Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven, omdat ik mij zoo lang heb

bezig gehouden met de wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige

zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander onderscheid, dat

de Republiek der Vereenigde Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid

van meer algemeenen aard--men zoude bijna zeggen: van een meer algemeen

menschelijk karakter, dan het verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge

of lage geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de afscheiding

van nationaliteit en godsdienst, de daardoor te weeg gebrachte klove

tusschen de zonen van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen

zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te staan, dat

de oude wereld er zoo goed als vreemd aan was. Met de geboorte en hare

onderscheidingen is het niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne

gevolgen in de oude zoowel als in de nieuwe wereld doen gevoelen. Hierin

zal geene verandering komen, zoolang de familie de grondslag blijft der

maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt op zijne leden.

Zoolang zal een overgeërfde naam in deze wereld veel voor hebben,

zoolang zal het voor een _homo novus_ meer krachtsinspanning vereischen

om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het zoude dwaas zijn, de

oogen te sluiten voor dit verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet

alleen vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te noemen,

maar waarvan bijna geen klasse der maatschappij bevrijd is. Iets anders

is het echter, of de Staat door zijne instellingen nog datgene moet

versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van nature meer is

bevoorrecht. Ook dit toch ziet men niet zelden gebeuren. Het natuurlijke

privilegie wordt dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt

zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel behoorde te zijn

van natuurlijke omstandigheden. Hoe stond het met dit alles in de

Republiek der Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te behooren tot

de patricische familiën in de steden; onder de heeren te worden genoemd,

die tegenover de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en al

gesloten was die kring niet. In buitengewone omstandigheden, zooals

b. v. in 1748 te Amsterdam het geval was, werd aan nieuwe geslachten

de toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw meer verouderde

en verviel, des te sterker werkte de kastegeest. Er bleef om in de

regeering te komen bijna geen ander middel over dan het aangaan van

een huwelijk met eene regentendochter[249]. Vreemd was die geest van

uitsluiting niet. Men bedenke toch, dat het niet alleen eene eer was,

tot dien bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de stedelijke

en provinciale en generaliteitsbetrekkingen de buit waren, die onder

de leden van dien kring werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet

alleen eene eer, het was bovendien een op geld waardeerbaar voorrecht.

Wat nu de patricische familiën waren in de steden, dat waren in de

meeste provinciën de edelen te platten lande. Het is bekend, dat

de afzwering van Philips en de invoering van den Republikeinschen

regeeringsvorm dien stand langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen.

De oude familiën stierven uit, en er was geene macht in den Staat, om

den adeldom te verleenen. Wat het gevolg hiervan was, blijkt uit niets

duidelijker, dan uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen

in de Ridderschap van Holland beschreven niet meer bedroeg dan tien, en

hieronder waren er vier Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak

beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland en Overijsel

had de adel zich weten in stand te houden en een door haar getal

aanzienlijke ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de menschelijke

zucht, om, zij het dan ook alleen door uiterlijke onderscheidingen,

boven zijn naasten uit te blinken, zoekt allerlei middelen om dit

doel te bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de meesten op

verjaring[250] en hadden ook de edelen van dat slag zich een aandeel in

het bestuur weten te verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop

per fas et nefas in 't bezit van de regeeringsrechten waren gekomen,

zich _Jonkers_ noemen en werden zij in de wandeling als adel behandeld.

Bij die allen echter was de adel òf verbonden met voorrechten òf een

uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de zoogenaamde Nobiles

diplomatici, waarmede Bijnkershoek den draak steekt. Men trachtte

van vreemde souvereinen een adellijken titel te verwerven. Er is

tegenwoordig, zeide hij, zulk een overvloed van die soort van baronnen

en graven, dat wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft dat

koopen van vreemden adeldom wel eens trachten te beletten, maar waarom

zouden wij die lieden dit genoegen niet gunnen, indien zij er op belust

zijn, indien zij zoo dwaas zijn, _emere fumum_?[251] Was het echter wel

alleen rook die gekocht werd of opende het in de vorige eeuw ook den

toegang tot de hoogere kringen en was het ook eene aanbeveling voor het

bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet beslissen.

