Op een gewichtig punt van verstrekkende gevolgen week de Grondwet af

van de Schets. Hogendorp had het erfrecht toegekend aan de mannelijke

nakomelingen. Hij had alleen het erfrecht in de vrouwelijke lijn

toegelaten voor zoover de regeling van 1747 daartoe aanleiding gaf, en

was zelfs, wat de dochter van Willem V betrof, daarvan nog afgeweken.

Dit was niet in strijd met 's mans innige verkleefdheid aan het huis

van Oranje-Nassau. Integendeel. Dat huis zoude de hooge positie van

Souverein in ons Vaderland innemen, maar dan ook geen erfrecht in de

vrouwelijke lijn,--waardoor ons vaderland gevaar liep de prooi te worden

van allerlei vreemde vorsten.

In de vergadering der commissie van 28 December 1813 kwam echter

uitbreiding van het erfrecht der vrouwelijke lijn ter sprake. Men vond

er bezwaar in de dochter van den Souvereinen Vorst, prinses Marianne,

uit te sluiten. Dit punt werd met andere punten verwezen naar eene

commissie, bestaande uit de leden Aylva, Elout en van Maanen, aan welke

commissie werd opgedragen met overleg van den Souvereinen Vorst de twee

artikelen der Schets, handelende over de troonsopvolging, in meerdere

artikelen gesplitst, in behoorlijken rechtsgeleerden stijl te vervatten.

In de vergadering van 11 Januari 1814 brengt nu deze commissie eene

redactie dier artikelen ter tafel, welke door den Souvereinen Vorst

geagreëerd was en nog in dezelfde vergadering zonder eenig debat werd

aangenomen.

Deze redactie nu brengt iets geheel nieuws. Bij uitsterving van het

mannelijk oir worden nu ook de nakomelingen van den Souvereinen Vorst in

de vrouwelijke lijnen zonder eenige beperking tot den troon geroepen.

Dit geschiedt echter niet ten opzichte van de nakomelingen zijner

zuster, evenmin als voor het huis van Nassau-Weilburg. In die beide

huizen blijft het erfrecht tot den mansstam beperkt[292].

[292] Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de Grondwet

het woord _mannelijke_ voor de nakomelingen van de douairière van

Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukking

_mannelijk oir_ voor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.

Uit den loop dezer zaak moet men wel afleiden, dat deze belangrijke

uitbreiding van het erfrecht door den Souvereinen Vorst gewenscht werd.

Hierin was ook niets vreemds gelegen. Als hoofd van een der beide

Nassausche stammen was hij Duitsch Vorst en moest hij het zeer

natuurlijk vinden, dat evenals dit in Nassau en elders in Duitschland

het geval was, subsidiair de vrouwelijke lijnen tot het erfrecht

geroepen werden. Op het Duitsche standpunt lag dan ook hierin niets

aanstootelijks. Wij waren echter gedurende meer dan twee eeuwen aan eene

andere zienswijze gewoon geraakt; voor ons was het wel vreemd dat in de

Grondwet dit onbeperkte erfrecht aan de vrouwelijke lijnen werd gegeven.

