62. „BOELA MATARI, DE STEENBREKER”.

Beneden de Congo-vallen verbreedde het bed der rivier zich hier en daar

tot drie kilometer, zoodat de tegenovergestelde oever ternauwernood nog

zichtbaar was en de vloot van Stanley tusschen de vele eilanden en

labyrinthen van waterwegen verdwaalde. De gevaren van de reis bleven

dezelfde. Telkens moest uitgekeken worden en steeds werden de

vreemdelingen door de inboorlingen vervolgd. In de booten vertoonden

zich krijgslieden met afzichtelijke gezichten en roode en groene

papegaaienveeren op het hoofd. Zij droegen armbanden van ivoor en het

handvat van hun roeispanen was eveneens gesneden uit de tanden van

olifanten. Aan den boeg van de groote booten woei een bos palmtakken en

uit de ivoren hoorns riepen schetterende tonen tot den aanval.

In een dorp werd een afgodstempel ontdekt; het ronde dak rustte op

drie-en-dertig olifantstanden. In het midden van den tempel troonde een

uit hout gesneden rood geschilderd afgodsbeeld met zwarte oogen, haren

en baard. De messen, speren en strijdbijlen van deze wilden waren

buitengewoon handig gesmeed en hun sieraden bestonden uit koperen,

ijzeren en ivoren ringen. In de vuilnishoopen zag men de overblijfselen

van hun afschuwelijke maaltijden en rondom de hutten waren schedels van

menschen op hooge palen gestoken.

Eindelooze wouden bedekten de oevers en de eilanden. Hier groeit de

mangroveboom, met zijn vele wortels, de hooge slangvormige rotang, met

zijn hangende gevederde bladeren, de drakenbloedboom, de gummiboom en

vele andere. Gevaar en hinderlaag loerde achter elke landtong. Er moest

gelet worden op rotsen en stroomingen in het water; op watervallen,

stroomversnellingen en draaikolken: nijlpaarden en krokodillen waren er

in menigte. Maar de inboorlingen zelf waren het gevaarlijkst en Stanley

en zijn manschappen waren door de eeuwige vervolging, waaraan zij

gedurende de laatste maanden waren blootgesteld, geheel uitgeput.

In het dorp Roeboenga waar de inboorlingen weer eens vriendelijk gezind

waren, hoorde Stanley voor het eerst, dat deze rivier werkelijk de

Congo heette! Hier konden de reizigers hun levensmiddelen weer

aanvullen en toen de trommen van Roeboenga werden geroerd, was het niet

om ten strijde op te trekken maar om naar de handelsmarkt op te roepen,

waar de bewoners der omliggende dorpen visch, slakken, eetbare

schelpdieren, gedroogd hondevleesch, geiten, bananen, meel en brood te

koop aanboden.

Maar vertrouwen kon men deze wilden nooit. Met hun griezelig

getatoueerd lichaam, hun halsbanden uit tanden van menschen, met hun

eigen tanden die zoo spits als die van een wolf zijn gevijld, met de

lichte gordels van gras om de lenden, speer en boog in de handen,

maakten zij in het geheel geen vertrouwenwekkenden indruk en

ternauwernood was men van een oogenschijnlijk vredelievenden oever

afgestooten of de zwarten maakten zich al weer gereed in de booten te

gaan om de vertrekkenden te vervolgen. In deze streek waren zij zelfs

al met geweren gewapend, die zij van de kust hadden gekregen en eens

kwam het tusschen de kleine vloot van Stanley en drie-en-dertig booten

der inboorlingen tot een heftigen strijd met schietwapenen aan beide

zijden! In de voorste boot stond een jong opperhoofd als aanvoerder,

hij had een schoon en waardig voorkomen. Hij droeg een hoofdbedekking

en een mantel uit geitenvel en om zijn armen, beenen en hals lompe

ringen van koperdraad. Een kogel trof hem in de dij, kalm bond hij een

lap om de wond, daarna gaf hij zijn roeiers een teeken naar den oever

terug te gaan. Nu verloren ook de anderen den moed en volgden de boot

van hun aanvoerder.

