Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's

bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris

zou, naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar

geheel kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in

het bijzonder slechts de leden die tot dat genootschap behoorden.

D'Alphonse verkoos het laatste, en liet aan den ambtenaar J. D.

Janssen, gewezen chef van divisie bij het Hollandsche ministerie

van eerediensten, het beraad met de afzonderlijke leden geheel

over.--Cramer verlangde voor de katholieken bisdommen te Utrecht en

Groningen en overdracht van verschillende kerkgebouwen[272].--Van

Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met onmogelijke eischen:

herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht (aartsbisdom), Haarlem,

Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg); de aartsbisschop

en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd

zonder meer ter zijde gelegd.--De Remonstranten, Doopsgezinden,

Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de

Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het

Hervormde Kerkgenootschap.--De Nederduitsch-Hervormden deden een

poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer

aan hunne geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij

verzochten voor Holland één consistoriale kerk per kanton, mits

dit kanton 3000 of meer Hervormden telde; er zouden dan toch nog

300 predikantsplaatsen komen te vervallen. Verder verzochten zij

verzekering der bestaande tractementen, en behoud van de bestaande

inrichting der diaconieën.

[272] B. v. te Amsterdam de Nieuwe Kerk, Noorderkerk en Oudezijdskapel;

te Utrecht den Dom of de Buurkerk; te Groningen de Akademiekerk (als

voor de Hervormden van geen nut meer, sedert na de inlijving der

hoogeschool bij de Fransche Universiteit het ambt van akademieprediker

was vervallen).--Dit laatste gebouw is inderdaad aan de katholieken

ingeruimd.

D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening.

Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste

eischen der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden

afgewezen. De denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij

grootendeels over. De tractementen stelde hij voor te bepalen op een

som, de in Frankrijk geldende bedragen met 1/5 te boven gaande;

de pastoralia zouden op een hoop worden geworpen en daaruit alle

tractementen worden voldaan; voor zoover zij daartoe niet toereikend

waren zou de Staat de middelen moeten aanwijzen.

Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen

kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom

in Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia

genoten, deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen

Hollandsche en Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet

te spreken van de diaconieën: »elles appartiennent au secours public,

et je ne crois pas qu'il soit dans l'intention de l'Empereur de

laisser à chaque culte l'entretien de ses pauvres."[273] D'Alphonse

bracht van deze vier wijzigingen de twee minst gewichtige aan, al

vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou vinden te

Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle eischen

der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen scheen

hem niet wel mogelijk: »Depuis longtems je pense comme V. A. que

difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de

soulager leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres

seront mis à la charge des administrations communales. Mais de toutes

les propositions que j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait

affligé davantage et qui aurait le plus mécontenté: j'ai donc cru

devoir m'en abstenir."

[273] _Ged._ VI, 965.

Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar

het liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer

was te velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had

verzoend[274] was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland

een onbegonnen werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had

mede geen haast en werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling

voor den niet-katholieken eeredienst te Parijs, Darbaud, die er vrij

wat op aan te merken had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde

zien gevolgd. Onderwijl bleef alles voorshands op den ouden voet,

maar met ééne, voor de betrokkenen uiterst gevoelige uitzondering.

[274] De Paus had de inlijving van den Kerkelijken Staat (17 Mei 1809)

met excommunicatie beantwoord.

Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had

de minister van eerediensten, Bigot de Préameneu, daarop de volle

som uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche

gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland

moest worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag,

dat op de Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met

de tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810

afgestane grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de

begrooting geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze

uitgaven in Holland moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil

in een decreet uit te drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een

merkwaardig voorbeeld van de stroefheid der hooggeroemde Fransche

administratie, zoodra er bij den Keizer, die toch ook mensch bleef,

iets haperde; en dit kwam tegen het eind zijner regeering hoe langer

zoo meer voor. Niemand die zich dan verantwoordelijk voelde of een

hand verlei zoolang die niet door een bevel der hoogere autoriteit in

beweging werd gezet. Het eene kwartaal na het andere verliep, zonder

dat de Hollandsche predikanten een duit uit de schatkist ontvingen.

Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om voorziening te

verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar enkel

om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den

Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en

dringender: »Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il

en est qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres

catholiques de ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les

protestans sont durs comme leur religion, et d'ailleurs les biens

des églises ont été rendus à l'Etat.[275] Je supplie encore une

fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans sa justice,

dans sa bonté, dans sa politique" (18 April 1811). De Keizer

antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de

godsdienstleeraars betalen? »C'est ainsi que cela a été arrêté au

budget" (21 April 1811). »On ne connaît point ici", antwoordt Lebrun,

»l'article du budget qui prescrit cette disposition. V. M. jugera

sans doute qu'elle doit être publiée" (25 April 1811). Er volgt

niets. Den 2den Juli bericht eindelijk de minister Bigot, dat hij

zich tot een herinnering aan den Keizer vermand heeft: »que S. M.

avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé fût à la

charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour

ordonner et régulariser cette mesure". Deze herinnering wordt door

den Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October

schrijft Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven

in geen geval ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook

Lebrun had zich in denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist

de Keizer bij decreet van 29 Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de

burgerlijke gemeenten gehouden zijn 1/15 van hun jaarlijksch inkomen

in de centrale agentuur der schatkist te Amsterdam te storten tot

een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der godsdienstleeraars

zullen worden voldaan; »il faut soulager", heet het in een 19 Oct. te

Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, »il faut soulager le trésor de

cette dépense qui est bien considérable"[276] Den 30sten Dec. is het

decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan

de prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele

jaar 1811 verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke

zaak niet: de gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni

1811 moet d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er

nog geen uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel

te verstaan op hun tractement over 1811! Wel is er iets gestort,

maar lang niet genoeg; trouwens al ware geen der gemeenten nalatig

geweest (Amsterdam b.v. heeft nog niets kunnen storten omdat het in

werkelijkheid de som niet voorhanden heeft), dan zou het geheele

bedrag nog niet de helft van het verschuldigde uitmaken! In Dec.

1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert, wacht Lebrun hem met het

bericht op dat de predikanten thans 1/3 van hun traktement over 1811

ontvangen hebben, en nog niets over 1812. »_Si j'avais eu quelque

pouvoir_," luidt de karakteristieke bijvoeging, »nous aurions trouvé

des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres

ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés

V. M." Nog eens 31 Maart 1813: »Je supplie V. M. de s'occuper du

traitement des ministres du culte en Hollande: la justice leur est

due, et ils la méritent par leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont

véritablement donné lieu à aucune plainte, et leurs réclamations ont

toujours été calmes et respectueuses. J'ai adressé à M. le ministre

des cultes un projet de décret qui compléterait les traitemens

de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et

jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces

départemens".--Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan

het hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk

aan d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de

hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het

gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige

bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt

eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar:

600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige

pastorie geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van

19 Jan. 1814, de betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot

31 Dec. 1810 gebruikelijk, herstelde![277] Dat overigens de Vorst

van den aanvang af niet vreemd was van het denkbeeld, de kerkelijke

politiek zijner voorgangers voort te zetten, bewijst het 4de art. van

dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche Zaken gelast »zorg

te dragen dat door combinatiën en afschaffing van predikantsplaatsen,

overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van de godsdienst

kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden."

[275] Wel te verstaan die bedoeld in het decreet van 1808.

[276] _Ged._ VI, 209.

[277] _Ontstaan_ I, 302. De herstelling betrof niet alleen de

tractementen van leeraars der Hervormde Kerk, maar ook »de toelagen

welke tot 31 Dec. 1810 aan eenige leeraars van andere kerkgenootschappen

zijn geaccordeerd geweest."

* * * * *

_Met ééne uitzondering_ (hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt

blijkbaar Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant

was.

