Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen vorst. Eene

herstelling van het oude was, met het oog op zijn lievelingsdenkbeeld,

te heerschen over noord en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den

godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus inzag, is zeker. Maar

ook afgezien van de vereeniging met België, zoude eene herstelling der

oude aristocratie met hare heerschappij te platten lande, even als eene

restauratie der stedelijke oligarchie, voor hem zijn geweest eene bron

van voortdurende tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van dezen

invloed van den souvereinen vorst op het stuk van den godsdienst het

bewijs kan leveren, zoo laat het zich aannemen, dat hij ook op andere

punten in den geest der nieuwe beginselen op de leden der commissie

heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg, om in te zien dat--nu hij

eens souverein was--het voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er

tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten bestond, zoodat hij met

een krachtige hand, door geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd,

over hen kon regeeren.

En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing van den regeeringsvorm

der weder opgestane Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten worden

opgenomen in de grondwet.

* * * * *

_De blijde boodschap_ (hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen

Kerk en Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale

Vergadering van 5 Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst

langzamerhand in hare gevolgen gekend.

De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het

volgende. »Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de

overtuiging van zijn hart" (art. 19). »Geene burgerlijke voordeelen,

of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel

gehecht" (art. 20). »Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud

van zijnen eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten" (art. 21).

Bij de additioneele artikelen werd bepaald, dat de predikanten der

voormaals heerschende Kerk gedurende drie jaren na de aanneming der

staatsregeling de gewone tractementen uit 's lands kas zouden blijven

genieten, »ten einde de gemeenten in dien tusschentijd de noodige

schikkingen maken tot derzelver verdere bezoldiging" (art. 1);

dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren die

tractementen waren betaald[258], nationaal werden verklaard, om na

verloop van die drie jaren te worden aangelegd »tot een vast fonds

voor de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen"

(art. 4); dat alle andere goederen, bij gift, erflating, inzameling

of aankoop door eenig kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven

verzekerd (art. 5); dat de kerkgebouwen en pastorieën der voormaals

heerschende Kerk ter beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk

bewind, om deswege binnen de zes maanden na de aanneming der

staatsregeling een vergelijk te treffen op dezen voet, dat de

onderscheiden kerkgenootschappen, naar verhouding van het aantal

harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent de naasting der

gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in eens of

bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).

[258] En die sedert de Hervorming in beheer waren bij den Staat. Zie

voor een kort overzicht van den rechtstoestand dier goederen Buys'

_Grondwet_ II, 523 vv.

Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij

de onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge

verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling

van 1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk

lieten de additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de

beroeping van predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden

van kerkelijk bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min

of meer actieve rol had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte

letter) der Staatsregeling liet dit alles aan de voormaals

heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt niet in staat

bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke

verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke

gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden

afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April

1800, dat »de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig

den geest der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder

Kerkgenootschap in den zijnen" overliet. De uiterst weinig

gepreciseerde bepaling omtrent het verdeelen der kerkgebouwen gaf

bijna overal aanleiding tot hoogloopende geschillen; de plaatselijke

besturen wisten niet waaraan zich te houden, en meestal handhaafden

zich de hervormden in hun bezit[259]. Ook leek het er niet naar dat

hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden hebben

getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het

moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast,

dat ieder persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende,

zich moest doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. »Voor ieder

Kerkgenootschap wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud

van deszelfs dienaren en eigendommen eene jaarlijksche gift

gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som,

achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij de wet nader

zal worden vastgesteld" (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot stand

gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij

de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen

nog uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen

betreft, bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van

wat het op 1 Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in

het voordeel der hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch

na, ook waar zij ver in de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan

andersdenkenden hadden afgestaan. Het wederinrichten trouwens van

oude kerkgebouwen voor den Katholieken eeredienst was geen geringe

zaak, en daar hun bovendien bij overneming een slecht omschreven

uitkeeringsplicht boven het hoofd hing, en daarbij de mogelijkheid

van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel ook door de

Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek echter

de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke

belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde

men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te

verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen

hoogst twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich

op 1 Jan. 1801 hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche

genootschappen en de katholieken was het artikel niet noodig: zij

voorzagen immers van oudsher in eigen behoeften, en bleven dit doen

zonder dat de Staat er zich mede bemoeide.

