memorandum »the active and early efforts" der bondgenooten tot de
bevrijding van Nederland verzocht.[68] Voor eenig effect op het
begin van den opstand is die aandrang veel te laat gekomen: toen
zij ontvangen werd was de opstand reeds een feit. Doch in het
hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook zonder Engelsche
noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De historicus
Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch
gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking
had aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot
Frederik Willem III het verzoek, met de leiding der bevrijding van
Holland te worden belast; hij wenscht als staatkundig adviseur te
worden toegevoegd aan een Pruisisch leger dat die bevrijding zal
hebben te bewerken.[69] Op dit verzoek is niet beschikt.--Van zijn
kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de
Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan
den Koning op de onmiddellijke »verovering van Holland" aan. De
hoofdrichting van dat leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht
verlof deze te veranderen in eene op Keulen en daar den Rijn over
te mogen gaan, tot ondersteuning van een inmiddels te ondernemen
directen aanval op Holland door Bernadotte.[70] Dit verlof is niet
verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de
rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van
haar vlucht, in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het
Hollandsche bastion te laten springen om dan van het Noorden uit
Frankrijk binnen te dringen. Ergo bleef voor een eventueele
onderneming tegen Holland alleen het leger van Bernadotte
beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen
(Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig
de bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische
landen in Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak
dicht aan de Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te
overschrijden. Bernadotte zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van
Göttingen noordwaarts op, met het dubbel doel Davoust in Hamburg
op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn eigenlijke
belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van
Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn
hoofdkwartier blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de
afwijking naar het Noorden werd aan de Russische afdeeling van
Winzingerode de richting op Bremen voorgeschreven; dit was het meest
westelijk marcheerende korps. Het onderhoud van zoo groote legers
als sedert een jaar Duitschland kaalvraten, maakt een reusachtig
deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte ruiterij
(Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande
hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht
en kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men
die vinden kon. Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen
Kozakken over onze grenzen gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel
of vast plan. Den 9den November het eerst, in gering getal, bij
Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de vestingen Deventer en
Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen worden door
de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen bezet
(15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov.
overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen;
Hogendorp's afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23
Nov. dezen troep bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam
door te trekken waar hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden,
zonder moeite komen kan, en den 24sten zijn de eerste Kozakken te
Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der Hoeven te Zwolle den kommandant
der gezamenlijke Kozakken die thans in het noordoosten des lands
rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo ver als
Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor
hij infanterie en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste
uitdrukkelijk bevel van Bernadotte aan Winzingerode om een gedeelte
zijner geregelde troepen meer westelijk te dirigeeren: Benkendorff
wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar nog zonder
last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van
observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van
Deventer is teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet
bewegen den IJsel over te gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning
aan Winzingerode, marcheert als hij die ontvangen heeft, en is 1 Dec.
te Amsterdam.
[68] Hiervóór, bl. 28-29.
[69] _Gedenkstukken_ VI, 1863.
[70] Pertz, _Gneisenau_ III, 508 vv.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag,
en zijn niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook
dit open lag, en zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij
versterkte plaatsen hebben aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve
te Kampen, dat 20 Nov. aan hen overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch
van Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland
aan te vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte.
Zijne orders van laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar
Minden (1 Nov.), naar Munster (5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier
te bezetten van Wezel tot het scheidingspunt van Rijn en IJsel (19
Nov.)[71]. Toen de laatste order ontvangen werd bereidde Bülow reeds
iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne voorhoede onder Oppen
reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken; den 23sten, nadat
Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van Amsterdam, is die
voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24 Nov.)
Zutfen genomen; 25-27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden
omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf
in beweging gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is
voortgerukt naar Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor
ontruimd was, en waar dus de tenzelven dage ingerukte Russen van
Narischkin en de 29 Nov. aangekomen Hollanders, afgezonden door
Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
[71] Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen
_op Nederlandsch grondgebied_ de aanleidende oorzaak van den opstand
zijn geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov.
in den Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te
Amsterdam het vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek
der Fransche ambtenaren. Beide waren uitgelokt door de begin November
aangevangen algemeene vlucht der Franschen uit Noordwest-Duitschland,
die ook de Franschen in Nederland demoraliseerde en hen de wijk
deed nemen in de richting op Utrecht-Gorkum-Breda, de verzekerde
verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk. Daarbuiten bleven
alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden, Deventer,
Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden
legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar
daarom kan men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische,
nimmer van Russische zijde gedaan is) van de »verovering" van
Holland. Toen de wapenfeiten voorvielen, die dan de »verovering"
zouden moeten uitmaken, bevond zich in het hart des lands sinds lang
geen vijand meer, en was daar integendeel een bestuur gevestigd dat
de »veroveraars", soms met sterken aandrang, overtuigen moest dat zij
veilig binnen konden rukken.[72]
* * * * *
_Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au voeu de
la nation_ (hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan
kon vóór het uitbreken van den opstand zelf niets zekers blijken.
