60. OORLOGEN MET DE INBOORLINGEN.

Ondanks deze onvriendelijke houding der inboorlingen gaf Stanley het

besluit niet op met zijn boot de Loealaba af te varen. Met ongeveer

dertig man scheepte hij zich eindelijk in, terwijl Tipoe Tip en Pocock

met de overigen den oever langs zouden trekken.

Het eene dorp na het andere werd aan den oever zichtbaar, maar overal

hadden de inboorlingen zich teruggetrokken en uit de verte hoorde men

hun oorlogskreet: „O-hoe, o-hoe-hoe!”

Op een eiland tusschen de hoofdrivier en een zijrivier ging Stanley met

zijn boot aan land om de karavaan af te wachten en ze bij den overtocht

over de rivier behulpzaam te zijn. Rondom de legerplaats werd een

omheining opgericht. Daarna roeide hij een eind de zijrivier op, het

water was door de donkere boomwortels, die van den oever tot aan den

bodem reikten, zoo zwart als inkt. Bij zijn terugkomst vond hij het

eiland door vijandelijke booten omringd; maar zoodra zijn boot naderde,

roeiden de wilden pijlsnel weg.

Eindelijk kwam Tipoe Tip met zijn troep hijgend aan, en nu kon men

verder trekken. Stanley bleef nu met zijn boot steeds dicht bij den

oever, zoodat de twee afdeelingen door een teeken met de trom met

elkaar in verbinding konden blijven. Weer waren alle dorpen verlaten,

maar toch sloegen de inboorlingen de vreemdelingen gade en lagen overal

in hinderlaag; maar toen op zekeren dag eenige van Stanley’s

manschappen in twee geroofde booten op verkenning uitgingen, werden zij

overvallen en geraakten op hun vlucht in draaikolken en

stroomversnellingen. Hun booten sloegen om en zij verloren vier

geweren; maar zij zelf werkten zich op de gekantelde boot en bleven

daarop zoolang, totdat zij door hun makkers werden gered. Uit het

groote dorp Ikondo waren alle inwoners gevlucht. Maar tusschen de

kooivormige rieten hutten, die zich in twee lange rijen uitstrekten,

hingen nog de gevulde wijnkruiken aan de palmen, meloenen en bananen

geurden, en overal stiet men op maniokaanplantingen, aardnoten- en

suikerrietvelden. In de nabijheid van Ikondo lag een groote boot, maar

die was gebarsten en lek; ze werd hersteld, in het water gelaten en als

hospitaal gebruikt, want pokken en buikloop waren in de karavaan

uitgebroken en dagelijks moesten twee à drie dooden in de rivier worden

begraven.

Toen op zekeren dag de kleine vloot langs den oever roeide, slaakte

eensklaps een man in de ziekenboot een luiden kreet. Een vergiftige

pijl was hem in de borst gedrongen en op deze eerste volgde een regen

van pijlen. Snel werd uit de gevaarlijke streek geroeid en gekampeerd

op een plaats, waar vroeger markt was gehouden. De gewone haag van

rijshout werd rondom de tent opgericht, en voor alle zekerheid werden

posten in het kreupelhout uitgezet.

Het duurde ook niet lang of geweerschoten en geschreeuw werden

vernomen. De wachten kwamen hals over kop aanloopen en riepen van

verre: „Houdt jelui gereed, zij komen!” En voordat men er op bedacht

was, suisden pijlen en speren tegen de verschansingen en de wilden

kwamen aanstormen onder het zingen van hun akelige krijgsliederen. Arme

duivels! Wat hielpen hun pijlen en speren tegen kogels en kruit! Zij

werden teruggeslagen, maar keerden steeds weer met nieuwe versterking

terug. Pas na een strijd van twee uur en bij het invallen der

duisternis trokken zij terug.

Onder zulke gevechten bereikten Stanley en Tipoe Tip een dicht bebouwde

streek aan den westelijken oever en ook hier kwamen de inboorlingen hen

vijandig tegemoet. Bij het eerste treffen werden zij teruggeslagen,

roeiden toen echter naar een lang en smal eiland, waar zij hun booten

aan palen vastbonden, blijkbaar met het plan den volgenden dag weer te

beginnen.

Maar dat plan zou hen vergald worden. In den pikduisteren nacht,

terwijl de regen nederkletterde, roeide Stanley naar het eiland, en

terwijl zijn boot stil en voorzichtig onder den hoogen, met boomen

bezetten oever gleed, sneed hij de vaartuigen, zooveel hij maar

bereiken kon, los en spoedig daarop dreven zes-en-dertig booten de

rivier af, waar ze door de manschappen van Stanley werden opgevangen.

Met deze buitgemaakte vloot roeide men met het aanbreken van den dag

weer naar de kampplaats terug. De wilden, die den kouden nacht in de

hutten van gras op het eiland hadden doorgebracht, zullen den volgenden

morgen wel verbaasd hebben staan kijken, toen zij bijna al hun booten

misten. Nu roeide de tolk van Stanley naar hen toe, om hun de

voorwaarden mede te deelen die Stanley hen stelde. Zij hadden den troep

van den blanken man trouweloos overvallen, vier man gedood en dertien

verwond; nu moesten zij levensmiddelen geven en dan zouden zij

schadeloos gesteld worden voor de geroofde booten. En eindelijk moesten

zij beloven den vrede te bewaren.

Door deze handige list gelukte het eenige dagen in vrede te leven en

dat was dringend noodig, want Tipoe Tip had er nu meer dan genoeg van

en wilde geen schrede verder gaan op deze oorlogzuchtige rivier, maar

beslist met zijn manschappen terugkeeren. Maar Stanley stond er op, met

uitgezochte manschappen, die voor het grootste deel vrouwen en kinderen

bij zich hadden, in ’t geheel honderd en vijftig zielen, de reis te

vervolgen.

De buitgemaakte booten werden, twee aan twee, met stangen aan elkaar

bevestigd, opdat zij niet zouden kenteren: de geheele vloot bestond nu

uit drie-en-twintig vaartuigen. Er werd voor twintig dagen proviand

ingepakt en een der laatste dagen van December, toen juist een frisch

koeltje de dichte nevelen van elkaar reet, riepen trompet- en

hoornsignalen tot het vertrek. Stanley commandeerde: „Aan boord!” De

zonen van Oenjamwesi zongen afscheidsliederen, waarop de naar huis

trekkende schaar van Tipoe Tip antwoordde, en nu gleed Stanley’s vloot

de rivier af, opnieuw onbekende landen en lotgevallen tegemoet.

Van pool tot pool(#76913) · 第 66 / 75 题