[259] Zooals G. K. met welgevallen aanhaalt in zijne _Aanmerkingen_

(_Ontstaan_ I, 61): »De Hervormde Kerk heeft zoo diepe wortelen onder

onze natie geschoten dat het misnoegen van andere gezindheden haar niet

benadeeld heeft, toen er gelegenheid toe geboren scheen."

De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het

bestuur, die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan

de voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten,

en handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het

genot der predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het

beginsel der volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig

aanhangers meer. Het voor de regeering uit een oogpunt van handhaving

der publieke orde nog altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap,

het Hervormde, bleek tegen de taak van volledig zelfbestuur in het

geheel niet opgewassen, en aan de genootschappen die er wel toe

opgewassen waren gunde de Staat toch eigenlijk het volle zelfbestuur

niet. Wel desnoods aan de kleinere protestantsche genootschappen,

in wier toestand door de Revolutie (afgezien van het verwerven der

burgerlijke rechten voor hare leden) eigenlijk weinig verandering

gekomen was;--maar, vooral sedert de invoering van het Concordaat

in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden daarginds zoo sterk

afstekende volkomen onafhankelijkheid van het Nederlandsche

Katholicisme bedenking.

De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad

radicale verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan

recognitiën en afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating

hunner priesters, in de plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen,

in beginsel onvrij zelfs in de uitoefening van hunnen eeredienst,

waren zij op eenmaal in volle vrijheid gesteld; eene vrijheid die zij

zich ook volkomen waardig toonden. Echter bleef hunne kerkinrichting

zooals die ten tijde der verdrukking was geweest: de geestelijken

hadden het karakter van missionarissen, stonden in geen vast geordend

plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt aan een

_superior missionis Batavae_ die buitenslands (tot 1794 te Brussel,

thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed

der geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard,

dagelijks bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het

voorbeeld van Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het

denkbeeld eener door het Staatsgezag te erkennen organisatie der

Katholieke kerk in Nederland, eene zaak waartoe van der Palm,

als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche Zaken onder de

staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd heeft,[260] en

waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden komen. Hing

dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den Katholieken

boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden voor hen

te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit de

volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen,

waren zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van

1801 en 1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans

in de oude zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige

Katholieke lid van het Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in

1803 niet door een geloofsgenoot vervangen.

[260] Hij ontwierp een bisdom Amsterdam dat de geheele Republiek zou

omvatten. De bisschop, die resideeren zou te Delft, zou benoemd worden

door het Staatsbewind, »mits overeenkomstig de wetten en voorschriften

der Roomsch Catholieke Kerk;" te Breda zou de opleidingsschool voor

geestelijken worden gevestigd, te subsidieeren door den Staat (_Ged._

IV, bl. LXXIV.)

Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien

der verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de

artikelen betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en

1806. »De materie zoo gecompliceerd zijnde," schrijft van der Palm

kort vóór de Staatsregeling van 1805, »is het onmogelijk deswegens

één algemeen werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen

de weg worden opengelaten, om daaromtrent al datgene door den

Staat te doen verrichten, wat het algemeen welzijn vordert."

In overeenstemming met deze leer bepaalt de Staatsregeling van

1805, dat »het gouvernement zoodanige maatregelen neemt, welke de

bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking

tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen," en die van

1806 nog strenger: »door het gezag van Koning en Wet wordt bepaald

al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie,

de bescherming, en de uitoefening van alle eerediensten."

In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming

hunner bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of

verleend; in 1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het

door den staat beoogde gebruik te maken; in 1805 en '06 afkondiging

eener staatsvoogdij.

Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de

invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen

voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak

in overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel

eener algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid,

die heel wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder

gebracht dan tot het door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808,

dat de hervormde predikanten in het genot hunner tractementen

handhaaft, doch bepaalt dat ook aan de geestelijken van andere

gezindten in het vervolg staatstractement zal worden toegelegd;

de kerkelijke goederen en fondsen thans onder publieke beheering,

waaruit tot dusver tractementen aan de geestelijken werden betaald,

gaan over aan de publieke schatkist; ten aanzien van de kerkgebouwen

zullen schikkingen plaats hebben, welke het »meest overeenkomen met

de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere

stad of plaats;" geestelijken kunnen niet benoemd worden tot leden

der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs, of van eenig

wereldlijk armbestuur.

Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings

regeering niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809

en 1810 komen inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het

katholieke en van het luthersche kerkgenootschap[261]; hier en daar

is een leegstaand kerkgebouw (als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de

katholieken ingeruimd; consuleerende commissiën uit de geestelijken

der verschillende kerkgenootschappen werden ingesteld om door de

regeering bij het ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap

te geven organisatie te worden geraadpleegd. De katholieke commissie

adviseerde o.a. tot oprichting van staatswege van gymnasia en van

een hoogeschool uitsluitend voor katholieke jongelieden bestemd,

terwijl de opleiding van aanstaande geestelijken geheel buiten

staatsinmenging zou blijven. De opvolgende ministers van eeredienst,

Mollerus en van der Capellen, bestreden dit denkbeeld, en

laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit aan een

der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen, waarbij

dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden

opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze

zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I,

kwam onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde

organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens

Willem I zich zou aantrekken.

[261] Vgl. de noot hiervóór, bl. 116.

Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder

eenige bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook

bij katholieken. Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug.

1808 werd door den predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels

straf over den koning ingeroepen; terzelfder tijd verscheen

eene »_Brevis disquisitio_ circa constitutionale obedientiae et

fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik zweer gehoorzaamheid

aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning", waarin aan het

gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het aanspraak

maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten

verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen

eed voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van

het verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk

in al haar betrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken.

Maar de groote meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen

kwaad, en juichte het toe dat de eenige macht die daartoe in staat

scheen, orde stellen ging op de sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde

geloopen kerkelijke zaken.

De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te

brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook

metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor

in het ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij het

kabinet des Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten

ook boven den Moerdijk. Redacteur der _Koninklijke Courant_ werd na

eenigen tijd een Jood (J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie

van eerediensten een andere Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel

waren deze benoemingen zoo wel gegrond, dat men er onmogelijk

aanstoot aan nemen kon.

De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote

vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote

beginsel van gelijkheid uitgesproken,[262] maar was de practijk ver

achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der

Joden zelf, waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken

vasthield. Het uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare

natie ondergaan. De meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan

het openbare leven, werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten

verloochend en uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de

Hoogduitsche synagoge tot groote oneenigheid gekomen; de liberale

Joden scheidden zich af en vormden een eigen godsdienstige

gemeenschap. Ook in Frankrijk was het vraagstuk van de opneming der

Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd aan de orde van den dag.

Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in December 1806 het Groot

Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden van de synagogen in het

Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat ook door drie

vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd bijgewoond.

Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in

Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig

verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te

helpen verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen

naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens

werden de geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door

dezelfde beginselen te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers

als broeders te leven. Op uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam

eerlang tusschen de orthodoxe en de liberale leden der Hoogduitsche

synagoge te Amsterdam eene hereeniging tot stand, die door een

koninklijk goedgekeurd reglement bevestigd werd. Voorts werd bij

een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808 een opperbestuur over de

gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het Koninkrijk ingesteld,

waarin de liberale elementen ver de overhand hadden, en dat op

velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende

burgermaatschappij krachtig bevorderde.

[262] Decreet der Nationale Vergadering tot inlijving der Joden bij de

Bataafsche natie (2 Sept. 1796.)

