te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten December tot den
21sten Januari kwam de commissie, met uitzondering der Zondagen, bijna
dagelijks te zamen; toen ging zij voor eenige dagen tot 28 Januari
uiteen, om de denkbeelden der leden over de verhouding van den staat
tot de kerkgenootschappen tot meerdere rijpheid te doen komen. Van
28 Januari tot 11 Februari werden de beraadslagingen weder dagelijks
voortgezet en ten slotte ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie
van redactie, bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de
formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden opgedragen.[144]
De souvereine vorst, die van den aanvang af op menig punt van zijne
wenschen had doen blijken, deed ook bij deze formuleering zijnen invloed
gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne consideratiën gewijzigd, werd
eindelijk in de vergadering van 28 Februari 1814 gedrukt[145] ter tafel
gebracht, om, nogmaals herzien en gewijzigd[146], den 1sten Maart 1814
vastgesteld, en den 2den Maart door de commissie in persoon aan den
souvereinen vorst aangeboden te worden. Wie er belang in stelt bekend te
worden met hetgeen in de werkplaats der commissie voorviel, dient niet
onkundig te worden gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit
harer benoeming was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen
van Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende,
als een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste
bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit stuk,
onder den titel: »_Algemeene gronden van de Constitutie_", en daarbij
een toelichtende memorie, onder den titel: »_Aanmerkingen op het ontwerp
eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden_"[147]. De analyse gaf
aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot eene bestrijding
door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als strijdig met het
monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en federatieve
denkbeelden[148]. Een gevolg hiervan was, dat, toen men, overeenkomstig
den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als leiddraad besloot te
volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd werd, om geen artikel als
finaal gearresteerd te beschouwen, voordat de deliberatiën over de
grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
[144] Dit geschiedde 3 Febr. (_Ontstaan_ I, 328).
[145] _Ontstaan_ I, 446.
[146] Volgens de officieele notulen had de vaststelling der grondwet
plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van van
Maanen: 1 Maart »De president heeft voorts den secretaris geïnviteerd om
achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de nadere
redactie de noodige veranderingen te maken." 2 Maart. »De president
heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere veranderingen
en emendatiën, welke in het ontwerp van constitutie achtereenvolgens de
deliberatiën van gisteren en eergisteren nog moesten gemaakt worden,
waarna het stuk is gearresteerd."
[147] _Ontstaan_ I, 56 en 74.
[148] _Ontstaan_ I, 81.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het meest
behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door nationale
instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben gestaan. Had
toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine vorst krachtens
zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over de lijfstraffelijke
rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de eene zijde aan
den rechter eene grootere macht tot toepassing van verzachtende
omstandigheden was toegekend, maar van de andere zijde de geeselstraf
weder werd ingevoerd, de guillotine werd vervangen door den strop en het
zwaard, de jury werd opgeheven, en de publiciteit der terechtzittingen
werd beperkt. Dit verklaart dan ook, dat in het besluit van 21
December 1813, waarbij de commissie benoemd was, van de justitieele
administratie uitdrukkelijk melding werd gemaakt, met bepaling dat
te dier zake vooraf een voorloopig rapport aan Z. K. H. zoude worden
ingediend. Eerst den 3den Februari 1814 kon de commissie aan deze
uitnoodiging voldoen en werden de leden Humalda, Elout en van Maanen
verzocht het IVde hoofdstuk der grondwet: _over de justitie_, aan den
souvereinen vorst aan te bieden[149], van welke opdracht zij zich dan
ook blijkens het in de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben
gekweten[150]. De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig
rapport den souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig
voor eene nieuwe regeling der _justitie_ voor te bereiden, opdat er
vooral bij dit onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen,
dat die bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft,
voordat wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben
kunnen vervangen?
[149] _Ontstaan_ I, 328.
[150] _Ontstaan_ I, 420.
Ik stap hiermede af van de _uitwendige_ geschiedenis der door de
commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen
hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was
immers de commissie belast met de voordracht der organieke reglementen
en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der constitutie
behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie meende dan
ook zoowel ten opzichte van de _aanneming_ als van de _invoering_ der
grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In de bijeenkomst
van 4 Februari 1814 werd door den president een stuk[151] overgelegd,
dat, blijkens de daarin voorkomende tijdsbepalingen, reeds eenigen
tijd vroeger was opgesteld, en waarin zoowel de aanneming als de
invoering der grondwet in 14 artikelen was geregeld. Dit stuk zoude
te gelijk met het rapport der commissie over de constitutie aan den
souvereinen vorst worden aangeboden (art. 1, 2). Vijf à zeshonderd
aanzienlijke ingezetenen, gekozen door de commissarissen-generaal in
de departementen, de opvolgers der Fransche prefecten, zouden op den
1sten Februari te Amsterdam bijeenkomen; hunne vergadering zoude door
den souvereinen vorst geopend worden, de voorzitter door dezen worden
gekozen, en de grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art.
