Amsterdam. Doch reeds eerder was een rol met exemplaren der door den
Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam gekomen, die daar,
zonder begeleidend schrijven,[124] op 1 December, 's ochtends
om 8 uur, door Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf
verwacht,[125] of anders bericht omtrent zijne komst. »Wij zullen,
ook zonder dat ik de intentie kenne", schrijft hierop Canneman aan
Falck, »de proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben
doen uitroepen _als Vorst_. De plechtige proclamatie wordt met
ongeduld verwagt." Ik meen deze woorden als volgt te moeten
verklaren. Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's
Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil van gevoelen omtrent de
titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk,
gelijk hij het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van
's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden van den koningstitel te
gebruiken. Verder onderscheidt hij »uitroeping" (bij monde) van
»plechtige proclamatie" (op papier); de laatste had hij uit den
Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft. De »uitroeping"
daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg,
gelijk die dan ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk
van den Prins is voorgelezen, om één uur, natuurlijk weer onder
grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had
dien ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de
been gekomen, en op de been gebleven om naar de zooeven aangekomen
Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop die Haxthausen
(eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had
bijgewoond) voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.
[124] Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje
was weggegleden (_Ged._ VI, 1779; vgl. Falck's _Brieven_, 2e druk, bl.
196).
[125] Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: »De
Prins komt morgen zelf te Amsterdam" (_Br. en Ged._ IV, 372).
De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle
borst, is eerst door Commissarissen-Generaal in den vorm eener
»plechtige proclamatie" gebracht toen zij door van der Duyn
vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het
_van hen_ verwachtte. Het was avond;[126] te laat voor het gewone
_Dagblad_-nummer van 2 December.[127] Kemper's uitnemend stuk
verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide
extra-courant. Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel
reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn afgelezen, en het is best
mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle
attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door
van der Duyn zeker wist, de Prins zou komen.
[126] _Ged._ VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
[127] Het _Staatkundig Dagblad_ kwam uit in den namiddag vóór den dag
welks datum het nummer aan het hoofd draagt.
Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad,
dat zij, den 2den bij het ontbijt, er uit vernomen hebben met welken
titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken, dan dat zij er de
uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die
uitroeping was toen reeds anderhalven dag een feit;--en eerst jaren
later, toen Amsterdam zich weer in de oppositie begon te voelen, is
wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten hadden,
met zoo uit aller naam te spreken.
* * * * *
Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige
beslissing met bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en
de souvereiniteit was aangeboden en aanvaard. Dat kon alleen, omdat
beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar diep
werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk
een zegen dat Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet
eerst gedelibereerd is moeten worden in een lijzige vergadering van
Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had,
in 1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad
revolutionnair? Ja, ten volle, wanneer men legitiem zou willen achten
wat vóór 1795 had bestaan;--neen, wanneer men de ontwikkeling sedert
1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal?
Weerom ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel
libertijnen zich ook aangesloten mogen hebben, toch merkbaar het werk
eener kleine calvinistische minderheid is geweest.
Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit
heilrijkste werk van 1813, de uitroeping tot de souvereiniteit, met
eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden. Individuen hadden
het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor,
't zij uit trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na
Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de komst van den Prins juist
voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg
naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.
* * * * *
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's
beschouwingen, in zijn tweede hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij
voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.
Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813
een streven aan om door de oprichting eener monarchie Europa te
believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die in
1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was
(zie Duitschland), zou zich aan de restauratie ten onzent van
bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder
evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der
souvereine kantons in Zwitserland of der vrije steden in Duitschland.
Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht leerzaam genoeg.
Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest
maar een deugd. De Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een
Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat geworden was door
zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van
een Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens
een Russische geschiedenis van eeuwen, niet te Amsterdam door het
bedrukken van een stukje papier. »Absolute" vorsten plegen zich ook
niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te
verontschuldigen, zooals de Prins het in het stuk van 2 December
doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan de wenschen
der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen
voortkomen uit deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en
gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut noodige: de zorg voor de
verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een
snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit,
een oogenblik worden opgehouden.
Het _constitutioneele_ koningschap is in de beide proclamatiën geen
bijlapsel, waarin men in 's hemelsnaam om consideratiën maar berust:
het is haar inhoud zelf, en het »zoo diep kon men niet gedaald zijn"
had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December
reeds kondigt de aanbieding eener grondwet aan »binnen weinige
weken".
Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht,
verrijst enkel uit de omstandigheid, dat hij een beperkt aantal
officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun tekst gaat
voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen
die er achter ligt. Dat gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan
toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij tegenover Kemper
stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De
na Molitor's aftocht ten ontijde herleefde »provincie" Utrecht om
hals brengen en haar Statencollege casseeren: tot de invoering der
grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert
1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der
Zuiderzee[128].
