Terwijl Livingstone nu voor zijn hut staat, de oogen met de hand
beschuttend en de Amerikaansche vlag bekijkend, die van den naasten
heuvel, wapperend in den wind nadert, willen wij hooren wat er
intusschen in Europa is gebeurd.
Een jong journalist Henry Morton Stanley genaamd, in dienst van het
groote dagblad „The New York Herald” wiens eigenaar de Amerikaansche
millionnair Gordon Bennett was, bevond zich in 1869 in Madrid. Op
zekeren morgen wekte zijn bediende hem met een telegram, dat slechts de
woorden bevatte: „Kom voor een gewichtige aangelegenheid naar Parijs,
Gordon Bennett.”
Met den eersten trein ging Stanley naar Parijs en haastte zich naar het
hotel van Bennett. Deze ontving hem met de vraag:
„Waar denkt gij dat Livingstone nu zal zijn?”
„Dat weet ik werkelijk niet,” antwoordde Stanley.
„Gelooft ge dat hij nog leeft?”
„Misschien—maar misschien ook niet.”
„Ik geloof dat hij leeft,” zeide Bennett, „en gij moet hem zoeken.”
„Wat,” riep Stanley, „ik moet naar Afrika?”
„Ja, ik zou willen dat gij daarheen ging en Livingstone opzocht.
Misschien lijdt de oude man gebrek; neem dus alles mee wat hij zou
kunnen gebruiken. Handel geheel naar eigen goedvinden, maar—vind
Livingstone!”
Stanley bracht nog alleen in het midden: „Zulk een reis kost geld.”
Maar Bennett antwoordde hem: „Laat f 12000 van de bank halen, en als
gij die hebt uitgegeven neemt gij weer f 12000 op en zoo verder, zoo
lang als het noodig is, maar—vind Livingstone!”
„Goed,” zeide Stanley. „Ik zal met Gods hulp doen wat ik kan.”
En zoo ging het dan naar Afrika. Stanley had van Gordon Bennett nog
eenige andere opdrachten ontvangen, die hij onderweg ten uitvoer moest
brengen. Hij reisde den Nijl op, bezocht Jeruzalem, ging naar Trapezund
en Teheran en dwars door Perzië naar Boesjir, langs denzelfden weg dien
de lezers van het eerste deel bekend is, en bereikte pas begin Januari
1871 Zanzibar.
Hier maakte hij allereerst grondige voorbereidselen voor de reis naar
de binnenlanden. Hij had van Afrika slechts Abessinië leeren kennen en
was nooit in de binnenlanden van het zwarte werelddeel geweest, maar
als verstandig en moedig man stelde hij zich van al het wetenswaardige
op de hoogte en gelijk een speurhond was hij niet van zijn plan af te
brengen. Hij kocht zooveel stoffen, dat honderd man zich daarmede twee
jaren lang zouden kunnen kleeden. Kralen, metaaldraad en andere
voorwerpen van welke de zwarten houden, verder zadels en tenten,
geweren en patronen, een boot, geneesmiddelen, werktuigen, proviand en
ezels. Twee Engelsche zeelieden sloten zich bij de expeditie aan, maar
beiden stierven in het koortsland. Zwarte dragers werden gehuurd en
twintig man, die Stanley zijn soldaten noemde, werden van geweren
voorzien. De groote bagage werd op booten geladen en onder zeil ging
het van Zanzibar naar het Afrikaansche vasteland. Te Bagamoyo werd de
laatste hand aan de uitrusting gelegd, en nu moest er haast gemaakt
worden om den marsch nog voor den regentijd te kunnen beginnen.
In twee afdeelingen, te zamen honderd twee-en-negentig man, trok de
groote en rijke karavaan naar het Westen. Leider van de laatste
afdeeling was Stanley zelf, en toen hij, met de Amerikaansche vlag
voorop, op weg ging, was geheel Bagamoyo op de been. In de diepe
schaduwen der mimosahagen marcheerden de soldaten met het geweer op den
schouder en zongen vroolijke liederen, voor hen lag de wildernis, de
binnenlanden van Afrika met hun donkere raadselen!