* * * * *

_Haar onderhoud_ (hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, »in zoo verre

de geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken".[278]

* * * * *

_De stemmen staakten_ (hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de

mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr.

1813[279], dat omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke

toelating tot ambten en bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt:

volgens hem is die verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel

blijkt zoowel uit de aanteekeningen van Röell als uit die van van

Maanen. Trouwens waartoe zou de president de conclusie tot de

aanwezigheid van van Heerdt en van der Duyn hebben uitgesteld, indien

de stemmen op 2 Febr. _niet_ hadden gestaakt? Wanneer dan ook van

Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die waarover de stemmen hebben

gestaakt,[280] volgt er geen protest van den voorzitter; en 1 Maart

noemt deze zelf het artikel een punt »omtrent welk de stemmen

gestaakt hadden".[281]

[278] _Ontstaan_ I, 55.

[279] _Ontstaan_ I, 359.

[280] _Ontstaan_ I, 428.

[281] _Ontstaan_ I, 482.

* * * * *

_Beslissing van den Souvereinen Vorst_ (hiervóór, bl. 120). Zie

_Ontstaan_ I, 482 en II, bl. CXXI, doch vooral _Br. en Ged_. V, 87:

de Vorst besliste voor opneming der beide bepalingen, hoewel die

omtrent zijne religie hem persoonlijk niet aangenaam was[282]. De

oude heer van Aylva maakte er echter eene gemoedszaak van, en zeide

dat zoo deze bepaling niet opgenomen werd, een aantal notabelen

alleen daarom de Grondwet zouden verwerpen. De aanstaande vereeniging

met België maakte veel Protestanten voor de toekomst beducht.[283]

[282] Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan den indruk in België.

[283] »Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen, zullen

wij gereformeerden het onderspit delven" (van Lynden in de vergadering

van 21 Jan. 1814; _Ontstaan_ I, 278).

* * * * *

_Het is waarschijnlijk_ (hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de

beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van

zeer grooten invloed is geweest,[284] doch er is geen het minste

bewijs voor Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art.

137 in de Grondwet zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst.

In de stukken tusschen den Vorst en die commissie of tusschen den

Vorst en Hogendorp gewisseld wordt de zaak niet behandeld. Onder

invloed van het besluit van 19 Jan. zal de commissie van redactie tot

het inzicht zijn gekomen dat het niet aanging den waarborg, daarin

voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te bevestigen, en den

waarborg voor de anderen niet.

[284] _Ontstaan_ I, 296.

* * * * *

_Doode letter_ (hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat

Tellegen deze uitdrukking gebruikt.[285] Uit de niet-wederopneming

van den »grondregel" van 1798: »Elk burger heeft vrijheid, God te

dienen naar de overtuiging van zijn hart", in de constitutiën van

later tijd, kan ik geenszins het gevolg trekken dat deze regel sinds

1801 »dood" was. Het wemelt in den aanhef der staatsregeling van 1798

van »algemeene beginselen" en »grondregels" wier invloed voortduurde,

ook al werden zij in latere constitutiën niet weder opgenomen.

[285] De eerste maal hiervóór, bl. 115.

* * * * *

_Art. 139 der Grondwet_ (hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich

door te meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel

heeft bewerkt. De vervanging van art. 62 der _Schets_ door het

artikel van 2 Febr. is het werk der volle commissie[286]; het artikel

van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet verscherpt door de commissie

van redactie, zonder dat van eenige tusschenkomst van den Vorst

blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit heeft bewerkt:

reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van inzage

waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde genootschappen

zullen zijn onderworpen[287].

[286] _Ontstaan_ I, 318-'19.

[287] _Ontstaan_ I, 270.

* * * * *

_Heerlijke rechten_ (hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling

van 1798 had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd,

doch art. 15 van die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan

de waarde van eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden

gederogeerd, aan herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon

zich tot het Staatsbewind vervoegen, dat naar bevind van zaken de

afschaffing of verbetering dier wetten, benevens eene billijke

schadeloosstelling, aan het Wetgevend Lichaam zou voordragen.