3, 4, 5). Na afloop der deliberatiën, na aanneming der grondwet en
bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de vergadering
zich constitueeren tot eene groote vergadering der Staten-Generaal,
waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen, en waardoor daarna
de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art. 7, 8). Maar met dit
een en ander zoude de taak der vergadering nog niet zijn afgeloopen. De
souvereine vorst zoude door de ministers voordrachten kunnen laten doen:
de vergadering zoude harerzijds aan den souvereinen vorst de invoering
der grondwet opdragen op zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art.
9, 10). De staten der provinciën zouden de eerste reis te zamen komen
in de maand Maart, en zich vóor alles bezig houden met het reglement
op hunne huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering
der Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814 (art.
13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren na de
invoering der grondwet over de authentieke interpretatie adviseeren
(art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der grondwet werd
gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen, doch slechts als
een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te maken bij de redactie
van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene den 7den Februari 1814
ter tafel gebrachte _concept-publicatie_ door den souvereinen vorst
betrekkelijk de notabelen en de aanneming der grondwet uit te vaardigen,
met een daarbij gevoegd door de notabelen te nemen besluit tot aanneming
en invoering der grondwet[152]. Intusschen had de commissie bij een
_voorloopig rapport_ aan den souvereinen vorst, vastgesteld den 5den
Februari 1814[153], verslag gedaan van den stand der zaak en tevens
hare denkbeelden ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door
den souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het _finaal
rapport_, vastgesteld den 1sten Maart[154], waarbij tevens was gevoegd
eene _concept-proclamatie_[155], betrekkelijk de notabelen en hunne
aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en waarvan het
laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814 is uitgevaardigd.
Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in deze twee stukken
opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles voortdurend overleg is
gepleegd met den souvereinen vorst.
[151] _Ontstaan_ I, 361.
[152] _Ontstaan_ I, 386.
[153] _Ontstaan_ I, 375.
[154] _Ontstaan_ I, 472.
[155] _Ontstaan_ I, 473.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der commissie,
dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal den weg der
wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de meerderheid der commissie
van oordeel was naar middelen te moeten omzien, ten einde men met
eenigen grond zich op de goedkeuring des volks zoude kunnen beroepen.
Notabelen uit de geheele natie zouden de grondwet beoordeelen, had
reeds art. 5 van het besluit van 21 December 1813 gezegd[156]. Maar
door wie zouden ze worden gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan
eene keuze der notabelen door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan
niets over dan eene keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij
ze zelf rechtstreeks benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen
aanwees. En dit laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond
trad, vond plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden
lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de
individuëele leden der commissie[157]. Het getal was door de regeering
op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was. Maar hoe nu
het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600, voor ieder
departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De commissie
meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814 daarvoor het
lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het onpartijdigste middel. De
souvereine vorst was echter van die loting niet gediend[158] en droeg
bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op aan negen heeren[159].
Hiermede was althans één punt geregeld: de wijze van verkiezing der
notabelen. Maar wanneer er niet meer geschiedde dan dit, kon men dan
met eenigen grond zich voor de grondwet op de goedkeuring des volks
beroepen? »Welke qualificatie", vroeg van Aylva in de zitting van 4
Februari 1814, »zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel
zijn? Hoe zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij
moeten het soliede maken voor geheel Europa." Hogendorp werd gemelijk:
hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was, zwarigheid
te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander middel, om aan
de zaak meer wettigheid te geven, dan de goedkeuring door notabelen.
Ook Lampsins meende, dat Europa niet zoo kieskeurig zoude zijn. Toch
werd het geweten der meerderheid hierdoor niet gerustgesteld. Geene
constitutie kan aangenomen worden zonder democratische beginselen;
men moest de geheele natie in het werk doen deelen, bleef Röell
beweren. Maar wat dan? Men stelde voor ter visie legging der lijsten
in de departementen, en daarnevens een register, waarin de ingezetenen
zouden kunnen doen blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten.