[249] Men denke aan van de Spiegel en zijn huwelijk met eene

burgemeestersdochter. »Haar betrekking", zegt Fruin (_Verspr. Geschr._

V, 217), »tot de Goesche Regenten-families opende den bruidegom eene

loopbaan, waarvoor zijn talenten en verworven kennis hem bestemden, maar

die hem zonder deze verzwagering toch gesloten zou zijn gebleven".

[250] U. Huber, _Hedend. Rechtsgeleerdheid_, I, c. 4, no. 27-31:

no. 29: »In vrije regeeringen wordt zij (de oorzake van den adel)

afgenomen uit een langdurige benaminge van het volk, als bij wijze

van _prescriptie_; gelijk bij ons in vele geslachten."

30. »Wij meenen, dat sulk een slach van adel in een vrij land so goed

is, als die in andere landen bij speciale vergunningen wordt verkregen,

omdat het volk alhier 't selve recht heeft, dan elders de princen, ende

dewijl allerhande gerechtigheden door laps van tijd verkregen worden, is

er geen reden, waarom de edeldom in dier voege niet soude konnen

verkregen worden."

[251] _Questiones Juris publici_, II, c. 25.

Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van werkelijke en

nagemaakte edelen, van edelen met en zonder voorrechten een einde

gemaakt? Ja, allen werden nu burgers. Alle leden der maatschappij

hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der inleiding), zonder

onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke

aanspraak op derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger boven

den ander (tot ambten en bedieningen) mocht alleenlijk gegrond zijn op

meerdere deugd en bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche

Republiek kende het instituut van den adel niet, evenmin als het aan de

patricische familiën nog voorrechten verzekerde.

Was daarmede het onderscheid der geboorte verdwenen? Niemand zal dit

verwachten. Onder gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver boven

de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier handen de regeering was,

ook, voor zoover bruikbaar, deel aan het staatsbestuur hebben blijven

nemen; nu kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij, die

dit belette. De voorstanders van het oude regeeringstelsel werden

uitgesloten door den val van dat stelsel; zij konden, wat van iederen

staatsburger geeischt werd, niet _verklaren_ hunnen onveranderlijken

afkeer van het _stadhouderlijk bestuur_, het _foederalismus_ en de

_aristocratie_ (art. 11 der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het

ook wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het aanbod van

ambten de vraag schijnt overtroffen te hebben, zoodat men genoodzaakt

was de straf van verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die,

bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht vorderen, een ambt zonder

voldoende redenen meenden te moeten weigeren[252]. Een toestand, die

echter niet lang duurde. Na de invoering der grondwet van 1801, na

die van de grondwet van 1805 en vooral na den dood van Willem V en de

troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806, hadden velen van de oude

edelen, velen uit de patricische geslachten, zich verzoend met het

bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de mannen van 1795 weder

in de regeering gekomen. Ja, viel hun niet spoedig het leeuwendeel te

beurt? Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als instelling,

werd hersteld bij de wet van 22 April 1809. Zooals koning Lodewijk

later zei, deed hij dit ter belooning van den ouden adel, die hem over

het algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer wet was echter

van korten duur. Zij moest den 18den Februari 1810 reeds worden

ingetrokken, ter voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals in

de hollandsche maarschalken, daarin waarschijnlijk zag een caricatuur

van de keizerlijke instellingen[253]. Want ook in Frankrijk was de adel

herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven, maar ook met een

erfelijk karakter, mits verbonden met een majoraat, werden door den

keizer erkend. En zoo verrezen ook hier te lande de _Comtes et Barons

de l'Empire_. Men was dus bij ons op den smaak gekomen der uit de wet

voortvloeiende onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter belooning

van persoonlijke verdiensten bracht ons de heerschappij van Lodewijk en

van den keizer, maar ook de wettelijke onderscheiding der geslachten

kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet vergeten te

worden: de voorrechten, aan het onderscheid van geboorte verbonden,

herleefden niet--het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef ook

onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.