Gedachtenwisseling omtrent den regeeringsvorm heeft er na 18 Mei
tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats gehad, maar dat
Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou blijken
de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen
gezant Jacobi, aan wien hij te kennen gaf »que les défauts et
inconvéniens de l'ancienne constitution feraient désirer d'établir
les changemens requis pour donner plus de force et d'énergie à la
marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme devrait être
plus monarchique" (1 Nov.)[73]. Er was geen gevaar dat de Engelsche
regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door
het volk in den weg zou leggen. »If the Nation call the Prince of
Orange to the Sovereignty," oordeelde ook Lord Malmesbury, »it would
be the height of folly to reject it"[74].
[72] Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in _Gedenkboek_ I 70 vv.,
benevens de inleiding op het 3de stuk van _Gedenkstukken_ VI.
[73] _Gedenkstukken_ VI, 1949.
[74] _Ontstaan_ I, 22.
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag
gelegd heeft en die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal
komen, verdient het vermelding dat aan de waarschijnlijkheid eener
uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen in Engeland zeer
sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich herinnerd
zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking
had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige
Engelsche regeering) in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen,
toen hij in zijn opeisching aan Story den Prins van Oranje diens
»souverain légitime" genoemd had.[75] Lord Grenville schreef
waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij er
in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten
varen toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken
volkswensch in Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat
de Souvereine Vorst aan de notabelenvergadering een soort excuus zou
maken voor zijn onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit,[76] een
denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd. Toen in de _London Gazette_
van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty een credentiaal
had ontvangen bij de regeering _van den Souvereinen Vorst_, werden
er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het
Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt,
waaruit echter meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de
Engelsche regeering spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der
Nederlandsche verhoudingen van 1813.[77] Alle _bona fide_ twijfel
had opgehouden na de gebeurtenis van 2 December.
[75] _Gedenkstukken_ III, 393; vgl. _Ontstaan_ I, bl. XXXVII en 20.
[76] _Ontstaan_ I, 65.
[77] _Ontstaan_ I, bl. LVII vv.
In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den
Prins en van het Nederlandsche volk.[78] Na het onbeantwoord blijven
van zijn aanbod aan zijn koning om als staatkundig adviseur een
Pruisisch leger naar Holland te vergezellen, trok hij zich op zijn
studeerkamer terug en schreef daar eene constitutie voor het herboren
Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is begonnen in de
laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de auteur
van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel
beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek,
verheft daarbij den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem
nergens boven dezen; te zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder
sterk is het federalistisch karakter van Niebuhr's ontwerp: het
recht, de waterstaat, de religie (!), de universiteiten zullen
provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal. Terwijl
Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de
souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft
(doch corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat
Niebuhr's zoon in 1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven
is »auf Veranlassung des hochseligen Königs Wilhelm I"; alleen
had deze, op een hem door zijn moeder overgebrachte, vage
dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in even vage
termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield, maar
niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken.[79] Prinses
Willemijn heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht,
waar de Souvereine Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen
invloed van Niebuhr's tekst op 's Vorsten eigen deelneming aan het
constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en noch aan de commissie
als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is die
tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat _naast_ de Nederlandsche
werkelijkheid; daarentegen _in_ Niebuhr's ideeënwereld, die op
zichzelf belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de
studie voor zijn _Römische Geschichte_, waarvan de eerste deelen
verschenen waren in 1811 en 1812, en waarin opmerkelijke voorliefde
voor aristocratische instellingen is uitgedrukt en even groote afkeer
van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp onthoudt Nederland wat
het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der nationale eenheid
langs den toen eenig mogelijken weg van sterke vorstenmacht. Zijn
invoering zou niet de waarborg maar het graf der Nederlandsche
vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot
slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte
gewoonten.
