Beneden de Congo-vallen verbreedde het bed der rivier zich hier en daar
tot drie kilometer, zoodat de tegenovergestelde oever ternauwernood nog
zichtbaar was en de vloot van Stanley tusschen de vele eilanden en
labyrinthen van waterwegen verdwaalde. De gevaren van de reis bleven
dezelfde. Telkens moest uitgekeken worden en steeds werden de
vreemdelingen door de inboorlingen vervolgd. In de booten vertoonden
zich krijgslieden met afzichtelijke gezichten en roode en groene
papegaaienveeren op het hoofd. Zij droegen armbanden van ivoor en het
handvat van hun roeispanen was eveneens gesneden uit de tanden van
olifanten. Aan den boeg van de groote booten woei een bos palmtakken en
uit de ivoren hoorns riepen schetterende tonen tot den aanval.
In een dorp werd een afgodstempel ontdekt; het ronde dak rustte op
drie-en-dertig olifantstanden. In het midden van den tempel troonde een
uit hout gesneden rood geschilderd afgodsbeeld met zwarte oogen, haren
en baard. De messen, speren en strijdbijlen van deze wilden waren
buitengewoon handig gesmeed en hun sieraden bestonden uit koperen,
ijzeren en ivoren ringen. In de vuilnishoopen zag men de overblijfselen
van hun afschuwelijke maaltijden en rondom de hutten waren schedels van
menschen op hooge palen gestoken.
Eindelooze wouden bedekten de oevers en de eilanden. Hier groeit de
mangroveboom, met zijn vele wortels, de hooge slangvormige rotang, met
zijn hangende gevederde bladeren, de drakenbloedboom, de gummiboom en
vele andere. Gevaar en hinderlaag loerde achter elke landtong. Er moest
gelet worden op rotsen en stroomingen in het water; op watervallen,
stroomversnellingen en draaikolken: nijlpaarden en krokodillen waren er
in menigte. Maar de inboorlingen zelf waren het gevaarlijkst en Stanley
en zijn manschappen waren door de eeuwige vervolging, waaraan zij
gedurende de laatste maanden waren blootgesteld, geheel uitgeput.
In het dorp Roeboenga waar de inboorlingen weer eens vriendelijk gezind
waren, hoorde Stanley voor het eerst, dat deze rivier werkelijk de
Congo heette! Hier konden de reizigers hun levensmiddelen weer
aanvullen en toen de trommen van Roeboenga werden geroerd, was het niet
om ten strijde op te trekken maar om naar de handelsmarkt op te roepen,
waar de bewoners der omliggende dorpen visch, slakken, eetbare
schelpdieren, gedroogd hondevleesch, geiten, bananen, meel en brood te
koop aanboden.
Maar vertrouwen kon men deze wilden nooit. Met hun griezelig
getatoueerd lichaam, hun halsbanden uit tanden van menschen, met hun
eigen tanden die zoo spits als die van een wolf zijn gevijld, met de
lichte gordels van gras om de lenden, speer en boog in de handen,
maakten zij in het geheel geen vertrouwenwekkenden indruk en
ternauwernood was men van een oogenschijnlijk vredelievenden oever
afgestooten of de zwarten maakten zich al weer gereed in de booten te
gaan om de vertrekkenden te vervolgen. In deze streek waren zij zelfs
al met geweren gewapend, die zij van de kust hadden gekregen en eens
kwam het tusschen de kleine vloot van Stanley en drie-en-dertig booten
der inboorlingen tot een heftigen strijd met schietwapenen aan beide
zijden! In de voorste boot stond een jong opperhoofd als aanvoerder,
hij had een schoon en waardig voorkomen. Hij droeg een hoofdbedekking
en een mantel uit geitenvel en om zijn armen, beenen en hals lompe
ringen van koperdraad. Een kogel trof hem in de dij, kalm bond hij een
lap om de wond, daarna gaf hij zijn roeiers een teeken naar den oever
terug te gaan. Nu verloren ook de anderen den moed en volgden de boot
van hun aanvoerder.
