dadelijk van de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde
maar bij den vrede van 1802 in Engelands handen verbleven Ceilon.
Ziehier een eerste verduidelijking van het »pas toutes" van
Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813. Andere
verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den
Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met
Castlereagh te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de
koloniën eerst volgen zouden nadat en naarmate Nederland op het
vasteland versterkt kon worden tegen Frankrijk, en dus was eerst die
versterking aan de orde--tusschen Engeland en de bondgenooten. Wèl
werd den Prins vergund zijn eigen denkbeelden omtrent die versterking
aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed het onmiddellijk na het
verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit dit niet
door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij
vraagt niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche
Nederlanden met Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt
tusschen Maas, Rijn en Moezel, en dit alles moet met de oude
Republiek tot een ondeelbaren staat worden gevormd[46]. Lord
Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een andere
meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor
het geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld
boven dat van ineensmelting van Holland en België overwegen,
»I find", schrijft hij 30 Nov. aan zijn den Prins naar Holland
vergezellenden gezant Lord Clancarty, »I find Lord Malmesbury[47]
thinks an arrangement in extension of Holland preferable to giving
the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold
it. _Turn your mind to the Barrier Question_[48]. I consider Antwerp
and all Holland held before 1792 indispensable. The frontier must
then embrace at least Malines, Maestricht, Juliers and so to the
Rhine at Cologne or Dusseldorf."[49] En Repelaer, eenige dagen na het
uitbreken van den opstand naar Engeland gekomen, kon eenige dagen te
voren uit Castlereagh's mond het volgende opteekenen:
»Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den
slag van Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met
Napoleon, en heeft hem het behoud van België en van den linker
Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij toestemt in het herstel van
Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft in Italië en
over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel,
dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen.
Wat er nu met België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan
Oostenrijk terug moeten, of zal er een Duitsch huis in moeten worden
geplaatst: dat van Beieren, Baden of een ander. Blijkt het voor ons
niet noodig tot een dezer oplossingen mede te werken, dan zijn wij
besloten tot de vereeniging van België met Nederland, hoewel wij
vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen de
Nederlandsche volksopinie."[50]
[46] _Gedenkstukken_ VI, 1955.
[47] Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer geraadpleegd
werd.
[48] Ik cursiveer.
[49] _Gedenkstukken_ VII, 2.
[50] Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar zóó te
verstaan (zie _Ontstaan_ I, bl. LIXV en 17).
Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel
van Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is
eigenaardig Lord Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek
naar het vasteland nog zooveel twijfel te hooren aan den dag leggen
aan de juistheid der oplossing die hij daar ten slotte heeft
doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831 die
gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.
* * * * *
_Ici_ (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden
waarom Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief,
m.a.w. dat hij in Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat
zijne verheffing en vergrooting zooveel mogelijk het werk van
Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland, waar alles tot na den
slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar verstrikt
raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands
belang zouden strooken.
Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in
het onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het
vasteland uit Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps
te kunnen werven aan welks hoofd hij zich zou stellen »comme le
représentant de la nation hollandaise"; hij zou zich dan onder de
bevelen van den kroonprins van Zweden in Noordduitschland willen
voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook deze »mesure" als
»trop décisive" verdaagd. Eerst eind September liet men hem toe op
deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij
stelde nu (volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving
in Duitschland van een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen
onder een door hem aan te wijzen officier voor, welk corps door
Engeland zou worden betaald en zich aansluiten zou bij een eveneens
door Engeland betaald Duitsch legioen onder Walmoden, dat onder de
bevelen van Bernadotte stond.[51] Zelf verlangde hij zich zoo spoedig
mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging der
Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October
door Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van
uitvoering gekregen. Doch de officier met de werving belast, de
Constant-Rebecque, eind October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig
dat reeds van links en rechts Duitschland was leeggehaald en er bijna
geen beschikbare Hollandsche krijgsgevangenen of deserteurs meer
over waren: zoo dienden er in het legioen onder Walmoden reeds
1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld. Evenmin waren
de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen
dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of
drie man per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde
een 1000 man, en in het begin van 1814 eerst konden de bataillons
naar Holland oprukken,[52] waar zij toen een welkome aanwinst waren
voor het in vorming zijnde Nederlandsche leger. Tot het uitlokken van
den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den Prins dus
hoegenaamd niets kunnen bijdragen.
[51] _Gedenkstukken_ VI, 1889.
[52] _Gedenkstukken_ VI, 1953.
Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de
ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er
toe geleid, dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij
een mogelijke restauratie van Oranje in Nederland van den zoon
gebruik te maken, met voorbijgang van den vader.
Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot
een vast besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest.
In 1795, na dien winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog
van York zich met schande overladen hadden, had de toenmalige
Erfprins, opperbevelhebber van het geslagen Nederlandsche leger, zijn
ergernis niet kunnen verkroppen. Over de acte van inbewaargeving der
koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader menig hard woord
gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen gezocht
in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe
leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de
verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd
buiten de gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen
als toeschouwer in den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de
zaak van zijn huis door de ongeschikte handen van den hertog van
York opnieuw zag verbrodden. Met de geslagen Engelsche troepen naar
Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan vertrouwden of die hij
daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat Engelsch was
uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering.[53] De
aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon
te verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had,
moeilijk openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch
zeer. Daarna hadden de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem
aan een zilveren band kon leggen; hartelijkheid van wederzijdsche
gevoelens werd er eerder door tegengehouden dan bevorderd. Een
uitstekenden indruk daarentegen had in Engeland gemaakt 's Prinsen
niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de voltooiing zijner
opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na Tilsit,
toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den
Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog
op iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn
was hiervan zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht
heeft zelf naar Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in
het vergeetboek zou geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het
gebeurde kwalijk worden ontvangen. »Il ne reste plus que moi qui peut
encore veiller à vos intérêts; convenons que sans l'Angleterre nous
serions réduits à la besace"[54]. De Prins wilde daar niet van hooren
maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet naar waren dat
hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen uitrichten;
van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De
Prins-Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen
waren in deze jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie
over alle hoven van continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam
geworden als een witte raaf. Ook deze omstandigheid vergat de Prins
bij zijn besluit niet[55]. Nu èn Nederland èn Nassau èn Fulda
verloren waren, wat beter toekomst kon de in 1792 geboren Willem
wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?
[53] _Gedenkstukken_ III, 1103.
[54] _Gedenkstukken_ V, 778.
[55] _Gedenkstukken_ V, 784.
Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende
manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig
was. Hij trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn
studietijd te Oxford om was en het vooruitzicht op het vasteland nog
hoegenaamd niet ten voordeele van het huis veranderd, meende zijn
vader niet beter te kunnen doen dan hem voor adjudant van Wellington
bij het leger in Spanje aan te bieden[56], een denkbeeld dat in
Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins,
die aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde,
er ook genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich
uitstekend gedroeg, zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met
lof kon worden vermeld. Zoo was, in 1812 en begin 1813, »Willem VII"
zooals hij in de wandeling heette, eigenlijk veel meer een publiek
persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten vader, die ook wel vrij
dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809), maar altijd
bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had
kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende
geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met
Charlotte, een plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel
ook eenige tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke
familie waren niet van dien aard, dat haar leden het over eenig punt
gemakkelijk eens werden, en vooral niet over zoo een.
[56] _Gedenkstukken_ VI, 1808.
Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men
in Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der
practische politiek kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van
het Oranjehuis in Nederland behoorde. Niet dat men het mogelijk
achtte daartoe aanstonds eene poging te doen, maar het behoorde tot
de aangelegenheden waaromtrent men zijne gedachten had te bepalen om
niet door de omstandigheden te worden verrast. Zou eene poging tot
restauratie niet beter kansen opleveren indien men den jongen Willem
VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de
aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar
erfenis van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij
niet geschikter zijn als nationaal vereenigingspunt te dienen dan
zijn stroeve vader? De vraag is gesteld, door plannenmakers in
Engeland[57] en in Nederland[58]; ook door leden der Engelsche
regeering. »It may perhaps be desirable", schrijft de minister
van oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, »to have
the young Prince of Orange in England, if the times should prove
eventful".[59] Den 20sten April 1813, een paar dagen vóór de aankomst
van Willem VI in Engeland, schrijft hij: »The Prince of Orange has
left Berlin for Stockholm, probably with an intention of coming here.