[252] Decreet van 19 Jan. 1799. Zie ook art. 14 der staatsregeling van

1798 en art. 8 van het daarbij behoorende reglement B, benevens art. 5

van het reglement C.

[253] _Geschiedkundige Gedenkstukken_, III, 38, 178.

Toen nu met de herwinning onzer onafhankelijkheid de monarchie in het

huis van Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te spreken,

dat er daarnevens of daaronder ook een bij de grondwet erkende adel zou

zijn. De overhelling tot het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den

keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie voor het hof,

maar ook als steun der monarchie noodzakelijk was, dit alles leidde er

toe, dat daarover in den boezem der commissie geen verschil van gevoelen

bestond. Evenals andere souvereinen zoude ook de souvereine vorst zijn

de bron van eer, niet alleen door het verleenen van orden tot belooning

van persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het recht om in

den adelstand te verheffen. Zelfs een man als van Maanen, die, in

tegenstelling met bijna alle leden der commissie, voor zich zelf dit

voorrecht nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen bezwaar.

Maar over de strekking, den omvang, de werking dezer instelling bestond

wel verschil van gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van

Hogendorp? »De edelen," zeide hij[254], »willen zij in de ridderschap

beschreven worden, moeten eene heerlijkheid bezitten; zij zullen er

eene, die in de familie is, op hunnen naam krijgen, of er eene koopen,

en zoo doende zal het platte land allengskens van zelf wederom zijne

natuurlijke hoofden krijgen". In den adel zag dus Hogendorp het hoofd

van het platte land; voerden die denkbeelden van de eene zijde terug tot

het oude regime, zoo zoude van de andere zijde de bij de wet erkende

adel ook op sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en

zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij het verleenen dezer

erfelijke onderscheiding eene zekere soberheid zoude moeten worden in

acht genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen van graven,

burggraven of baronnen, met recht van vererving alleen op den

oudsten mannelijken nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het

gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en heerlijkheid. Dergelijke

herstelling van het oude regime werd noch door de meerderheid der

commissie, noch door de grondwet beoogd. De souvereine vorst zoude

verheffen in den adelstand. Over de titels en de erfelijkheid werd

gezwegen--en dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst werden

overgelaten. Aan dien adel zoude geen ander politiek voorrecht worden

toegekend dan de deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude

geen ander recht meer hebben dan het recht om een gedeelte van de leden

der provinciale staten te kiezen, terwijl den adel bovendien eenig

uitzicht werd geopend op een evenredig aandeel onder het getal der leden

van de Staten-Generaal (art. 58 der grondwet), een uitzicht, dat niet

is verwezenlijkt. Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin

van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het hoofd van het platte

land, was, zooals wij straks zien zullen, geen sprake. In de hoofdzaak

werd dus door dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet

omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van de republiek, de

friesche edelen, de groninger jonkers, de Roomsch-katholieke adellijke

familiën door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel in het

bestuur beroofd, niet alleen de vertegenwoordigers der patricische

familiën van voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook vreemde adel

opende den toegang tot dezen stand. Ja zelfs kinderen der revolutie,

mits, zooals Schimmelpenninck, niet al te zeer gecompromitteerd, werden

daarin opgenomen. De grondwet verdeelde dus de ingezetenen in wettelijk

voorname en niet voorname leden der maatschappij.

[254] _Ontstaan_ I, 59.

Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de leden der geslachten, die

reeds van oudsher in de nederlandsche maatschappij uitstaken, was het

niets anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad reeds bestond.

Maar die gunst daalde ook op anderen neer, die hunne voornaamheid dan

uit de wettelijke onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag

dus de natuur vervangen? Wanneer men de geschiedenis van ons vaderland

sedert 1813 beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het

machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en zijne nakomelingen

eene hoogere plaats in de samenleving te verzekeren, ook zonder dat

verdiensten jegens het vaderland daarvoor een vereischte zijn.

Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op de maatschappij wensch

ik nog de aandacht te vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven

bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet opricht in het veld en

de landman geen graan verbouwt op de marktpleinen. Wat was de positie,

die de grondwet innam tegenover het onderscheid van stad en land?

Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons uit dit oogpunt

den toestand van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Wie stelt

in 't licht wat Tocqueville voor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de

landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want dat, al zij het

dan niet in die mate als in Frankrijk, ook bij ons de revolutie voor

die bevolking veel goeds heeft gewrocht, valt mijns inziens niet te

ontkennen. De stad, het stedelijk element was overheerschend in de

republiek. Het landvolk zuchtte onder de heerschappij der heeren en

waar, zoo als in Groningen, er geene heeren--in den zin van bezitters

van heerlijkheden--bestonden, daar was toch langs een omweg door de

afscheiding der bestuursrechten van den grond en de samenvoeging er

van in enkele handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't leven

geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te platten lande waren onder

de republiek bijna overal een recht _in commercio_. Was de toestand er

door verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren gekomen

der welvarende steden en alzoo het platte land niet zelden opgeofferd

werd aan hare bekrompene zelfzuchtige politiek? Ik gis van neen. De

staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de pen gehaald door

de heerlijke rechten--en zij waren sedert niet herleefd. Niet dat de

belanghebbenden berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd,

volgens hetwelk het gezag van den een over den ander alleen mag gegrond

zijn in het belang van den laatste, en rechten van bestuur diensvolgens

geen privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de troonsbeklimming

van Lodewijk--ja, nadat deze eigenlijk te Parijs reeds de regeering

had aanvaard, had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene wet

uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor een groot deel werden

hersteld. Doch de overgang der regeering op koning Lodewijk en daarna de

inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de gunstige bepalingen

dezer wet voor de heeren verloren gaan. De revolutie, en--het moge hard

zijn dit te erkennen--de Fransche heerschappij hebben te weeg gebracht

de emancipatie der plattelandsbevolking van den druk der heeren en

der steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven bewaard of zoude

Neêrlands vrijheid voor die bevolking worden het sein tot hernieuwde

onderdrukking? Het kan, helaas! niet worden geloochend, dat niet alleen

een man als van Lynden, maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog.

Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom en was de adel de

grondslag van den militairen geest, en voor die beide alleen had hij

oog[255]. Immers zouden--zooals het ook in de grondwet (art. 79) bepaald

werd--de steden haren eigene regeering erlangen, een uitvloeisel van

het door de ingezetenen te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets).

En naast die steden stonden de adel en de ridderschappen, (art. 40 der

schets.) De ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art. 45)

en zoo zoude en in het bestuur en in de rechtspraak de adel herleven

als hoofd van het platte land. Na overweging en nog eens herhaalde

overweging kwam men echter tot het resultaat, dat, wat Hogendorp wilde,

niet in te voeren was; dat het niet aanging het platte land geheel en

al als een stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die ten

slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke vertegenwoordiging uit

stad en adel alleen te doen samenstellen. Men wees niet alleen op de

geheel veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat vóor de

revolutie niet overal de plattelandsbevolking was uitgesloten. Men

wees op Friesland. Ja, men herinnerde aan stad en lande, waar geen adel

deel aan het bestuur had gehad. De groote meerderheid was dan ook van

oordeel, dat het platte land moest worden vertegenwoordigd. En wanneer

men desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor terugdeinsde de

bestanddeelen der provinciale Staten uitdrukkelijk in de grondwet op te

nemen, dan was het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak opzag;

wellicht was een enkele er ook tegen, omdat hij in de grondwet aan den

adel niet overal een aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien

toegekend. De slotsom was, dat de regeling van dit punt bij art. 74

der grondwet aan den souvereinen vorst werd overgelaten. Z. K. H.

werd echter met de zienswijze der commissie in kennis gesteld[256].

Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der commissie wenschte, kon dan

ook van Maanen in zijn rede over de grondwet namens den souvereinen

vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en stad ook de

landeigenaren in de Staten zouden worden vertegenwoordigd[257]. En

evenmin was de regeling van de besturen ten platten lande een terugkeer

tot het oude. De rechtspraak moest blijven wat zij na en door de

revolutie geworden was, in alle opzichten een publiek recht, een

uitvloeisel van het hoofd van den Staat, van den souverein. En wat het

eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet gaf in art. 81

wel te kennen dat op het verkregen recht der belanghebbenden zoude

worde gelet, doch bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der

heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de belangen der ingezetenen;

alles ten slotte afhankelijk van de latere regeling door de staten der

gewesten te ontwerpen en door den souvereinen vorst te bekrachtigen.

