaal

zijn; noodig was het echter niet (art. 36-38 der Schets). Het is

duidelijk, dat de Commissie geen weg wist met dit ambt. Wat zoude de

Raadpensionaris doen? De leden werden niet veel wijzer door Hogendorp's

woorden: »deze Raadpensionaris is hetzelfde, dat hij was in de

provincie; men heeft hem van de Provinciale Staten in de Staten-Generaal

overgebracht om den eerbiedwaardigen naam te behouden." Was het dan

alleen om den naam te doen? Neen, want hij moest, volgens Hogendorp,

dienen, om »een concert en communicatie te hebben tusschen de

vergadering en den Vorst". »Hij moest ministerieele functiën

uitoefenen". Maar waarin zouden zij bestaan? Elout zeide: »wat kan de

president of Raadpensionaris te doen hebben? de voordragten aannemen

van den Vorst, in deliberatie brengen en te concludeeren. Item omtrent

de voordragten der leden. Als de conclusiën genomen zijn, is alles

afgedaan. Hiertoe borneren zich de functiën van den moderator en die man

behoeft geen lid van het Gouvernement te zijn, want de Vorst zal zijne

wetten door Commissarissen doen voordragen of aandringen. Wanneer

nu die moderator zou zijn een minister, dan obsteert, dat of wanneer

zijn Ministerie lang duurt, hij gevaarlijk wordt voor den Souvereinen

Vorst, of wel dat hij niets anders wordt dan de manus ministra van

den Princeps, dat ook niet deugt". »Dit alles", zoo eindigde Elout,

»permoveert mij tot een President. De Raadpensionaris van Holland was

een ander wezen; hij en de Griffier der Hoog Mogenden waren in effecte

de Staats-Ministers; dit was toen noodig, om Holland invloed te geven,

nu niet meer". Hogendorp moest dan ook zien, dat zijn voorstel, waaraan

hij, naar men meent[306], ook om persoonlijke redenen veel schijnt te

hebben gehecht, door de meerderheid verworpen werd. Met zeven tegen vijf

stemmen werd besloten, dat er niet zou zijn een ministerieel ambtenaar,

de functiën van Raadpensionaris uitoefenende, maar een president met de

gewone presidiale attributen (art. 66 der Grw.)[307]. En alzoo werd de

staf gebroken over eene instelling, die door het nevelachtige van haar

karakter, gepaard met het prestige van den oud-republikeinschen naam,

eene belemmering had kunnen worden in het monarchaal Staatsbestuur,

vooral dan, wanneer Hogendorp zelf met dat ambt bekleed zou zijn

geworden[308]. Wanneer wij in de Gedenkschriften van Hogendorp

lezen[309], dat onder de oude Republiek het bestuur in handen was van

lieden, aan welke de constitutie de macht niet gaf; wanneer hij daarop

wijst als een der gebreken van die bondgenootschappelijke regeering, dan

komt de vraag bij ons op: of hij niet gevaar liep op dezelfde klip te

stranden door niet alleen de Staten-Generaal te willen maken tot eene

vergadering van de hoogste Staatsdienaren, maar vooral door een ambt

in 't leven te roepen, als dat van Raadpensionaris, wiens werkkring

onbepaald was, doch die na den Souvereinen Vorst de eerste positie in

den lande zou innemen.

[304] _Ontstaan_ I, 63.

[305] _Ontstaan_ I, 484.

[306] De Bosch Kemper, _Staatkundige Geschiedenis van Nederland tot

1830_, bl. 414.

[307] Voor een ministerieel ambtenaar stemden:

Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.

Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell,

van Maanen.--_Ontstaan_ I, 154.

[308] Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der Grondwet

benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een ambt in de

Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine Vorst bij

art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen van

dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (_Ontstaan_ I,

371). Was dit eene vergoeding voor het ambt van Raadpensionaris?

[309] III, 96.

