Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van E

Produced by André Engels and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van de |

| bijbehorende alinea. De door Colenbrander toegevoegde tekst is |

| t.o.v. de linkermarge enkele spaties ingesprongen weergegeven. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. De aan het |

| eind van het boek aangegeven drukfouten zijn gecorrigeerd. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven |

| als _cursief_. |

| |

| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |

| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |

| »aanhalingstekens". |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De kruisverwijzingen in deze tekst zijn gelinkt bij de |

| html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org |

| |

+----------------------------------------------------------------+

Boek- en Kunstdrukkerij S. W. MELCHIOR--Amersfoort.

DE WEDERGEBOORTE

VAN NEDERLAND

DOOR

Mr. B. D. H. TELLEGEN

HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.

TWEEDE (VERMEERDERDE) DRUK

BEZORGD DOOR

Dr. H. T. COLENBRANDER.

[Decoratieve illustratie]

P. NOORDHOFF--1913--GRONINGEN.

INHOUD.

Blz.

Inleiding 1

I. Het Grondgebied 7

II. De Opdracht van de Souvereiniteit der

Vereenigde Nederlanden aan den Prins 43

III. De samenstelling der Grondwet 72

IV. De Grondwet en de Maatschappij 112

V. De Regeeringsvorm 153

VI. De vereeniging met België 195

VII. De teruggaaf der koloniën 240

VIII. De invoering der Grondwet 262

IX. De vervanging of wijziging der

Fransche wetgeving 324

EEN WOORD VOORAF.

(1884).

.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat

eene m. i. averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte

onzer politieke geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt

te komen. Men begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat

tusschen 1813 en volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen

er op gevolgd is. Men is er weder op uit, de beteekenis dier revolutie

in de schaduw te stellen, men sluit de oogen daarvoor, dat met haar de

staatseenheid niet alleen maar ook het streven naar staatshervorming

hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom vooral scheen het

mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne voorstelling

niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij

beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang

eener geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende

jaren in vele opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had

gebracht of had trachten te brengen. Dit te herinneren, dit boven allen

twijfel te stellen, was vooral het doel dezer uitgaaf. In hoeverre ik

hierin geslaagd ben, moge de deskundige en onbevooroordeelde lezer

beslissen.

DE SCHRIJVER.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt

aangeboden, is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen

heeft het aan beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis

groote diensten bewezen. Om het die bij voortduring te laten vervullen

scheen meer dan een eenvoudige herdruk noodig. Niet dat Tellegen's

beschouwingen verouderd zijn; integendeel, het wil mij voorkomen dat

jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen kan. Maar zij kunnen

nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door en uit veel

uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten

vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het

boek zeer ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door

moderner uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven

verwijzen. Zoo dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat

in 1884 nog niet bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat

gedeelte der noot aansprakelijk.

Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch,

in andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden

van mijne hand doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig

te maken op hetgeen jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij

gebruikte, omtrent de door hem besproken zaken kunnen doen opmerken.

Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers

Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor

mij is 1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie,

maar bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars

had opgeleverd. In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in

wat er van werd, wel. Dit heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als

Tellegen, en ver van mij is alle wensch of pogen, op dit hoofdpunt hem

te vertroebelen of te verzwakken. Moge het integendeel blijken dat mijn

bijwerk een steun en bevestiging is geweest.

Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste

en nog ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden

vervallen. Zij zijn of worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider

verband waarin zij behooren.

September 1913. H. T. COLENBRANDER.

INLEIDING.

Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van

Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst

van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne

nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog

niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland,

dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart

voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der

buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi

was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en

volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek

naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.

Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd:

beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen,

daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze

landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij,

Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de

patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als

te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben

zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der

fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet

van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het

kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland

meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten

prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de

derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat

men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een

tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het

te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat?

Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795

verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de

disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw

en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen

der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795

in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor

de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van

het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van

staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is

waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en

de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het

zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt

echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de

revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat

met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats

gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk

dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt

van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de

gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten

der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het

platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling

der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel

werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen

gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet

door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk

karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek

recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de

blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan

was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche

keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde,

was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der

ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande

aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk

geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in

de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van

het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne

onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd.

De jaren 1795-1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in

babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne

zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen

en--het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd

van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne

landgenooten durfde zeggen: »ik ben bereid en vastelijk besloten, al

het verledene te vergeven en te vergeten" (proclamatie van 30 November

1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven,

ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet[1].

Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van

vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene

zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit

ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld

geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den

vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën

Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft

in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan,

om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen?

Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van

in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw

levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken

op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok

duitschen grond[2], waarover hij geen recht had te beschikken, en wat

gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van

dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste

stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en

ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren

voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de

aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had

gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk

kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen.

Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest,

in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor

zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van

de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg,

kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens

rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de

oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd,

en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.

[1] _G. K. van Hogendorp in 1813_, bijlage bl. 15.--Zie ook Falck's

_Gedenkschriften_, bl. 119.

[2] Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij van

Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den

23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als

schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over

deze zaak _Gedenkstukken_ IV, 701.

* * * * *

Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien

is er wat af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813

verkeerd, indien hij zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een

requisitoir tegen Oranje, zooals hij het »enkelen" laat verbergen

»achter den muur hunner tanden." Hij ziet meen ik voorbij, dat de

»vergeven en vergeten"-passus uit de proclamatie van 30 November een

_weerklank_ is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf opgegaan.

De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet

van Gijsbert Karel van 17 November: »al het geledene is vergeten en

vergeven." Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik

Fagel, die de (in Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins

opgesteld heeft, ze overgenomen. Dat de natie vergaf, bleek uit

het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op volgen dat ook de

teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te verzekeren

was van de zijde van Oranje geen ongevraagd _durven_, maar door het

volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich

dan ook geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het

requisitoir is van een man van 1884, niet van 1813. »Geest en hart,"

schrijft Falck, »waren open voor alle redeneeringen gegrond op het

beginsel van eensgezindheid en verbroedering. De fraaie proclamatie

die den Prins voorafgegaan was, het werk van den voormaligen Griffier

Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en Z. M.'s eigene

taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene

terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke

zich bij het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van

der Duyn en Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij

houden"[3].

[3] Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van

Fennekol aan Wiselius, _Gedenkstukken_ VI, 1756.

Waar aan beide zijden schuld is geweest _en boete_, pleegt men

elkander bij het wederzien geen lange lijsten van grieven aan te

bieden, maar ziet liever den weg op die voorwaarts leidt.

Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen;

zelden of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland

zóó groot geweest.

I.

HET GRONDGEBIED.

Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware herleefde, had in

één opzicht althans zijne voordeelige zijde. Het scheen den prins van

Oranje, het scheen de hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die

als van zelve sprak, dat door die herleving ook het grondgebied der

Vereenigde Nederlanden weder het eigendom werd van den opgestanen Staat.

Niet alleen, dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór de

inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had behoord. Ook

zoodra een gedeelte van het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane

grondgebied van de fransche overheersching was bevrijd geworden, werd

dit bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde Nederlanden

vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had bij dat tractaat de

departementen van Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal,

Nijmegen daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en het land

van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze had het kwartier Breda

ingedeeld bij het departement der Beide Nethen en van de overige landen

de departementen der monden van de Schelde en der monden van den Rijn

gemaakt. En hoewel nu de Franschen dit alles op verre na nog niet

hadden verlaten--men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814

bevrijd--werden toch die landen reeds toen verklaard, »evenals van

ouds" uit te maken een deel van den Staat der Vereenigde Nederlanden en

onder het bestuur daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid,

dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige twijfel konde

bestaan. En wanneer de prins vooreerst met stilzwijgen den toestand dier

landen voorbijging, die reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk

waren vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en hetgeen daarbij

behoorde, wanneer hij daarover zweeg, zoo meen ik de oorzaak daarvan

niet zoo zeer te moeten zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot

de Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel daarin, dat zoowel

het een als het ander nog geheel in de handen des vijands was.

Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen hij reeds den 28sten

November 1813[4] aan Hendrik Fagel, den vertrouwde van den prins te

Londen, en dus nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als

zijne meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de dadelijke

en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën in de drie werelddeelen

verwachtte, koloniën, waarvan Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den

Mei 1802 te Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was afgestaan,

terwijl de overige koloniën sedert door dat rijk veroverd waren in den

oorlog tegen ons gevoerd. Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende,

vond het blijkens zijn antwoord van 1 December 1813[5] wat voorbarig,

toen reeds bij Engeland op de vervulling van dien wensch aan te dringen.

