_Wanneer, zooals waarschijnlijk is_ (hiervóór, bl. 74).--Hogendorp

heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling

der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over

geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van

zijn kamer af,[173] en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden

en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde,

kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de

gansche den Vorst in handen gegeven _Schets_ nog geen woord van

dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn

gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner

nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.[174]

Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen

en onderging voorlezing van den brief.[175] Dat hij die noodig had,

is mij niet gebleken.

[173] _Br. en Ged._ V, 43, 46.

[174] _Ontstaan_ I, 31.

[175] _Br. en Ged._ VI, 29.

De Vorst had de _Schets_ ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam;

ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste

dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (Bülow en

Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van

den dringendsten aard waren;--met opdrachten ook aan verschillende

personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebied der

Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën

en individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan

te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor

een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had.

Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck,

Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,[176] die

nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een

groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was,

en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt.

's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën

opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan

het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis

gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook de _Schets_ in en raadpleegde er

dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830,

Aylva, van Maanen en Elout.[177]

[176] Falck's _Gedenkschriften_, 126.

[177] _Ontstaan_ I, 1.

Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet

anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven;

het is althans niet bewaard.

Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de

verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft.

Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden

had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon

als garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en

vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming[178];

wederom na den 21sten: van Maanen is »allervriendelijkst" maar heeft

niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen

de zaken drijven[179], of zijn unieke positie op te offeren en met

zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor »alle de Hoven

Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795"[180].

Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de

heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie

kracht aan hunne wetten geven. »Volgens mijne gewoonte", schrijft

Hogendorp, »liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel

mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te

geven". Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt

de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en

des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der

bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec.

laat hij la Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in

Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd

der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien

hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk

was aanbevolen[181]. Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad

geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel, van minister

van justitie. Is hij ook over de _Schets_ geraadpleegd, en door wien?

[178] _Br. en Ged._ V, 29.

[179] _Ged._ VI, 1740.

[180] _Br. en Ged._ IV, 247.

[181] Falck's _Gedenkschriften_, 122.

In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere

redactie der _Schets_ kent, dan die in de commissie gediend

heeft.[182] Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen

der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die de _Schets_ in

het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk

onderscheid maakt tusschen leden die de _Schets_ al, en die ze nog

niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie

brengt.[183]

[182] _Ontstaan_ I, 70.

[183] _Ontstaan_ I, 82.

In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte _Schets_

aan hem en eenige anderen »vroeger was rondgedeeld", doch _veel_

vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell

de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl

hij onderstellen moest »dat de leden het pas voor een uur afgedrukt

project nog niet geheel mogten gelezen hebben"[184]. Zou van Maanen

nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der _Schets_ geen kennis

gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het

is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en

met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie

van de _Schets_ alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen _sub

rosa_ aan Röell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet

gemaakt heeft, en daarom _zeker_ in de commissie zal komen; tevens

blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van

Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen

personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te

doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te

halen[185]. Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der

_Schets_ van van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven?

Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de _Schets_ zoo was

als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het

lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden

en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.

[184] _Ontstaan_ I, 78.

[185] _Ontstaan_ I, 36.--Röell, niet bijzonder meer op posten gesteld,

had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.

Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de _Schets_ en

de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief

aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij

die gelegenheid uit of over de _Schets_ vernam, vond hij later alles

in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren

dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist;

maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de _Schets_ zooals zij in

de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen

»eeniger staatsmannen"[186]. De veranderingen in de tweede redactie

aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen

met den Vorst[187], waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.

[186] Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het 7de deel

zijner _Bijdragen_, bl. 148 (vgl. _Ontstaan_ I, 69).

[187] Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en

vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (_Ontstaan_ I, 32).

Wat de opinie van van Maanen over de _Schets_ betreft, deze blijkt

duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij

bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten.

»Ik weet", schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's

kleinzoon, »dat de _Schets_ althans aan wijlen den Heer Minister

van Maanen daarna[188] ook werd medegedeeld[189] en deze allereerst

van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van

namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk".[190] Merkwaardig

stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft:

»van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het

was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te

stellen".[191] De raad van Fouché aan de Bourbons: »se coucher dans

le lit de Napoléon".

[188] Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).

[189] Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).--De wandeling, die het

door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie (nog

onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan den

S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen

van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug

(zie _Ontstaan_ I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug

(zie _Ontstaan_ I, 32).

[190] Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van

Maanen.

[191] _Br. en Ged._ V, 84.

Als derde, die van de _Schets_ in tweede redactie kennis zou

hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in

geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en

wel »op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,"[192] nam

er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf[193]

en een uitgebreidere voor van Hogendorp.[194] Met deze laatste was

Falck »het bijna onvoorwaardelijk eens."[195] De kern der opmerkingen

van Elout is deze: »Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787

of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar

gedane zaken nemen geen keer, en _nu_ is het bedenkelijk het nieuw

op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping

onmogelijk schijnt." De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard:

»Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinciën blijven op

den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet

alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?"

Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij

Hogendorp mondeling toegelicht,[196] maar zekerheid bestaat op dit

punt niet. Tot wijzigingen in de _Schets_ hebben zij geen aanleiding

gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet

aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou

in de commissie moeten worden uitgevochten.

[192] _Ontstaan_ I, 503.

[193] _Ontstaan_ I, 503.

[194] _Ontstaan_ I, 39.

[195] _Ontstaan_ I, 504.

Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd,

zal hij de studie der _Schets_, thans van Elout terug, hebben hervat.

Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte

toe.[197] Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en

vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat

de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande

goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden

over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij

wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp

op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst

van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft

liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten;

hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen

provinciale ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij

wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan

het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden,

en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt

in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in

Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk

Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den

volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot

drie uur in den nacht[198]. Alle voorgeslagen wijzigingen werden

door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis;

twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de

provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het

platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven

en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens

geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die

waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend

zielen één[199]. De Vorst »had geen zin in zoo groote heeren"[200].

Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen

zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars

de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom

van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel

wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit

afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij

Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk,

waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden

voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen,

dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden

kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën.

Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn »adel der Vereenigde

Nederlanden" en zijn hoogerhuis opofferde.

[196] _Ontstaan_ I, 504.

[197] _Ontstaan_ I, 32.

[198] _Br. en Ged._ V, 82.

[199] En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal leden,

door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.

[200] _Br. en Ged._ V, 82.

Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen

omgewerkte _Schets_ aan de commissie als leidraad zou dienen, en dat

het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter

goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5

à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren

zou tot eene »algemeene groote Statenvergadering," om den eed des

Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der

grondwet, en vervolgens »na weinige dagen" heen te gaan, waarop de

eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou

worden op 1 Nov. 1814[201].

[201] _Ontstaan_ I, 35-36.

Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op de

_Schets_ toezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit

tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen

genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck

hebben gevraagd[202]. Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd

ook aan de ministers[203] zitting te verleenen[204]; hiervan is

echter afgezien[205]. Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp

tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen

bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen

zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst

er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral

met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van

oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht

en de ondervinding van Falck[206].

[202] Dit valt af te leiden uit _Ontstaan_ I, 36. Van's Vorsten zijde

zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote

namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde

dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de

jaren na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak

natuurlijk vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij

toen innamen. Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij

den Vorst ontmoet hebben als representanten van de na '95 tot aanzien

gekomen wereld. Falck heeft daarna nog voorgeslagen Röell en Heerkens.

[203] Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van

commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp

en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen:

van Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financiën), Bentinck van

Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van

der Hoop (marine).

[204] _Ontstaan_ I, 36.

[205] Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van Stralen

nòch met Canneman veel ophad: Falck's _Gedenkschriften_, 120.--Bentinck

had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens ook geen

man voor een dergelijke commissie.

[206] Falck's _Gedenkschriften_, 125.

De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen

heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen

te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op de Monden van

de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op

Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van

den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden

grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van

de Zuiderzee met drie[207], en het minder bevolkte der Monden van de

Maas met vier leden zou te opvallend zijn[208]. Denkt men aan de oude

provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn,

Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland

(van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda),

een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van

Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar

departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit

genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit

is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder een lid

heeft willen laten[209]. Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van

Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de

Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor

Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk

het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en

Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen

had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien

gewest[210].

[207] Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar Elout,

wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.

[208] D'Alphonse's _Aperçu_ geeft aan de Zuiderzee 500.656 inwoners; aan

de Monden van de Maas 389.214.

[209] _Ontstaan_ I, 36 (»wij moeten een Groninger hebben").

[210] _Ontstaan_ I, 37.--Wat Falck daar schrijft dat de Groninger uit

de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door

P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn _beide_ commissarissen

in de Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (_Ged._ VI, Inl. 3e

stuk, CLXXXIII).

In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde,

maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier

bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb.

1762).

Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736-1816)

behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie

Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins

Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen

beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris

der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland

teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal

verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben

dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van

Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot

bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant

van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed.

Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze

betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door

kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een »buitenlander" van

aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig

man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij

behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten

hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige,

orangistische reactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een

tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd

en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang

te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk,

nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan,

ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij

niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd

hadden gegolden.

Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743-1839),

in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder

van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouw de

Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam

dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd.

Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon

was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen

onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de

leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde

Provinciaal Bestuur van Utrecht.

Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750-1818), in 1777

beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den

post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij

het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op

wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland.

Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen

dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind

gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd

tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den

Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een

collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell[211]. Een van

de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is

opgemaakt,[212] is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of

Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om

redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken[213], want hij is

nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd,

vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen

komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken[214] zal men

de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te

laten vallen.

[211] De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij voorkeur

dubbel bezet.

[212] Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van Maanen over

de benoeming van Röell en van Heerkens (_Ontstaan_ I, 36-37).

[213] Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog zooveel

vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de militaire

belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur was bezet.

[214] Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst overgegeven 20

Februari.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 9 / 35 段