Onder den invloed van de beraadslagingen der commissie werd dus het

karakter der Staten-Generaal beter in harmonie gebracht met de

monarchale beginselen. Zij waren, zooals van Maanen het in zijne

Aanspraak uitdrukte, ongerechtigd om deel te nemen aan de Uitvoerende

Macht. Of zooals hij het in de commissie[310] had gezegd: »de Regeering

moet bij ons alleen bij den Vorst zijn, en alleen de Wetgevende Macht

door hem met de Staten-Generaal gedeeld worden". De Souvereine Vorst

dus vrij in de behartiging der algemeene belangen, mits zich houdende

binnen de grenzen der wet. Bij de beschouwing van de macht van den

Vorst komt echter de vraag op: wat verstond men in 1814 onder Wetgevende

Macht? Waar lagen de grenzen tusschen de Wet aan de eene en tusschen

de macht van den Souvereinen Vorst aan de andere zijde? Thorbecke[311]

heeft er op gewezen, hoe de Grondwet van 1814 niet, zooals later die van

1815 (art. 105), de uitdrukkelijke bepaling inhield, dat de Wetgevende

Macht door den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal gezamenlijk

werd uitgeoefend; hoe de bepaling ook van de Schets (art. 14) er aan

ontbrak, volgens welke zonder beider goedkeuring geene wet bestond.

Ik meen echter, dat men hieraan niet te veel moet hechten, daar uit

de voorschriften der Grondwet van 1814 in haar onderling verband toch

duidelijk volgt, dat eene wet beider samenwerking vereischte. Wat echter

meer van belang schijnt te zijn, is de onbepaalde uitdrukking: _daden

der souvereine waardigheid_, zoowel in de Schets (art. 5) als in de

Grondwet (art. 32) te vinden. Volgens Hogendorp zoude de Vorst die daden

plegen in den Raad van State, het collegie, hem als adviseur ter zijde

gesteld. Volgens de Grondwet zoude de Vorst kunnen volstaan met die

daden bij dat collegie in overweging te hebben gebracht; hij behoefde

dus niet meer in den Raad daarvoor tegenwoordig te zijn, zooals

Hogendorp schijnt te hebben gewild. Wat behoorde nu tot het terrein

der wet, wat tot dat van de daden der souvereine waardigheid? Zoude

de gissing zoo verwerpelijk zijn, dat, overal waar de Grondwet niet

uitdrukkelijk eene wet voorschreef, de souvereine vorst zoude meenen te

kunnen volstaan met het onderwerp bij besluit te regelen? Eene gissing,

die aan waarschijnlijkheid wint, wanneer men èn zich herinnert, dat men

onder den Keizer aan de decreten-regeering was gewoon geraakt, èn bij de

lezing van het Staatsblad van 1814-1815 ontwaart, hoe menig besluit is

genomen daar, waar men eene wet zoude hebben verwacht.

[310] _Ontstaan_ I, 95.

[311] _Aanteekening_, I, 282.