Holland moest eerst geheel en al zelfstandig zijn, voordat men over

die teruggaaf kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen, die

koloniën, in plaats van aan het bevriende en geallieerde Holland,

aan het vijandige Frankrijk terug te geven. Wanneer dit gevaar

echter voorbij was, dan, meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met

broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich tot wederzijdsche

tevredenheid schikken.

[4] _Br. en Ged._ IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).

[5] _Br. en Ged._ IV, 274.

Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent beschouwde als van zelf

te spreken, ook door de geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd.

Was het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der revolutie uit

te wisschen, die hunne gedragslijn bepaalde? Ik zoude het niet durven

beweren. Zij waren--evenals Napoleon--zeer afkeerig van zelfregeering

en volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van 1789

vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon, weinig eerbied voor de

zelfstandigheid der volken, en waren in zoover navolgers der revolutie

en der Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in strijd

zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd met Piemont vereenigd;

aan Venetië door Oostenrijk ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke

en wereldlijke potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche

omwenteling waren te niet gegaan en het feest der opstanding niet

mede zouden vieren; aan België, dat tegen zijn zin zoude dienen

ter vergrooting van Noord-Nederland. Maar men denke bovenal aan de

verdeeling van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde

mogendheden begonnen en in den revolutietijd voortgezet, tot eene

zekere hoogte het voorbeeld en de verontschuldiging tevens van de

uitspattingen van Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets

komen. Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de geallieerden

geene tegenspraak ondervond? Was het de verwantschap van het huis van

Oranje met het pruisische koningshuis, die eenig gewicht in de schaal

legde? Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die (het

gold de wederinbezitneming van landen op den rechteroever der Maas) den

terugkeer der Vereenigde Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als

boven alle bedenking verheven beschouwde[6]. Was het de omstandigheid

dat er nog vóór de komst der geallieerden in het hart des lands, aldaar

eene poging tot zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten?

Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van beschouwing

der oppermachtige geallieerden. Maar bovenal was het Engeland, dat de

herleving der Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der herleving

der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en uitgebreid. Het zoude voor

Engeland zijn eene brug naar het vasteland; het zoude beletten, dat de

geheele kust van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam van

eene der machtige continentale mogendheden. Het zoude een voormuur zijn

tegen het altijd nog gevreesde Frankrijk. Dit waren de redenen waarom

de geallieerden in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan

dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of Venetië deed.

Het was ook in de oogen van den engelschen minister van buitenlandsche

zaken, lord Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had, iets

wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot zijnen vroegeren

toestand[7]. Deze wijze van beschouwing, van den aanvang gehuldigd,

heeft dan ook gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814

over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.

[6] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814 (_Gedenkstukken_

VII, 176).

[7] Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan Lord

Clancarty, 24 April 1814 (_Gedenkstukken_ VII, 24 en 108).

Wij keerden dus terug in het bezit van het grondgebied der

Vereenigde Nederlanden. Wij zouden niet meer afhankelijk zijn van een

buitenlandsche mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland zoude

zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de vlag der Nederlanden

weder op alle zeeën gezien worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan

Melchior Kemper[8]. Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is het

slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen den blik vestigt op

de onafhankelijkheid, op de vernietiging der vreemde overheersching.

Het land kan in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land

woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche volk nu een vrij

volk zijn, met het oog op de binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude

moeten worden beantwoord door hen, die geroepen werden het gebouw te

stichten, waarin de nederlandsche maatschappij zoude wonen. Het antwoord

op die vraag zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten gegeven

worden.

[8] Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van

Hogendorp (_Br. en Ged._ IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en

Fannius Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's _Staatkundige Geschriften_

III, 71).

* * * * *

Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland,

ten opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het

mogelijk, en wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan

Tellegen in het bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen,

bij acte gepasseerd tusschen den minister Lord Grenville en den

voortvluchtigen Willem V, 2 Febr. 1795, de Nederlandsche koloniën

in bewaar te nemen: »S. M. Britannique," luidt dit stuk[9], »ayant

fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de donner aux

commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux appartenans

à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous

la protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la

République se trouve par l'occupation de la province de Hollande par

une force ennemie, S. M. s'engage de la manière la plus formelle

_qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt_ tout vaisseau, forteresse ou

place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en conséquence

du dit ordre, _et qu'Elle le restituera_ à la République des

Provinces-Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en

paix avec le France, et que l'indépendance de la République et sa

constitution légitime garantie par S. M. en 1788 seront assurées."

