_Lijsten_ (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de

lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist.

De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand;

die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van

den Vorst (_Ontstaan_ I, 212-'13), die van commissarissen-generaal

krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (_Ontstaan_ I,

279): 1/4 uit den adel, 3/4 uit notabele en aanzienlijke mannen

uit de andere standen. »Vooral de oude en ook de latere Regeringen

moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel,

geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al

wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid,

maar bijzonder talenten, deugden en verdiensten, houde ik voor

hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of

voormalige politique denkwijze".

* * * * *

_Zoolang de registers niet toegankelijk zijn_ (hiervóór, bl. 87

noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van

Binnenlandsche Zaken aangetroffen.

* * * * *

_Bleven er 126 thuis_ (hiervóór, bl. 87).--Met opgave van redenen.

De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een

toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken

die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen

verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie

wegens sterfgeval in de familie, enz.--Politieke beteekenis schijnt

slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de

souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat

hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te

stemmen namens het Nederlandsche volk (_Ontstaan_ I, 571; vgl. voor

de Gijselaar ook I, 494).

* * * * *

_Het schijnt toch_ (hiervóór, bl. 91).--Zie de Bosch Kemper _Letterk.

Aanteekeningen_ 471, en vgl. _Ontstaan_ I, 497 vv. De meeste stemmen

tegen waren van Katholieken.

IV.

DE GRONDWET EN DE MAATSCHAPPIJ.

Twee millioen menschen hadden hunne woonplaats op het Nederlandsche

grondgebied[233]. Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die

verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde beeld onzer dagen

te gebruiken, als een levend organisme te gemoet. Het is een volk;

het heeft een eigen taal; het heeft een eigen karakter--door het

een en het ander onderscheidt het zich van andere volken. Zou de

taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te stellen, hoe onder den

invloed der woonplaats en der geschiedenis zich dat volk heeft gevormd

en ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn karakter

openbaart? En bovendien, hoe, niettegenstaande die overeenkomst tusschen

de zonen van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen der

maatschappij weder van elkander verschillen, hoe de eenheid van het

geheel de verscheidenheid der deelen niet uitsluit? Rijk en arm, hoog

en laag, stad en land en dan--het onderscheid van godsdienst.

[233] De eerste algemeene volkstelling, die van 1795, gaf eene bevolking

van 1,880,443 zielen. Wanneer men er bij in aanmerking neemt, wat

toen niet, thans wel tot Nederland behoort, dan wordt dit cijfer bij

schatting op 2,100,000 gesteld. D'Alphonse's _Aperçu_ geeft voor 1811

het aantal inwoners op als 1,724,896; hierin zijn opgenomen 127.959

inw. voor de Ooster-Eems, maar ontbreken natuurlijk behalve de in 1795

afgestane landen ook Noord-Brabant, en Gelderland tot de Waal. Hogendorp

stelde na de verdrijving der Franschen de bevolking in een rond cijfer

op twee millioen. De eerste telling na 1813, die van 1829, gaf 2,613,487

zielen (_Algemeene Statistiek van Nederland_, II, blz. 18, 22.)

Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn, mijne hand uit te

strekken naar eene taak, die hoe aanlokkelijk ook, boven het bereik

mijner krachten geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel ontbreken

mij om een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandsche volk, zoo als

het zich voordeed in het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer

bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet vóór alles het antwoord

geven op de vraag: hoedanig zal het staatsgebouw zijn, door het volk te

bewonen? Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering zijn? Het is

eene wet, die de machten aanwijst, geroepen voor den Staat op te treden,

en die hare wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij in den

regel die hoogste wet zich niet tot dit hoofdpunt bepalen. De wetgever

zal, zoo hij zijne taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur

de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit bestuur moet dienen;

hij zal letten op de behoeften, de inzichten, de vooroordeelen dier

maatschappij; hij zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die

wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op de maatschappij

zelve? Niet zelden zal ook dit het geval zijn. Veelal heeft de

grondwetgever, in plaats van onzijdig te blijven tegenover hetgeen

het volk onderling onderscheidt en verdeelt, door aanmoediging of

belemmering in de eene of andere richting willen werken, ja zelfs

meestal het staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die

bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de grootste kracht waren

bezield. Dit is, wat ik bovenal bedoelde, toen ik boven deze bladzijden

schreef: _De grondwet en de maatschappij_. Was de grondwet neutraal of

was zij het niet tegenover de bestanddeelen, de schakeeringen van het

nederlandsche volk?