[128] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's _Brieven_, 201.
Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in
wat er van kwam. De oude Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de
bestaande bestuursinrichting daarentegen springlevend. Zij had overal
den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren weggeloopen
en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2
December precies even goed overeind als 15 November. Voor »Keizer"
las men eerst »Algemeen Bestuur", vervolgens »Souvereine Vorst",
voor minister »commissaris-generaal", voor prefect eveneens
»commissaris-generaal", voor onderprefect »commissaris", voor maire
»president der provisioneele regeering"; voor Empire français
»Vereenigde Nederlanden".
De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door
Falck, en doet niets dan den naam van den Staat overnemen zooals hij
sedert 21 November in dagelijksch gebruik is. Na het nachttafereel
van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend,
dat het volk den Prins heeft uitgeroepen tot »Souverein en Vorst der
Vereenigde Nederlanden", en zij hebben voorzeker geen bondsstaat
gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December »Nederland" schrijft
is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen
naam, terwijl de algemeenheid de overbrenging van den historischen
naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het verschil, en ik
cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term
»Nederlanden" sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt;
evenmin als de term »Staten-Generaal" in Hogendorp's _Schets_ een
congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor
1795 had bestaan: »de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele
Nederlandsche Volk"[129].
[129] _Ontstaan_ I, 5 (art. 21 der _Schets_).
III.
DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.
21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 » » Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart » Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 » » aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 » » Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 » » Samenkomst der notabelen.
29 » » Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 » » Beëediging der grondwet door--en inhuldiging van den
souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer onafhankelijkheid: de
Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne onderdanen volgens eene
grondwet regeeren. Hogendorps schets eener grondwet voor de Vereenigde
Nederlanden lag gereed. Zij droeg volgens den souvereinen vorst de
blijken van 's mans »loffelijken ijver en liberale denkwijze"[130].
Waarom dan niet de knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd,
hetzij ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan
wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne onderdanen
met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn onbeperkte
macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om het modewoord dier
dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt kon doen, was daarom
nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst. Wanneer deze zich op het
beginsel der legitimiteit zoude beroepen, zoude hij het daarmede nooit
verder hebben kunnen brengen dan tot zijne optreding als erfstadhouder,
als Willem VI. Dat hij als souvereine vorst, als Willem I optrad, was
geene voortzetting van den ouden rechtstoestand, was de aanvang eener
nieuwe orde van zaken. Was men nu al om den nood van het oogenblik
over de onwettige, of wil men liever onregelmatige wijze, waarop
de souvereiniteit was opgedragen, heengestapt, toch was ieder het
eens[131], dat er nog iets anders noodig was om het feit wettig te doen
worden. Welke weg was daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd
het goed recht van den regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de
souvereiniteit van den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
[130] Besluit van 21 December 1813 (_Ontstaan_ I, 37).
[131] Aanmerkingen van Falck op van der Palms _Gedenkschrift_, in _G. K.
v. Hogendorp in 1813_, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten gevolge
van eene bedenking van Falck het woord _wettiglijk_, daar waar hij sprak
van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook nog
in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog in leven
waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener grondwet vragen.
Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp zelf had reeds in
de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken, dat ook notabele
ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het groote werk moesten
medewerken[132]. Ook hij begreep, en met hem de souvereine vorst, dat
de stem der natie moest gehoord worden, en alleen daardoor een vaste
grond voor de constitutie kon worden gelegd.