* * * * *

_De eerediensten onder het Keizerrijk_ (hiervóór, bl. 116). De

negende titel van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft

den bestaanden toestand. Daarentegen bepaalt een decreet van 29

Oct. 1811: »en 1812 tous les cultes seront organisés en Hollande

conformément aux lois de l'Empire". Eene commissie, uit geestelijken

van verschillende gezindten bestaande, zal te Amsterdam bijeenkomen

onder voorzitterschap van een Keizerlijk commissaris, om de nieuwe

organisatie der kerkgenootschappen voor te bereiden en een ontwerp

te maken van kerkelijke indeeling. De commissie werd benoemd 24

Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek[263], een jansenist[264],

twee nederduitsch hervormden[265], een waalsch hervormde[266], een

remonstrant[267], twee lutherschen[268] en een doopsgezinde[269].

Keizerlijk commissaris werd de intendant van binnenlandsche zaken

d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de Fransche wetten op

het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren afgekondigd en zonder

bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men toegegeven had dat de

Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.

[263] Den Amsterdamschen aartspriester Cramer.

[264] Den Amersfoortschen pastoor van Os.

[265] Den oud-minister van eerediensten Mollerus, en den Leidschen

hoogleeraar (gewezen predikant) te Water.

[266] Den Haagschen predikant Delprat.

[267] Martinus Stuart, predikant te Amsterdam.

[268] Een uit Holland (Eberbach), en een uit Oost-Friesland

(Kniphausen).

[269] Den Amsterdamschen hoogleeraar Koopmans.

Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen;

daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend

nederduitsch hervormd predikant in kwam: »parmi les ministres

réformés hollandais, il n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou

puisse aisément traiter". Hij wist dat het den Keizer, behalve om de

invoering van het Concordaat, vooral om bezuiniging te doen was: de

protestanten moesten tot één of ten minste tot weinige genootschappen

worden vereenigd onder een centraal bestuur dat geheel van den Staat

zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst onstaatkundig zou zijn dit

te willen doordrijven. »Les réformés hollandais sont tout hollandais;

n'en connaissent que le langage et les moeurs; ils n'ont de

communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune

influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie

des wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à

attendre, et une discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le

wallon, plus français, se pique d'une éducation plus distinguée,

de liaisons plus élevées, d'une façon de vivre et de converser plus

élégante: il y a plus de tendance vers notre caractère et nos goûts.

Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à leurs prêches,

et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il y

a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à

laisser les églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des

églises consistoriales".[270] De remonstranten bij de hervormden in

te lijven zal den hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij

zijn zóó weinig in getal, dat het veel eenvoudiger is hen te laten

bestaan: zij zijn voor het gouvernement geheel onschadelijk. Ook de

doopsgezinden moet men liever ontzien: »ils ont des principes plus

libéraux et plus larges que les calvinistes. Leur nombre va en

augmentant, et si on les laisse faire, ils pourront absorber une

grande partie du culte protestant." De lutherschen in Holland met

die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur te

brengen, zal niet lukken: »l'Ems oriental est mal disposé pour tout

ce qui leur vient de la Hollande". Een gedwongen vereeniging der

hersteld- met de evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: »ces

gens-là se haïssent cordialement, et je ne crois pas qu'ils se

réunissent". Maar de hersteld-lutherschen zijn zóó weinig talrijk,

dat zij in het geheel niet van een erkend bestuur behoeven te worden

voorzien: »on pourra ne pas reconnaître leur existence". Hetzelfde

beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche gemeenten. Ook

voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men aan de

Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen en

op pensioen stellen; »tout le reste serait censé perdu dans le grand

troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence.

Puisque les jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils

soient mêlés avec la majorité". Wat de Katholieken zelf betreft,

vindt Lebrun het ongeraden, den bisschop of de bisschoppen die Z. M.

hun wil geven, in Holland te laten resideeren: »peut-être il en

résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-le-Duc pourrait l'être

de la Hollande".[271]

[270] Eene Ȏglise consistoriale" (met een volledige organisatie van

predikant[en] en ouderlingen toegeruste kerk) was in Frankrijk slechts

toegestaan op elke 6000 hervormden.

[271] Lebrun aan den minister Bigot de Préameneu, 12 en 28 Nov. 1811

(_Ged._ VI, 788 vv.).

De Wedergeboorte van Nederland · 第 13 / 35 段