[255] _Ontstaan_ I, 241-'42.

[256] _Ontstaan_ I, 413, 419, 420.

[257] Metelerkamp, 123. D'Ablaing van Giessenburg (_De Ridderschappen in

het Koningrijk der Nederlanden van 1814-1850_, den Haag, 1875, blz. 3)

vergist zich dus, als hij beweert, dat de derde stand, die der

landeigenaren, tegen den oorspronkelijken zin der Grondwet

binnengesmokkeld zou zijn.

Men keerde dus slechts ten deele terug tot den ouden toestand. Toch

kan men niet ontkennen, dat van allen de plattelandsbevolking de

minste redenen van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands

onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte gepaard ging met hare

achteruitzetting. Het had erger kunnen zijn; het was toch reeds erg

genoeg. En alsof de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering

der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat, hoe meer men tot

bezinning kwam, er minder kans op herstel hunner privilegiën zoude

zijn,--zij wisten den souvereinen vorst te verleiden, bij besluit van

26 Maart 1814 de heerlijke rechten voor een deel weder te doen herleven.

Een besluit, waarbij, in strijd met het beginsel van de vrijheid van

den grond, het recht van jacht en visscherij hersteld werd; waarbij,

in strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van collatie weder

werd in 't leven geroepen: waarbij eindelijk, in strijd met het beginsel

dat niemand gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang van

dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de begeving van geringer

betrekkingen weder aan de voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer

men bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst genomen werd

in de laatste ure der door den nood van het oogenblik hem opgedragen

onbeperkte macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der grondwet

werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te overdrijven, wanneer wij dit

besluit eene zwarte bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst,

en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen geen aanstoot heeft

gegeven; althans schijnt daarvan niets bekend te zijn geworden. Eerst in

1848 konden de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het bestuur

betrekkelijk weder worden opgeheven; voor het overige wordt het platte

land nog door den inhoud van het besluit gedrukt.

Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte land. Behoudens eenige

door mij aangestipte punten, was men niet teruggekeerd tot den ouden

tijd. Ik kan dus ook zwijgen over de Generaliteitslanden. De beslissing

over den godsdienst en over het platte land moest van zelf leiden tot de

gelijkstelling van de Generaliteitslanden met de overige deelen des

Rijks.

De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.

Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken, dan komt ons

allereerst de opmerking voor den geest: niet alles is mogelijk wat men

zoude wenschen. Ook zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde

voorstanders eener restauratie waren binnengetreden, zullen die niet

hebben verlaten zonder de overtuiging te hebben gekregen, dat in de

vervlogen achttien jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op

sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden hersteld. Hoe zoude een

adel, die door zijne bezittingen het hoofd was van het platte land,

kunnen worden geschapen? Maar bovendien waren de leden der commissie,

die de geschiedenis van dit tijdvak slechts als toeschouwers hadden

doorleefd, niet de meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van

Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook Hogendorp. Doch deze

had toch met zijnen geest de ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig

gevolgd,--het zoude voor koning Lodewijk zelfs weinig moeite gekost

hebben, hem deel te hebben doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien

te scherpzinnig, om door de beraadslagingen der commissie niet te

worden overtuigd, dat veel van het oude, veel van hetgeen ook hij

oorspronkelijk nog wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden

en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast die leden stonden

Humalda, van Imhoff, Repelaer, Röell, Elout, die, hoewel niet als

Heerkens en van Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat

tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen hadden gediend en de

waarde van de nieuwe beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden

leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt. Vooral zij, die in

1795 op jeugdigen leeftijd waren--zooals Elout, Röell, van Imhoff, van

der Duyn, moesten reeds van den aanvang af van het onmogelijke eener

volledige restauratie doordrongen zijn.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 12 / 35 段