[9] _Gedenkstukken_ II, 820.

Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche

gezaghebbers, gedagteekend Kew 7 Febr. 1795[10], voorzien, vertoonden

zich de Engelschen in den loop van den oorlog die met den vrede

van Amiens eindigde, voor de meeste Nederlandsche koloniën en

bezittingen, welke echter over het geheel zich niet onmiddellijk,

ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming hebben

gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging

hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op

Suriname werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname

gelukte[11]. In het geheel gingen over de Kaap, Ceilon, de

nederzettingen op de kusten van Coromandel en Malabaar, in Bengalen,

op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda, Berbice, Essequebo,

Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in 1800).

Behouden bleven dus alleen _Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate,

het kantoor op Desima en de Goudkust_.

Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er

twee die Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins

mogelijk voor goed wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland

door de veroveringen van Clive en Warren Hastings hoofdmacht in

Voor-Indië was geworden in plaats van Frankrijk, moest het ook het

aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit wenschen, terwijl

Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene bedreiging

voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had

bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de

Kaap en Ceilon niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide

Nederlandsche koloniën gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken

maritiemen aanval op Britsch-Indië kunnen ondernemen.

Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland

waren overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke

schending van het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al

werd het huis van Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond

de verleiding het huis van Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in

ruil voor die opoffering bereid bleek, de Kaap en Ceilon in handen

van Engeland te laten.

[10] Aldaar, 831.

[11] Dit ter verbetering van de noot in _Gedenkstukken_ II, 821.

Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der

Franschen uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en

Pruisen gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt

hopelooze zaak, doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5

April 1795) en zelfs bij geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis

van Oranje, in ruil voor den van dit huis te verkrijgen »afstand van

alle aanspraken op het stadhouderschap", eene schadeloosstelling

in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor zichzelve)

besprak[12], werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich

vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de

vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord

Malmesbury de erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de

door Engeland in bezit genomen koloniën terugbekomen zou, met

uitzondering van de Kaap en Ceilon; Oranje zou eene

schadeloosstelling ontvangen op het vasteland[13].

De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in

1798 zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie

van het huis van Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op

Pruisen niet te rekenen is, richt het zich tot Rusland, en het

overleg omvat niet alleen het lot van Nederland maar ook dat van

België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks verlies

Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene

vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat

het steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval

terug; ook toen het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen

Frankrijk voorbereidde, had het op bevestiging en uitbreiding van

zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van België, het oog.

Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden worden.

Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende

mededeeling: »As the Netherlands[14] cannot probably under all the

circumstances which have occurred be replaced under the dominion of

Austria, it will be an object to be considered what plan will be most

effectual to provide for the defence of this highly important barrier

against the future encroachment of France. None has here occurred

which is thought equally effectual and practicable as the uniting

those provinces to the Dutch Republic under the administration

of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted

to the maintenance of their respective civil and religious

constitutions"[15].--In antwoord hierop liet Paul I mededeelen: »Nous

envisageons comme une acquisition grande et utile pour toutes les

puissances bien-intentionnées, si les ci-devant Pays-Bas autrichiens

puissent être arrachés à la France et joints à la Hollande"[16].

[12] _Gedenkstukken_ II, 942; III, 684.

[13] _Gedenkstukken_ II, bll. CXII en 987.

[14] Versta: de Zuidelijke Nederlanden.

[15] Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te

St.-Petersburg, 16 Nov. 1798 (_Gedenkstukken_ III, 890).

[16] Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798

(_Gedenkstukken_ III, 896).

Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van België werd toen

ook buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd

onmiddellijk vóór het optreden van Napoleon. De overtuiging was

algemeen dat de Revolutie in Frankrijk op haar laatste beenen liep en

dat het tijd werd zich te verstaan omtrent de nieuwe orde, na haar

nederlaag aan de Europeesche statengemeenschap te geven. Fransche

publicisten uit de liberale school, lieden van de kleur der

meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land verdreven

door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend

orgaan, _Le Spectateur du Nord_, met voorslagen tot het Europeesch

publiek die ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil

voor stevige waarborgen tegen een nieuw militair overwicht van

Frankrijk in Europa, de binnenlandsche zaken van dat land aan de

liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig herstel van

het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland

tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van

Duitschland en van het geheele Noorden, en geven als middel tot

verbetering de vereeniging der zeventien Nederlandsche gewesten

onder het huis van Oranje aan de hand. In twee geschriften van een

publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (_L'Antidote au Congrès

de Rastadt_, 1798, en _La Prusse et sa neutralité_, 1799) is dit

denkbeeld vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van

het opperbestuur komt de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de

monarchale kan zijn: »Pour compléter l'union des deux pays," schrijft

hij, »pour leur donner toute la vigueur dont ils sont susceptibles,

il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut mieux les

réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le

gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on

se garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de

Brabant à Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir

ainsi l'autorité en multipliant les titres. Il serait impossible de

gouverner utilement et solidement les deux peuples, en le faisant à

tant de titres et sous des dénominations diverses. Leur nouveau

souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de ce

mot"[17].

[17] Falck's _Gedenkschriften_, bl. 350.

Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van

innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening

verkondigen waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden.

Lord Grenville stelt zich in 1799 slechts »some federal compact"

tusschen beide landen voor[18], en daar de militaire operatiën der

Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot Noord-Nederland

zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799 aan

zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den

herstelden Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema

voor het redres der Noord-Nederlandsche zaken in;--een schema,

nagenoeg geheel overgenomen uit een in Juli 1799 door den gewezen

griffier der Staten-Generaal, Hendrik Fagel, aan de Engelsche

regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime schaal, van

bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de

ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag

van vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene

lasten), meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming;

vervanging der admiraliteiten door één departement van marine; een

Hooggerechtshof der Unie. Op een dergelijke constitutie is Engeland

bereid zijn zegen te geven door teruggave, bij den algemeenen vrede,

van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en Cochin na[19].

[18] Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799 (_Gedenkstukken_

III, 973).

[19] De instructie: _Gedenkstukken_ III, 403 aangevuld door III, 1074;

het advies van Fagel: _Gedenkstukken_ III, 1006.

Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering

bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was

opgegaan. De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en

de minister van buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer

gaarne van de Franschen zijn verlost geweest, mits men tegelijk de

hoofdresultaten der revolutie bevestigd kon zien, die voor Nederland

bestonden in de opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid

in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama

der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der

Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën

door ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als

de Engelschen aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede

neutraal zou mogen worden verklaard; en men heeft de poging gewaagd,

voor dit denkbeeld den steun te verwerven van Pruisen. Als de

afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk, in het kabinet van den

minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle hoop ontnomen dat

Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij zij

berusten in het herstel van het huis van Oranje. »Ik antwoordde dat

hieraan niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde

van zaken. Wat ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een

gesprek van bijkans twee uren eindigde hij met te zeggen dat men

tenminste aan den Erfprins moest....," en de Vos ontwerpt dan eene

constitutie voor de Bataafsche Republiek met den Erfprins als hoofd

van het uitvoerend bewind »onder een anderen titel als dien van

Stadhouder;" de politieke verklaringen als grondslag van het

stemrecht zal men laten vervallen, en het recht om in de

grondvergadering te verschijnen aan geldbezit binden; eene

constitutie der _beati possidentes_ dus, met een oranjewimpel in

top[20]. De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar

Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was

voorgekomen.

Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap

aan den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in

Noord-Holland stond: »de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan,

wanneer men de hoop konde hebben, dat niet zoozeer de oude

constitutie wederom zoude worden ingevoerd, maar de principes

bijbehouden van eenheid der Republiek en van eene behoorlijke

representatie, met de uitvoerende magt _in amplissima forma_ aan het

huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met

één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag

konde gelegd worden"[21]. Lord Grenville kende deze boodschap, toen

hij zijne instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich

niettemin tot de door Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met

handhaving van den bondgenootschappelijken regeeringsvorm[22].

»You will not fail to remark", voegt hij in een begeleidend schrijven

aan zijn broeder toe, »that in the communication made through

M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the keeping up a

representative body adapted to that state of things, are strongly

insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline

towards a different arrangement, and to think that a nearer adherence

to the ancient form of government would be more conducive to the

happiness of that country, are founded principally in an opinion that

such is probably the wish of the best and soundest part of the United

Provinces".

[20] _Gedenkstukken_ III, 552.

[21] Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799,

_Gedenkstukken_ III, 547.