Op tijd bereikte de vroolijk zingende troep de eerste kampplaats. Hier
groeide de hooge maïs in het rond, en op uitgestrekte velden werd de
maniokplant geteeld. Hun groote knollen bevatten voor het grootste deel
stijfsel, maar ook een giftig, meelachtig sap, dat doodt als men de
wortels zoo maar opeet. Maar bij juiste behandeling wordt het sap
gemakkelijk verwijderd, en de fijngewreven wortel geeft dan een meel,
waaruit een soort brood wordt bereidt. Rondom de nabijgelegen moerassen
stonden lage waaierpalmen en accacia’s tusschen weelderig gras en
onbeweeglijke varens.
Den volgenden dag marcheerde de karavaan onder ebbenhoutboomen en
kalabasboomen; uit de basten der vruchten maken de inboorlingen
vaatwerk, want door uitwendige bewerking laat de vrucht zich gedurende
haar groei in elken vorm brengen. Faisanten en kwartels, moerashoenders
en duiven vlogen verschrikt op, toen de lange reeks zwarte mannen zich
door het hooge gras slingerde. In de waterpoelen, die men over moest
trekken, lagen nijlpaarden, die in het geheel niet schuw waren en
behaaglijk snoven.
Maar lang duurde het gunstige weer niet; toen trokken de voorloopers
van den regentijd met geplas en gekletter over het land. De twee
paarden der karavaan bezweken; verscheiden manschappen, wie het in
Bagamoyo beter was bevallen, deserteerden, en twaalf dragers kregen de
koorts. Ondanks dat verhaastte Stanley zijn marsch zooveel mogelijk,
hij zelf sloeg elken morgen op een blikken kan de reveille. Het ging
verder door dichte „jungles”. In een klein dal wiegden zich maïsvelden
in den wind en zachte koeltjes suisden door het suikerriet, dat nat van
den regen was. De hangende bananen geleken op vergulde komkommers en
rechts en links van het pad geurden tamarinden- en mimosaboomen. Nu en
dan werd in de dorpen, die uit goed gebouwde hutten van gras bestonden,
halt gehouden.
Na veertig dagen eindigde de regentijd op den laatsten April. Bosschen
van prachtige palmyrapalmen omringden nu de reizigers; deze palmen
groeien bijna in geheel tropisch Afrika, in Indië en op de
Soenda-eilanden en ze werden reeds in een oud Indisch lied
verheerlijkt, omdat hun vrucht, hun bladeren en hun hout, naar men
zegt, voor acht honderd en één verschillende doeleinden zouden zijn te
gebruiken. Daarna werd het land heuvelachtig en in het Westen verheft
zich de eene bergkam boven den anderen. Soldaten en dragers verheugden
zich uit het vochtige kustland in droge streken te komen, maar voor de
ezels werd de weg nu heel moeilijk. Er werd gekampeerd in dorpen, wier
bijenkorfvormige hutten met bamboes en bast waren gedekt en door leemen
muren waren omgeven. Eenige einden van den weg waren zoo woest, dat
slechts wolfsmelk (euphorbia), distels en doornstruiken in den dorren
grond voedsel vonden. Bij een klein meer vond men verscheiden sporen
van buffels, zebra’s, giraffen, wilde zwijnen en antilopen, die daar
kwamen om te drinken.
In een dorp haalde Stanley een groote Arabische karavaan in, met welke
hij het gevreesde, oorlogzuchtige Oegogoland doortrok.
De twee karavanen telden nu te zamen vierhonderd man, die op de smalle
paden, die sinds onheugelijke tijden door olifanten en neushoorns in de
jungles waren uitgetreden, de een achter den ander moesten verder
trekken. In een streek hadden de hutten den vorm van de tenten der
Kirgiezen en in een andere streek verhieven zich midden in het bosch
rotsen als ruïnen van een slot uit een sprookje.
