Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel[95].

Door geboorte, opvoeding en belang tot de Oranjepartij behoorende,

zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer stellende,

was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam

niettemin diep teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins

en volk gewild, geen overgave van den Prins aan het behoud. Hij had

voorspeld »de naderende volksregeering", die men niet moet willen

ophouden, maar door hervormingen den weg banen. »In de tegenwoordige

tijden", schrijft hij in 1793 aan van de Spiegel, »kan geen Regeering

iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het vertrouwen der

ingezetenen", en hij wist dat de regeering der Republiek dat

vertrouwen niet meer bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet

zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen oogenblik over

gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de

verwijdering uit zijn ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen

rol overschiet dan die van »citoyen utile"[96]. Anders dan zijn

standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de

bedrijvige massa. Door den dood zijner schoonmoeder de beschikking

krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar Amsterdam en

wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt

hij het buitengoed Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met

studie en met de opvoeding van zijn talrijk kroost. In 1809 verhuist

hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel

oogenblik, bij zijn _Verklaring aan het Staatsbewind_, wordt hij in

de politieke geschiedenis van het land in al die jaren niet genoemd.

Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te belangrijker is

de innerlijke.

[95] _Verspr. Geschr._ V, 239 vv.

[96] _Br. en Ged._ III, 87.

De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van

vreemde bajonetten, moest een trotsch gemoed als het zijne met

minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar

wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet,

maar de nieuwe bouw had, om op zijne beurt duurzaam te zijn, een

werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche navolging van

vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op,

als hij, niet blind voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt,

dat zij, als maatschappelijk ideaal, den »homme de bien" verruild

heeft voor den »habile homme"; dat zij als regel volgt: »ne parvenir

au coeur que par la voie de l'esprit"; »fonder le bonheur de

l'homme sur l'usage de sa seule raison"[97]. Het gevolg? »Mille

raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme

universel".--»Quelle est _la passion qui s'éveillera_ pour maintenir

le gouvernement philosophique, et pour le défendre contre toutes les

passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple,

rendu à la paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les

reproches qu'on peut lui faire, celui _du manque absolu de caractère_

est le plus fondé".[98]

[97] _Br. en Ged._ III, 159-160.

[98] _Br. en Ged._ III, 167 (ik cursiveer).

Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder

voedsel te doen zoeken in het eigen verleden, te redden van den

ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was gegroeid, zou zij

verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende

eeuw aan onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling

van denkbeelden, bij alle aanpassing aan nieuwe vormen, in wezen

verwonderlijk gelijk gebleven.

In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote

overwinning der geallieerden, de Franschen, als in 1793, ons land

weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren. In den

zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de

veranderingen, die in zoodanig geval in de Unie behooren te worden

aangebracht. De familietrek met de latere _Schets_ is onmiskenbaar.

Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk,[99] heeft de ondervinding

doen kennen de ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit

dient gevestigd in een Stadhouder, die in een constitutioneele

betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer

uitsluitend tot de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder

zullen ressorteeren de volgende departementen van algemeen bestuur:

financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten

opzichte van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen

van de Souvereiniteit, die zij voor justitie en binnenlandsche

zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een

Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten

en besluiten der algemeene regeering te straffen. De wetgevende

macht zal ten opzichte van al de opgenoemde zaken die aan de

Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering

der Staten-Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van

Raadpensionaris (titel die dus voortaan een Unie-ambt zal aanduiden)

»het beleid" hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden

gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na

een zeker aantal jaren de beslissing zullen hebben over de al of

niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten vaardigen

ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der

provincie in de algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de

algemeene landsvergadering vertegenwoordigd zijn.

[99] _Br. en Ged._ III, 87.

Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten

zwijgt het stuk; in zijn systeem terecht, daar het een memorie over

de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten is, en dus de

samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke

zaak blijft. Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert

Karel de vestiging voorgestaan van een regelmatigen volksinvloed

op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale

vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799-1801 blijkt, dat hij

dit denkbeeld thans niet minder aanhing.

Dit stuk van 1799-1801[100] werd opgezet naar aanleiding van de

leiding der Engelschen en Russen, doch eerst later in definitieven

vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter ontwerp van

Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld.[101]

Het is een omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met

bijgevoegde memorie van toelichting. De Stadhouder heet thans

Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In

plaats van vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in

de algemeene lasten, komt vertegenwoordiging naar de volkrijkheid.

Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de constitutiën der

provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale

Staten zal worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen

ook de dorpen er vertegenwoordigd zijn; in alle steden en dorpen waar

de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op. »De

kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder

onderscheid, te belijden".

[100] _Br. en Ged._ III, 171.--Over de dateering zie _Ontstaan_ I bl.

XXV.

[101] Hiervóór, bl. 18 noot.

Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de _Verklaring aan het

Staatsbewind_,[102] waarbij Gijsbert Karel, nevens anderen opgeroepen

zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar,

»alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de

erfelijke waardigheid van Hoofd van den Staat bekleeden". Voortaan

zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer kunnen

zijn »van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten,

maar van eene Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins,

Regenten en Volk."