His son is much more popular in Holland; and if any stir should
be made, he would be the best person to go there instead of his
father".[60] En nog 28 April: »The Prince of Orange arrived here
three days ago, not invited or expected by us ... I gave Fagel to
understand that the son was the person to push forward, if anything
was to be done."[61] Ook Lord Malmesbury wordt door de komst van
den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan
tot de reis vernomen en het afgeraden; »he had much better turn
his whole thoughts to Austria and endeavour through the means of
that court to recover his German territories."[62] Stelt men zich
dus Willem VI voor als in de toekomst te Dillenburg herplaatst, zijn
zoon is de man »to unite (as King William did) this throne and the
Stadtholderate."[63] De eenige reden dat men den jongen prins nog in
Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar
de zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op
de regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer
Alexander en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar
oogmerk goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur
te wijzen. Evenmin werd het wenschelijk geacht, hem als met eene
volmacht der Engelsche regeering voorzien naar het vasteland terug te
zenden. Men hield hem dus te Londen zoo te zeggen in reserve, maar
het feit zelf van zijne aanwezigheid en gedurigen aandrang kon
onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met het denkbeeld van
zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er, bij 's
Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon
te Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast
hebben Willem VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak,
nu de jonge prins op uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus
in Engeland verscheen op een oogenblik dat de volksbeweging, die in
April in Holland gaande was geweest, lang in bloed was gesmoord,
en er niet het geringste voornemen bij de Engelsche regeering meer
bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der Franschen uit ons land
te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan, in diens
plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal;
en welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast
elkander zag bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van
een wel aantrekkelijk maar uitermate zwak karakter; dat Wellington
juist had gezien, toen hij op Bathurst's boven medegedeelde brieven
had geantwoord: »he is very young, and can have no experience in
business, particularly in the business of revolutions; he is very shy
and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage
to him to place him in a situation in which he is to be at the head
of great concerns of this description. Too much is not be expected
from him."[64] Na een verblijf van drie weken in Engeland verlangde
de jonge man zelf naar Spanje terug, en men kon met goede houding
niets tegen dit voornemen inbrengen. Sedert was Willem VI veilig voor
de mededinging van zijn zoon (een mededinging, nimmer van het kind
zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt Castlereagh geen zwarigheid
meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van het weinige dat
Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding der
omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat
werk den Prins zelven te gebruiken.
[57] Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813,
_Gedenkstukken_ VI, 1854 en 1868.
[58] Zie hiervoor talrijke bewijzen in _Ged_. VI, 240, 271, 336, 417,
423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706,
719. Dit gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier
gegeven kan worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven
geschrift _Ondergang en Herstel_. De plannen gingen _niet_ uit van
Hogendorp en de zijnen; integendeel het gebruik van den naam van Willem
VII bij de volksbeweging van April gemaakt, heeft er Hogendorp toe
gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te doen vaststellen dat men
voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (_Br. en Ged._ V, 11).
Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in verband
estaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft
Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de
Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde
hij een volksopstand. Zie ook voor deze zaak: _Ondergang en Herstel_.
Castlereagh hield aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden
en bracht hen eerst in Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte
Gevers voor Willem VI.
[59] _Gedenkstukken_ VI, 1850.
[60] _Gedenkstukken_ VI, 1872.
[61] _Gedenkstukken_ VI, 1878.
[62] _Gedenkstukken_ VI, 1860 (11 Maart 1813).
[63] _Gedenkstukken_ VI, 1879.
[64] _Gedenkstukken_ VI, 1883 (18 Mei 1813).
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman
C. P. Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert
Februari in Holland zichtbare voorteekenen der volksberoering die in
April werkelijk heeft plaats gehad. Gevers verzocht een Engelsche
landing met Willem VII aan boord;[65] hij verkreeg echter niet
anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam omtrent de
militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd
tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen
verlof zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te
openbaren. Den 18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over
Holland te Londen terug; ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en
kort voor zijn vertrek door Castlereagh met den Prins in aanraking
gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit Holland zond gingen
direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis van
de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van
overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat
Gevers in geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en
diens werk in de verte niet hetzij door Engeland hetzij door den
Prins is uitgelokt. De geheele persoon van Gevers is overigens van
geringe beteekenis en zijne berichten hebben zeer weinig om het lijf.
Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot het laatste oogenblik
onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte te voegen
dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen opstand
te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins
den zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden
langs den Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der
verbondenen;--ook mag men er aan danken dat in October in Engeland
20.000 geweren werden ingescheept[66] om die bij het uitbreken van
een opstand onmiddellijk naar Holland te kunnen overbrengen; ook
voor een eventueel troepentransport werden maatregelen genomen.
Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats in Bosscha's
_Staatsomwenteling_ beluste Gevers in 1815 aan dien auteur verzekert:
»Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht
begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche
macht ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand
gebracht"[67]. Het Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den
22sten November, _na_ de aankomst der gezanten van van Hogendorp en
_wegens_ hun bericht.
[65] Zie _Ged._ VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (_Ged._ VI,
1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
[66] _Gedenkstukken_ VI, 1947.
[67] _Gedenkstukken_ VI, 1898.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van
toebereidselen van den Prins noch van maatregelen der Engelsche
regeering, in hoeverre hebben de marschen der verbonden legers dien
uitgelokt?