Dientengevolge regende het adressen, en diende het Staatsbewind eene

(bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven) wet in, waarbij de

heerlijke rechten hersteld werden »voor zooverre zij niet met de

staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren", en voor het

gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor

den bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene

schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie,

te voldoen door de bekleeders der posten waarvan de begeving te

voren inkomsten had opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der

staatsregeling van 1805 nam art. 15 van die van 1801 met geringe

wijzigingen over, zoodat eene wettelijke regeling nogmaals in

uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in de allerlaatste dagen van

Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en die door den minister

van binnenlandsche zaken, van Stralen, was ontworpen. Rechten van

aanstelling der leden van gemeentebesturen of rechtbanken, door

eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend, bleven voor altijd

vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk patronaatrecht

werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong namen

uit »het leenrecht", dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef

afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de

particuliere belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te

nauwernood bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste

onzekerheid een einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking

der nieuwe instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek

te kunnen worden gehandhaafd.

Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk

Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door

andere bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van

wetgeving van den »Conseil pour les affaires de Hollande" herinnert

in haar advies van 21 Aug. 1810[288] aan het beginsel der bestaande

wetgeving: alle heerlijke rechten _die in strijd kwamen met

bestuursrechten van den Staat_, waren afgeschaft. De tienden (ook

soms als accrochement van een ambachtsheerlijkheid voorkomende)

vielen niet onder dit begrip, en waren nog onlangs bij de adaptatie

van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk Holland gewaarborgd.

In overeenstemming met den wensch der sectie bepalen twee artikelen

van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de tienden en andere

grondrenten in Holland invorderbaar blijven overeenkomstig de

bestaande wetgeving; »il sera statué ultérieurement sur la faculté

de racheter les dites dîmes et rentes". Deze afkoopbaarstelling is

inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn

III, 539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij

besluit van 22 Oct. 1814 (_Staatsblad_ no. 103).

[288] _Ged._ VI, 1442.

Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er

geene, die de heerlijke rechten betreffen.

* * * * *

_Wellicht_ (hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de

stukken geen bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking

maakt waaruit is af te leiden dat hij zich niet in elke provincie

eene ridderschap denkt[289], stemt vóór de insertie. Tegen de

insertie stemt van Lynden, die geen landelijke stand wil behalve in

Friesland.

[289] _Ontstaan_ I, 411.

* * * * *

_Besluit van 26 Maart 1814_ (hiervóór, bl. 134). Op wat grond de

Bosch Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt »op

aandrang van van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in

de commissie voor de grondwet verdedigde"[290], is mij onbekend. De

mededeeling is in ieder geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen

»eerste minister", maar minister van buitenlandsche zaken; secundo is

er geen letter over de zaak gewisseld tusschen hem en den Souvereinen

Vorst; tertio is, blijkens de stukken zelve op het Kabinet der

Koningin, trouwens ook reeds blijkens het boekje van van Akerlaken,

het besluit het werk van Hendrik van Stralen, den auteur der wet van

9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van binnenlandsche zaken

was. In de commissie kan het besluit als zoodanig natuurlijk niet

verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de commissie hare

laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de Bosch Kemper

de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin juist. Ik denk

dat hem art. 45 der _Schets_ voor de gedachte heeft gezweefd.

[290] _Letterk. Aant._ 464.

* * * * *

_Ook op andere punten_ (hiervóór, bl. 136).--Zie voor het vroeger

overleg tusschen den Vorst en Hogendorp hiervóór, bl. 96; voor

het hier door Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zie

_Ontstaan_ II, bl. CXVIII vv. en I, 438 vv.--Behalve op het punt

van den godsdienst was de inmenging vooral voelbaar op het punt der

militie; zie daarvoor de aanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee

punten waar Tellegen invloed van den Vorst vermoedde, is daarvan niet

gebleken (hiervóór, bl. 149 en 150).--Twee belangrijke punten komen

bij het volgende hoofdstuk ter sprake: de Raad van State en de

verkiezing van leden der Staten-Generaal.