Onthouding kon als goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd
bij de publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu
door den souvereinen vorst wel niet--zooals de commissie eerst gewild
had--_verklaard_ als representeerende het geheele Nederlandsche volk,
maar als zoodanig door den souvereinen vorst _beschouwd_. De souvereine
vorst constateerde alleen het feit; bleef voor het overige
lijdelijk[160].
[156] _Notabelen_ was een minder stuitend woord dan _aanzienlijken_.
Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat men
op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de
Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van
de drie standen, somwijlen _assemblées de notables_ bijeengeroepen,
bestaande uit personen, die door den koning werden aangewezen.
[157] In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst de
heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen
opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden
komen (_Ontstaan_ I, 212-'13).
[158] _Ontstaan_ I, 415; vgl. aldaar, 400.
[159] J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten, Huyssen
van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P. Graafland,
G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber (Metelerkamp,
61).
[160] Röell zei: »de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de
natie representeeren; liefst _bekend maken_ of zoo iets--dat _a parte
principis_ eene meer lijdelijke houding te kennen geeft". (_Ontstaan_ I,
416).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der
commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat
er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden opkomen,
vooral niet nu men niet meer--zooals eerst was voorgesteld--de geheele
departementale lijst kon verwerpen, maar verplicht was de personen,
die men niet bevoegd achtte, met name aan te duiden. Men huldigde
democratische denkbeelden, maar het was minder het wezen dan de schijn,
die men lief had. Ditzelfde openbaart zich ook in de regeling van de
werkzaamheden der notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig
werden? Hunne bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De
souvereine vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus
uit eene voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberatiën. De
leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne rekening
nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het algemeen gevoelen uit
met te zeggen: »_vele solemnia, weinig zaken_"[161]. Men kwam dan ook
zeer spoedig terug van het denkbeeld, om in de vergadering der notabelen
iets anders te laten behandelen dan de aanneming der constitutie en
hetgeen daarmede in noodzakelijk verband stond.
Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne
inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging
over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't
bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der
stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden worden
benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den 8sten Januari
1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk een vertrouwen op den
vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal aan hem zoude worden
opgedragen[162]. Hierover, evenmin als over de vervulling der andere
collegiën, bestond dan ook tusschen de leden der commissie verschil van
gevoelen; men begreep, dat de notabelen namens de natie den souvereinen
vorst daartoe moesten machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd
dan ook gevonden in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling
genomen ontwerp-besluit door de notabelen te nemen. En hoewel--zooals
ik gezegd heb--dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo
bleef toch de commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer
en meer tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar
tegelijk met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als
additioneel artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van
opdracht daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat
hij deze kwestie het best met den president van de groote vergadering
kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie in
haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide: »Wij
achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze, waarop de
grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen geenszins of de
groote vergadering zal wel het beste en eenige middel daartoe kiezen,
door de invoering en de benoeming der gestelde collegiën voor de eerste
reis aan U. K. H. op te dragen".
[161] _Ontstaan_ I, 384.
[162] Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (_Ged._ VII, 26). Lord
Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het
hoofdkwartier der geallieerden.
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op
den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en de
beëediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich niet
verheven tegen de keus der 600 notabelen[163]. Deze kwamen echter
niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun getal
tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814 was voor
de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk kwamen daarvoor
des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan de commissie van
14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot in 10 afdeelingen te
verdeelen. Tot president werd door het eerst benoemde lid der commissie,
van Lynden van Hoevelaken, namens den souvereinen vorst uitgeroepen
de heer van Nagell van Ampsen, vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur
in Engeland en sedert ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering
geleid, die op den naam van ernstige vergadering aanspraak kan maken,
of waren het _vele solemnia en weinig zaken_? Tegen half elf uur trad
de souvereine vorst met zijne beide zonen, omgeven door de herboren
hofhouding, door de hoogste dienaren van den staat, door de commissie
van constitutie, de kerk binnen. De souvereine vorst hield »op eene
zeer aandoenlijke en plechtige wijze eene aanspraak"[164]. Het lid der
commissie voor de constitutie, van Maanen, hield daarop »met de hem
eigen welsprekendheid"[165] eene redevoering over de beginselen en den
geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het onderzoek
of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de notabelen had
gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn geweest. Toch
waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen. Dit was echter niet
de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te debatteeren, maar om te
stemmen. De bedenkingen die men had, konde men schriftelijk indienen,
en de president der vergadering zoude die aan den souvereinen vorst
overgeven[166]. Er werd dus gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor
en 26 tegen. In een paar uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde
Nederlanden hadden een grondwet. De souvereine vorst kon met die
aanneming in kennis worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie
van denzelfden dag door hem aan het volk worden verkondigd.
