Succes moedigt aan! Reeds in het najaar van 1874 was Stanley weer in
Zanzibar om nog eens in het donkere werelddeel zijn geluk te beproeven!
Hij rustte een karavaan uit met driehonderd dragers, met proviand,
kralen, koperdraad, wapenen, opvouwbare booten, tenten, werktuigen en
al datgene wat men op een reis van verscheidene jaren noodig heeft en
sloeg de richting in naar het Victoria-Niansa meer. Hij zeilde het
geheele meer om, bezocht Oeganda en Oedjidji, waar de hut van
Livingstone reeds lang met den grond was gelijk gemaakt, en zeilde toen
nog het Tangajika-meer om.
Twee jaar na zijn vertrek bereikte hij den oever van de Loealaba,
waaraan Dr. Livingstone zijn leven had gewijd om de raadselen er van op
te lossen. Na twee jaren inspannend reizen stond nu Stanley op de
westelijkste punt, tot waar ooit een Europeaan vanaf de Indische kust
van Afrika was doorgedrongen en voor hem lag een geheel onbekend land,
dat op de kaarten van dien tijd slechts door een groote, witte vlek was
aangegeven. Van alle kanten waren reizigers den rand van dit gebied
genaderd, maar niet een was verder gedrongen; men wist niet eens waar
de Loealaba bleef en vergeefs had Livingstone getracht daar
inboorlingen en Arabieren uit te vragen. Hier te Njangwe hadden de
Arabische slavenhandelaars hun westelijkste markt. Groenten, vruchten,
graan, visch, vee, metaaldraad, bogen, pijlen en speren werden hier
verkocht en een ruilhandel met ivoor en slaven uit het binnenland
gedreven. Maar ofschoon van alle kanten wegen in Njangwe samenliepen
waren de Arabieren al even weinig van het binnenland op de hoogte.
Maar moeielijkheden waren er voor den ijzeren wil van Stanley niet.
Zijn besluit stond vast in geen geval weer naar het Oosten terug te
keeren; hij wilde naar het Westen, naar de Atlantische kust
doordringen, al kostte het zijn eigen leven; zijn lijfspreuk was: „Waag
te winnen en te verliezen!” Zoo brak hij dan den 5den November 1876 in
gezelschap van het machtig en rijk Arabisch opperhoofd Tipoe Tip op en
ging in noordelijke richting naar een groot woud. De troep van Tipoe
Tip bestond uit zevenhonderd mannen, vrouwen en kinderen; Stanley had
honderd vier-en-vijftig manschappen met geweren, revolvers en bijlen
gewapend. Dus een groote karavaan, die in lange rijen het oerwoud
naderde en onder de geweldige boomen verdween. Als zuilen stonden hier
de stammen naast elkaar. Palmen en rotangs worstelden met de wilde
wijnranken om de plaats. Varens en riet woekerden op den grond en
doornstruiken vormden ondoordringbaar struikgewas. Klimplanten kropen
tegen de stammen op en hingen als netten van de takken. Uit het
bladerengewelf druppelde dauw als motregen neer; de lucht was zwaar en
zwoel, en verzadigd van den geur der planten en van de aarde. Slechts
zelden drong een koeltje in de diepte van het woud. Hoog boven de
toppen der boomen konden stormen woeden, maar daar beneden in de
schemering van het bosch bewoog zich geen blad. In den lossen, van
water doortrokken bodem behoefden de wortels zich dus niet zoo diep in
te boren om aan boomen en struiken kracht en steun te geven; dikwijls
lagen de geweldige wortels van oeroude woudreuzen bijna geheel bloot.
Met bijlen moest de karavaan zich voetje voor voetje een weg door het
tropisch oerwoud, door zijn nooit door een zonnestraal getroffen
kreupelhout, banen. Mieren, duizendpooten, kevers en andere insecten
kropen hier in groote volksverhuizingen rond; tusschen de wortels der
boomen loerde de pythonslang op haar buit. Op de takken der boomen
klauterden apen en slingerden zich schommelend en met handige sprongen
van den eenen boomstam op den anderen. Rijen bavianen maakten geraas en
brulden en hier en daar hoorde men de geluiden van den chimpansee, en
ontdekte men tusschen een forschen tak zijn gevlochten nest.
