tegenpartij was gesloopt lang vóór zij ten val werd gebracht: al
wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche staatkunde van
Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde
onherroepelijk tot het verleden. Het »eiland" Holland[85] was tot
zijn particularisme eerst wel gedwongen geweest, toen Leicester de
generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de ervaring
van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning
had beloond gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der
zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad aan een vrijen armzwaai,
zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het
won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen
bij een groote mate van zelfstandig gezag, niet slechts van Holland,
maar van de steden in Holland, en in die steden van de bezitters van
het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele
gelegenheid die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw,
tusschen den val van Antwerpen en de opkomst van Londen en van
Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan. Thans
was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de
deelen gewonnene moest tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de
leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit, die steun zocht
niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend
moesten worden.
[85] Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland
van te maken: _Maximen van Holland_, 362.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een
ideaal van staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje
aanhangsel zal zijn in plaats van middenpunt. In de formule der
patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij
representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap,
valt de volle nadruk op de volksregeering. Het volk, dat wil in 1786
in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij, stelt zich als
erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het
huis van Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke
regeering, mits de organen daarvan niet langer zullen aangevuld
worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid der
Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst
van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van
Oranje bij de Nederlandsche hervormingsgezinden in een doodelijken
haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie en door de
inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel,
de minst bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen
hebben zeer goed ingezien dat juist de nabootsing der Fransche
revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst
openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen
waarin aan Willem V de plaats is toegedacht die de Fransche
staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat.[86] Er is geen
bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het,
Willem V hadde het antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning,
heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd, is een koning wiens
hoofd onder de valbijl komt.[87] Een woord dat toont hoe weinig hij
verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie
tegenover de Fransche zou weten te bewaren. En onze Stadhouder had
daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer was niets dan
copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in
den hoek gesmeten voorbeeld.
[86] _Gedenkstukken_, I, 23, 28.
[87] _Gedenkstukken_, II, 949.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder
den oorlog; wat er van Nederland worden zou hing van de wapenen af,
die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het
wachtwoord geworden. De Jacobijnen hadden alle idealisme lang
verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in hunne
behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden
beter voor het spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere
reproductie van den Franschen staatsvorm. Eigenlijk liet men, een
paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven
over, en heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der
verschillende Bataafsche partijen een anarchie ontstond die gevaar
opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische reactie.
Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche
Conventie men tot de waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen,
koos men die van Vreede en Fynje die de sterkste machtsbegeerte had
en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op,
waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben
gehad. Te danken waarlijk, want ook de gebrekkigste constitutie was
toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche
staatsregeling zou moeten inhouden al lang eens, maar het eigenaardig
Nederlandsch gemis aan vormkracht en besluitvaardigheid, de
stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt
heeft, hadden telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der
provinciale souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging
en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding
van Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de
vervanging van de uitvoerende collegiën door ministers;--alle punten
dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en waarvan ook
nimmermeer is afgeweken[88], waren reeds door de eerste Nationale
Vergadering gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de
onderscheiden deelen een machine te bouwen die loopen kon;--en een
machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van overtuigd,
dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen
eene was van verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had
moeten ontvangen was een gevolg van eigen dralen en slofheid; nu had
men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet kwam
was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar
schaamteloos trachtte te exploiteeren ten eigen bate. Tegen het
operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den 12den Juni
een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek
gemakkelijker dan het bewind omver te loopen zoodra de zekerheid
bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de constitutie
werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel
beginnen thans eerlijk te beproeven haar van het papier in de
werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der
Engelschen en Russen. Wij hebben gezien, dat Nederland toen zeer
ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld
bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan[89].
[88] Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers
(staatsregeling van 1801).
[89] Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst
(geboren Franschman) het zeer juist uitdrukt: »L'on désire que le
rétablissement de la maison d'Orange ne se fasse qu'à des conditions qui
préviennent une réaction politique" (_Gedenkstukken_ III, 419).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede.