[163] Metelerkamp, blz. 94, spreekt van »bijna algemeene goedkeuring."
Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen geen genoegen
namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven, zoolang de registers
niet toegankelijk zijn.
[164] Metelerkamp, 101.
[165] Aldaar, 195.
[166] Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der
grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den
souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie Röell geschreven,
dat de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen
(Archief Röell).
»Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid,
waartoe"--zegt Metelerkamp[167]--»de volgende dag bestemd was". De
vergadering werd door den voorzitter geopend met »eene eerbiedige
aanspraak aan den souvereinen vorst", door dezen »op eene treffende
en aandoenlijke wijze" beantwoord. Ook werd der vergadering daarbij
mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk van den oudsten zoon van
den souvereinen vorst met de engelsche prinses Charlotte. Daarop legde
de souvereine vorst den eed af, »met eene duidelijke maar getroffen
stem". De eed werd gevolgd door de inhuldiging, bestaande in het
afleggen van den eed van getrouwheid door den president, onder het
uitsteken van de rechterhand door al de leden.
[167] Blz. 205.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: »Leve Willem
Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!"
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de kroon
op dit alles.
_Vele solemnia en weinig zaken._
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de commissie
zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef. Ik bedoel de
invoering der grondwet, de eerste vervulling der collegiën. De grondwet
zweeg er over. In de vergadering van 29 Maart werd er geen woord van
gerept. In de afdeelingen schijnt hetzelfde het geval te zijn geweest.
Ook de zoogenaamde akte van inhuldiging, zijnde het proces-verbaal
van het op 30 Maart voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige
omstandigheid, waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene
zinsnede uit de aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen
van den eed in antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De
souvereine vorst zeide: »Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te
gemoet kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet,
en door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die
aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig
en gebrekkig blijven zoude"[168]. Diensvolgens werd dan ook in de
publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de souvereine
vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet en tot het
benoemen van die hooge staats-beambten en collegiën, door welker raad
of gezag zij gewild had, dat de macht van den souvereinen vorst zoude
worden omschreven en beperkt[169]. Men schijnt ten slotte te hebben
begrepen, dat het op deze wijze ook wel kon gaan, en dat een opzettelijk
debat over dit onderwerp zijne bedenkelijke zijde had.
[168] Metelerkamp, 217.
[169] Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen vorst in de
eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie, om met
het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak zonder stoornis
of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen. In die dagen
ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke vrijheid. Wanneer er
iets was, wat in den lande naar publieken geest zweemde, dan was het de
algemeene blijdschap over het aftrekken van den vreemden overheerscher,
en over de herstelling van het huis van Oranje. Er is veel waars in
de woorden van van Assen[170]: »de geestdrift, waarmede de bewoners
dezer gewesten den vorst als redder terugontvingen, maakte hen geheel
onbezorgd over de voorwaarden der regeering". Ja, men had desnoods
de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen
onderwerpen, zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de
vergadering van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring
der edelen en patriciërs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke
lijn met genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had,
wat nog snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst.
Het schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe
te schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt
geen vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit
een roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie
der hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals
van Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een
verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling,
waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen
vorst alleen gelegd was.
[170] De Bosch Kemper, _Letterkundige Aanteekeningen_, blz. 462.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche maatschappij, wat
van den regeeringsvorm?
* * * * *
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op
te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen.
Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III-V, meer dan eens
gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen
Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd:
_Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814_.
* * * * *
_Hogendorp's Schets_ (hiervóór, bl. 72).--Tellegen kent deze
alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de
beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere
redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar
van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst
voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim
comité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.[171] De zeer
geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie
aantreft,[172] waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde
redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van
opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen
onbekend zijn geweest.
* * * * *
_Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte_ (hiervóór, bl. 73).--Dit
houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen
verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in
Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op
18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling
voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat
hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht
heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te
vragen;--en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan
te gelooven.
[171] _Ontstaan_ I, 1; _Br. en Ged._ V, 83.
[172] _Overzicht_ van B. D. H. Tellegen Az., 5.
* * * * *