[102] _Br. en Ged._ III, 196.

De _Verklaring_ verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking

van Hogendorp's denkbeeld minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen

al vaster aan de keten van den Eersten Consul te liggen, en Oranje

zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe

belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van

Gijsbert Karel slechts worden geschaad. De toezending van het stuk

werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke woorden,

door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel

niet beantwoord. Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en

richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit op andere dingen:

hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met

andere onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in

de eerstvolgende jaren geheel in beslag nam.

Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe

levensperiode voor Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen

groote verliezen had geleden en zich om financieele redenen op

zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te

Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in

1795 en nog in 1801 niet had geloofd, begint zich meer en meer te

vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn

standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De

oude Prins was dood; het gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk

geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet met der

daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en

de koning is hem niet komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou

Gijsbert Karel zich tot een post van minister of staatsraad hebben

laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver

van Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis[103]. Tot hij zich

overwon, de wereldsche zaken van zich zette, zich in den Haag

vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden,

en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in

de studie der vaderlandsche historie. Het resultaat dier studie, de

_Discours sur l'histoire de la Patrie_[104], zijn onontbeerlijk voor

de kennis van den gedachtengang die de _Schets_ van 1812 beheerscht,

en die geen andere is als deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag

niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn normen zoeken in

het monarchaal verleden[105]. De Republiek wordt als een afwijking

beschouwd, alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der

omstandigheden van 1588, die in 1812 lang hebben opgehouden te

bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt

ernstig betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche

monarchie zooals zij in 1618 en 1619 ware in te richten geweest:

de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een

constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering

stellen; »à tous les bourgeois aisés le droit de nommer au scrutin

ces électeurs..."; »une démocratie tempérée et très limitée à côté

de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme

elle a toujours fait..."; »le pouvoir monarchique, aristocratique,

populaire, sagement combinés..."; het is de _Schets_ zelve van 1812,

die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van

het laatste _Discours_ klinkt als een belofte: »Les Princes d'Orange

n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la puissance

souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa

conviction qu'il y alloit de son propre intérêt. Toute notre

histoire postérieure n'est que le développement de ce principe...."

[103] Zie de extracten uit het dagboek in _Gids_ 1907, I, 305.

[104] _Br. en Ged._ III, 317.

[105] »De Republiek is een groote nieuwigheid geweest" (_Ontstaan_ I,

58).--De _oude voet_, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór

1572. (_Ontstaan_ I, 80, 82).

Er is dus, sedert 1795 en 1799-1801, een heel eind weegs door

Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw is in de stukken van 1812[106] de

verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken staatsvorm,

die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. »De natie", schrijft

hij in 1817 ter verklaring, »was door Koning Lodewijk aan een

souvereinen Vorst gewend geraakt"[107]. De natie--niet ook Gijsbert

Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807

bewijst zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame

erkenning van het monarchaal gezag in Lodewijk Napoleon een diepe

beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een vreemdeling,

heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het

karakter eener revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem

ter zijde. Deze verwaarloozing, en de daarop gevolgde inlijving bij

Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn

ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem,

eenmaal genomen besluit. Ook zelfbespieding kan invloed hebben op de

ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij Gijsbert Karel is

dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de

vaderlandsche geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat

hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden moet.

[106] _Schets_ en _Discours_.

[107] _Br. en Ged._ V, 85.

Reeds de eerste redactie van de _Schets_ (1812) heeft het woord

»Koning" en volstrekt niet alleen ter wille van de fictie, dat het

een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk

Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van

Hogendorp in zijne gedenkschriften dat het woord tusschen hem en

de bentgenooten bediscussieerd en door hen eenstemmig goedgekeurd

was[108], reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is

gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer

liep van inspectie door de Fransche politie, en aan den Prins bij

zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den inhoud

zou luiden: »de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was]

Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden"[109].

[108] _Br. en Ged._ V, 83.

[109] _Ontstaan_ I, 32.

Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij

instinct en unaniem begrepen heeft, dat men een Oranje geen lageren

titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten voeren. Als in

het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt

van het onderweg zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning

van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat randschrift op medailles

gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand

vertoonen kan,[110] gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit

van is voor den dag gekomen. De Bijltjes zingen te Amsterdam: »Leve

Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van Holland

zijn", en als het _Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee_, waarin,

met machtiging van Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is

afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen wordt, gaat,

blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters

en assistenten gelijkelijk de kreet op: »de Prins moet onze Koning

zijn"[111].

Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: »de

Regeering roept den Prins uit tot Hooge Overheid." Dit houdt verband

met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde den opstand te

moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene

vergadering van Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen

tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk daarna door

toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering

dezer Staten-Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener

inmiddels door eene commissie uit hun midden met den Prins beraamde

grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou

schenken.

[110] _Ged._ VI, 336, 506, 621.

[111] _Ged._ VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.

Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel

mislukt, is Gijsbert Karel niet verlegen. »Le Prince est Souverain",

schrijft hij aan Fagel, »on ne sait pas comment, mais tout le monde

le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la

Haye, Amsterdam et Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même"[112].

[112] _Ontstaan_ I, 17.

Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie,

waarmede de Prins den 30sten aan wal stapte, kon even goed als de

aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger waardigheid

worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog

gezegd, »dat hij meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te

moeten van de hand wijzen, daar hij slechts verlangde dezelfde rang

en waardigheid die zijn vader had bekleed; _te meer daar hij dacht

dat de oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam

moest zijn_"[113]. Repelaer antwoordt »dat het alleen met de

waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan het

hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien". Deze bedenking,

vervolgt Repelaer in zijn aanteekening, »scheen den gewenschten

indruk te weeg te brengen". In den Haag, den 30sten, bleek daarvan

nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in

zijn gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins

»geenszins verwacht had, zich zoo spoedig te zullen moeten uiten. Ook

kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend waren

de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder

geworden"[114], en dan geeft de Prins zijn toestemming tot het

vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met Kemper en

Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te

leggen.

[113] _Ontstaan_ I, 19 (ik cursiveer).

[114] Falck's _Gedenkschriften_, 115.

Is dit nu[115] de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij

zelve de souvereiniteit wel begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die

aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt opgedragen als

men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich

niet tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den

Scheveningschen weg, beduidt nog geen afkeer van de souvereiniteit!

De eerste dépêche van Lord Clancarty[116] spreekt niet van een

Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem,

Clancarty, wordt versterkt in het voornemen, zich niet uit te laten

voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van het machtig

Amsterdam, van patriotsche reputatie.

[115] Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's _Bijdragen_, 2e reeks, X,

100 vv.).

[116] _Ontstaan_ I, 23.

Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den

Haag twee meeningen verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar

het schijnt mede namens den door podagra aan zijn stoel geklonken

Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet,

in den Haag, en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten

voorgaan, en tot zoolang althans den koningstitel niet gebruiken. Aan

het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een

einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet

voeren wilde; hij wilde, zeide niet maar dacht hij, dien pas voeren

over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten zouden

toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op

30 November 1813 nog niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent

de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten mede onder zijn,

Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping

moest geschieden te Amsterdam.

Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten

gewacht. Het is zeer leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te

Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat daaromtrent, en bij

berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs

is medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend

blijkt dat de uitroeping eene volksdaad is geweest en geen opgemaakte

fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de bekende

_Vertraute Briefe_ van Strick van Linschoten is beweerd, een boek

waarvan met de uiterste omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de

schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige reputatie,

in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie

te worden geplaatst, teleurgesteld is geworden[117] en zijn boek

schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders _en place_,

den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.

[117] Falck's _Gedenkschriften_, 131.

Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en

Scholten gedaan, als volgt (wij nemen hierbij in aanmerking dat

Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben op zijn

bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):

»Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr

volkreichem Damme nicht mehr als drei Personen, die zufällig noch da

vorbeigingen, und diese sonderbare Souveränenmacherei mit anhörten.

Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem noch

stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren

Hof zur nämlichen Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch

dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie gewöhnlich des

Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine

Proclamatio domestica".[118]

[118] _Vertraute Briefe_ I, 127.

Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den

ochtend van den 1sten December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische

officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan als ooggetuige. In een

verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn,

Alopeus, en dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche

couranten, wordt gezegd, dat de uitroeping den 1sten December, 's

middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, »unter dem

unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen

jauchzenden Volks".[119]

[119] _Gedenkstukken_ VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.

En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en

heeft Strick, behalve in de beteekenis die hij aan zijn mededeeling

wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.

De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den

wal en Canneman (reeds van zins dien namiddag naar Amsterdam te

vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij Hogendorp

als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de

onmiddellijke uitroeping te Amsterdam bewerken.[120] Hij vertrekt

zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's avonds aan; muziek,

flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op

den Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: »Neerlands Vorst is

aan de wal....; de proclamatie geschiedt op staanden voet"[121]. Op

den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur de komst

van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf

in een extra-blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan

het bericht toevoegen, »heeft het volk terstond, op het hooren van de

blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, _Souverein en Vorst der

Vereenigde Nederlanden_ uitgeroepen". Ziehier dus de uitvoering van

Hogendorp's programma: »nous le proclamerons dans le même jour à la

Haye, Amsterdam et Rotterdam", voor zoover die uitroeping van het

Amsterdamsche volk afhing.

[120] _Br. en Ged._ V, 39.

[121] _Br. en Ged._ IV, 372.

Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet

uitgeroepen, of liever, de uitroeping was er niet op papier gebracht.

Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal; nadat deze (om

vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting

had plaats gehad, kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag

waarvan hij het geschreven origineel later op den avond aan Hogendorp

toestak[122]: de »vergeten en vergeven"-proclamatie, het stuk _à tout

usage_, dat het punt der souvereiniteit ontweek.

[122] _Br. en Ged._ V, 39.

De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn

stoel, en de geheele zaak der uitroeping werd er eene niet van

verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij: »den

Haag" (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) »zou

uit kieschheid volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan"[123].

Er werd besloten dat de Prins Amsterdam zou bezoeken en wel eerst den

2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.

[123] _Ontstaan_ I, 28.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 6 / 35 段