Ook thans echter vindt dit stelsel nog zijne verdedigers. Men wil

daardoor het gevaar voorkomen, dat de troon ooit open zoude kunnen

vallen, zonder dat er een opvolger aanwezig is. Maar ook het voordeel

hierin gelegen kan te duur worden gekocht. Men zou op dien grond een

erfpacht in de vrouwelijke lijn kunnen verdedigen--mits zoodanig

_beperkt_, dat men niet behoeft te vreezen de kroon te zien vallen in

handen van iemand, die aan ons land geheel vreemd is. Maar hierdoor

wordt niet gerechtvaardigd dergelijke sprong in het duister als met

het onbeperkte erfrecht in de vrouwelijke lijn gepaard gaat. Of was

wellicht de veiligheidsklep voldoende, die in art. 8 der Grondwet

geplaatst werd? Wanneer bijzondere omstandigheden eene verandering in de

erfopvolging ging mochten noodzakelijk maken, was krachtens dit artikel

de souvereine vorst bevoegd daaromtrent eene wet aan de Staten-Generaal

voortedragen. Zou dus te eeniger tijd iemand aanspraak op den troon

verkrijgen, dien men om deze of gene reden minder wenschelijk achtte,

dan kon dat op deze wijze worden voorkomen. »Zulk eene verandering",

zeide Hogendorp[293] op het met artikel 8 overeenkomende art. 24 der

Grondwet van 1815, »kan vele oorzaken hebben, en daarom is er niet eene

aangehaald. De beslissing is veelmeer geheel overgelaten aan den koning

en de nationale vertegenwoordiging in der tijd. Maar onder deze oorzaken

behoort ook, dat de kroon eens zou moeten worden overgebracht in een

vreemd huis, weinig daartoe geschikt, maar verder verwijderd van de

opvolging zoude zijn". Is waarlijk ons land, evenals Engeland, krachtig

genoeg om althans tegenover een invloedrijk Europeesch geslacht zich

dergelijke vrijheid zonder gevaar te kunnen veroorloven? Iets anders is

het echter of het in naam onbeperkte erfrecht niet ten gevolge van een

ander voorschrift der Grondwet toch inderdaad binnen engere grenzen

zoude blijken te zijn beperkt. In 1747 was het erfrecht der dochters van

Willem IV en Willem V hiervan afhankelijk gesteld, dat zij niet zouden

huwen zonder toestemming der Staten. Hogendorp stelde in zijne Schets

ook dergelijke vereischte voor de mannelijke nakomelingen van den

Souvereinen Vorst. Alleen zij zouden zijn bekwaam ter opvolging, die

gesproten waren uit een huwelijk, ingegaan met onderling goedvinden

van den S. V. en de Staten-Generaal. Toen nu aan de vrouwelijke

lijn het onbeperkte erfrecht werd toegekend, bleef dit vereischte

bestaan, doch werd nu geschreven voor alle--dus zoowel mannelijke als

vrouwelijke--nakomelingen van den souvereinen vorst. Zooals art. 2

luidt, zouden niet alleen de leden van het huis van Oranje-Nassau, maar

ook de afstammelingen daarvan door vrouwen de toestemming moeten hebben

erlangd, om het erfrecht in hun geslacht te behouden. Vreemd was

het zeker dergelijke verplichting op te leggen aan vreemde vorsten,

die misschien bij het sluiten van hun huwelijk nog zeer ver van de

successie verwijderd waren. Thorbecke noemt het dan ook eene vooral

bij mogelijke toepassing op de huwelijken van vreemde vorsten ongewone

staatsrechtelijke bepaling[294]. Nu echter eenmaal voor de vrouwen en

hare afstammelingen de deur wagenwijd was opengezet, en het dus van het

toeval zoude afhangen, welk vreemd huis binnen korteren of lateren

tijd over Nederland zoude geroepen worden te regeeren, kon door de

inachtneming van dat artikel dit bezwaar worden getemperd. Voor de hand

ligt het echter bewezen, dat het dan beter ware geweest het erfrecht in

de vrouwelijke lijn òf uittesluiten òf binnen enge grenzen te

beperken[295].

[293] _Bijdragen_ VIII, blz. 228.

[294] _Aanteekening op de Grondwet_, I, blz. 61.

[295] Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk over _de

Troonopvolging_ (Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251

en vlg.) de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de

huwelijken van de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van

de leden van vreemde huizen, door vrouwen afstammende van Willem I. De

hoofdkracht van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat

de gewone opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter

recht niet uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen

voorschrift te onttrekken?

Vreemd is het in elk geval, dat, wanneer men zich voorstelde dat alle

wettige afstammelingen van den souvereinen vorst recht op den troon

zouden erlangen en daarna nog aan het huis van Nassau-Weilburg dit recht

toekende, men de voorzichtigheid zoo ver dreef van ook nog te bepalen,

wat er zoude geschieden, wanneer geen bevoegde erfopvolging mocht

bestaan. De souvereine vorst zoude dan aan de Staten-Generaal een

opvolger voordragen, en zoo dit bij zijn leven verzuimd was of de

Staten-Generaal de voordracht niet mochten hebben goedgekeurd, zouden

de Staten-Generaal zelve tot die benoeming overgaan (art. 9-11).

