Vooreerst besloten de geleiders van Livingstone, dat de dood van hun
meester een geheim zou blijven, want als Tschitambo er achter kwam, was
te vreezen, dat hij de karavaan een bovenmatige groote schatting zou
laten betalen, en daardoor den tocht naar de kust onmogelijk zou maken.
Bovendien besloten de lieden hun gestorven heer, den geheelen weg naar
Zanzibar te dragen! Intusschen zou er op eenigen afstand van het dorp
een hut worden gebouwd, opdat men ongestoord voorbereidselen voor de
lange reis zou kunnen maken. Tschoema vroeg aan het opperhoofd
Tschitambo de toestemming voor den bouw en verkreeg die ook dadelijk.
In den loop van den dag verbreidde zich in het dorp het gerucht van den
dood van Livingstone en Tschitambo kwam zichzelf overtuigen. „Waarom
hebt gij mij de waarheid niet gezegd?” vroeg hij aan de mannen, „ik
weet dat uw meester vannacht is gestorven. Gij waart bang het mij te
zeggen, maar ik heb ook reizen gemaakt, en ben meer dan eens aan de
kust geweest. Ik weet, dat gij bij uw bezoek in ons land slechts goede
bedoelingen hebt gehad, en de dood overvalt vaak reizigers op hun
tochten.”
Gerustgesteld door deze woorden, deelden zij aan het opperhoofd mede,
dat zij plan hadden den doode tot aan Zanzibar te dragen. Dat was
onmogelijk verzekerde Tschitambo en hij raadde hun dringend aan,
Livingstone op de plaats zelf te begraven. Den volgenden dag bracht
Soesi het opperhoofd een rijk geschenk en later kwam deze aan het hoofd
van zijn geheelen stam naar de nieuwgebouwde hut. Met een rooden
katoenen lap had hij zijn schouders versierd en om het lijf droeg hij
een rok van zelf geweven linnen, die hem tot aan de enkels reikte. Zijn
metgezellen droegen bogen, pijlen en speren. Nu weerklonken luide
klaagliederen rondom de baar, en tromgeroffel weergalmde dof in de
omgeving. Daarna werd de baar in een hooge en sterke omheining
geplaatst, opdat geen wilde dieren aan het lijk zouden kunnen komen.
Livingstone was bij zijn dood zoo in elkaar geschrompeld, dat zijn
lichaam nog slechts uit huid en beenderen bestond. Ingewanden en hart
werden er uit genomen en in een blikken bus diep in de aarde begraven.
Een christen onder de bedienden sprak de gebeden. Het lichaam werd met
zout opgevuld en veertien dagen aan den zonnegloed blootgesteld, om te
drogen en de verrotting te ontgaan. Daarna werden de beenen van af de
knieën naar achteren gebogen en het lijk stevig in katoen genaaid. Een
boom ontdeed men van den bast, en daarin schoof men het lijk, snoerde
het geheel met koorden bijeen en bevestigde het pak aan een stang, om
het gemakkelijker te kunnen dragen. In een boom werd de naam van
Livingstone ingesneden en den datum van zijn dood, en de treurende
bedienden verzochten Tschitambo de struiken rondom den boom te laten
neerhouwen, opdat hij bij een grasbrand niet in vlammen zou opgaan.
Toen alles gereed was, hieven twee mannen den kostbaren last op hun
schouders, de anderen namen hun bagage op den rug en zoo begon een
tocht, die negen maanden zou duren; de eigenaardigste lijkstoet waarvan
de geschiedenis vertelt! De weg ging nu eens door vriendelijk-, dan
weer door vijandig-gezinde stammen, en eens moest de karavaan zich een
doortocht afdwingen.
Ondanks alle vermomming snelde het gerucht van den dood van den grooten
zendeling hen overal vooruit, en verbreidde zich door geheel Afrika. In
eenige streken vluchtten de lieden uit vrees voor den griezeligen
lijkstoet; in andere kwamen ze haastig aanloopen om deze zonderlinge
karavaan te bekijken. De apenbroodboomen strekken hun takken over den
weg uit, alsof ze een troonhemel wilden vormen boven de terugkeerende
overwinnaars, en de palmen, de zinnebeelden van den vrede en de
opstanding, hielden aan den weg trouw de wacht. De eene mijl na de
andere trok men, zoo onder het groene loof, naar het Oosten.
In Tabora ontmoette de karavaan een Engelsche expeditie, die
Livingstone hulp zou brengen, en de aangekomenen luisterden nu diep
getroffen naar het bericht van de bedienden. Maar van het voorstel, den
doode in Tabora te begraven, wilden Soesi en Tschoema niets weten.
Eenige dagen later stieten de reizigers op ernstigen tegenstand; een
stam verbood hen, omdat zij het lijk meedroegen, den doortocht. Zij
hielpen zich met een list. Zij maakten een pak gereed, gelijk aan dat
van het lijk en gaven voor naar Tabora te willen terugkeeren om hun
heer daar te begraven. Eenigen trokken nu met het voorgewende pak af,
namen het op zekeren nacht uit elkaar, verstopten het in dichte
doornenstruiken en keerden daarna naar hun makkers terug, die
intusschen aan het noodlottige pak een ander aanzien hadden gegeven,
zoodat het nu op een baal goed geleek. Daarmede waren de inboorlingen
tevreden en lieten hen nu ongehinderd verder trekken.
In Februari 1874 bereikte men Bagamoyo en de doode werd door een
kruiser naar Zanzibar en van daar uit eindelijk naar Engeland gebracht.
In Londen twijfelde men er echter aan, of deze doode werkelijk
Livingstone was. De eene gebroken, weer slecht aangegroeide arm, die
voor jaren door den leeuw in Mabotsa zoo was toegetakeld, moest daarom
de identiteit van den doode bewijzen. Nu werd Livingstone onder de
helden van de Engelsche natie in de Westminster Abdij, midden in het
hoofdschip der kerk, begraven. Onder de dragers van het lijkkleed
bevond zich ook Henry M. Stanley. Het graf is gedekt door een zwart
granieten plaat met de woorden: „Hier rust, door trouwe handen over
land en zee gedragen, David Livingstone, zendeling, ontdekkingsreiziger
en menschenvriend, geboren den 19 Maart 1813 in Blantyre, gestorven 1
Mei 1873 in het dorp Tschitambos. Dertig jaren van zijn leven offerde
hij in onvermoeiden arbeid aan de verbreiding van het Evangelie onder
de inboorlingen, aan de navorsching naar niet ontdekte geheimen en aan
de uitroeiïng van den verderfelijken slavenhandel in Midden-Afrika.”
Nu nog denken de inboorlingen met dankbare herinnering aan het Witte
Hart, aan den Helper der menschen, zooals zij Livingstone noemden, en
verheugen zich, dat zijn hart in Afrika’s aarde, onder den boom in het
dorp Tschitambos rust. Livingstone’s droom, de bron van den Nijl te
vinden en den verderen loop van de Loealaba vast te stellen, werd niet
vervuld. Maar daardoor is zijn verdienste niet geringer. Hij ontdekte
het Ngami-, het Nyassa- en andere meren, den Victoria-val en den
bovenloop van de Zambesi en heeft van ontzaglijke uitgestrektheden
onbekend land kaarten geteekend. Het werk der wetenschap en der
menschelijkheid heeft sedert Livingstone’s leven reusachtige
vorderingen in het werelddeel der zwarten gemaakt. Maar aan deze
vorderingen zou niet te denken zijn geweest, zonder den
zelfverloochenenden voorarbeid en de bewonderenswaardige volharding van
dezen man.