Wanneer men de maatschappij van die dagen beschouwt, dan was er--evenals

vroeger--evenals thans--bovenal een punt van verschil, waardoor die

maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware gezuurd was; het

verschil van godsdienst. Op dezelfde plek gronds leefden onder--wellicht

beter naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden. Indien in 1814 de

toestand reeds dezelfde was, als hij later in 1829 bleek te zijn, dan

waren zij in de verhouding van 60, 38 en 2 procent over de bevolking

verdeeld[234]. Het grootste gedeelte der Protestanten behoorde tot

de Hervormde kerk. Mocht het nu ten opzichte der Joden toen[235] nog

de vraag zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan eene

bijzondere secte, tusschen de overige Nederlanders was het onderscheid

alleen hierin gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend

dachten. Welke houding zoude de grondwet aannemen tegenover de

godsdienstige zijde des volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de

geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld volgen van de

republiek der Vereenigde Nederlanden, die, hoewel zij in godsdienstige

verdraagzaamheid boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als

staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der revolutie zijn, die

met huldiging van de denkbeelden der 18de eeuw aan de Hervormde kerk

dat karakter had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond der

godsdienstvrijheid zocht in het individu, die geene burgerlijke voor- of

nadeelen aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja

die de kerkgenootschappen, een uitvloeisel der godsdienstvrijheid, wilde

laten zorg dragen voor het onderhoud van den eeredienst, deszelfs

bedienaren en gestichten en dus verklaard had: _godsdienst is geen

regeeringszaak_.

[234] Volgens de volkstelling van 1829 (_Algemeene Statistiek van

Nederland_, II, blz. 466 vlg.) waren er:

of op de 10,000 zielen:

Protestanten 1,544,888 5,911

Katholieken 1,019,108 3,899

Israëlieten 46,397 178

Onbekend 3,094 12

---------- -------

2,613,487 10,000

[235] In de door Röell voorgestelde redactie betrekkelijk dit onderwerp

had deze in plaats van: _godsdiensten_, wat in Hogendorp's schets

voorkwam, het woord _kerkgenootschappen_ gebruikt. »Dan", zeide hij,

»zijn er de Joden niet in en niet uit;--zij sustineeren eene natie,

niet kerkgenootschap te zijn". (_Ontstaan_ I, 277; vgl. aldaar, 273).

Dit alles toch was verkondigd in de blijde boodschap van de eerste

staatsregeling der Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798.

(Inleiding, art. 19-20.) Wat was daarvan teruggenomen, wat was

werkelijkheid geworden in de pijnlijke jaren van 1798-1813? Teruggenomen

was, of wil men liever eene doode letter was gebleven het beginsel, dat

de godsdienstvrijheid een individueel recht was. Men verviel spoedig

weder in de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid en vrijheid

der kerkgenootschappen als synoniem beschouwd worden, en waarbij

men vergeet, dat de vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden

uitloopt op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende staatsregelingen

wordt niet meer de klemtoon op het individu, maar integendeel op de

kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van 1801 (art. 12)

schrijft zelfs voor, dat een ieder verplicht is, zich bij een of ander

kerkgenootschap te laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste

bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet worden overgenomen, ook

deze staatsregelingen huldigen de bescherming der _kerkgenootschappen_,

niet die der _individu's_ (1805, art. 4, 1806, art. 6). Evenmin vinden

wij uitvoering gegeven aan de met het beginsel der individueele

godsdienstvrijheid zoo nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet

voor het onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen. Immers eerst

volgens de additioneele artikelen der staatsregeling van 1798, later

volgens art. 14 der grondwet van 1801, bleven de politieke kassen

voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen van de leeraren

der voormalige Hervormde kerk. Iets wat echter niet meer als een

tijdelijke maatregel kon beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het

organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan die predikanten

het behoud hunner tractementen verzekerde, maar tevens, naarmate de

financiën het toelieten, ook aan de geestelijken der andere gezindheden

bezoldiging van staatswege beloofde. Moge nu al de volledige toepassing

van deze regeling onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen hebben

gehad[236]; mocht er na de inlijving weinig of niet zijn uitbetaald;

het beginsel om de eerediensten van staatswege te ondersteunen, bleef

ook onder het Keizerrijk gehuldigd (decreet van 18 October 1810, art.

