Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze

had, bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk

als veroverd goed beschouwde domeinen van het huis verkregen _titulo

oneroso_, en was dus zeer weinig geneigd nogmaals de beurs te openen

om ze aan Oranje te betalen. Toen nu art. 18 van den vrede van Amiens

het huis eene schadevergoeding toezeide voor de verliezen geleden

»zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van de verandering

van constitutie", verklaarde de Bataafsche gezant Schimmelpenninck

zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek door

Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel

voortvloeiende; en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend

op den dag der totstandkoming van het traktaat, gaf Frankrijk de

verlangde toestemming. Aan het huis van Oranje werd dan nu beduid

dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel van het verlies

van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren te

beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het

huis van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze

waren nimmer verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding

der rente; zij konden dus niet onder de _verliezen_ worden gerekend,

waarvoor vergoeding uitgekeerd was krachtens art. 18 van het verdrag

van Amiens. In het najaar van 1802 werd door den Prins getracht,

eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op gang te brengen

betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek echter was

zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de

waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland

feitelijk aan den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij

nimmer hadden behoord; bovendien brak spoedig na den aanvang der

onderhandeling de oorlog met Engeland weder uit, en was hunne kas

weldra berooider dan ooit, terwijl Bonaparte meende dat zij hun

geld liever aan de marine dan aan een afkomst met Oranje, thans

pensioentrekker van Engeland, moesten besteden. Ondervindende dat de

zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in het begin van

1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn

gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te

verdeelen tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag,

Sémonville, de belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het

ultimatum van den Prins aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei

1802 af, en verrekening van alle andere wederzijdsche pretensiën met

een saldo van 5 millioen ten voordeele van het huis. Onder pressie

van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het Staatsbewind nu

eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand

en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den

Keizer; toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het

reeds gesloten tractaat[27], en van de gansche afrekening is nooit

iets gekomen. Het huis van Oranje behield zijn aanspraken, maar is

niet meer in het geval gekomen ze te kunnen verzilveren.

[27] _Gedenkstukken_ IV, bl. XXIX.

Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening

verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de

naburige Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te

huldigen en hunne particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De

vorsten van Oranje-Dillenburg en van Oranje-Fulda ontbraken op het

appèl: bij de schamelheid hunner territoriale inkomsten en na de

mislukking der Bataafsche onderhandeling was het Engelsche jaargeld

het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel hunner inkomsten

geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij deze

gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade

berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus

Nassau te Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een

nieuwen voetval van den Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en

toen deze uitbleef werd hij van de lijst der candidaten voor het

Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats meer dan in de

voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen maakte

Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806) het

jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814

genoten.

Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de

Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen,

zag hij de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den

vrede van Tilsit (9 Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis

en hof, een werkzaam deelnemer aan allerlei anti-Napoleontische

plannen. Koortsachtig bovenal is zijne werkzaamheid in het jaar 1809

geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen tot aansluiting

aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging van

een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar

Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een

verandering van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen!

Zoo weinig had men er aan gedacht, gebruik te maken van de

betrekkingen, die hij in Nederland mocht hebben onderhouden.

Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van

een Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen

Antwerpen, van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou

gebleken zijn hoe weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in

Nederland had overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel

na, had ieder zijn vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij

kon. Oranje zelf had daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van

Oranienstein (26 Dec. 1801) de oude Prins, op aandrang van Pruisen en

den Erfprins, die daardoor de indemniteitsvooruitzichten van het huis

hoopten te verbeteren, aan zijn aanhangers had doen weten dat hij het

niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een ambt aannam onder de nieuwe

staatsregeling van 1801. In de regeeringslichamen van dien tijd

hadden dan ook tal van oranjelieden zitting genomen, en er zich

leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral toen de

dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen

regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in

massa tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van

Lodewijk Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen

dan ook in Mei 1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van

Dijk geheeten, naar Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn

als Engeland zijn beloofde landing in Noordduitschland ondernam, kwam

deze met een zeer karakteristiek rapport terug. Hij was geadresseerd

geweest aan Bentinck van Buckhorst, op wiens landgoed bij Zwolle hij

den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar Bentinck had hem aanstonds