[132] _G. K. van Hogendorp in 1813_, blz. 100.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne komst hier
te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie, waaraan de
samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd opgedragen, terwijl
tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie gemaakte ontwerp
aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele natie zoude worden
onderworpen om door hen als algemeene staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R. Metelerkamp,
oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen genomen, doch zij
werd den 29sten December 1814 nog met éen lid aangevuld[133]. Wanneer,
zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een overwegende invloed op de keuze
van de leden dier commissie heeft uitgeoefend, dan moet men wel de vraag
doen, of het hem wel ernst is geweest met zijne uitingen in den aanvang
der revolutie over de verbroedering der partijen gedaan[134]. Onder
de 15 leden waren er toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering
waren geweest. Zeven van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van
Maasdam, T. C. van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van
Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll van
Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten, welke door
adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en Humalda hadden
als gekozen edelen gezeten in de Staten van Friesland, Heerdt had als
lid van de ridderschap deel uitgemaakt van de Staten van Overijsel;
evenals Schimmelpenninck van die van Gelderland, van der Duyn van die
van Holland; van Lynden van Blitterswijk, een geldersch edelman, had
van 1778 tot 1795 den stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele
van Zeeland vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog
zeer jongen van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in
hoogere betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden,
Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der
republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795
voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en tevens
kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne vlucht uit het
vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de commissie zes anderen,
genomen uit den kring der stedelijke regenten: Mr. G. K. van Hogendorp,
pensionaris van Rotterdam; Mr. W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam,
O. Repelaer, raad van Dordrecht en bij den inval der Franschen
in buitengewone zending te Parijs, G. W. van Imhoff, lid der
Staten-Generaal voor Groningen, Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel,
en eindelijk A. J. C. Lampsins, gesproten uit een Vlissingsche
regeeringsfamilie. Er bleven dus twee leden over, die noch tot dezen,
noch tot genen kring behoorden; twee, die de revolutie van 1795 als
hunne moeder behoorden te beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van
het gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral
de keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene
patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader[135], door de
revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den Haag,
wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in hetzelfde jaar
1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland
benoemd, om den lande verder in allerlei betrekkingen onder alle
wisseling van regeeringsvorm te blijven dienen. Hij is als minister
van justitie een dienaar van koning Lodewijk, en als president van het
gerechtshof in den Haag in dienst des keizers[136]. Hij blijft den
keizer trouw ook in de dagen van November, en weigert aan Hogendorp
alle medewerking[137]. Aan wien, zou men vragen, had dan die man der
revolutie, had die keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der
commissie te danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in
den geest van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine
vorst was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen
der oud-regenten[138]. Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook
Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne Schets
eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld[139]. Wat mocht
Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden, dat ook de
souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van Maanen was evenals
alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking bevestigd; hij was
als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op de justitie
belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die tevens als
rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die commissie meende niet
te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden moge geweest zijn, dit is
zeker, dat zijn optreden als lid der commissie van grooten invloed
is geweest op de samenstelling der grondwet. En Heerkens dan? Hij
werd gekozen noch om zijne beginselen, noch om zijne talenten. In den
aanvang had men met zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar
zijne familie in Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie
voor het departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de
commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer welgevallig
vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat Heerkens, die door
een toeval te Venlo geboren was, wel aan de generaliteitslanden kon
worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter was het de bedoeling
om naast de overigen--allen leden der vroegere staatskerk--een
Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het ontwerpen der
grondwet[140]. Ook Heerkens schijnt zijne roeping aldus te hebben
opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814) eerst deel aan de
beraadslagingen der commissie, toen het stuk van den godsdienst ter
sprake was gekomen[141]. Hij maakte het echter nog beter dan het lid
Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat er van eenige wettige
verhindering blijkt, geene enkele van de vergaderingen der commissie
bijwoonde. De commissie heeft dus in werkelijkheid slechts bestaan uit
14 leden, een even getal, waarvan staking van stemmen het gevolg kon
zijn, en ook inderdaad het gevolg is geweest.
[133] Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W. van Aylva
(Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de Maas), Mr. C.
T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den IJsel), Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de Generaliteitslanden),
Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas), Aebinga van Humalda
(Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de Schelde), W. C. H. van
Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van Maanen (Monden
van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell (Zuiderzee),
W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R. van Tuyll van
Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff (Wester-Eems).
[134] Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: »Nous appellerons dans ce
gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce que tout esprit
de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes
appellent le même souverain." (_Br. en Ged._ IV, 263).
[135] Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in den Hove
van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
[136] Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij
de tolk van de _sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération
et d'amour_, die de leden van het gerechtshof bezielden voor _le père
de la patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur_
(Aanspraak van van Maanen, geplaatst in den _Courrier d'Amsterdam_ van
1811, no. 305).
[137] _Br. en Ged._ V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was
opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van
Hogendorp. »Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand,
onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den
2den."
[138] De Bosch Kemper, _Staatk. Geschiedenis tot 1830_, blz. 405.
[139] Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van
Soeterwoude.
[140] Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (_Brieven_, 2e ed., blz.
201).
[141] In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan. 1814 komt in
een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende kennisgeving van de
oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo spoedig mogelijk,
de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de _Schets_ over de
Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De beraadslaging
werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het algemeen? Of ging
het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van Maandag den 27sten
December 1813 de leden het huis van Hogendorp op den Kneuterdijk
binnentraden? Want te zijnen huize werden de vergaderingen gehouden,
eene omstandigheid, die zich door 's mans podagra[142] wellicht laat
verklaren. Immers de tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de
ontwerper der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen
vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar.
Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen tot
president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie blijk
van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed te
arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke vergadering
uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk afgesmeekt, een
zegen te verwachten om den wille van Jezus Christus, Gods Zoon[143].
[142] Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een brief aan
H. Fagel over dien lastigen bezoeker (_G. K. v. Hogendorp in 1813_,
blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty:
»M. de Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez
lui la constitution à une heure après midi" (_Correspondence of
Lord Castlereagh_, IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet
van 1815 vergaderde om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
[143] _Ontstaan_ I, 77.