58. DE LIJKSTOET VAN EEN HELD.

Vooreerst besloten de geleiders van Livingstone, dat de dood van hun

meester een geheim zou blijven, want als Tschitambo er achter kwam, was

te vreezen, dat hij de karavaan een bovenmatige groote schatting zou

laten betalen, en daardoor den tocht naar de kust onmogelijk zou maken.

Bovendien besloten de lieden hun gestorven heer, den geheelen weg naar

Zanzibar te dragen! Intusschen zou er op eenigen afstand van het dorp

een hut worden gebouwd, opdat men ongestoord voorbereidselen voor de

lange reis zou kunnen maken. Tschoema vroeg aan het opperhoofd

Tschitambo de toestemming voor den bouw en verkreeg die ook dadelijk.

In den loop van den dag verbreidde zich in het dorp het gerucht van den

dood van Livingstone en Tschitambo kwam zichzelf overtuigen. „Waarom

hebt gij mij de waarheid niet gezegd?” vroeg hij aan de mannen, „ik

weet dat uw meester vannacht is gestorven. Gij waart bang het mij te

zeggen, maar ik heb ook reizen gemaakt, en ben meer dan eens aan de

kust geweest. Ik weet, dat gij bij uw bezoek in ons land slechts goede

bedoelingen hebt gehad, en de dood overvalt vaak reizigers op hun

tochten.”

Gerustgesteld door deze woorden, deelden zij aan het opperhoofd mede,

dat zij plan hadden den doode tot aan Zanzibar te dragen. Dat was

onmogelijk verzekerde Tschitambo en hij raadde hun dringend aan,

Livingstone op de plaats zelf te begraven. Den volgenden dag bracht

Soesi het opperhoofd een rijk geschenk en later kwam deze aan het hoofd

van zijn geheelen stam naar de nieuwgebouwde hut. Met een rooden

katoenen lap had hij zijn schouders versierd en om het lijf droeg hij

een rok van zelf geweven linnen, die hem tot aan de enkels reikte. Zijn

metgezellen droegen bogen, pijlen en speren. Nu weerklonken luide

klaagliederen rondom de baar, en tromgeroffel weergalmde dof in de

omgeving. Daarna werd de baar in een hooge en sterke omheining

geplaatst, opdat geen wilde dieren aan het lijk zouden kunnen komen.

Livingstone was bij zijn dood zoo in elkaar geschrompeld, dat zijn

lichaam nog slechts uit huid en beenderen bestond. Ingewanden en hart

werden er uit genomen en in een blikken bus diep in de aarde begraven.

Een christen onder de bedienden sprak de gebeden. Het lichaam werd met

zout opgevuld en veertien dagen aan den zonnegloed blootgesteld, om te

drogen en de verrotting te ontgaan. Daarna werden de beenen van af de

knieën naar achteren gebogen en het lijk stevig in katoen genaaid. Een

boom ontdeed men van den bast, en daarin schoof men het lijk, snoerde

het geheel met koorden bijeen en bevestigde het pak aan een stang, om

het gemakkelijker te kunnen dragen. In een boom werd de naam van

Livingstone ingesneden en den datum van zijn dood, en de treurende

bedienden verzochten Tschitambo de struiken rondom den boom te laten

neerhouwen, opdat hij bij een grasbrand niet in vlammen zou opgaan.

Toen alles gereed was, hieven twee mannen den kostbaren last op hun

schouders, de anderen namen hun bagage op den rug en zoo begon een

tocht, die negen maanden zou duren; de eigenaardigste lijkstoet waarvan

de geschiedenis vertelt! De weg ging nu eens door vriendelijk-, dan

weer door vijandig-gezinde stammen, en eens moest de karavaan zich een

doortocht afdwingen.