Langzaam ging het op den slibberigen bodem en door het struikgewas
vooruit. De pakken droeg men op het hoofd, om de armen vrij te hebben
en takken en jonge boomen op zij te kunnen schuiven. De kleeren hingen
weldra aan flarden, bij de naakte zwarten moest de huid het ontgelden.
Voor de dragers van de opvouwbare boot, moest, dikwijls een apart pad
met moeite worden uitgehouwen. Daarbij steeds dezelfde zwoele,
verstikkende broeikaslucht en de diepe, drukkende schemering! Men
tastte als door een donkere gang; nergens een licht, steeds een eeuwige
schemering, die door pikzwarte nachten werd afgelost. Evenals de
Poolvaarders in den langen winternacht, verlangde ieder naar den
terugkeer der zon en naar het daglicht.
Op eenigen afstand van den oostelijken oever van de Loealaba ging de
tocht noordwaarts. Stanley klauterde in een boom, die vrij en eenzaam
op een heuvel stond. Welk een wondervol gezicht hier, over de toppen
der boomen van het woud. In het rond een enkele zee van bladeren, de
door de zon bestraalde oppervlakte der dicht in elkaar gevlochten
groene kronen der boomen. Hier boven ruischten de bladeren in den wind
en de storm veroorzaakte geweldige golven over de groene vlakte. Zelfs
voor den moed en de volharding van een Stanley was dit oerwoud een
beproeving van zijn energie. Ziekte, verveling en ongehoorzaamheid werd
merkbaar in zijn schaar. De groote Tipoe Tip was van oordeel, dat in
zulk een land verder doordringen onmogelijk was; hij wilde daarom met
zijn zwarte bende omkeeren. Na veel heen en weer praten liet hij zich
eindelijk overhalen nog twintig dagreizen verder mede te trekken, en na
ontelbaar veel moeite bereikte de karavaan eindelijk weer den oever der
Loealaba.
Zonder geluid en majestueus gleed de geweldige watermassa den oever
langs. Dik en bruin door de verrotte planten wentelde de rivier zich
naar een land, van welks tallooze negerstammen de Europeanen nog in het
geheel niets wisten en dat nog nooit door den voet van een blanke was
betreden. De olifanten in het duistere woud voelden zich nog niet
verontrust door de Europeesche jagers en het nijlpaard lag nog
onbezorgd tusschen lotusbladeren en riet. En deze geheimzinnige rivier
over welke geleerden met elkaar streden, wilde Stanley overwinnen, het
koste wat het wilde.
Tenten en omheiningen werden aan den rechteroever opgericht. Ginds aan
den linkeroever werden hutten zichtbaar van onbekende stammen. Stanley
liet zijn boot in elkaar zetten om de rivier over te gaan en met de
wilden te spreken. Intusschen lag hij peinzend in zijn tent. Door deze
eeuwige wouden te voet te gaan, was op den duur niet mogelijk. Waarom
den breeden weg niet gebruiken, dien de Loealaba zelf aanbood! Het woud
stond vol groeiende booten! Uit deze stammen kon een geheele vloot
bruikbare vaartuigen worden gehouwen.
Snel besloten liet Stanley zijn karavaan door trommelslag bijeenroepen,
om zijn plan mede te deelen. Met aarzelende schreden naderden de
mannen, Tipoe Tip en de overige Arabieren vooraan. Zij verwachtten
niets anders dan dat de marsch door het geheele bosch voortgezet zou
worden. Toen allen bij elkaar waren, zei Stanley:
„Arabieren, mannen uit Oenjamwesi en Zanzibar! Gij ziet deze rivier,
die sedert onheuglijke tijden stil en onbekend naar de zoute zee
stroomt, waar mijn blanke vrienden wonen.” En nu zette hij hun zijn
plan uiteen, om met een sterke vloot de Loealaba te willen afroeien.