206-207). Wanneer men dit overweegt, dan is de slotsom deze, dat althans

de staatskerk vernietigd bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid

tusschen de kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens sloot de

heerschappij der Napoleons uit den aard der zaak eene herleving der

Hervormde kerk als staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid

der kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't algemeen een

voorwerp van staatszorg geworden, iets, dat in harmonie was ook met

het regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde de bedienaren

van den godsdienst om hunne aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze

beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk te kneden en met een

geest van onderwerping te doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den

toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle kerkgenootschappen

onderworpen aan--gesteund door--ja organen van het staatsgezag.

[236] Op de begrooting van 1809 komt voor de Eerediensten voor eene

somvan f 1,098,440 (Lod. Nap. _Gedenkschriften_, II, blz. 333). In

de door Napoleon na de inlijving bijeengeroepen commissie van eenige

Nederlanders wordt de som, in den laatsten tijd voor dit onderwerp

jaarlijks besteed, opgegeven te hebben bedragen f 1,127,638, aldus

verdeeld: Hervormden f 1,041,788, R.-Katholieken (met Jansenisten)

f 76,274, Lutherschen f 9,226, Mennonieten f 350 (_Bijdragen voor

Vaderlandsche Geschiedenis_ van R. Fruin, 2e reeks IX, blz. 109).

Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van staat en godsdienst

zoude uit de werkplaats der commissie te voorschijn komen? Hoe zoude

de grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar kunnen lezen, dat

de Nederlandsche natie bestond uit Hervormden en andere Protestanten,

uit Roomsch-katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde koesteren

voor den een dan voor den ander, en zoude de Hervormde kerk weder op den

kandelaar worden gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor

hunne hoop vestigen op de opdracht der souvereiniteit aan het huis

van Oranje, dat huis, zoo nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij

konden grond voor die verwachting putten uit de omstandigheid, dat

de grondwet-commissie met éene uitzondering uit leden der hervormde

kerk bestond. En wanneer zij bekend mochten zijn met de gevoelens van

Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog aankleefde, konden zij weten, dat

hij toen in zooverre slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd

was, van voor alle christelijke gezindheden den toegang te willen openen

tot in de steden op te richten kiezercollegiën, terwijl hij voor het

overige den ouden toestand hersteld wilde zien[237]. Ja in 1802 wenschte

Hogendorp nog herstel der publieke kerk[238]. Scheen dit alles niet te

wijzen op de waarschijnlijkheid eener restauratie, en dit te meer, nu

de revolutie in minachting was geraakt en er hier te lande even als

elders eene overhelling tot herstel van het oude bestond?

[237] _Br. en Ged._ III, 175, 182.

[238] In de door hem den 8sten Februari 1802 opgestelde _voorwaarden

der nationale vereeniging_, waar men leest: »Het is in den aard der

zaak gelegen, dat de oude publieke kerk onder ons hersteld worde,

maar met alle mogelijke verdraagzaamheid voor alle andere gezindheden.

Ondergeschikte ambten en bedieningen, als de militaire ambten, moeten

zelfs voor alle gezindheden openstaan" (_Br. en Ged._ III, 208).

Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar het voorgaande zoude

hebben kunnen verwachten. Het valt niet te ontkennen, dat er in de

commissie weinigen waren, die de pen wenschen te halen door al hetgeen

sedert de revolutie in dit opzicht was tot stand gekomen. Wellicht

kon dit alleen gezegd worden van den zeventigjarigen van Lynden van

Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op Mennisten, Remonstranten,