Er is nog een punt, waarop voor het recht verstand van de macht van den

Vorst de aandacht behoort te worden gevestigd. Ik bedoel de regeling

der financiën: de vaststelling der begrooting van uitgaven en de

vaststelling der middelen om ze te bestrijden. Waar de Vorst niet meer

staat op het middeleeuwsche standpunt; waar de uitgaven niet meer uit

zijne middelen behooren te worden bestreden,--daar komt hij niet meer

eene bede richten tot zijne onderdanen, wanneer die middelen te kort

schieten; integendeel daar zijn het de belastingen, die door het volk

tot instandhouding van den Staat, tot bevordering van aller belang

moeten worden opgebracht. Betaling van belasting wordt een ieders

plicht. Maar op dit standpunt van den modernen staat zoude het

eene ondragelijke dwingelandij zijn, bijaldien de Vorst alleen

over het _quantum_ en _quale_ der belasting konde beschikken. De

volksvertegenwoordiging, zoo zegt men, moet de koorden der beurs

in handen houden. Was dit onder de Grondwet van 1814 het geval? De

Grondwet, die, op het voorbeeld der schets, de uitgaven splitste in

twee deelen: het eerste bestaande in de zekere en bepaalde uitgaven,

uit den gewonen loop der zaken voortvloeiende, en voor eens en voor

altijd vastgesteld; terwijl alleen voor het tweede gedeelte, voor

de buitengewone en onzekere uitgaven telken jare de toestemming der

vertegenwoordiging vereischt werd. Voeg hierbij nu, dat èn Schets

èn Grondwet de bestaande belastingen--zoolang daarin bij de wet

geene verandering gebracht werd--lieten voortbestaan; dat aldus de

Souvereine Vorst beschikken kon over al de middelen van het Fransche

belastingstelsel, voor zoover dit door hem zelf in het tijdvak zijner

onbeperkte macht niet mocht zijn gewijzigd, dan valt het mijns inziens

moeilijk te loochenen, dat de macht der Staten-Generaal in dit opzicht

binnen vrij enge grenzen beperkt was.

Voorzeker, wanneer het Nederland aan eene krachtige Regeering zoude

ontbreken, dan lag de schuld niet aan de Grondwet, niet aan de macht van

den monarch.

In den Regeeringsvorm, dien wij tot dusver hebben geschetst, wijst alles

op eenheid in het Staatsbestuur. »Het Nederlandsche volk", zeide van

Maanen[312], »is een volk, dat algemeene wetten en een Gouvernement

heeft". En in lateren tijd zei Thorbecke[313]: »de Nederlandsche

Staat werd op eenheid, niet van uitvoerende macht slechts, maar

van vertegenwoordiging gegrond". Men keerde dus niet terug tot

den Statenbond der oude Republiek, toen een losse band de gewesten

vereenigde: toen er inderdaad geen algemeen bestuur bestond, dat èn het

recht èn de macht had zijnen wil te handhaven; toen de Unie geen Unie,

maar een chaos was. Werd dan het beginsel der Revolutie, het beginsel

der Staatsregeling van 1798; de éen- en ondeelbaarheid van den Staat

(art. 1) zonder voorbehoud overgenomen? Maar waar blijft men dan met den

naam van: _Vereenigde Nederlanden_? Een naam, die, zooals wij gezien

hebben[314], niet voorkwam in Kemper's proclamatie van 1 December 1813,

waarbij de Prins tot Souvereine Vorst werd uitgeroepen, wel echter in

die van 6 December 1813, waarbij de Prins het bestuur aanvaardde. Een

naam, op het voorbeeld der Schets, behouden in de Grondwet (art. 53).

Deed men het wellicht, om aan te toonen, dat het herboren vaderland

hetzelfde was, hetwelk in den Revolutietijd te gronde was gegaan; was

het om tegenover het buitenland als rechtverkrijgende der oude Republiek

te kunnen optreden? Of lag er in het behoud van den naam nog iets

anders, nog iets dat wees op het karakter van den Staatsvorm? Dat

Hogendorp op die laatste vraag bevestigend zoude hebben geantwoord,

lijdt mijns inziens geen twijfel. Al wilde ook hij den Statenbond

in geenen deele weder in 't leven roepen, al wilde ook hij een

Souvereinen Vorst over de Vereenigde Nederlanden, fundamenteele wetten

en Staten-Generaal, die, met afzwering der provinciale belangen, het

geheele Nederlandsche volk vertegenwoordigden; de provincie en haar

bestuur zouden toch volgens zijne Schets een karakter hebben behouden,

dat wel niet meer gelijk was aan den toestand van voorheen, maar kwalijk

strookte met het beginsel van eén- en ondeelbaarheid der Revolutie.