In Tabora, de hoofdplaats van Oenjamwesi, een der voornaamste
nederzettingen in Oost-Afrika, haalde Stanley de voorste afdeelingen
van de karavaan in, en de Arabieren bewezen hem alle mogelijke eer. Zij
onthaalden hem op tarwekoeken, kippen en rijst, en schonken hem vijf
vette ossen, acht schapen en tien geiten. Prachtig bebouwde akkers
strekten zich in het rond uit, waarop groote kudden met vee graasden,
en men zag het de statige, goedgebouwde mannen niet aan, dat zij ook
slavenhandelaars waren.
Het land Oenjamwesi was juist in oorlog. Mirambo, een machtig
opperhoofd in het Noord-Westen bedreigde Tabora; de Arabieren
verzamelden daarom de Oenjamwesi krijgslieden, om hen voor te zijn, en
een leger van tweeduizend tweehonderd man trok ten strijde. Twintig
Arabieren trokken met vijfhonderd inboorlingen naar het dorp Mirambos
en veroverden het, maar het opperhoofd ontvluchtte met zijn
manschappen. De hutten werden geplunderd; met een rijken buit van
honderd olifantstanden, zestig balen stof, en tweehonderd slaven
keerden de krijgslieden naar hun haardsteden terug. Maar hiermede was
de oorlog nog in het geheel niet ten einde. Mirambo en zijn manschappen
overvielen Oenjamwesi, doodden alle Arabieren en een menigte
inboorlingen en haalden hun eigendom terug. Bij deze gelegenheid werden
ook vijf mannen van Stanley gedood.
Toen Stanley Tabora verliet, had hij nog slechts vier-en-vijftig man;
hij moest daarom een omweg naar het Zuiden maken, om de stammen te
vermijden, die in oorlog waren. Met elken dag nam zijn spanning en zorg
toe. Waar was die Livingstone dan toch, over wien de geheele wereld
sprak?
Was hij reeds lang dood of zwierf hij nog steeds in de wouden van
Afrika, zooals nu gedurende bijna dertig jaren?
Dikwijls moest Stanley een of soms wel twee balen stof aan een
opperhoofd als schatting betalen. Een dezer zwarte koningen zond
levensmiddelen, voor de karavaan, voldoende om vier dagen lang van te
kunnen leven en bezocht daarna met een schaar zijner zwarte
krijgslieden Stanley in zijn tent. Men noodigde hen uit plaats te
nemen, een poos zaten de zwarten stil, keken den blanken man
nieuwsgierig aan, betastten zijn kleeren, keken elkaar aan en barstten
in schaterend gelach uit. Gaandeweg werden zij zóó vroolijk, dat zij
met de vingers knipten en zoo heftig aan hun ineengestrengelde
wijsvingers trokken, dat zij zich bijna de handen ontwrichtten. Daarna
mochten zij de geweren en de apotheek bekijken. Stanley liet hun een
flesch ammoniak zien, en vertelde hun dat deze medicijn tegen hoofdpijn
en de beten der slangen hielp. De zwarte koning klaagde dadelijk over
hoofdpijn, maar toen Stanley hem de flesch onder de neus hield, viel
hij met verwrongen gelaat lang uit op den grond, terwijl zijn
krijgslieden het uitbrulden van lachen en in de handen klapten.
Voor dezen keer had zijne majesteit genoeg van het sterke geneesmiddel!
Toen op een avond, juist onder het eten, Stanley het teeken tot
opbreken gaf, kwam het tot een muiterij onder zijn dragers. Deze
wierpen, nadat zij een half uur hadden geloopen hun pakken weg en
begonnen in dreigend uitziende groepen met elkaar te fluisteren, twee
raddraaiers legden zich in hinderlaag en richtten hun geweren op
Stanley. Maar deze greep dadelijk naar zijn buks en dreigde hen, dat
hij hen op de plaats zou neerschieten als zij niet onmiddellijk hun
geweren neerlegden. Het voorval eindigde zonder bloedvergieten en de
mannen beloofden opnieuw verder rustig mede naar het Tangajika-meer te
trekken, zooals het bij de afreis was overeengekomen.
