Hans Willem baron van Aylva (1751-1827), in 1772 volmacht van

Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van

Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche

aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij

behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van

patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de

anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens

zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld

voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in

dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding

in 1795 en 1799 is reeds gesproken[215]; zij was vrij tegemoetkomend

tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning

Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder

Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de

godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche

hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de

nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden

der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze

persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer

waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over de _Schets_ in het

algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.

[215] Hiervóór, bl. 17 noot.

Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754-1834), uit het bekende

oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naar

Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote

stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd.

Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd

in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat

oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de

oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij

was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs

zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens

niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van

Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar

heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de

gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige

verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot

gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude

nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich

te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met

Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en

over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft

hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van

Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan

wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins

was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt

van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude

gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te

worden overheerd na de vereeniging met België. Overigens geen man die

zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol

van beteekenis heeft gespeeld.

Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754-1834), vóór '95 grietman van

Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht

in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een

tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot

dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands,

maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig

karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen

de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op

niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid

van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in

dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan

alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak

van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn

benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland

die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning

daarvan aan te merken. Hij was meer een karakter dan een capaciteit

en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het

land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien

van maire van Wommels (1811).

Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759-1832), uit een Dortsch

regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad

geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal

tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den

winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze

onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St. Michel

te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden

met een vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het

wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken

was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en Cambacérès

trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd

zou worden; dat men er beproeven zou »une réunion des talens et

des propriétés,"[216] de reconstructie van 1801 met andere woorden,

waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd,

was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde

patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins.

De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van

Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig

proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van

Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte,

werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die

hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen

associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen

en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen

Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield[217]. Lodewijk

Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst

trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en

maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan

den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager

Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van

elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner

Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk

ontmoet[218]. In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen

de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland zonder

noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest

ware[219]. Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794,

de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te

Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel

en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent

allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's

Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn,

eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de

grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde

bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot

directeur-generaal van dit vak benoemd.

[216] _Ged._ I, 609; vgl. _Ged._ II, 819.

[217] Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit Tellegen's

eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en onder

Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.

[218] Falcks _Gedenkschriften_ 77; _Br. en Ged._ IV, 250.

[219] _Br. en Ged._ V, 24; _Ged._ VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.

Timon Cornelis baron van Heerdt (1761-1844) was in 1786 in de

ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren

voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V

in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de

expeditie van Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot

1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had

hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar

Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg

van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie

in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit

zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den

Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van

den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij

vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te

Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven[220]. In de commissie

heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich

intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.

[220] _Ged._ VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.

Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767-1841) behoorde tot een der jongste

regentenfamiliën van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de

familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn

patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar

gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich

als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van

Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming

tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in

den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie

tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802

procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805

benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naar

Bataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende staatscommissie

van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York,

maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem

in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot

samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving

trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam,

als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen

»Conseil pour les affaires de Hollande;" van Maanen bracht hem op

de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin

voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen),

maar Elout werd niet benoemd[221]; hij vestigde zich vervolgens als

advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den

loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp[222],

die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat

verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van

Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft

vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in

de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie is

voornamelijk op hem neergekomen.

[221] _Ged._ VI, 1593.

[222] _Br. en Ged._ V, 12.--Zij waren beiden vaders van gardes

d'honneur.

Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van

den afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;[223] als hij

later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell, waaruit blijkt

dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende

persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van

Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof

in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het

presideeren der assises te Groningen,[224] zoodat hij eerst 28 Jan.

verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den

godsdienst heeft deelgenomen.

[223] _Ontstaan_ I, 77.

[224] _Ontstaan_ I, 157.--Denkelijk zal de punctueele van Maanen wel

verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.

Mr. Willem Fredrik Röell (1767-1835), zoon van den laatsten advocaat

der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal

Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder

bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere

stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden

en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen

hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg met den oud-burgemeester

Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming

aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement

Holland. »De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van

vroegere partijschap te helpen vernietigen", zegt Röell in zijne

autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,[225] »het

uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren

te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het

bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele

omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins

deden beklagen". In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den

Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal

bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven

tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat.

Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte

hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van

buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij

den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810,

en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik

met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos,

doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van

den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en

de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij

zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn

hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de

grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang

voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat

men nog geen Amsterdammer had. Röell was een gematigde natuur,

wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een

bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van

vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man

van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis

geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen

eens, vooral met Elout.

