Ondanks deze onvriendelijke houding der inboorlingen gaf Stanley het
besluit niet op met zijn boot de Loealaba af te varen. Met ongeveer
dertig man scheepte hij zich eindelijk in, terwijl Tipoe Tip en Pocock
met de overigen den oever langs zouden trekken.
Het eene dorp na het andere werd aan den oever zichtbaar, maar overal
hadden de inboorlingen zich teruggetrokken en uit de verte hoorde men
hun oorlogskreet: „O-hoe, o-hoe-hoe!”
Op een eiland tusschen de hoofdrivier en een zijrivier ging Stanley met
zijn boot aan land om de karavaan af te wachten en ze bij den overtocht
over de rivier behulpzaam te zijn. Rondom de legerplaats werd een
omheining opgericht. Daarna roeide hij een eind de zijrivier op, het
water was door de donkere boomwortels, die van den oever tot aan den
bodem reikten, zoo zwart als inkt. Bij zijn terugkomst vond hij het
eiland door vijandelijke booten omringd; maar zoodra zijn boot naderde,
roeiden de wilden pijlsnel weg.
Eindelijk kwam Tipoe Tip met zijn troep hijgend aan, en nu kon men
verder trekken. Stanley bleef nu met zijn boot steeds dicht bij den
oever, zoodat de twee afdeelingen door een teeken met de trom met
elkaar in verbinding konden blijven. Weer waren alle dorpen verlaten,
maar toch sloegen de inboorlingen de vreemdelingen gade en lagen overal
in hinderlaag; maar toen op zekeren dag eenige van Stanley’s
manschappen in twee geroofde booten op verkenning uitgingen, werden zij
overvallen en geraakten op hun vlucht in draaikolken en
stroomversnellingen. Hun booten sloegen om en zij verloren vier
geweren; maar zij zelf werkten zich op de gekantelde boot en bleven
daarop zoolang, totdat zij door hun makkers werden gered. Uit het
groote dorp Ikondo waren alle inwoners gevlucht. Maar tusschen de
kooivormige rieten hutten, die zich in twee lange rijen uitstrekten,
hingen nog de gevulde wijnkruiken aan de palmen, meloenen en bananen
geurden, en overal stiet men op maniokaanplantingen, aardnoten- en
suikerrietvelden. In de nabijheid van Ikondo lag een groote boot, maar
die was gebarsten en lek; ze werd hersteld, in het water gelaten en als
hospitaal gebruikt, want pokken en buikloop waren in de karavaan
uitgebroken en dagelijks moesten twee à drie dooden in de rivier worden
begraven.
Toen op zekeren dag de kleine vloot langs den oever roeide, slaakte
eensklaps een man in de ziekenboot een luiden kreet. Een vergiftige
pijl was hem in de borst gedrongen en op deze eerste volgde een regen
van pijlen. Snel werd uit de gevaarlijke streek geroeid en gekampeerd
op een plaats, waar vroeger markt was gehouden. De gewone haag van
rijshout werd rondom de tent opgericht, en voor alle zekerheid werden
posten in het kreupelhout uitgezet.
Het duurde ook niet lang of geweerschoten en geschreeuw werden
vernomen. De wachten kwamen hals over kop aanloopen en riepen van
verre: „Houdt jelui gereed, zij komen!” En voordat men er op bedacht
was, suisden pijlen en speren tegen de verschansingen en de wilden
kwamen aanstormen onder het zingen van hun akelige krijgsliederen. Arme
duivels! Wat hielpen hun pijlen en speren tegen kogels en kruit! Zij
werden teruggeslagen, maar keerden steeds weer met nieuwe versterking
terug. Pas na een strijd van twee uur en bij het invallen der
duisternis trokken zij terug.
Onder zulke gevechten bereikten Stanley en Tipoe Tip een dicht bebouwde
streek aan den westelijken oever en ook hier kwamen de inboorlingen hen
vijandig tegemoet. Bij het eerste treffen werden zij teruggeslagen,
roeiden toen echter naar een lang en smal eiland, waar zij hun booten
aan palen vastbonden, blijkbaar met het plan den volgenden dag weer te
beginnen.
Maar dat plan zou hen vergald worden. In den pikduisteren nacht,
terwijl de regen nederkletterde, roeide Stanley naar het eiland, en
terwijl zijn boot stil en voorzichtig onder den hoogen, met boomen
bezetten oever gleed, sneed hij de vaartuigen, zooveel hij maar
bereiken kon, los en spoedig daarop dreven zes-en-dertig booten de
rivier af, waar ze door de manschappen van Stanley werden opgevangen.
Met deze buitgemaakte vloot roeide men met het aanbreken van den dag
weer naar de kampplaats terug. De wilden, die den kouden nacht in de
hutten van gras op het eiland hadden doorgebracht, zullen den volgenden
morgen wel verbaasd hebben staan kijken, toen zij bijna al hun booten
misten. Nu roeide de tolk van Stanley naar hen toe, om hun de
voorwaarden mede te deelen die Stanley hen stelde. Zij hadden den troep
van den blanken man trouweloos overvallen, vier man gedood en dertien
verwond; nu moesten zij levensmiddelen geven en dan zouden zij
schadeloos gesteld worden voor de geroofde booten. En eindelijk moesten
zij beloven den vrede te bewaren.
Door deze handige list gelukte het eenige dagen in vrede te leven en
dat was dringend noodig, want Tipoe Tip had er nu meer dan genoeg van
en wilde geen schrede verder gaan op deze oorlogzuchtige rivier, maar
beslist met zijn manschappen terugkeeren. Maar Stanley stond er op, met
uitgezochte manschappen, die voor het grootste deel vrouwen en kinderen
bij zich hadden, in ’t geheel honderd en vijftig zielen, de reis te
vervolgen.
De buitgemaakte booten werden, twee aan twee, met stangen aan elkaar
bevestigd, opdat zij niet zouden kenteren: de geheele vloot bestond nu
uit drie-en-twintig vaartuigen. Er werd voor twintig dagen proviand
ingepakt en een der laatste dagen van December, toen juist een frisch
koeltje de dichte nevelen van elkaar reet, riepen trompet- en
hoornsignalen tot het vertrek. Stanley commandeerde: „Aan boord!” De
zonen van Oenjamwesi zongen afscheidsliederen, waarop de naar huis
trekkende schaar van Tipoe Tip antwoordde, en nu gleed Stanley’s vloot
de rivier af, opnieuw onbekende landen en lotgevallen tegemoet.