Nu moest de karavaan door een boschrijke streek waar de tsetse-vlieg al
het vee doodde en de kleine honigvogel bedrijvig tusschen de boomen
heen en weer vloog. Deze vogel gelijkt op de gewone musch, hij is
alleen iets grooter en heeft op elke schouder een gele vlek. Door
voortdurend heen en weer fladderen in een bepaalde richting, maakt hij
de inboorlingen opmerkzaam op nesten van wilde bijen. Volgt men hem,
vriendelijk fluitend, zonder hem door geraas te verschrikken, dan merkt
de vogel dat men zijn bedoeling begrijpt. Hoe meer men het bijennest
nadert, des te korter einden fladdert hij heen en terug, en als hij
zijn doel heeft bereikt, gaat hij op een nabijgelegen tak zitten, om
geduldig te wachten op zijn aandeel in den buit. Daarom is de
honigvogel zeer geliefd bij de inboorlingen en zij volgen hem waarheen
hij hen roept.
Vandaar richtte Stanley zich noordelijk naar een rivier, die in het
Tangajika-meer uitloopt. In kleine, gebrekkige booten ging de karavaan
er over, terwijl de ezels er overheen moesten zwemmen, waarbij een der
dieren de prooi van een krokodil werd.
Daar ontmoette Stanley op zekeren dag een karavaan, die uit Oedjidji
kwam, en hoorde, dat zich daar een blanke man bevond! „Hoera, dat kan
niemand anders dan Livingstone zijn!” dacht Stanley. Zijn ijver verder
te komen werd nu des te grooter. Door hoogere betaling kon hij zijn
dragers bewegen langere dagmarschen te maken, en steeds sneller ging
het nu van land tot land, van het eene opperhoofd naar het andere.
Eens versperde een troep inboorlingen de karavaan den weg, de zwarten
riepen Stanley toe: „Waarom trekt de blanke man zonder groet of gave
het dorp van koning Oekka voorbij? Weet hij niet, dat koning Oekka
schatting heft voor de toestemming zijn land door te trekken?” Uit een
naburig dorp naderden vijftig krijgslieden met een aanvoerder van hooge
gestalte.
Hij droeg een kersrooden mantel, een hoofdband en aan een halsketting
een stuk ivoor. Allen waren gewapend met speren, knotsen, bogen en
pijlen. Met voorname houding trad het zwarte opperhoofd op den
aanvoerder der blanken toe en begroette hem vriendelijk: „Hoe gaat het
u, mijnheer?” En Stanley antwoordde: „Hoe gaat het u zelf, opperhoofd?”
Stanley ging nu op een baal goed zitten en de zwarten legden hun
wapenen neer. Na een poosje zeide het opperhoofd: „Ik ben de groote
Miouwoe, de eerste man na den koning van Oekka. Wil de blanke man geen
schatting betalen aan den koning? De blanke man is sterker dan wij. Hij
heeft geweren, wij slechts bogen en speren. Maar Oekka is groot en wij
bezitten veel dorpen. De blanke man kan rondzien, alles wat hij ziet,
behoort aan Oekka. Verlangt de blanke man oorlog of vrede?”
Op deze plechtige toespraak antwoordde Stanley: „Het groote opperhoofd
Miouwoe weet, dat blanke mannen niet tegen zwarten oorlog voeren. Zij
komen niet voor de slaven noch voor het ivoor maar om het nieuwe land
te zien, de bergen en meren, de menschen en de dieren, en tehuis in hun
eigen land daarvan te vertellen. De blanken zijn machtig, hun kogels
reiken verder dan gij kunt zien. Maar ik wil geen oorlog, ik wil de
vriend zijn van Miouwoe en van alle zwarte mannen.”
Het einde van deze verhandeling was, dat Stanley een groote belasting
aan katoen moest geven. Het volgend opperhoofd eischte eveneens hooge
schatting en slaven meldden, dat op de volgende dagreizen vijf
verschillende opperhoofden dezelfde aanspraken zouden maken. Dat ging
te ver! Men kon zich toch maar niet gewoonweg laten plunderen. Daar
bood de gids aan, om voor twaalf ellen katoen de karavaan bij nacht
door het bosch te brengen, als men zich dan heel stil hield. En
werkelijk bracht hij hen door het struikgewas, dat door het maanlicht
werd overgoten en de karavaan bereikte zonder verder lastig gevallen te
worden zijn laatste legerplaats, voor het Tangajika-meer.