Voor de duurzaamheid der monarchie was dus naar eisch gezorgd. De aard

der monarchie brengt naar de algemeen aangenomen zienswijze mede, dat

de Vorst boven allen uitsteekt, boven allen schittert; dat tegen hem,

als het hoofd der samenleving, door allen wordt opgezien. Dit alles

vereischt, dat die Vorst toegerust zij met middelen, voldoende om zijnen

staat luisterrijk op te houden. Men was daarvan, toen de regeling van

's Vorsten inkomen aan de orde kwam, overtuigd. Er was bovendien eene

omstandigheid, die er toe medewerkte, om den Vorst een hooger inkomen

toe te kennen, dan anders met het oog op de benarde financieele

omstandigheden dier dagen wellicht het geval zoude geweest zijn. Had de

Revolutie, had de tiërceering der schuld door Napoleon een bres in veler

financiën geschoten, het huis van Oranje was niet het minst in zijne

hulpbronnen gekortwiekt. Ik bedoel de verbeurdverklaring hunner goederen

binnen het grondgebied der Republiek gelegen, door de Franschen in 1795

als eene buit beschouwd en door hen afgestaan aan den Staat. Toen men

eindelijk, in overleg met den Souvereinen Vorst, het inkomen der Kroon

bepaalde op de voor die dagen aanzienlijke som van anderhalf millioen,

was het de bedoeling, die som voor een deel te beschouwen als eene

vergoeding voor het nadeel door het Vorstenhuis bij en door de

omwenteling geleden.

Zoo werd dan de monarchie hier te lande gevestigd. De _nervus rerum_

zoude haar niet ontbreken, waar het de vraag was haren luister op de

bevolking te doen afstralen. Het recht van den Souvereinen Vorst, om

niet alleen ridderorden uit te deelen, maar ook om zijne onderdanen in

den adelstand te verheffen, wat hem maakte tot de bron van alle eer,

stelde hem bovendien in de gelegenheid, zich te omringen van mannen,

uitblinkende boven hunne medeburgers en geschikt om de decoratie der

monarchie te zijn.

Kon men nog iets meer wenschen? Ja, eene zaak ontbrak nog aan den

luister der Souvereiniteit. De Vorst moest zich voorloopig tevreden

stellen met als _Koninklijke Hoogheid_ te worden aangesproken. Het woord

_Majesteit_ was nog niet voor hem weggelegd. Het tijdstip was nog niet

aangebroken, waarop de Goden dezer aarde hem als hun evenknie zouden

erkennen, het geheiligde karakter van het koningschap ook het zijne zou

zijn. Doch alle hoop bestond, dat Noord en Zuid met elkander zouden

worden vereenigd en de koningstitel dan een deel zou zijn van den

bruidschat, dien België hem zou aanbrengen. Tot zoolang bleef hij den

naam dragen van _Souvereine Vorst_, een naam, waarbij het de vraag is,

of hij niet meer een bevoegdheid aanduidde, dan wel als een eigenlijke

titel, in het verkeer der volkeren erkend, kon worden aangemerkt.

Tot dusver treedt ons de monarchie te gemoet als instelling, bestemd om

te schitteren, bestemd om op de verbeelding der natie te werken. Wat

zoude echter hare eigenlijke taak zijn? Wat zoude de Vorst doen, wat

zoude zijne macht zijn, vergeleken met die van de andere organen van den

Staat? Immers bij ons werd niet overgenomen het monarchale beginsel in

dien zin, dat Monarch en Staat met elkander vereenzelvigd werden; dat

de Vorst met Lodewijk XIV zoude kunnen zeggen: _l'Etat c'est moi_;

dat--zooals ook in Engeland het geval is, de Staat zoude opgaan in

den Vorst. De Grondwet toch onderscheidde den Staat der Vereenigde

Nederlanden van den Souvereinen Vorst[296]; de laatste was een orgaan

van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande lichaam. Hij was echter

niet dat lichaam zelf. Welke nu was zijne macht in dat Staatswezen?