Men had het wetgevend vermogen der volksvertegenwoordiging ver
overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling uit, dat het
Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had:
elke nauwere vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien
wil op te voeden en uit te drukken, werd uitgekreten voor factie. Het
natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel.
Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden,
die tot dusver door de provinciale en locale lichamen waren
bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten over
dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke
geene staatsregeling iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten.
Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest en de haringvangst;
maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen
inrichting der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale
opvoeding. De staatsregeling had bevolen dat dit alles en nog veel
meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig
van wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek
reeds totaal versleten eer het nog eenig werk van blijvenden aard had
tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel
voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der
revolutie, maar een volstrekte vermoeienis en onvruchtbaarheid der
uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen. In plaats
van een oppermachtig »volk", wenschte men, in het belang van de
bevestiging der Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur.
Het vestigt zich in den persoon van den Eersten Consul. Ook Nederland
heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht op te
dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt
hier de stof. Napoleon zocht dus in Nederland aansluiting bij de
elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van de
bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der
in 1798 tot onherkenbaar wordens toe verknipte provinciën, door het
afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver voorwaarde
was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een
zeker aantal oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire
personeel in nieuwe bestuurslichamen te vereenigen. De Revolutie
zal zoo worden »genationaliseerd", een woord dat in de staatkundige
programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene
contra-revolutie wordt niet bedoeld, maar een maatschappelijke
reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst, fortuin,
kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd
te houden. Het herstel van de provinciën onder de oude namen en met
de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als een gewichtige
concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen
terug, enkel als departementen met meer huishoudelijk gezag dan de
departementen der constitutie van 1798. Na eenige aarzeling laten
zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder
richt zich op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis
van Oranje dat in onderhandeling treedt met Napoleon over een
schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een
brief van den ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden
wil een ambt te aanvaarden onder het nieuwe bewind.[90]
[90] Hiervóór, bl. 21.
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij
op een tijd van vrede. Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de
mogelijkheid van opleving der Nederlandsche welvaart. Maar reeds na
een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan
actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden
tot het ondersteunen der beoogde landing in Engeland. Tot die
hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid. Het
verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het
onmogelijke beproefd om neutraal te mogen blijven. Het worstelde
bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude Republiek
(generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën,
admiraliteiten) had 760 millioen gulden schuld nagelaten, en sedert
1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld bijgemaakt. De
begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder
dan de helft aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen,
voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen, die 34 millioen
vorderde[91]. Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals
Frankrijk gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen
deze schending der publieke trouw zag het Hollandsche geweten op;
zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene regeering
waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het
Staatsbewind. Wilde men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering
ontkomen, dan was de eenige redding gelegen in de onverwijlde
schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere
provinciën aan belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte
als die Holland sinds lang had gedragen. Al teerde ons volk op zijn
oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu
middelen te vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze
hervorming wist het Staatsbewind, beheerscht als het was door
provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en
Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het
met een eenhoofdig bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij
gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht, onder den bij die macht
niet passenden titel van Raadpensionaris.
[91] _Gedenkstukken_ IV, 473-'74.
De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der
Revolutie veroorzaakt, komt daarmede aan een eind. De eenheid van
belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds tot stand
gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren.
Maar Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en
zoolang hij den Keizer behaagt. Hij is in zijn ambt gesteld opdat er
kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na de
nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen
jaren het Kanaal zal beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland
zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden besprongen. Daartoe
is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle
havens voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze
verandering van tactiek bracht den nekslag toe aan wat er nog over
was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang het
landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een
bevriende Bataafsche Republiek in wezen bleef: geen meester zijnde
van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens niet
gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en
moest dus wel genoegen nemen met een zij het zwakken waarborg,
dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt zouden
worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een
zelfstandige Bataafsche Republiek eenige diensten bewijzen; in
het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger dan onnut:
douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij
zendt er in 1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder
Lodewijk.
Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche
volk de eenhoofdige regeering van een Fransch prins aanmerkelijk
beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch burger[92]. Voor
Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den
Bonaparte komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig
overgebleven voorbehoedmiddel tegen tiërceering en conscriptie.
Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche
couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het
andere schrikbeeld bevrijd bleven, mits er maar een ondoordringbare
muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht. Maar hieraan haperde
het: »empêchez donc la peau de transpirer", roept Lodewijk in wanhoop
uit na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel
ongeschikt voor het ambt dat zijn broeder hem opgelegd had. Zelf een
zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan eene stemming
van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale
wenschen en belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland
was bij de genade van een ander. Na vier jaar heeft hij afgedaan en
neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering
komt mee, en ook de conscriptie.
[92] In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck
werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons
volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land,
schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten
titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug.
»Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple
s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal.
Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre
président" (_Gedenkstukken_ III, 183).
Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte
moderniseering van het maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk
voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een burgerlijk wetboek
(adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel,
een nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds
ingevoerd of stonden op het punt het te worden. In plaats van de
collegiale regeering in departement en gemeente was die van landdrost
en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene
wetgeving was in voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou
gebracht hebben van den Staat. Op al deze punten beteekende dus de
inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd
regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie-
en douanetoezicht; nieuw was bovenal de ondervinding, dat in den
publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte van het
gemoedelijk »besogneeren" onder een pijp tabak had de collegiën der
Republiek overleefd; thans leerde men het »dienstdoen" van den
modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en prefecten houden niet
op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche
ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer
onafgebroken, sneller en vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl
treedt een belangrijk deel der Hollandsche jongelingschap in de harde
militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die
den krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan
arme drommels van vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet
slechts »het volk" moest er aan gelooven, maar ook de burgerklasse,
die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een
remplaçant te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was
in last toen, in 1813, ook zij werden opgeroepen om te dienen als
garde d'honneur.
Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer
werden. Waar hadden zij hun rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als
geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was steeds berooid
gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de
koloniën die door de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en
waar het volk in zijn geheel niet de minste kennis van had en zich
niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor
vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had
het tot 1795 nog een aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche
vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor één voor één
zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw
een positie in de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging
was dobbelspel aan de beurs en smokkelarij in het goederenverkeer. De
hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een voordeelig bedrijf,
maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen
te Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij
honderden werden de huizen daar afgebroken, 't zij om de belasting
te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in
de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en
naar huizen veel vraag was. In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had
hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt; men
maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het
derde deel van het getal luxepaarden gehouden dat voorkwam in
1810[93]. De familiën die een etablissement in de stad hadden gehad
en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men
schafte zijn bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door
de tiërceering de middelen der gestichten sterk waren verminderd.
Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet
de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden
ondergaan. Men was niet langer, als men zekeren familienaam droeg,
van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk bestaan; men
verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid
werd bevorderd door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen
rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de provinciën werd verdeeld.
Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte,
werd aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in
bevolking, in bekendheid. De mooie plekjes in Gelderland kwamen in
trek als woonkwartieren.
[93] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 336.
Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land
dat veel geleden had; dat sterk verkleind was in naam, in geld, in
aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan beginnen, niet
zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn
bodem, zijn sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook
eenige voortreffelijke traditiën. En het was door de Revolutie
van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke
staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie
dien men tegemoet ging, volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die
eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende eeuw door, maar
wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons
een nieuwe bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een
Oranjevorst gereed stond om den troon te beklimmen waar Napoleon van
werd afgebonsd.
Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn
oranje-boven-biljet schrijven: »de oude tijden komen weerom", het
publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan den
regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór
1795 terug, maar naar een verder verleden: hij wilde een toestand
scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de zestiende eeuw òf
onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein
ware gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich
dat. In werkelijkheid heeft, behalve herinneringen uit het nationaal
verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen
bestuurd[94].
[94] _Ontstaan_ I, 57.
* * * * *
Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat _De Wedergeboorte van
Nederland_ heet, Gijsbert Karel te summier af. Wij zien hem in 1913
grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de plaats in waarop
hij naar ons oordeel recht heeft.