Ondanks alle vermomming snelde het gerucht van den dood van den grooten

zendeling hen overal vooruit, en verbreidde zich door geheel Afrika. In

eenige streken vluchtten de lieden uit vrees voor den griezeligen

lijkstoet; in andere kwamen ze haastig aanloopen om deze zonderlinge

karavaan te bekijken. De apenbroodboomen strekken hun takken over den

weg uit, alsof ze een troonhemel wilden vormen boven de terugkeerende

overwinnaars, en de palmen, de zinnebeelden van den vrede en de

opstanding, hielden aan den weg trouw de wacht. De eene mijl na de

andere trok men, zoo onder het groene loof, naar het Oosten.

In Tabora ontmoette de karavaan een Engelsche expeditie, die

Livingstone hulp zou brengen, en de aangekomenen luisterden nu diep

getroffen naar het bericht van de bedienden. Maar van het voorstel, den

doode in Tabora te begraven, wilden Soesi en Tschoema niets weten.

Eenige dagen later stieten de reizigers op ernstigen tegenstand; een

stam verbood hen, omdat zij het lijk meedroegen, den doortocht. Zij

hielpen zich met een list. Zij maakten een pak gereed, gelijk aan dat

van het lijk en gaven voor naar Tabora te willen terugkeeren om hun

heer daar te begraven. Eenigen trokken nu met het voorgewende pak af,

namen het op zekeren nacht uit elkaar, verstopten het in dichte

doornenstruiken en keerden daarna naar hun makkers terug, die

intusschen aan het noodlottige pak een ander aanzien hadden gegeven,

zoodat het nu op een baal goed geleek. Daarmede waren de inboorlingen

tevreden en lieten hen nu ongehinderd verder trekken.

In Februari 1874 bereikte men Bagamoyo en de doode werd door een

kruiser naar Zanzibar en van daar uit eindelijk naar Engeland gebracht.

In Londen twijfelde men er echter aan, of deze doode werkelijk

Livingstone was. De eene gebroken, weer slecht aangegroeide arm, die

voor jaren door den leeuw in Mabotsa zoo was toegetakeld, moest daarom

de identiteit van den doode bewijzen. Nu werd Livingstone onder de

helden van de Engelsche natie in de Westminster Abdij, midden in het

hoofdschip der kerk, begraven. Onder de dragers van het lijkkleed

bevond zich ook Henry M. Stanley. Het graf is gedekt door een zwart

granieten plaat met de woorden: „Hier rust, door trouwe handen over

land en zee gedragen, David Livingstone, zendeling, ontdekkingsreiziger

en menschenvriend, geboren den 19 Maart 1813 in Blantyre, gestorven 1

Mei 1873 in het dorp Tschitambos. Dertig jaren van zijn leven offerde

hij in onvermoeiden arbeid aan de verbreiding van het Evangelie onder

de inboorlingen, aan de navorsching naar niet ontdekte geheimen en aan

de uitroeiïng van den verderfelijken slavenhandel in Midden-Afrika.”

Nu nog denken de inboorlingen met dankbare herinnering aan het Witte

Hart, aan den Helper der menschen, zooals zij Livingstone noemden, en

verheugen zich, dat zijn hart in Afrika’s aarde, onder den boom in het

dorp Tschitambos rust. Livingstone’s droom, de bron van den Nijl te

vinden en den verderen loop van de Loealaba vast te stellen, werd niet

vervuld. Maar daardoor is zijn verdienste niet geringer. Hij ontdekte

het Ngami-, het Nyassa- en andere meren, den Victoria-val en den

bovenloop van de Zambesi en heeft van ontzaglijke uitgestrektheden

onbekend land kaarten geteekend. Het werk der wetenschap en der

menschelijkheid heeft sedert Livingstone’s leven reusachtige

vorderingen in het werelddeel der zwarten gemaakt. Maar aan deze

vorderingen zou niet te denken zijn geweest, zonder den

zelfverloochenenden voorarbeid en de bewonderenswaardige volharding van

dezen man.

Van pool tot pool(#76913) · 第 64 / 75 题