[78] _Ontstaan_ I, bl. XIX vv. (bespreking) en _Ged_. VI, 1902 vv.
(tekst).
[79] _Gedenkstukken_ VI, 1881.
II.
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE NEDERLANDEN AAN DEN
PRINS.
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde
Nederlanden door van der Duyn van Maasdam en G. K.
van Hogendorp, in naam van den prins van Oranje.
30 » » Terugkomst van den prins.
1 Dec. » Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en
Fannius Scholten.
2 » » Aanneming der souvereiniteit.
6 » » Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het grondgebied,
zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was. Zoude het met hare
instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier hetzelfde plaats vinden, als
in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de gewrochten der revolutie onder
den voet werden gehaald, waar inderdaad eene restauratie tot stand kwam?
Zoo er hier te lande geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de
prins behoorde niet onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin.
Hoezeer geen van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd
kon gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude
republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de kracht
had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene wijze te
bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het verderf
van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het bestuur der
buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf eenheid in de
beschikking over het krijgswezen en in de financiën. Zoowel het een als
het ander had in de oude republiek ontbroken; noch de Staten-Generaal,
noch de Stadhouder hadden daarvoor de voldoende macht ter hunner
beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek zeer
uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich herinnert,
wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was. Erfstadhouder
van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van de unie,
opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de Oost- en
West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland, eenige edele van
Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling der regenten van vele
steden, in 't bezit van eene menigte heerlijkheden, kon hij door dit
alles een grooten invloed uitoefenen op het staatsbestuur, te meer omdat
hij, wat hij dan ook hier te lande rechtens mocht wezen, in de oogen
der menigte in waarheid de vorst was, en dit vorstelijk prestige in
menig opzicht aanvulde, wat hem aan wettelijke macht ontbrak. Toch,
hoe schitterend en uitstekend ook de plaats was, die de stadhouder in
ons vaderland innam, zijne macht ging niet zoover, om tegenover het
buitenland met voldoende kracht te kunnen optreden. De hoogste macht
van het bondgenootschap bleef niettegenstaande dit alles gevestigd
in de Staten-Generaal. En wat de stadhouder niet kon, daartoe waren
zij evenmin in staat. Zij konden de algemeene regeering van het
bondgenootschap niet naar eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk
waren van de Staten der gewesten, die op hunne beurt weder te rade
moesten gaan met de stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen
als voor het uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware
de wet konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand--en
niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude de
behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de denkbeelden te
volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie van 1795 opgestelde
memorie ontwikkeld had[80]? Door het oppergezag van den staat toe te
vertrouwen aan eene vergadering, bestaande uit leden, hoewel gekozen
door de staten der provinciën, toch vrij in het uitbrengen hunner stem,
eene vergadering met voldoende macht bekleed om over de middelen der
defensie te kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas;
eene vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden
kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een hooggerechtshof in
staat was zoowel de verdragen als de verdere besluiten te doen nakomen
binnen's lands? Een staatsregeling waarin, welke hooge positie Hogendorp
ook aan den stadhouder wilde toekennen, toch het republikeinsch karakter
bewaard bleef?
[80] _Br. en Ged._ III, 87.
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in hunnen
afkeer van de republikeinsche instellingen waren de oppermachtige
geallieerden geestverwanten van den overwonnen keizer. Wat de engelsche
minister van buitenlandsche zaken in de eerste dagen van November 1813
aan den prins zeide[81], dat de regeeringsvorm meer monarchaal moest
zijn, dat was de zienswijze van al de mogendheden, van wier wil het
lot van Europa in die dagen afhing. Allen in merg en been monarchaal en
niet gezind in hun eigen land hun eenhoofdig gezag te laten beperken.
Eene herstelling van iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn,
alsof wij hunne volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal
gezag niet vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm[82]. En wat met het oog
op het buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook
hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813 niet
meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den aanvang der
revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het bij hem vast,
dat den prins de _hooge overheid_ moest worden opgedragen, een ander
woord voor _souvereiniteit_. Toen Kemper en Fannius Scholten den 1sten
December 1813 te Amsterdam den prins tot souverein uitriepen deden zij
niets anders, dan wat aller wensch en verlangen was. Onregelmatig was
die handeling, en die onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette
niet dat de prins den 2den December 1813 de _souvereiniteit_ aannam en
den 6den December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten
November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van Hogendorp en
van der Duyn aanvaardde.