[225] _Ged._ V, 568.

Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767-1830), kleinzoon van den

gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95

korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95

ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad

van financiën in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem

Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend

Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell,

was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een

man van den nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij

zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de

invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen

geweest.

Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769-1849), uit een Haagsch

juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt

door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den

Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de

municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot

den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van

Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den

nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving

en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de

gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen

met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot

staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister

van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting

eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning

die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning

zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en

sectie-president van den »conseil pour les affaires de Hollande"

te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot

staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens

tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag

benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in

de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde

en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich

ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het

Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen

Bestuur van 1 Dec., »op de administratie der justitie," kwam hem

omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van

Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec.

het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra

mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der

judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin

uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was.

Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp.

Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats

van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen

te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis

en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie

aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben

over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van

»besogneeren" der oude costumiers scherp afstak.

Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam

(1771-1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was

op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd[226].

Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar,

open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en

zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen),

met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam

aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was

bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in

en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel

grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den

hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut

geweest. Van der Duyn was geheel _grand seigneur_, geen man voor het

bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij

daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.

De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772-1836),

zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling

van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot

de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en

statistisch werk, _De Toestand van Nederland_ (1804). Hij was ook

secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen

bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is

geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn _Regeringsvorm der

Vereenigde Nederlanden_ (1814) de notabelenvergadering beschreven;

de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim[227].

[226] Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige

_Souvenirs_, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain,

1852) worden verwezen.

[227] Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na, die

Metelerkamp overnemen kon uit _Staatscourant_ 5 April 1814 waarin zij

was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten

zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het

parlement (_Ontstaan_ I, bl. IX).

Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór

eenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na

1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend

hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al

zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de

revolutie baljuw van Texel is geweest.

* * * * *

_Het is dan ook beweerd_, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper,

die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in de

commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's

benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt.

Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.

* * * * *

_Zooals mij is medegedeeld_, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is

onjuist. Blijkens den op bl. 95 hiervóór aangehaalden brief van

Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van

21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout

gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan.

Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de

»algemeene gronden"[228] die Tellegen uit de officieele notulen reeds

kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering

der grondwet[229] en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door

de commissie van redactie ter tafel gebracht[230], en zond deze drie

stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar

toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen

geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr.

Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er

staat niet in dat van Maanen _door Hogendorp_ van de _Schets_ kennis

bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).

[228] _Ontstaan_ I, 74.

[229] _Ontstaan_ I, 361.

[230] _Ontstaan_ I, 446.

* * * * *

_Voor het departement der Wester-Eems_ (hiervóór, bl. 77). Juister:

voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).

* * * * *

_In de vergadering_, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen

de notulen van Röell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van

Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud

zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.

* * * * *

_Schimmelpenninck_ (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.

* * * * *

_De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen_ (hiervóór,

bl. 79). Zie, behalve _Ontstaan_ I, 32, de verschillende brieven

van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken

_Ontstaan_ I, 212, 221, 278, 385, 400, 433-'34, 438 vv. en 562, en

II, bl. CXVIII vv.; zie voorts _Overzicht_ 142 vv. en _Br. en Ged._

V, 86-87.

* * * * *

_Nogmaals herzien en gewijzigd_ (hiervóór, bl. 79). In hoeverre,

blijkt uit _Ontstaan_ I, 446 vv., waar ook blijkt, welke de

veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.

* * * * *

_Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld_ (hiervóór, bl. 81).--Het

reglement lag reeds 15 Jan. gereed (_Ontstaan_ I, 221); het is het

onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van

19 Dec. (_Ontstaan_ I, 35-36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam,

moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof

reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden

hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of

in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals

Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor

openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen »als een

ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere

wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen"[231].

* * * * *

_Besluit tot invoering der grondwet_ (hiervóór, bl. 83).--Art. 1

verklaart: »Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele

natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen". Dit hield niet

in, dat de stemming enkel met _ja_ of _neen_ zou geschieden, hetgeen

door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld[232], waarop werd

besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot

geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het eindrapport op te

nemen.

[231] _Ontstaan_ I, 380.

[232] _Ontstaan_ I, 406.

* * * * *

_Finaal rapport gesteld door Elout_ (hiervóór, bl. 83).--Daarvóór

is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van

Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien

en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt:

zie _Ontstaan_ I, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en

samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift

van Tellegen's kleinzoon.

* * * * *

De Wedergeboorte van Nederland · 第 10 / 35 段