En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der

tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al

wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van

Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde

onherroepelijk tot het verleden. Het »eiland" Holland[85] was tot

zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de

generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring

van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning

had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der

zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai,

zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het

won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen

bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland,

maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van

het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele

gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw,

tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van

Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans

was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de

deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de

leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht

niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend

moesten worden.

[85] Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland

van te maken: _Maximen van Holland_, 362.

Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een

ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje

aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der

patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij

representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap,

valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786

in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als

erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het

huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke

regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld

worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der

Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst

van de Franschen afgezien.

Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van

Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken

haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de

inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel,

de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen

hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche

revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst

openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen

waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche

staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.[86] Er is geen

bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het,

Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning,

heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens

hoofd onder de valbijl komt.[87] Een woord dat toont hoe weinig hij

verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie

tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had

daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan

copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in

den hoek gesmeten voorbeeld.

[86] _Gedenkstukken_, I, 23, 28.

[87] _Gedenkstukken_, II, 949.

In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder

den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af,

die in 1795 hebben beslist.

Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het

wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang

verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne

behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden

beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere

reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een

paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven

over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der

verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar

opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie.

Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche

Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen,

koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had

en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op,

waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben

gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was

toen te verkiezen boven in het geheel geene.

Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche

staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig

Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de

stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt

heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der

provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging

en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding

van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de

vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;--alle punten

dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook

nimmermeer is afgeweken[88], waren reeds door de eerste Nationale

Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de

onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;--en een

machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd,

dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen

eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had

moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had

men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam

was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar

schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het

operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni

een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek

gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid

bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie

werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel

beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de

werkelijkheid te doen overgaan.

In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der

Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer

ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld

bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan[89].

[88] Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers

(staatsregeling van 1801).

[89] Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst

(geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: »L'on désire que le

rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui

préviennent une réaction politique" (_Gedenkstukken_ III, 419).

De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede.

Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver

overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het

Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had:

elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien

wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het

natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel.

Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden,

die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren

bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over

dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke

geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten.

Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst;

maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen

inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale

opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel

meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig

van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek

reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had

tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel

voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der

revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der

uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats

van een oppermachtig »volk", wenschte men, in het belang van de

bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur.

Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland

heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te

dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt

hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de

elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de

bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der

in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het

afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde

was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een

zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire

personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie

zal zoo worden »genationaliseerd", een woord dat in de staatkundige

programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene

contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke

reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin,

kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd

te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met

de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige

concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen

terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de

departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten

zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder

richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis

van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een

schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een

brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden

wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.[90]

[90] Hiervóór, bl. 21.

Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij

op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de

mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na

een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan

actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden

tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die

hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het

verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het

onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde

bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek

(generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën,

admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert

1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De

begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder

dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen,

voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen

vorderde[91]. Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals

Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen

deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op;

zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering

waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het

Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering

ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde

schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere

provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte

als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn

oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu

middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze

hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door

provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en

Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het

met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij

gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht

niet passenden titel van Raadpensionaris.

[91] _Gedenkstukken_ IV, 473-'74.

De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der

Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van

belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand

gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren.

Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en

zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er

kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de

nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen

jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland

zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe

is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle

havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze

verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over

was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het

landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een

bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde

van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet

gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en

moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg,

dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden

worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een

zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in

het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut:

douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij

zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder

Lodewijk.

Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche

volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk

beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger[92]. Voor

Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den

Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig

overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie.

Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche

couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het

andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare

muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde

het: »empêchez donc la peau de transpirer", roept Lodewijk in wanhoop

uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel

ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een

zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming

van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale

wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland

was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en

neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering

komt mee, en ook de conscriptie.

[92] In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck

werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons

volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land,

schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten

titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug.

»Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple

s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal.

Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre

président" (_Gedenkstukken_ III, 183).

Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte

moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk

voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek

(adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel,

een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds

ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de

collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost

en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene

wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou

gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de

inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd

regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie-

en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den

publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het

gemoedelijk »besogneeren" onder een pijp tabak had de collegiën der

Republiek overleefd; thans leerde men het »dienstdoen" van den

modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet

op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche

ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer

onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl

treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde

militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die

den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan

arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet

slechts »het volk" moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse,

die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een

remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was

in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als

garde d'honneur.

Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer

werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als

geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid

gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de

koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en

waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich

niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor

vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had

het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche

vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één

zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw

een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging

was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De

hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf,

maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen

te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij

honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting

te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in

de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en

naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had

hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men

maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het

derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in

1810[93]. De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad

en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men

schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door

de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd.

Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet

de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden

ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg,

van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men

verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid

werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen

rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld.

Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte,

werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in

bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in

trek als woonkwartieren.

[93] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 336.

Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land

dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in

aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet

zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn

bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook

eenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie

van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke

staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie

dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die

eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar

wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons

een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een

Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van

werd afgebonsd.

Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn

oranje-boven-biljet schrijven: »de oude tijden komen weerom", het

publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den

regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór

1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand

scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf

onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein

ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich

dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal

verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen

bestuurd[94].

[94] _Ontstaan_ I, 57.

* * * * *

Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat _De Wedergeboorte van

Nederland_ heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913

grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop

hij naar ons oordeel recht heeft.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 5 / 35 段