[81] _Gedenkstukken_ VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
[82] Van der Palm, _Gedenkschrift_ 81.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het
feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd, hebben
vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch Hogendorp
waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat zoude echter
de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang werd daardoor de
Prins absoluut vorst--niets minder dan de keizer aller Russen. Als iets
blijvends werd dit echter voorzeker door niemand bedoeld. Zoo diep kon
men niet gedaald zijn, dat men eene door niets beperkte monarchale macht
anders zoude hebben willen dulden, dan als iets voor korten tijd, voor
zoover dit voor den tijd van overgang tot eene geregelde orde van
zaken noodzakelijk was. Maar wat was dan het blijvend karakter van de
opdracht der souvereiniteit? Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid
of Zijne Doorluchtige Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd?
Dat zijn wapen nu werd gekroond met een koninklijke kroon[83]? Dat de
Nederlanders zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer
zoude zijn de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem
zoude staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte
aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor het
overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen antwoord
op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn? Bondstaat of
eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat, wanneer er
verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit juist in dit
punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met Fannius Scholten
den 1sten December 1813 uitgevaardigde proclamatie zeer duidelijk
uitkomen, dat er ook in andere opzichten geene restauratie zoude plaats
hebben. Waar hij echter zeide, dat de Prins als Willem de Eerste
souvereine vorst zoude zijn »van het vrije Nederland," daar was de Prins
in zijne waarschijnlijk onder Hogendorps invloed opgestelde proclamatie
van 6 Dec. 1813 de souvereine vorst »der Vereenigde Nederlanden."
[83] Besluit van 14 Jan. 1814 (_Staatsblad_, no. 9, art. 1 en 10).
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen van
staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de
beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor zoover
zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot hun volle
recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht worden in de niet
alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook door den souvereinen
vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige restauratie van het oude
onmogelijk was, nu het republikeinsch karakter plaats maakte voor het
eenhoofdig gezag, nu daardoor de noodzakelijkheid eener diep ingrijpende
verandering erkend was, moest men wel zijne toevlucht nemen tot het
ontwerpen en vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar
1813 zich niet losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid
van Noord-Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men
bleef ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den
staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet, die de
grond van alles was.
* * * * *
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de
plaats is, het feit der verheffing in bijzonderheden na te speuren.
Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd iets aan het
begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is _het_
feit van 1813, en de oorzaken laten zich wat hooger ophalen dan
Tellegen heeft beproefd.
* * * * *
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden
gebonden: aan de aanwezigheid van iemand die haar dragen wil, en van
anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken vervuld in
1813; waarom eerst toen en niet eer?
Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds
lang geweest; eigenlijk van het begin van den opstand tegen Spanje
af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd vermoord; na dien
tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den
opstand is het werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit,
maar van het Hollandsche particularisme; en de Republiek der
Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit
particularistisch streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het
verband; waarin het verband eigenlijk in niets anders bestond, dan in
het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke
verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd
raakte. De Republiek overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige
staat erkend. Toen werd het tijd, het oorlogsnoodbehelp te wijzigen
naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals het
Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins
was dood; zijn opvolger een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op
de ontwikkeling der positie van het Oranjehuis in Nederland een
rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel altijd
bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten
Willem voor den duur van oorlog was opgedragen, had voor het eerst
geen officieele betrekking meer tot het landsbestuur. Zijn positie
kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest
integendeel eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als
maximum der wenschen het herwinnen van het verlorene ging opgeven;
het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing tot hooger
waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt
niet toe. Zij zou afgedwongen kunnen zijn in Juli 1672, zooals het
herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa had geen
oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het
wezen van het oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den
naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij
werden gedenatureerd. Wat hem over de moeilijkheden die zij hem in
den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. _The world's great
patriot_ is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem
diende, en onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De
wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te zorgen dat bij zijn
kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd
zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is
geen realiteit meer. Het is er ver vandaan, dat de cultus aanstonds
op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734 Willem IV na
zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een
Rotterdamsch logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand
uit om den »Prins van Friesland", zooals men hem noemt, te zien.[84]
De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda van
Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De
Prins van Friesland wordt de Prins, _tout court_. Maar het staat
te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het
oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het
stadhouderschap werkt nog éénmaal als een tooverwoord, maar het is
de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem in den
schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van
eenig volksbelang welk ook, verliest hij de affectie der betere
klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
[84] _Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap_, XXXI, 111.