Eerst klonk als antwoord een onwillig gemompel, maar Stanley liet zich
niet van zijn stuk brengen. Hij verzekerde hen rondweg, dat hij dezen
tocht zou doen, ook al vergezelde hem niemand anders dan Frank Pocock,
de eenige overlevende, der drie uit Zanzibar medegenomen blanken.
Daarna wendde hij zich tot de bootslieden: „Gij, die met mij over de
groote zeeën zijt gezeild, wilt gij nu mij en mijn blanken broeder in
het woud laten omkomen?” Reeds kwamen eenigen naar voren en tenslotte
verklaarden twee-en-dertig man zich bereid mede te gaan. Tipoe Tip en
zijn Arabieren verzekerden echter dat zoo’n tocht reine krankzinnigheid
was, men zou in handen vallen van oorlogzuchtige wilden en
menscheneters of omkomen in bruisende watervallen. Stanley verzocht aan
de Arabieren, tenminste door hun gepraat niet hen af te schrikken, die
reeds beloofd hadden te zullen meegaan.
Juist kwam nu van den linkeroever een boot met twee roeiers en een van
Stanley’s tolken riep den inboorlingen toe:
„Bezorgt ons booten, opdat wij u ginds kunnen bezoeken.”
„Vult de booten met schelpen en dan kunt gij komen!”
„Gij kunt ieder tien schelpen krijgen,” antwoordde de tolk.
Maar de wilden antwoordden:
„Neen, jelui zijn slechte menschen, keert terug, keert terug!” En
daarbij hieven zij een akelig, vreemd lied aan, en van den anderen
oever klonk een onheilspellend „o-hoe, o-hoe-hoe!”
„Ginds schijnt een strijdlustig opperhoofd te wonen,” zeide de tolk van
Stanley.
„Onzin,” antwoordde Stanley, „waarom zouden zij strijd met ons zoeken?”
„Het zijn wilden en daarom strijdlustig als de dieren.”
„Ik zal je bewijzen, dat je ongelijk hebt,” antwoordde Stanley, stapte
met Tipoe Tip, eenige Arabieren en alle tolken in een boot en roeide
met snelle slagen naar den anderen oever.
Hier krioelde het van zwarte krijgslieden, en een vloot van twintig
booten lag aan den oever.
Op behoorlijken afstand riep de tolk de wilden toe, dat de blanke man
hun land wilde zien, men zou niets van hun eigendom aanraken en hen
geen kwaad doen. Het antwoord was, dat de blanke man den volgenden
morgen naar een klein, nabijgelegen eiland moest roeien; hun opperhoofd
zou daar eveneens met tien krijgslieden heengaan. Zoodra men daar
broederschap gesloten zou hebben, mochten de vreemdelingen de hutten
der zwarten bezoeken!
Daar Stanley een overval vreesde, zond hij in den nacht twintig
gewapenden naar het eiland, die zich in het kreupelhout moesten
verbergen. Pocock en tien man roeiden den volgenden morgen naar de
plaats van samenkomst, terwijl Stanley zelf in de nabijheid in zijn
boot wachtte. Stanley had het goed voorzien, een geheele zwerm van
booten der wilden verliet den linkeroever, en toen zij het eiland
naderden, hieven de zwarten hun oorlogskreet aan: „o-hoe, o-hoe-hoe!”
en stormden met gespannen bogen en opgeheven speren aan land. Maar daar
waren de twintig in hinderlaag liggenden ook op hun post, en na een
korte schermutseling snelden de wilden hals over kop naar hun booten,
om zoo gauw als mogelijk naar hun dorpen terug te roeien.
Stanley bracht nu al zijn manschappen naar een beschutte plaats op den
linkeroever. Den volgenden morgen waren de inboorlingen gevlucht en hun
dorpen stonden leeg. Slechts twee rijen grijnzende schedels van
opgegeten vijanden en gevangenen sierden de dorpsstraten.