De Staten der provinciën zouden, al zij het dan ook al niet meer in

den ouden luister, uit hunne asch verrijzen. Zij zouden blijven op den

ouden voet. De adel en de steden zouden, zooals wij vroeger gezien

hebben, blijven hunne bron. De adel zoude zijn provinciaal karakter

niet verliezen. Het is waar: de souvereiniteit der Staten zoude overgaan

op den Souvereinen Vorst, hunne Wetgevende Macht zoude overgaan op den

Vorst en de Staten-Generaal; de diplomatie, de financiën en de defensie

zouden blijven buiten hunnen kring. Maar, desniettegenstaande zoude de

Souvereine Vorst, evenals door de Staten-Generaal, ook door hen worden

gehuldigd; zouden zij, evenals hunne voorgangers, de keuze hebben

van de afgevaardigden tot de Staten-Generaal. En bovenal zoude het

binnenlandsch bestuur in hunne handen geplaatst worden. Wanneer men het

derde hoofdstuk der Schets leest, dan springt het in het oog, dat ten

opzichte van dit laatste onderwerp vooral eene gedeeltelijke herleving

van het oude door Hogendorp gewenscht wordt. Toen ik hierboven den adel

en het platte land besprak, is het reeds gebleken, hoe de denkbeelden

van Hogendorp in de Commissie geen onverdeelden bijval vonden, en

hoe dat, naarmate men langer over de zaak nadacht, men steeds meer

en meer begon in te zien, dat eene restauratie, zelfs in den geest

van Hogendorp, niet wenschelijk, ja onmogelijk was. Waar Hogendorp

eene herleving der oude Staten gewild had, daar werden ten slotte, na

onderscheidene wijzigingen der redactie, de Staten eene schepping der

Grondwet (art. 73), en wordt het geheel en al aan den Souvereinen Vorst

overgelaten, de wijze van samenstelling dier Staten te bepalen (art.

74). De vorst moest dit wel doen, »naar aanleiding dezer Grondwet",

maar deze hield daarover geene bepaling in. Al mocht dan ook na vele

tegenkanting met eene kleine meerderheid aan den naam van Staten boven

dien van _Regeeringen_ of _besturen_ de voorkeur zijn gegeven[315], zij

keerden niet jure postliminii terug in het leven. Even als dit met de

Staten-Generaal bepaald was, zoo mochten ook zij, in afwijking van art.

42 der schets, niet buitengewoon vergaderen, tenzij door den Souvereinen

Vorst bijeengeroepen (art. 83). Zij waren niet vrij in de wijze, waarop

zij hunne werkzaamheden zouden regelen; immers de daarvoor te maken

bepalingen vereischten de goedkeuring van den Souvereinen Vorst (art.

75)[316]. Doch niettegenstaande deze gewichtige wijzigingen bleef er

een groot onderscheid bestaan tusschen de Staten van de Grondwet van

1814 en de departementale besturen van den een- en ondeelbaren Staat

volgens de Staatsregeling van 1798, die de besturen had verklaard

tot administratieve lichamen, ondergeschikt en verantwoordelijk

van het uitvoerend bewind, om niet te spreken van het stelsel van

centralisatie onder Koning Lodewijk met zijn Landdrosten, onder

Napoleon met prefecten gehuldigd. Hoe ging het met art. 3 der Schets,

waarin was voorgeschreven, dat na den eed door den Vorst afgelegd,

deze zoude worden ingehuldigd door de Staten-Generaal en Provinciaal?

Van Maanen zeide: »ik weet niet, waartoe die inhuldiging van

de zoogenaamde Staten provinciaal zal dienen;--zij zijn geen

Staten:--het is eene noodelooze en zeer gevaarlijke ceremonie om

den gevolgen wille; men zal er uit argumenteeren". Elout zag minder

zwarigheid in die ceremonie, mits er duidelijk uitgedrukt werd, dat

die inhuldiging toto coelo verschilde van die der Staten-Generaal.

Dit had ten gevolge, dat, hoewel Hogendorp er op wees, dat men de

denkbeelden der menschen niet moest choqueren, alles zoo zacht

mogelijk moest uitdrukken, bijna niet doen gevoelen, dat er een

onderscheid was, er toch ten slotte in de Grondwet (redactie van

28 Febr. 1814) een formulier van inhuldiging voor de Staten werd

opgenomen, geheel verschillend van dat der Staten-Generaal, en

waarbij de Staten verklaarden, achtervolgens de verplichtingen hun

bij de Grondwet opgelegd, de bevelen, door den Souverein of van

zijnentwege gegeven, te zullen gehoorzamen en alles te zullen doen,

wat getrouwe onderzaten aan hunnen souverein schuldig waren en

behoorden te doen. Zoo werd de vorm behouden, maar het wezen der zaak

opgeofferd.

[312] Aanspraak bij Metelerkamp, 114.

[313] Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal den 29 Mei

1845.