Zoo ging deze tocht van Stanley onder onophoudelijke gevechten verder
naar het Zuiden. De groote kromming van den Congo was nu afgelegd,
waarbij niet minder dan twee-en-dertig slagen geleverd waren. Er volgde
weer een moeilijk einde waarop de geweldige rivier, in schuimende
watervallen en kokende stroomversnellingen, het hoogland, dat zich
langs Afrika’s westkust uitstrekt, doorbreekt. Aan dezen waterval gaf
Stanley den naam van Livingstone, want nu zag hij in, dat de rivier
toch nooit anders dan Congo zou heeten. De Livingstonevallen zouden
echter toch den naam van den grooten zendeling voor het nageslacht
bewaren.
Nieuwe en vele moeilijkheden waren hier te overwinnen. Eens verdronken
een half dozijn mannen en verscheiden booten gingen verloren: de tocht
moest onderbroken worden om in het woud nieuwe booten uit te hollen. De
verraderlijke rivier trok de boot van Pocock op zekeren dag naar een
waterval, de arme bemerkte het gevaar pas te laat, suisde over den
waterval omlaag en verdronk.
De laatste blanke, die Stanley zoo ver door Afrika had vergezeld, was
nu ook heen, en leeg en verlaten stond zijn tent ’s avonds als de maan
helder en spookachtig op de schuimende watermassa’s neerzag.
Bij een anderen waterval geraakten de kwartiermeester en de timmerman
met een juist uitgeholden boom aan het drijven. Zij hadden geen
roeispanen bij zich. „Spring in het water,” riep de kwartiermeester
zijn makker toe, hij kreeg echter tot antwoord: „Ik waag het niet, ik
kan niet zwemmen!”
„Vaarwel dan, broeder,” riep de andere, sprong in het water en zwom
naar het land. De eerste suisde den val af, de boot verdween in de
schuimende draaikolk, dook weer op, en men kon duidelijk zien, dat de
man er zich nog aan vastklemde.
Nog eens zoog de draaikolk de boot in en nog eens werd ze boven het
water zichtbaar met haar last. Toen ze voor den derden keer in de
diepte werd getrokken en ze weer naar boven kwam, was de man verdwenen!
Eindelijk werd het verder trekken met de booten onmogelijk. Ze moesten
opgeofferd worden, en de tocht verder over land voortgezet worden. Nu
was de schaar van Stanley van alles ontbloot, ellendig en uitgehongerd;
zij hadden ook bijna niets meer om de schatting te betalen, die de
zwarte stamhoofden voor den doortocht eischten. Eens zeide zulk een
zwarte koning, dat hij met een flesch cognac tevreden was. Cognac, als
men drie jaar in Afrika heeft rondgezworven! Daar kwam de
kwartiermeester naar voren en hoorde wat de zwarte majesteit eischte.
„Cognac,” riep hij, „daar hebt gij cognac!” En daarbij gaf hij den
zwarte zulk een muilpeer, dat hij languit neerviel en het geheele hof
de vlucht nam!
Eindelijk was men nog slechts twee dagreizen van Boma, aan de monding
van den Congo, verwijderd. Daar waren handelsfactorijen en Europeanen!
Daarheen schreef Stanley en spoedig kreeg hij alles wat hij voor het
levensonderhoud noodig had. Toen hij dan eindelijk Boma bereikte, kon
hij zich en zijn getrouwen eenigen tijd rust gunnen! Daarna ging de
reis per schip Afrika om, naar Zanzibar, waar Stanley zijn mannen weer
afleverde.
In zijn vaderland werd hij overal met gejubel ontvangen. Sedert een
duizendtal jaren waren de Arabieren steeds meer de binnenlanden van
Afrika ingedrongen, maar den loop van den Congo kenden zij nog niet!
Vergeefs hadden sinds eeuwen Europeesche vorschers getracht licht in
deze duisternis te brengen; de inboorlingen wisten niet eens waar ten
slotte de Loealaba bleef. Stanley had op eens de witte vlek op de kaart
van Afrika gevuld. Hij had voor de Europeanen de binnenlanden ontsloten
en was hen als pionier vooruitgegaan. Zelfs de wilden werden
geïmponeerd door zijn onbuigzamen moed en zijn ijzeren volharding en
zij noemden hem „Boela Matari” den „Steenbreker.”
Andere vorschers volgden en volgen nog heden de voetstappen van
Stanley. Nu gaat een spoorlijn langs de Congo-vallen, en op de rivier
varen verscheiden stoombooten. Stanley zelf was tegenwoordig toen de
eerste stations werden aangelegd, en zijn naam is sedert dezen
Congotocht voor altijd met de geschiedenis van Afrika verbonden.