57. DE LAATSTE REIS VAN LIVINGSTONE.

Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee

groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het

Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste

zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij

toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of

tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het

meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat

Livingstone zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas

twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega

te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba

stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de

Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn

uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de

Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van

Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te

willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den

Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de

bovenloop van den Congo.

Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar

Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog

leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe

voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog

veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een

waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem

ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen

die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist

zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht.

Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige

vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone

hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had

Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het

grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde

men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al

geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter

voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer

aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had

verricht.

Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig

man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus

begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij

de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij

zich in de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen

keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en

de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite

vooruit.

Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren

slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het

rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook

onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen

omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit

gemaakt!

Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al

de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de

Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan,

het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting

en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige

rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen

eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren

geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van

de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en

verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog

steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide

nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de

andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer

voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met

bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek:

„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel

uitgeput terug in het dorp.”

Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en

Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij

twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende

vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te

schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den

zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten

April staat er:

„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb

uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den

oever van de Molilamo.”

Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten

waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond

andere levensmiddelen als geschenken.

Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten

om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De

zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid.

Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het

opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde

langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar

neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te

zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in

het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden

zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man

rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een

hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een

bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd

een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield.

Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn

gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen

spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd

Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid

geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een

leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij:

„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld

verjagen.”

Na een poosje zeide hij:

„Is dat de Loeapoela?”

„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.”

„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?”

„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi.

Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide:

„O, lieve, lieve God!”

Daarna verloor hij het bewustzijn.

Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder

wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu

kunt gij gaan.”

Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende

Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet

niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen,

en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast

zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem

dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in

eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en

toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet

meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij

waren koud. De apostel van Afrika was dood!

Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna

naar buiten om te beraadslagen.

Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak

over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn

bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig

om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden

zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn

instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die

anders alles vernielen, te beschermen.

Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte.

Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen

meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan

aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze

geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas

of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste

zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest,

voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de

dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij

zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze

opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.”

Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En

zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle

ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft.

Van pool tot pool(#76913) · 第 63 / 75 题