onderricht, »dat aangezien de omstandigheden zoo volkomen veranderd

waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke voorheen de

wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst

waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk,

zeer toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren

aan niemand eenige directe ouvertures doen konde." Van Dijk werd

dus door hem verwezen naar »zijn (van Dijk's) eigen kennissen

en vrienden", die hij dan ook persoonlijk opzocht te Amsterdam,

Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij »weldenkende en

ijverige voorstanders der oude constitutie" aantrof, die »niets

hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen

medewerken," maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, »voor

en aleer het gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam

konden toonen. Dan daar de Engelsche expeditie ondernomen is geworden

zonder dat men eigenlijk het ware oogmerk daarvan kende en voor

zoover mij bewust is zonder voorkennis van Uwe Hoogheid, zoo heeft

men aan niemand eenig teeken kunnen geven...."[28]

[28] _Gedenkstukken_ V, 813.

Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om

de relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had

gezonden maar overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche

regeering was gebleven--trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen

Engeland en het vasteland, waar de Prins om de familiebetrekkingen

zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was sedert de inlijving

van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk hoogst

bezwaarlijk geworden--de Prins begeeft zich in het voorjaar van

1813, op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van

Rusland en van Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet

verwachtte en met zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er

het huis van Oranje natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was

geenszins gereed, vaste bedingen omtrent de toekomst van dat huis aan

te gaan.

In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken

voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën

meester gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden

waren gebleven, met de enkele uitzonderingen van het kantoor op

Desima en van de nederzettingen op de Goudkust, op welke beide

plaatsen, daar ook de Franschen er zich nimmer hebben vertoond, de

Nederlandsche vlag geen oogenblik is neergehaald. De voorwaardelijke

belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon thans door Oranje

bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers zoowel Engeland

als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de Bataafsche

Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in

1795 op den voorgrond gestelde begrip der »onwettigheid" van dat

lichaam in de practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was

door de teruggave der koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd;

op haar of het in hare rechten tredend Frankrijk waren zij sedert

1803 opnieuw veroverd als op een gewonen vijand, zonder dat ooit

daarbij aan iemand de geringste toezegging van voorwaardelijke

teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden voet, waren

de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands handen

gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op

het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te

verkrijgen die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou

blijkbaar moeten zijn de _vrijwillige_ voorwaardelijke teruggave der

veroverde koloniën, op voorwaarden door Engeland te stellen, en voor

zoover het behoud dier veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht

voor de welvaart van Engeland zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de

Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799 zeer goed wist, zou

Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland zich van

eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen,

wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om

zich tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk

binnen de grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de

prijs voor een bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en

Oostende te verrichten. Of het evenwel mogelijk zou zijn België in

zijn geheel of ten deele aan Nederland te brengen, moest van het

succes der coalitiewapenen afhangen, en zelfs niet alleen van het

succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers of Oostenrijk

ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk

land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor

Nederland zou behoeven te dienen dan ook voor België, hing in

Engelands oogen weder eenigermate af welke vorm aan de nieuwe

Nederlandsche regeering ware te geven. Nimmer zou Engeland zich van

iets ontblooten eer op al deze vragen een beslist antwoord te geven

was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen verscheen, nog

in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh (wier

gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der

Staten-Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:

»Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point

on croirait utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne

constitution stadhoudérienne, _ou bien d'y substituer un autre

système de gouvernement qui conciliât le voeu_ de la nation

hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si

puissamment sur les destinées futures de cette nation;

jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une

extension de ses frontières (par une sorte de nouvelle _Barrière_

plus efficace que l'ancienne), soit par la réunion de quelques

portions du territoire voisin de l'ancienne République, une

consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre

qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à

la tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation

de territoire (si elle avait lieu) devrait influer sur la

constitution à donner à ce nouvel Etat;

enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses

propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des

colonies hollandaises dont elle a fait la conquête pendant la

guerre."[29]

[29] »Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans

son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813" (_Ged._ VI,

1876).

* * * * *

Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.

Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt,

geen voorkeur hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het

koningschap aan den dag. Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl

gedaan: daarin had in de plaats der boven cursief gedrukte woorden

gestaan: »ou bien d'y substituer un système de gouvernement _plus

analogue_ et pour le fond et pour la forme aux circonstances et _aux

besoins impérieux de l'époque présente_, aux secousses que l'Europe

entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui

pût concilier le voeu", enz. De Prins had deze woorden geschrapt

en door de kleurloozer redactie vervangen. »D'avoir l'_air_ de

solliciter la royauté", had zijn moeder hem nog vóór het vertrek op

het hart gebonden, »c'est ce que je ne conseillerais jamais";--maar

aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: »si par un mouvement

spontané on vous appelle _au trône_, je suppose que vous ne vous

refuserez pas".[30] De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging

van naar de souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis

van Oranje steeds met energie teruggewezen; dat het volk zelf

de omstandigheden nu geheel veranderd achtte, mocht worden

vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh eerst zien

blijken.--»The omission proposed by the Prince", oordeelt na het

lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het

huis uit de dagen van 1787) »is certainly a proper one as far as

_he_ is personally concerned, but the sentiment contained in it,

highly important as to the general arrangement".[31] Zoo heeft Fagel

het in November begrepen en in dezen zin onmiddellijk aan Hogendorp

geschreven[32], met volle instemming, _toen_, van den zich in April

op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.

[30] Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (_Ged._ VI, 1859).

[31] Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (_Ged._ VI, 1880).

[32] Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (_Br. en Ged._ IV, 265).

Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken

voorkeur van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden,

maar naar de aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied,

zooals spoedig zou blijken;--en uit de slotwoorden is voor den

goeden verstaander te lezen dat voor zulk een vergrooten en met een

militaire functie ten dienste van Europa belasten staat de monarchale

regeeringsvorm aangewezen schijnt.

Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep

op Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795,

als thans niet langer toepasselijk.

* * * * *

Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins

en Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten

der Engelsche regeering open, dat wij het hier tekstueel

mededeelen[33]:

[33] Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht door

den uitmuntenden redacteur Fagel. »In Fagel deed mij eens een bevoegd

regter--Lord St. Helens--de gave opmerken om al het verhandelde in eene

conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk

aan zijne committenten mede te deelen" (Falck's _Gedenkschriften_,

150).--Lord St. Helens was de laatste gezant van Engeland geweest bij de

oude Republiek.

»Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de

la Hollande, son entière séparation d'avec la France, et le

rétablissement de la maison d'Orange en Hollande, étaient des objets

qui seraient toujours regardés par ce pays-ci comme étant pour lui

d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue à opposer par

ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes

relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était

pendant si longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte

d'habitude; que par conséquent on serait certainement très disposé

ici à concourir à atteindre ce but pour autant que les moyens de ce

pays pouvaient le permettre; mais que, pour le moment, on croyait

consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en différant

de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se

fût concerté avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh

communiquerait sans délai à ceux-ci _et nommément à l'Empereur de

Russie_[34] les ouvertures faites par le Prince, et que dès qu'on

aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des communications

ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître

aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait

nécessaire que le Prince d'Orange attendît _ici_[35] cette réponse et

la communication ministérielle qui pourrait en être la suite.

[34] Ik cursiveer.

[35] Onderstreept in Fagel's handschrift.

Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à

quelques-uns des points touchés par le Prince dans son entretien

du 27 avril, Lord Castlereagh remarqua que l'Angleterre (le moment

opportun étant arrivé) serait certainement toujours disposée à

concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande

un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui

résister; que sous ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à

donner à la Hollande une frontière plus forte et plus compacte, mais

que l'accomplissement de cet object devait naturellement dépendre de

circonstances qu'il n'était pas encore possible de prévoir, bien

moins de diriger;

que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels

à faire à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler

les imperfections, et que tout ce qui pouvait tendre à donner à

la Hollande et à son gouvernement plus de force, de solidité et

de consistance que par le passé était a désirer, _surtout si ce

changement pouvait s'opérer de gré et conformément au voeu de la

nation_;[36]

[36] Ik cursiveer.

qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince

avait mis en avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement

S. A. S. Elle-même ne s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se

dessaisir de _toutes_[37] celles qui avaient autrefois appartenu à

la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait naturellement

(indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de moyens de

résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer

à celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se

rapprocherait de l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer

les anciennes relations avec elle"[38].

[37] Onderstreept in Fagel's handschrift.

[38] _Gedenkstukken_ VI, 1881.

* * * * *

Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden

voegt eenige toelichting.