V.

DE REGEERINGSVORM.

Wij slaan de Grondwet open, om, ingelicht door de beraadslagingen

der commissie, de omtrekken van het staatsgebouw der Vereenigde

Nederlanden te leeren kennen. Een onderwerp, dat bij het bespreken

van den adel en de ridderschappen, bij de beschouwing van stad en land

hier en daar door ons aangeroerd, eene meer opzettelijke behandeling

verdient. Toen de commissie aan het werk toog, stond ééne zaak vast:

de souvereiniteit gevestigd in het huis van Oranje-Nassau. Het

monarchaal beginsel werd gehuldigd. De souvereiniteit zoude bij

erfopvolging overgaan en de maxime van het Fransche recht: _le Roi ne

meurt pas_, zoude, zei Hogendorp[291], ook hier rechtens zijn. De troon

dus geen oogenblik ledig en de orde in den Staat dus niet door eenig

tusschenbestuur in gevaar gebracht. Wie zoude echter geroepen zijn, den

opengevallen troon te bezetten? Hogendorp--en dit kon op zijn standpunt

moeilijk anders--knoopte het erfrecht vast aan de opdracht van het

Erfstadhouderschap in 1747. Het waren de afstammelingen van Willem IV,

die overeenkomstig die opdracht achtereenvolgens door hem tot den troon

werden geroepen. Toen die opdracht geschiedde, had Willem IV nog geen

zoon; slechts éene dochter. Prinses Caroline was geboren den 28sten

Februari 1743; eerst den 8sten Maart 1748 aanschouwde de latere Willem V

het levenslicht. Zoo kwam het dat men het erfrecht niet alleen toekende

aan het mannelijk oir, de mannelijke agnaten van Willem IV, maar bij

ontstentenis van dezen ook aan de dochters van zijn zoon, met haar

mannelijk oir, en daarna op gelijke wijze aan zijne eigene dochters.

Echter onder bijvoeging van zekere bepalingen die de nadeelen, verbonden

aan den overgang van het Stadhouderschap in een vreemd huis moesten

temperen. Dit ambt mocht niet te gelijk bekleed worden met de

waardigheid van Keurvorst of Koning; de dochters mochten niet huwen

zonder consent der Staten. In overeenstemming met de regeling van 1747

wordt dan ook in de Schets (art. 1 en 2) het erfrecht toegekend eerst

aan de mannelijke nakomelingen van den Souvereinen Vorst, het eenige

mannelijk oir van Willem IV; daarna aan het mannelijk oir van wijlen

zijne dochter prinses Caroline, gehuwd geweest met den prins van

Nassau-Weilburg. Het laatste zou ongerijmd zijn geweest, had Hogendorp

niet gemeend het voorbeeld van 1747 te moeten volgen. Vreemd is

het echter dat hij in zoover van die vroegere regeling afweek,

dat hij met stilzwijgen voorbijging de kinderlooze douairière van

Brunswijk-Luneburg, de eenige dochter van Willem V, die volgens het

in 1747 bepaalde, zelfs zou hebben moeten voorgaan aan het huis van

Nassau-Weilburg. Ik weet daarvoor geene andere reden te vinden dan deze,

dat het bijna ondenkbaar was, dat zij den stam van den souvereinen vorst

zoude overleven, en het bovendien hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij

nog mannelijk oir zoude nalaten. Het was echter een verzuim, dat door

de commissie hersteld werd, en deze douairière kreeg dan ook met hare

wettige nakomelingen eershalve hare plaats in de Grondwet (art. 6).

Eveneens had Hogendorp nagelaten de orde der erfopvolging te regelen.

De commissie vulde die leemte aan door te bepalen, dat binnen elk dier

drie huizen de erfopvolging zoude geregeld worden naar het beginsel van

eerstgeboorte en representatie.

[291] _Ontstaan_ I, 74.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 14 / 35 段