Wij zien allen--ook Hogendorp--eenstemmig daarin, dat de diplomatie,

de defensie en de financiën in zijn hand vereenigd moesten zijn. De

geschiedenis van de Republiek der Vereenigde Nederlanden had het

voor elk en een iegelijk duidelijk gemaakt, welke nadeelige gevolgen

verbonden waren aan het gemis van eenheid en diensvolgens van kracht bij

het bestier der buitenlandsche betrekkingen, bij de beschikking over

land- en zeemacht, en over de geldmiddelen. Zoo ergens centralisatie

noodig was, zoo was dit hier. Zoo ergens moest hier de Souvereiniteit

der gewesten overgaan in eene gemeen gemaakte macht. Maar evenmin

wenschte men in het bestuur van de koloniën en de bezittingen van

den Staat in andere werelddeelen terug te keeren tot het stelsel der

compagnie--zonder dergelijk tusschenlichaam werd het bestuur daarover

geplaatst in handen van den Vorst. En terwijl Hogendorp--zooals wij

boven[297] gezien hebben--ten opzichte der justitie nog voor een deel

het oude wilde herstellen, de rechtspraak niet wilde ontdoen van alle

privaatrechtelijke bestanddeelen, bleef toch ten slotte met aller

toestemming het beginsel gehandhaafd, om in die rechtspraak niets anders

te zien dan een tak van bestuur, uitgeoefend namens den Souverein en

toevertrouwd aan beambten door hem aangesteld. Zoo was de volheid der

executieve macht--om Hogendorp's woorden te gebruiken[298]--toegekend

aan den Souvereinen Vorst. Hieronder was zelfs begrepen het recht van

oorlog en vrede, het recht om tractaten te sluiten, onverschillig

welke hun inhoud mocht zijn. Maar bovendien deelde de vorst met de

vertegenwoordiging des volks, met de Staten-Generaal de wetgevende

macht. De leer der elkander in evenwicht houdende machten, door

Montesquieu aan Europa gepredikt: de leer van de scheiding der

wetgevende en uitvoerende macht, elke aan een afzonderlijk orgaan

toevertrouwd, was niet meer in eere. Men begreep, dat hij, die aan het

hoofd van den Staat staat, ook 't best in de gelegenheid is, de richting

aan de wetgeving te geven, dat hem alleen de voldoende middelen ten

dienste staan, noodig om als grondslagen voor doeltreffende wetten te

dienen. Moge ook al Hogendorp, en op zijn voorbeeld de commissie, aan de

vertegenwoordiging het recht om wetten voor te stellen, behoudens eenige

uitzonderingen[299] niet hebben onthouden, de Grondwet toonde genoegzaam

aan, dat men het initiatief in den regel verwachtte van den Souvereinen

Vorst. Het formulier voor de afkondiging der wet, in de Grondwet

opgenomen[300], ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever

was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal _goedvond_ en

_verstond_, eene wet uit te vaardigen.

[296] Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de

Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als

gedaagden worden aangesproken.

[297] Bl. 132.

[298] _Ontstaan_ I, 74.

[299] Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.

[300] Art. 47.

Het lichaam, waaraan niets werd toegekend dan een aandeel in

de wetgevende macht, ontleende den naam en den vorm aan het

machtige collegie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden.

De Staten-Generaal herleefden--alleen werden de leden van Hun Hoog

Mogenden gedegradeerd tot Edelmogende Heeren. Zij herleefden als één

lichaam; aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht. Zij

zouden even als vroeger worden gekozen door de Staten der provinciën.

Maar behalve in naam, in vorm en in bron was er weinig of geene

overeenkomst. Het waren niet meer de lasthebbers der souvereine

gewesten, maar de zelfstandige vertegenwoordigers van het geheele

Nederlandsche volk. Ja, welk een klove lag er zelfs tusschen de

Staten-Generaal van de Grondwet van 1814 en het collegie, hetwelk

Hogendorp zich had geschetst, toen hij na de omwenteling van

1795, ambteloos en verdrietig, zat te mijmeren over de wijze,

waarop--wanneer eens de Revolutie overwonnen was--de Unie

moest worden hervormd. Toen ik hierboven[301] de opdracht der

Souvereiniteit aan den Prins besprak, wees ik er reeds op, dat

Hogendorp in 1795 eene hervorming van het Staatsbestuur met het

behoud van het Republikeinsch karakter mogelijk en wenschelijk

achtte. Ook nog in 1799[302] staan in de door hem ontworpene herziene

Unie van Utrecht de Staten-Generaal aan het hoofd van den Staat, aan

het hoofd van de door de Staten der provincie af te stane, gemeen

gemaakte macht. Aan de Staten-Generaal het recht, niet alleen om

oorlog te verklaren, maar ook om tractaten te sluiten, aan deze

de beslissingen der geschillen tusschen de provinciën, aan deze

de regeling der financiën. En voor zoover die door de provinciën

afgestane, gemeengemaakte macht door anderen zoude worden

uitgeoefend, zoude dit toch geschieden op naam der Staten-Generaal.