Lutherschen en Joden, en vreezende voor het vervolgzieke karakter der

Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij de oude constitutie

op het stuk van godsdienst te blijven[239]. Zelfs Hogendorp was,

zooals wij zien zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het

zevende hoofdstuk der schets (art. 60-61) leest, dan wenschte hij

alle godsdiensten in den lande te beschermen, dan werd aan den

christelijk-hervormden godsdienst alleen in zooverre een privilegie

toegekend, dat haar onderhoud als van ouds tot last bleef van het

gemeene land. Maar ook de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden

ondersteund in die provincie of provinciën, waar die godsdienst de

meerderheid had. In de commissie zelve wilde men echter nog verder gaan

en ook aan de andere gezindten uitzicht op financieele ondersteuning

geven. Over deze en andere vraagpunten betrekkelijk den godsdienst

ontstond eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814 aangevangen,

den 1sten, 2den en 3den Februari voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814

door het machtwoord van den souvereinen vorst tot eene eindbeslissing

kwam. Er waren, behalve de vraag der financieele ondersteuning, _twee_

punten die vooral aanleiding tot discussie gaven, en waarover tot

tweemaal (2 en 3 Februari) de stemmen staakten. Het eene of de grondwet

uitdrukkelijk aan de belijders der onderscheidene gezindheden het recht,

om aan de regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp die volgens

zijne _Aanmerkingen_ op de schets[240] thans voor dit beginsel was, vond

echter de uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt gold,

niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers zoo niemand uitgesloten

werd, waren allen toegelaten[241]. Met hem gingen zes leden der

commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem aangevoerde

gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk van Lynden, om nog een deur

open te laten voor de herstelling der staatskerk. De andere helft der

commissie--waaronder vooral van Maanen, Röell, Elout en Heerkens op

den voorgrond traden--vond daarentegen uitdrukkelijke huldiging van

dit beginsel wenschelijk en noodzakelijk[242]. Het andere punt van

verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in de grondwet

wenschte opgenomen te zien de bepaling dat de hervormde godsdienst

die was van den souvereinen vorst. Ook hierover staakten tot tweemalen

toe de stemmen[243]. Die voor het eerste punt zich verklaard hadden,

verklaarden zich hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en Humalda

beide keeren voor stemden, Hogendorp en met hem van Imhoff zich

ook tegen dit tweede punt verklaarden. Dat de souvereine vorst den

hervormden godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een gevolg van de

gebeurtenissen der 2-1/2 laatste eeuwen: dit behoefde niet uitdrukkelijk

te worden vermeld--en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet

liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen bewaard? Bij dien

uitslag bleef er niet veel anders over, dan het gevoelen van den

souvereinen vorst over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide

punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en den 1sten Maart

de eindredactie der grondwet in behandeling was genomen en van Maanen

den 1sten Maart er weder op aandrong, de deelneming van allen aan de

regeering grondwettig te verzekeren, deelde Hogendorp mede, dat Z. H.

dit ook begeerde, mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine

vorst van den hervormden godsdienst was. En daartoe werd dan ook

geconcludeerd. Dus werd in het voornaamste der beide punten datgene

behouden, wat sedert de revolutie was ingevoerd: de gelijkstelling van

de leden der onderscheidene kerkgenootschappen. De definitieve regeling

der financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in de richting der

gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de commissie oorspronkelijk gewild

had. Terwijl beide slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de

meerderheid hadden, ondersteuning hadden toegezegd--de commissie ook nog

andere gezindten eenig uitzicht daarop had geopend--werd in de grondwet

zelve met behoud van het financieel privilegie der hervormde kerk, aan

alle andere gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot dusver

hadden genoten, en tevens het uitzicht op meerdere ondersteuning aan

deze en ook aan andere gezindten geopend. Had ook hier de invloed van

den souvereinen vorst gewerkt? Het is waarschijnlijk, zoowel omdat

hij, nog voordat dit onderwerp bij de commissie ter tafel kwam, reeds

bij besluit van 19 Januari 1814[244] de beginselen in de regeling van

koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd, als omdat uit de

beraadslagingen der commissie van die veranderde zienswijze niets

blijkt, en het dus aan te nemen is, dat eerst de commissie van redactie

onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst deze wijziging in de

grondwet heeft gebracht. Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in

hoeverre voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden gehandhaafd

of gehuldigd, dan vindt men--wat trouwens te verwachten was--wel eene

erkenning der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging van de

godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in den revolutietijd eene

doode letter was gebleven, kon in de dagen der restauratie niet in

't leven treden. Hiermede stond in verband de bescherming van de

kerkgenootschappen, die _bestonden_. Hogendorp had in zijne schets die

beperking niet opgenomen. Maar op de aanmerking van Aylva, dat het te

ver zou gaan, ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde Hogendorp,

dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En zoo werd er in art. 134

der grondwet van _bestaande_ kerkgenootschappen gesproken, niet van

_erkende_, zooals door Röell was voorgesteld. Dit woord vond geen genade

in de oogen van den man, die van al de leden op dit punt het meest een

kind van zijn tijd schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat

het vrijzinnig genootschap _Christo Sacrum_ er dan buiten zou vallen.