_Nommément à l'Empereur de Russie._ Overleg tusschen Engeland en

Rusland omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak

van gisteren; zie hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het

denkbeeld der vereeniging van die twee landen goedgekeurd, en had

ook in 1805 toegestemd dat het in de groote Engelsch-Russische

alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een bijzonder artikel van

dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: »Les hautes parties

contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent

concert de procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les

circonstances, des arrondissemens convenables, tels que les ci-devant

Pays-Bas autrichiens en tout ou en partie à la première, l'Etat

de Genève ou la Savoie à la seconde"[39]. Austerlitz had de

verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland verwijderde zich

van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een vredesverdrag

tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze gelegenheid

was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking

tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming

door Engeland eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij

Amsterdamsche bankiers had aangegaan;--een eisch toen door Engeland

afgewezen, maar waarop Rusland zich voornam te gelegener tijd terug

te komen. Sedert 28 Febr. 1813 was ook Pruisen met Rusland verbonden,

en 3 Maart 1813 sloot Engeland met Zweden een verdrag, waarbij

Bernadotte zich verplichtte de operatiën der Russen in Duitschland

te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch subsidie, van de

verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken toebehoorende

Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde eiland

Guadeloupe.

[39] Martens' _Recueil_ II, 433.--Vgl. het artikel van Bussemaker,

_De diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands

onafhankelijkheid_, in _Gedenkboek der Herstelling_ I, 43 vv.

Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April

tusschen den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen

verliep de oorlog in Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten

niet zeer fortuinlijk; eerst toen Rusland en Pruisen zich bij

verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche subsidiën tot

volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij dépêche

aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een

algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan

de onafhankelijkheid van Nederland[40] deel uitmaakt, en, in zeer

voorzichtige bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om

tot verwezenlijking der programpunten door teruggave van koloniën mede

te werken[41].

[40] »The reestablishment of Holland as an independent Power"

(Bussemaker in _Gedenkboek_ I, 56).

[41] »As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be

prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate

in the same spirit" (Bussemaker t. a. p.).

Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den

afval van Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder

de grondslagen van den Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan

Metternich voorgesteld »la séparation de la Hollande de la France",

een punt vervolgens overgenomen in het door Oostenrijk aan Napoleon

gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren de vier groote

mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der

onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van

het grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel

open. Voor de beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk

af, dat zich wel 12 Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen

nog niet gereed was tot eene bespreking van het Belgische vraagstuk.

Eerst toen de slag van Leipzig beslist had dat meer land beschikbaar

zou komen dan men in het begin van 1813 had durven hopen, achtte

Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen betreffende

Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een

memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis

gaf[42]. »If things", heet het daarin, »can be restored on the side

of the Low Countries to a state, similar to that in which they stood

at that period, when one of the great military Powers of Germany was

interposed as a protection between France and Holland, the British

Government will not feel it necessary to press for any departure from

the ancient arrangement of limits; but if the course of events should

be such as to render this highly desired object unattainable, and

the frontier of France should still remain in contact with that

of Holland, they feel it essential that Antwerp, with such other

extension of territory as may be necessary to give to the United

Provinces an adequate military frontier, should be assigned to

Holland... The immediate object of this Memorandum is to point to the

active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland.

Whenever matters may be ripe for entering more fully upon its future

settlement, the British Government will be prepared to recur to

those principles laid down in a despatch to Lord Cathcart of July

5th[43] _with respect to the colonies conquered from Holland since

1803_[44] with a sincere disposition on their part, liberally to

strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe

can be rendered secure by adequate arrangements against the Power of

France."

[42] _Gedenkstukken_ VI, 1950.

[43] In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum

blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.

[44] Ik cursiveer.

Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de

Engelsche politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel

in absoluten zin, maar alleen voor zoover de herplaatsing van een

der beide groote militaire mogendheden van Duitschland in eerste

linie tegen Frankrijk onbereikbaar mocht blijken. Aan Oostenrijk èn

België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten kwestie, en als de keus

tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië kiezen. Omgekeerd

zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van België

aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland

een geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen

weder op moest komen, dat zich juist tot eene compacte macht in

Midden-Duitschland hoopte te kunnen uitbreiden, en aan de verwerving

van een land als Saksen boven het occupeeren van den gevaarlijken

wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook in 1798 waren het deze

overwegingen alleen die Engeland het plan tot de vereeniging hadden

doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van Oostenrijk's

verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio[45].

[45] Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles

Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 2 / 35 段