In hunnen naam zouden handelen de Erfgouverneur, Kapitein en

Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, de Raad van State,

de Hooge Raad. En al kende Hogendorp de onschendbaarheid aan den

Erfgouverneur toe, deze werd toch niet de Souverein. Hij zoude

voorzitten èn in de Staten-Generaal èn in den Raad van State, het

collegie, waaraan met den Erfgouverneur de uitvoerende of besturende

macht was opgedragen. Op deze wijze zoude er voldoende gezorgd

worden voor de eenheid in het algemeen bestuur; immers al mochten

ook de provinciën hare souvereiniteit behouden, al mochten ook de

Staten-Generaal door de Staten der provinciën gekozen worden, de

leden van dit collegie zouden, aan geene lastbrieven gebonden, toch

zelfstandig zijn in de uitoefening der bondgenootschappelijke macht,

en voor zoover noodig zoude dit klem en kracht vinden in den Hoogen

Raad, met de handhaving der Unie door de constitutie te belasten.

Van eene inrichting als deze moest Hogendorp afstand doen, zoodra

hij tot het monarchale beginsel bekeerd was, en de souvereiniteit der

provinciën op den Vorst zoude worden overgedragen. Zal men daarom

zich er over verwonderen, dat desniettegenstaande in de schets van

Hogendorp sporen zijn overgebleven van die vroegere zienswijze,

zijne Staten-Generaal nog niet geheel strookten met het monarchaal

beginsel, zooals dat werd aangekleefd door hen, wien, als er van

monarchie gesproken werd, de monarchie van Napoleon voor den geest

kwam. Wanneer men de beraadslagingen der commissie leest, dan is

het vooral van Maanen, die waarschuwt tegen de republikeinsche

denkbeelden der schets, die zegt: »zoo iets is ongevoegelijk in

eene monarchie"; die uitroept: »als dit doorgaat, is het monarchaal

beginsel weg". Dientengevolge zien wij dan ook meer dan eene bepaling

der schets, die hare verklaring vindt in de herinnering aan de oude

Republiek, in de Grondwet niet overgenomen. De Staten-Generaal zouden

ook volgens de Schets (art. 28) anders dan op het bij de Grondwet

bepaalde tijdstip niet bijeenkomen, tenzij op beschrijving van den

Souvereinen Vorst; waren zij echter bijeen, dan zoude, volgens

Hogendorp, het goedvinden der Staten-Generaal vereischt worden,

om hen weder te doen uiteengaan (art. 33). Art. 65 der Grondwet

daarentegen stelde dit laatste geheel en al ter beslissing van den

Souvereinen Vorst. De Staten-Generaal waren zijn raad; waren het

collegie, dat hem bij de wetgeving ter zijde stond, dat niet alleen

door hem in beweging gesteld werd, maar ook op zijnen wenk weder

stilstond. Waar de Staten-Generaal door art. 34 der Schets geroepen

werden, de tusschen provinciën ontstane geschillen in der minne bij

te leggen, daar gaf art. 48 der Grondwet aan den Souvereinen Vorst de

bevoegdheid, die geschillen, van welken aard ook, administratieve of

rechtsgeschillen, in eerste en laatste instantie te beslechten. Er

is nog eene andere bepaling der Schets (art. 29), die uit hetzelfde

oogpunt de aandacht trekt. Wat is op het monarchaal standpunt

natuurlijker, dan dat het hoofd van den Staat, terwijl het de

begrooting van uitgaven opmaakt en aan de goedkeuring der Vergadering

onderwerpt, tevens nagaat en voorstelt, uit welke middelen die

uitgaven zullen worden bestreden? Neen, zeide Hogendorp, het is

het best, dat het volk zich zelf belaste. En wanneer men hem op de

practische bezwaren wees, die uit de overlating dezer zaak aan de

Staten-Generaal moesten voortvloeien, antwoordde hij dat de minister

van financiën wel altijd lid van de Staten-Generaal zoude zijn,

en dus voor het opmaken eener voordracht zoude kunnen zorgen. Het

gelukte hem echter niet de meerderheid te overtuigen. Want werd eerst

al de redactie slechts in zooverre veranderd, dat de kwestie in 't

midden werd gelaten, ten slotte bepaalde toch de Grondwet, dat eene

voordracht over de middelen zoude worden ingediend, en bleef dus het

initiatief van de regeling der geldmiddelen geheel in handen van den

Vorst[303].

[301] Bl. 45.

[302] _Br. en Ged._ III, 175.

[303] Schets (art. 29, 2e zinsnede:) »Zij (de Staten-Generaal) wijzen

vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden

worden."

Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: »De Staten-Generaal

delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen

genomen worden."

Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): »Zij

raadplegen vervolgens over de _voorgeslagen_ middelen tot vinding van

dezelve" (de uitgaven).

De Wedergeboorte van Nederland · 第 15 / 35 段