De tiende November van het jaar 1871 brak aan. Het was een prachtige,
zonnige morgen en zes uren lang marcheerden Stanley en zijn manschappen
naar het Zuid-Westen. Door dicht bamboeriet, leidde het pad naar den
heuvel, van waar men den zilver-glanzenden spiegel van het
Tangajika-meer voor zich zag en aan den westelijken oever vertoonden
zich blauwe bergen, welker nevelige omtrekken in de verte vervaagden.
De geheele karavaan slaakte een jubelkreet. Van een laatsten landrug
kwam het dorp Oedjidji reeds in het zicht, zijn hutten, zijn paleizen
en zijn groote booten, beneden aan den oever. Stanley tuurde als een
valk langs den oever. Het gerucht dat een blanke man aan het meer
vertoefde, was de laatste dagen steeds beslister geworden. Waar was de
hut van den gezochte? Was het Livingstone, leefde hij nog, of was zijn
naam nog maar een sage of een droom?
Nu wordt de vlag gezwaaid. De dorpelingen stroomden de naderenden
tegemoet onder oorverdoovend geraas; een verwelkoming, een vragen en
door elkaar roepen begint. Nog slechts enkele honderden schreden tot
aan het dorp.—Voorwaarts! Marsch!
Daar roept iemand uit het gedrang: „Good morning, sir!” Wie kan dat
zijn? Een zwarte, in een wit hemd en tulband op het hoofd!
„Wie ter wereld zijt gij?” vraagt Stanley.
„Ik ben Soesi, de bediende van Dr. Livingstone!”
„Dus Dr. Livingstone leeft?”
„Ja, mijnheer!”
„In dit dorp?”
„Ja, mijnheer!”
„Loop dan gauw en haal den doctor!”
En Soesi liep zoo gauw als hij maar kon.
Toen Livingstone het verrassende bericht hoorde, dat een karavaan was
aangekomen, daalde hij van de veranda van zijn huis op het erf, waar de
Arabieren, die in Oedjidji woonden, zich ook hadden verzameld. Stanley
baande zich een weg door de menigte en zag nu voor zich een kleinen
man, grijs en bleek met de blauwe muts van een consul, waarvan de band,
die eens goud was geweest, geheel verbleekt was, een buis met roode
mouwen en versleten grauwe broek. De eerste ingeving van Stanley was op
hem toe te snellen en hem te omarmen, maar met het oog op de
volksmenigte nam hij zijn hoed af, trad op hem toe en zeide:
„Niet waar, Dr. Livingstone?”
„Ja,” antwoordde deze vriendelijk, terwijl hij even de muts afnam.
„Goddank, doctor, dat het mij vergund is u te ontmoeten.”
Waarop Livingstone antwoordde: „Ook ik dank er God voor, dat ik hier
ben om u welkom te heeten.”
De twee gingen nu op de veranda zitten, de in het rond staande
inboorlingen keken hen bewonderend aan. Ik heb Stanley eens in Londen,
aan een diner, gevraagd, hoe het hem te moede was, toen hij Livingstone
in het hartje van Afrika ontmoette; hij antwoordde, dat zijn gevoel
veel te overweldigend was geweest, om te kunnen beschrijven. Hij had
den beroemden kluizenaar, die gedurende bijna dertig jaren, de wereld
verzakend, onder de zwarten had geleefd, steeds weer moeten aankijken
en elken rimpel van zijn bleek gelaat gadegeslagen, waarin lijden en
ernst, de jaren van eenzaamheid en arbeid, ziekte en zorg gegrift
waren, en steeds weer had hij aan de woorden van Gordon Bennett moeten
denken: „Het doet er niet toe wat het kost—maar spoor voor mij
Livingstone op.”
Nog laat in den avond zaten de twee bij elkaar en spraken samen. De
nacht spreidde zijn sluier uit over de palmen, en het werd donker over
de bergen van waar Stanley dien dag was neergedaald. Een doffe branding
sloeg ruischend tegen den oever van het Tangajika-meer.