[314] Bl. 47.

[315] _Ontstaan_ I, 170 (zeven tegen vijf).

[316] _Schets art._ 39, 1e en 2e _lid_: »De Staten der provinciën en

landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering

daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen

vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en

Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst,

te maken behoudens alleen deze Grondwet."

_Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814_: »De Staten der provinciën of

landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is

bij deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het

aan dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij

noodig zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den

Souvereinen Vorst en behoudens deze Grondwet."

_Redactie der Commissie van 11 Januari 1814_: »Er zullen Staten van de

provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden

geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze

Grondwet en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen

als de respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden

en de toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd

behoudens deze Grondwet.

De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden door

den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden; dezelve

maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen."

_Redactie der Commissie van 7 Februari 1814_: »Er zullen Staten van de

provinciën of landschappen zijn.

De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste plaats

geregeld door de instellingen van deze Grondwet.

De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar

aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten

dien einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem

te dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.

De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle

zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen

oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen

Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.

De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen".

_Grondwet_, art. 73: »Er zullen zijn Staten van de provinciën of

landschappen.

Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze

Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie

of landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van

advies.

Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften

daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige

bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen Vorst,

ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste werk

van het ontwerpen dezer reglementen."

Gelukkiger was Hogendorp met zijn voorstel, om de Staten der provinciën,

evenals voorheen, te belasten met de keuze van de afgevaardigden der

Staten-Generaal. Van eene oppositie, zooals van J. M. Kemper in zijn

brief aan den Souvereinen Vorst daartegen uitging[317], vind ik in

de beraadslagingen der commissie geen spoor. Er waren alleen enkelen,

die het recht der Staten tot het opmaken eener nominatie wenschten te

beperken; niemand wilde hen geheel uitsluiten van die taak[318]. Ook in

de omschrijving van de taak der Staten als besturend lichaam schijnt

in vele opzichten Hogendorp een groot deel van hetgeen hij wenschte te

hebben bereikt. Ik zeg voor een groot deel, niet in alles. Het recht

om dispensatie van wetten te geven werd aan dit collegie ontnomen

en toegekend aan den Souvereinen Vorst. Maar hun werd niet alleen de

beschikking over hunne huishoudelijke belangen overgelaten; zij werden,

ook als agenten van het Rijksbestuur, belast met de uitvoering der

wetten betrekkelijk het binnenlandsch bestuur[319]. Het punt van uitgang

verschilt echter van dat van Hogendorp. Bij dezen blijven de Staten--met

uitzondering van hunne wetgevende macht--dat binnenlandsch bestuur alles

naar ouder gewoonte behouden. In de Grondwet daarentegen is zij het,

die, evenals de Staten hare schepping zijn, ook deze taak aan hen

opdraagt. Van hier ook het denkbeeld van Hogendorp, dat de Souvereine

Vorst tegenover de Staten zoude staan met dezelfde rechten als vroeger

de Stadhouders (art. 29). Van hier daarentegen de bepalingen der

Grondwet (art. 91, 86), die den Souvereinen Vorst het onbeperkte recht

gaf, de besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen belang

strijdig waren, te schorsen en buiten effect te stellen; die hun, als

deel der Uitvoerende Macht, den plicht oplegde de bevelen na te komen,

die de Souvereine Vorst ten opzichte van de uitvoering der wetten

hun mocht geven. Hij zoude dan ook niet meer in elke provincie, naar

ouder gewoonte, een Stadhouder aanstellen (Schets art. 39), maar een

Commissaris onder zulk eene benaming, als hij zoude goedvinden en met

zoodanige instructie, als hij ter uitvoering van het gezag, hem bij de

Grondwet toegekend, zoude vermeenen te behooren (art. 76 der Grw.).

[317] _Verhandelingen_, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan den

Souvereinen Vorst).

[318] _Ontstaan_ I, 123, 129.

[319] Art. 86 der Grondwet. »Dezelve Staten worden belast met de

uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst,

openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den

koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere

zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden

toegezonden."