Zoo ging deze tocht van Stanley onder onophoudelijke gevechten verder

naar het Zuiden. De groote kromming van den Congo was nu afgelegd,

waarbij niet minder dan twee-en-dertig slagen geleverd waren. Er volgde

weer een moeilijk einde waarop de geweldige rivier, in schuimende

watervallen en kokende stroomversnellingen, het hoogland, dat zich

langs Afrika’s westkust uitstrekt, doorbreekt. Aan dezen waterval gaf

Stanley den naam van Livingstone, want nu zag hij in, dat de rivier

toch nooit anders dan Congo zou heeten. De Livingstonevallen zouden

echter toch den naam van den grooten zendeling voor het nageslacht

bewaren.

Nieuwe en vele moeilijkheden waren hier te overwinnen. Eens verdronken

een half dozijn mannen en verscheiden booten gingen verloren: de tocht

moest onderbroken worden om in het woud nieuwe booten uit te hollen. De

verraderlijke rivier trok de boot van Pocock op zekeren dag naar een

waterval, de arme bemerkte het gevaar pas te laat, suisde over den

waterval omlaag en verdronk.

De laatste blanke, die Stanley zoo ver door Afrika had vergezeld, was

nu ook heen, en leeg en verlaten stond zijn tent ’s avonds als de maan

helder en spookachtig op de schuimende watermassa’s neerzag.

Bij een anderen waterval geraakten de kwartiermeester en de timmerman

met een juist uitgeholden boom aan het drijven. Zij hadden geen

roeispanen bij zich. „Spring in het water,” riep de kwartiermeester

zijn makker toe, hij kreeg echter tot antwoord: „Ik waag het niet, ik

kan niet zwemmen!”

„Vaarwel dan, broeder,” riep de andere, sprong in het water en zwom

naar het land. De eerste suisde den val af, de boot verdween in de

schuimende draaikolk, dook weer op, en men kon duidelijk zien, dat de

man er zich nog aan vastklemde.

Nog eens zoog de draaikolk de boot in en nog eens werd ze boven het

water zichtbaar met haar last. Toen ze voor den derden keer in de

diepte werd getrokken en ze weer naar boven kwam, was de man verdwenen!

Eindelijk werd het verder trekken met de booten onmogelijk. Ze moesten

opgeofferd worden, en de tocht verder over land voortgezet worden. Nu

was de schaar van Stanley van alles ontbloot, ellendig en uitgehongerd;

zij hadden ook bijna niets meer om de schatting te betalen, die de

zwarte stamhoofden voor den doortocht eischten. Eens zeide zulk een

zwarte koning, dat hij met een flesch cognac tevreden was. Cognac, als

men drie jaar in Afrika heeft rondgezworven! Daar kwam de

kwartiermeester naar voren en hoorde wat de zwarte majesteit eischte.

„Cognac,” riep hij, „daar hebt gij cognac!” En daarbij gaf hij den

zwarte zulk een muilpeer, dat hij languit neerviel en het geheele hof

de vlucht nam!

Eindelijk was men nog slechts twee dagreizen van Boma, aan de monding

van den Congo, verwijderd. Daar waren handelsfactorijen en Europeanen!

Daarheen schreef Stanley en spoedig kreeg hij alles wat hij voor het

levensonderhoud noodig had. Toen hij dan eindelijk Boma bereikte, kon

hij zich en zijn getrouwen eenigen tijd rust gunnen! Daarna ging de

reis per schip Afrika om, naar Zanzibar, waar Stanley zijn mannen weer

afleverde.

In zijn vaderland werd hij overal met gejubel ontvangen. Sedert een

duizendtal jaren waren de Arabieren steeds meer de binnenlanden van

Afrika ingedrongen, maar den loop van den Congo kenden zij nog niet!

Vergeefs hadden sinds eeuwen Europeesche vorschers getracht licht in

deze duisternis te brengen; de inboorlingen wisten niet eens waar ten

slotte de Loealaba bleef. Stanley had op eens de witte vlek op de kaart

van Afrika gevuld. Hij had voor de Europeanen de binnenlanden ontsloten

en was hen als pionier vooruitgegaan. Zelfs de wilden werden

geïmponeerd door zijn onbuigzamen moed en zijn ijzeren volharding en

zij noemden hem „Boela Matari” den „Steenbreker.”

Andere vorschers volgden en volgen nog heden de voetstappen van

Stanley. Nu gaat een spoorlijn langs de Congo-vallen, en op de rivier

varen verscheiden stoombooten. Stanley zelf was tegenwoordig toen de

eerste stations werden aangelegd, en zijn naam is sedert dezen

Congotocht voor altijd met de geschiedenis van Afrika verbonden.

Van pool tot pool(#76913) · 第 68 / 75 题