Immers, gaf hij te kennen, het genootschap _Christo Sacrum_ bestaat wel,

moet dus beschermd worden, maar het is niet erkend[245]. Men huldigde

dus de gelijkheid der _bestaande_ kerkgenootschappen en als uitvloeisel

daarvan de gelijkheid hunner leden. Éene omstandigheid is ongetwijfeld

op dezen uitslag van grooten invloed geweest. Ik bedoel het ook bij

de commissie niet onbekende plan der vereeniging van noord en zuid.

Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden te meer voor het

herstel der heerschende kerk; anders zouden door die vereeniging de

gereformeerden het onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de

overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijne _Aanmerkingen_[246], juist ook

daarom aan allen den toegang tot de regeering verleenen, omdat andere,

zelfs geheel Roomsche provinciën zich met het noorden zouden kunnen

vereenigen. Daarom was zijn oorspronkelijk denkbeeld: »Onderhoud van de

gereformeerde kerk door den Staat in de zeven Nederlanden, en van den

Roomschen godsdienst in de tien Nederlanden"[247]. Niet het minst zal

ook bij den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld gewogen hebben,

toen hij zijnen invloed voor de gelijkheid der kerkgenootschappen in de

schaal legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op een ander

punt eene wijziging van het oorspronkelijk voorgestelde hebben bewerkt,

t. w. de bepaling van art. 139, waarbij aan den vorst het recht van

inzage en beschikking omtrent de inrichting der gesubsidieerde of te

subsidieeren gezindten werd toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de

commissie dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is aangenomen.

Ook deze bepaling kwam voor het eerst voor in de eindredactie, den 28

Februari 1814 ter tafel gebracht[248].

[239] _Ontstaan_ I, 271-273.

[240] _Ontstaan_ I, 61.

[241] _Ontstaan_ I, 324, 432.

[242] Vóór stemden: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen,

van der Duyn, van Zuylen, Humalda.

Tegen » : van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt,

Hogendorp, van Imhoff.

Den 2den Februari waren van Heerdt en van der Duyn niet tegenwoordig;

den volgenden dag voegde de een zich bij de voorstemmers, de andere bij

de tegenstemmers en staakten dus wederom de stemmen.

[243] _Voór_: van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt,

van Zuylen, Humalda.

_Tegen_: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen, van der Duyn,

Hogendorp, van Imhoff.

[244] _Ontstaan_ I, 302.

[245] _Ontstaan_ I, 278. Van _Christo Sacrum_ wordt in den Staatsalmanak

voor 1815 het volgende gezegd: »Onder de kleine Christen Gemeenten is

het genootschap _Christo Sacrum_ te Delft voor weinige jaren opgerigt.

Hetzelve heeft geen bezoldigde leeraars, en neemt de belijders van alle

Christelijke Godsdiensten, welke de geloofbelijdenis bij het Genootschap

vastgesteld willen afleggen, tot leden aan, ook dan wanneer dezelve

verkiezen tevens leden van eene andere gezindheid te blijven."

[246] _Ontstaan_ I, 62.

[247] _Ontstaan_ I, 76.

[248] Schets, art. 62: »Alle kerkelijke vergaderingen zijn wettig, mits

dezelve verzoeken om commissarissen-politiek door de souvereinen vorst

aan te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets strijdigs met de

wetten en de algemeene rust voorgenomen worde."

Redactie der commissie, vastgesteld 2 Febr. 1814: »De regeering zal

altijd zorg dragen, dat de geestelijkheid van geene eene gezindheid zich

eenig deel van de wereldlijke macht aanmatige, en daartoe de noodige

middelen aanwenden."

Grondwet, art. 139: »Onverminderd het recht en de gehoudenis van den

S. V., om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit

te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden

worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en

beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke volgens

een der voorgaande artikelen eenige betaling of toelage uit 's Lands kas

genieten."

De Wedergeboorte van Nederland · 第 11 / 35 段