Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee
groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het
Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste
zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij
toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of
tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het
meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat
Livingstone zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas
twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega
te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba
stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de
Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn
uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de
Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van
Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te
willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den
Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de
bovenloop van den Congo.
Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar
Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog
leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe
voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog
veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een
waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem
ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen
die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist
zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht.
Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige
vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone
hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had
Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het
grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde
men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al
geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter
voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer
aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had
verricht.
Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig
man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus
begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij
de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij
zich in de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen
keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en
de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite
vooruit.
Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren
slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het
rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook
onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen
omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit
gemaakt!
Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al
de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de
Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan,
het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting
en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige
rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen
eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren
geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van
de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en
verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog
steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide
nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de
andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer
voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met
bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek:
„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel
uitgeput terug in het dorp.”
Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en
Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij
twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende
vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te
schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den
zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten
April staat er:
„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb
uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den
oever van de Molilamo.”
Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten
waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond
andere levensmiddelen als geschenken.
Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten
om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De
zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid.
Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het
opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde
langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar
neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te
zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in
het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden
zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man
rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een
hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een
bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd
een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield.
Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn
gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen
spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd
Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid
geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een
leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij:
„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld
verjagen.”
Na een poosje zeide hij:
„Is dat de Loeapoela?”
„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.”
„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?”
„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi.
Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide:
„O, lieve, lieve God!”
Daarna verloor hij het bewustzijn.
Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder
wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu
kunt gij gaan.”
Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende
Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet
niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen,
en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast
zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem
dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in
eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en
toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet
meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij
waren koud. De apostel van Afrika was dood!
Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna
naar buiten om te beraadslagen.
Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak
over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn
bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig
om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden
zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn
instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die
anders alles vernielen, te beschermen.
Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte.
Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen
meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan
aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze
geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas
of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste
zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest,
voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de
dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij
zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze
opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.”
Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En
zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle
ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft.