Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij
den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo,
waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was
ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in
het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van
dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en
tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd
zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en
avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte
rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier.
Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever
aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en
voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden
opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen
vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer
van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp
tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij
troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley
omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op
bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot
onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand,
stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen
zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten
deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen.
Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo
gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley
geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met
nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal
schilden buit, die hen later van veel nut werden.
Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij
een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad
te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en
liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch
buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen
en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren,
en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt,
stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de
ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en
kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en
bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten.
Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers
in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk
weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten
strijd gereed, midden in de rivier halt houden. Zwermen flinke booten
vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers
klonken helder tegen de schilden.
De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we
schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich
langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls
gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het
eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de
vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen
naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun
pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord,
dan keerden zij bloedend naar den oever terug.
Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de
reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen
waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De
vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de
watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den
oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige
dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en
toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de
oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der
inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte
strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun
hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten.
Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering
van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen
ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van
vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd
met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval
over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden,
de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te
ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de
watervallen kon worden voortgezet.
Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar de
inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen
te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te
water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden
water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest
de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen
om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden
van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de
manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde
er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen
waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits
toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek
menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een
zeer welkome buit zijn geweest.
Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de
rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij
niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste
Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die
sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede
ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van
den Belgischen Congostaat.