61. OVER DE CONGO-VALLEN.

Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij

den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo,

waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was

ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in

het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van

dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en

tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd

zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en

avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte

rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier.

Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever

aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en

voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden

opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen

vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer

van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp

tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij

troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley

omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op

bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot

onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand,

stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen

zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten

deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen.

Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo

gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley

geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met

nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal

schilden buit, die hen later van veel nut werden.

Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij

een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad

te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en

liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch

buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen

en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren,

en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt,

stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de

ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en

kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en

bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten.

Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers

in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk

weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten

strijd gereed, midden in de rivier halt houden. Zwermen flinke booten

vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers

klonken helder tegen de schilden.

De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we

schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich

langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls

gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het

eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de

vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen

naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun

pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord,

dan keerden zij bloedend naar den oever terug.

Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de

reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen

waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De

vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de

watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den

oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige

dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en

toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de

oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der

inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte

strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun

hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten.

Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering

van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen

ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van

vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd

met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval

over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden,

de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te

ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de

watervallen kon worden voortgezet.

Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar de

inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen

te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te

water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden

water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest

de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen

om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden

van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de

manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde

er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen

waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits

toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek

menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een

zeer welkome buit zijn geweest.

Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de

rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij

niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste

Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die

sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede

ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van

den Belgischen Congostaat.

Van pool tot pool(#76913) · 第 67 / 75 题