[22] Art. 1 der instructie: »That the form of federative government

on the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved"

(behoudens de vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte,

wijzigingen).

De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog.

Het Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen

te helpen. Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die

versterking op versterking zonden en allen voortgang der gelande

troepen weldra konden beletten en hen eindelijk naar hunne schepen

terugdrijven; maar ook, omdat men van de overwinning der coalitie

een staatkundigen teruggang vreesde, die in Nederland zeer weinig

voorstanders had.

Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit

hunne boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer

blijkt het uit vele politieke stukken, in deze jaren door welmeenende

plannenmakers uit de oude oranjepartij opgesteld. De grondtoon is,

dat de zaak gevonden moet worden bij compromis met de gematigde

patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een uitkomst voor, die

minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van vóór 1795

afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door

velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij

hebben zal, zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt

opgedrongen, in plaats van door deze ingeroepen[23].

[23] Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie

van 1814), Mei 1795, _Gedenkstukken_ II, 831; Aylva (lid der

grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (_Gedenkstukken_ II, 839) en

voorjaar 1799 (_Ontstaan der Grondwet_ I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der

grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (_Ged._ II, 860), Oct. 1795 (II,

869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II,

960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen,

Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997).

Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het

merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens

blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal

afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een

ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande

uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen

door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder

onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking.

De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de

opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht,

minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (_Ged._ II,

863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst

ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest

is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig

jaar geleden had voorgestaan (zie _Ged._ III, 1037 en 1080, en _Vreede's

van de Spiegel_ IV, 456; en voor de kritiek: _Ontstaan der Grondwet_ I,

bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook

bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van

Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (_Ged._ III,

1100): »Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer

zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan

oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude

langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de

Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als

hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te

maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den

vorst...".

Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens

ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander

hoofdstuk wordt gegeven.

Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt

in Frankrijk de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle

speculatiën op den naderenden ondergang der Revolutie een spoedig

einde maakt. Europa richt zich op den nieuwen toestand in, waartoe de

blijvende verwijdering van het huis van Oranje uit Nederland behoort.

Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent Oostenrijk de

Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802) Engeland,

dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt,

alleen Ceilon mag behouden.

Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het

verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar

een tusschen de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling,

welke 23 Mei 1802 tot stand kwam.[24] Om zich de goede gunsten van

Napoleon te verwerven van wien in dezen alles afhing, had de Erfprins

niet geschroomd de reis naar Parijs te ondernemen. De oude Prins liet

die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is geheel onjuist,

zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald wordt,

dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van

afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt

eer hij in het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel

degelijk onderteekend[25]; maar hij heeft geweigerd de regeering in

de hem afgestane landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn

zoon, die zich voortaan betitelt als vorst van Oranje-Fulda. Willem V

bepaalde er zich toe, de regeering te voeren in zijn Dillenburgsche

erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806, nog voor korte

maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.

[24] Zie hiervóór, bl. 4 noot.

[25] _Ged._ IV, 708; vgl. Bosscha, _Staatsomwenteling_ II, 273.

Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801-1804 in eene

bijzonder scheeve positie. Het hing voor de territoriale

schadeloosstelling af van de genade van den Eersten Consul; voor

andere regelingen van Engeland en van de Bataafsche Republiek. De

vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de Engelschen,

maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de teruggave

dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid

verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen.

Zij werd door de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000.

De Prins weigerde standvastig die som aan te nemen in de omschrijving

waaronder zij hem werd aangeboden: als prijs van schepen die nimmer

aan zijn persoon, maar aan den Staat hadden behoord. Engeland wilde

er gaarne iets anders op vinden: het zocht een middel om het huis

van Oranje als een _en cas_ te behouden voor het mogelijk geval van

hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade der

continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer

de eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn

opgevolgd, gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men

nu niet langer van de schepen die men zonder meer behield, maar

stelde aan de Prinses van Oranje (die nog eenigen tijd in Engeland

was gebleven na het vertrek van haar gemaal naar het vasteland) een

som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de behoeften van het

Oranjehuis, en kende aan dat huis, »gedurende het believen van Zijne

Majesteit", een jaargeld toe van £ 16.000[26]. De bewoordingen waren

zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde

houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het

jaargeld na den dood van zijn vader.

[26] _Gedenkstukken_ IV, 737.

De Wedergeboorte van Nederland · 第 1 / 35 段