Wilde men het beginsel van Staatseenheid waarborgen, er diende een

dergelijk ambtenaar te zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat die

Commissarissen het middel konden worden en--bestempeld met den weidschen

titel van Gouverneur--het middel geworden zijn, om langs eene achterdeur

weder het stelsel van centralisatie te doen binnensluipen, zooals de

traditie van de Napoleons dit medebracht. Het kwam hier op de verhouding

tusschen drie machten aan: de Gouverneur, de Staten en de Gedeputeerde

Staten. De eerste twee waren imperatief door de Grondwet voorgeschreven.

Wat echter de derde betreft, evenals Hogendorp, zoo had ook de Grondwet

in art. 93 het aan de Staten zelve overgelaten, of zij een collegie van

eenige leden uit hun midden tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd

hunner vergadering als van hunne afwezigheid, wilden kiezen. Toch was

het--in aanmerking genomen, dat de Staten slechts zelden bijeen zouden

komen--boven allen twijfel verheven, dat dergelijk collegie in alle

provinciën zoude moeten worden ingesteld. Vooral met het oog op de

uitvoering der wetten was dit noodzakelijk. Repelaer[320] ging zelfs

zoover van te zeggen, dat het zijne bedoeling altijd geweest was, om

de Staten meer honorifieke qualiteiten te geven, maar de uitvoering

der wetten in den Representant van den Vorst en de gecommitteerde Raden

of gedeputeerde Staten te verzekeren, in een collegie, dat klein

moest zijn en nooit tegenstand zoude kunnen bieden. Maar Staten of

gedeputeerde Staten: van nog meer belang was de vraag: op welke wijze de

taak van 's Vorsten Commissaris zoude worden uitgewerkt. Er waren zooals

van Imhoff, die in hem zagen, wat de prefect onder Napoleon, of de

Landdrost onder Lodewijk geweest was; dit beteekende dus de voortzetting

der Napoleontische centralisatie. Het was dan ook in die richting, dat

de aan de Gouverneurs bij besluit van 23 Juni 1814 gegevene instructie

hun niet alleen eene beslissende stem gaf bij staking der stemmen in

Staten en Gedeputeerde Staten (art. 8), maar hun zelfs de bevoegdheid

verleende, in spoedeischende zaken buiten de Staten of Gedeputeerde

Staten om te beslissen--behoudens de later van deze collegies te vragen

goedkeuring (art. 7). Eene bepaling, die uit den aard der zaak de kiem

van misbruik in zich sloot. Eene kiem, die, zooals de geschiedenis heeft

geleerd, welig is opgeschoten, zoodat de Gouverneurs der provinciën de

voetstappen der prefecten of Landdrosten begonnen te drukken en in hen

ten slotte eene soort van onderkoning met een hof in miniatuur gezien

werd. Als ik dit alles overweeg, dan vraag ik mij zelven af, of het wel

juist was, toen ik zeide, dat voor een groot deel datgene werd bereikt,

wat door Hogendorp bedoeld was, en of niet, al zij het dan in strijd met

de Grondwet, van het beginsel van zelfregeering der provinciën weinig

terecht kwam. In het algemeen kan men dus zeggen dat _de Vereenigde

Nederlanden_ een naam waren zonder zin, dat het beginsel van eenheid

het geheele Staatswezen doortrok, en dat in zoover de herboren Staat

een kind was van de Revolutie van 1795, met dit onderscheid, dat de

monarchale vorm dien der Republiek had vervangen. Zoo werd in vele

opzichten verijdeld, wat Hogendorp zich had voorgesteld. Toch meenen wij

hem dankbaar te mogen zijn daarvoor, dat hij er in geslaagd is, in de

Grondwet neêr te leggen de kiemen van zelfbeheer der deelen, kiemen,

die in latere dagen, toen de natie weder tot publiek leven was ontwaakt,

tot wasdom hebben kunnen komen zonder aan de eenheid van den Staat te

kort te doen[321].

[320] _Ontstaan_ I, 243.

[321] Falck schrijft den 24sten September 1814 aan Röell: »De

waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der

Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid

voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking, het

resultaat mijner overwegingen geweest."

De Wedergeboorte van Nederland · 第 16 / 35 段