55. DE APOSTEL VAN AFRIKA.

In het jaar 1866 landde Livingstone opnieuw in Zanzibar en dezen keer

in de hoedanigheid van Britsch consul van de binnenlanden van Afrika.

Hij doorkruiste het land van het Nyassa-meer; toen hij zich echter in

de booten der inboorlingen naar den westelijken oever van het meer

wilde laten overzetten, beletten Arabieren hem dit, die hem kenden als

den gevaarlijksten vijand van den slavenhandel. Hij moest dus te voet

het meer omgaan, en veroverde voet voor voet voor de wetenschap nieuwe

streken, werkte kaarten uit, hield aanteekeningen en legde

verzamelingen aan. Nog eens naderde hij streken, die hij reeds van de

vorige reizen kende, waar de vrouwen van de zwarten aan den oever der

rivier door krokodillen werden weggesleept, waar zijn echtgenoote was

gestorven en alle zendelingen, die men er op zijn verzoek heen gezonden

had, aan koorts waren gestorven!

Hij had slechts zeven-en-dertig manschappen bij zich; een hunner,

Moesa, had hem vroeger reeds vergezeld, en velen zijner bedienden waren

Indiërs. Maar spoedig bleek het dat zijn geleide armzalig gespuis was.

Hij moest de Indiërs wegzenden en van de overigen kon hij slechts aan

weinigen vertrouwen geven. De besten waren Soesi en Tschoema, die later

in Afrika en Europa beroemd werden om hun voorbeeldigen trouw.

Daarentegen was Moesa een schurk. Toen hij van een slavenhandelaar

vernam, dat het geheele land, hetwelk Livingstone wilde doortrekken,

door oorlogzuchtige stammen was bewoond, die kort geleden een troep van

veertig Arabieren overvallen en gedood hadden, overviel hem en de

meesten zijner makkers zulk een vrees, dat zij op de vlucht gingen. Bij

zijn komst te Zanzibar vertelde Moesa aan den Engelschen consul, dat

Livingstone overvallen en gedood en van al zijn bezittingen beroofd was

geworden. Hij had zijn verzonnen bericht zoo handig bedacht, en zoo

goed uit het hoofd geleerd, dat hij zich bij het kruisverhoor in geen

tegenspraken verwikkelde en overal geloofd werd. De Engelsche bladen

brachten reeds kolommen vol klaagliederen over den doode. Slechts één

vriend van Livingstone, die hem op zijn vroegere reizen had vergezeld,

en Moesa heel precies kende, twijfelde aan de waarheid van het bericht.

Hij ging zelf naar Afrika, volgde het spoor van den doodgewaande en

vernam toen ook spoedig van de inboorlingen, dat Livingstone nooit

overvallen was, maar zich nu op weg bevond naar het tot nu toe

onbekende Tangajika-meer.

Deze weg was ver en bezwaarlijk, en berokkende Livingstone groote

verliezen. De levensmiddelen raakten op, en een gehuurde drager ging er

met de reisapotheek vandoor. Dientengevolge was Livingstone van alle

middelen tegen de koorts beroofd, en zijn gezondheid werd ernstig

geschokt. Toch bereikte hij de zuidelijke punt van het Tangajika-meer,

en een jaar later ontdekte hij het Bangweolo-meer. Per boot bezocht hij

de in het meer liggende eilanden, en wekte groot opzien onder de

inboorlingen, die nog nooit een blanke hadden gezien.

Rondom het meer strekten zich groote moerassen uit, en Livingstone had

de overtuiging gekregen, dat men in deze streek de uiterste zuidelijke

bron van den Nijl had te zoeken. De vraag omtrent de waterscheiding van

den Nijl boeide hem zoo sterk, dat hij het eene jaar na het andere in

Afrika bleef en toch werd het hem niet gegund dit vraagstuk op te

lossen. Hij heeft nooit gehoord, dat de rivier, die uit het

Bangweolo-meer komt, niet naar den Nijl stroomt, maar een zijrivier van

de Loealaba of de Boven-Congo is.

Aan den oever van het Bangweolo-meer sloegen de meesten zijner

geleiders aan het muiten, maar hij wist hen in zooverre te kalmeeren,

dat zij hem nog verder volgden. Hij reisde nu in gezelschap van een

vriendschappelijk gezind Arabier, Mohammed genaamd. Bij den troep waren

nog eenige Arabieren, verscheiden inboorlingen van den oostelijken

oever van het Tangajika-meer en slaven, die ivoor en proviand droegen.

Hoe vaak zag Livingstone nu groote scharen slaven voorttrekken, die met

een hout, dat als een vork om hun hals greep, vooruit geduwd werden, en

als zij zich niet verder konden sleepen door hun onmenschelijke

pijnigers op de plaats werden gedood, opdat zij andere kooplieden niet

ten goede zouden komen. Eens hoorde hij zulk een troep uit volle borst

zingen, en toen hij hen naar de reden van hun vroolijkheid vroeg,

vertelden zij hem, dat zij wraakliederen zongen. Nu werden zij naar de

kust gebracht, om zich zelf af te werken in slavernij, maar eens zou

hun juk worden afgeschud. Dan zouden zij naar hun wouden terug keeren

en daar de tirannen op hun beurt martelen.

Livingstone werd op deze reis ernstig ziek en moest op een baar worden

gedragen. Dikwijls lag hij in ijlende koorts en verloor volkomen elk

besef van tijd. Als men slechts gelukkig het Tangajika-meer bereikte en

over het meer het land Oedjidji, aan den oostelijken oever, dan kreeg

hij weer rust, nieuwe voorraden en brieven uit het geboorteland en deze

hoop hield hem staande.

Van alles beroofd en rampzalig bereikte hij werkelijk Oedjidji, een der

hoofdpunten van den Arabischen slavenhandel. Maar de verwachte

voorraden waren spoorloos verdwenen en van al de brieven, die hij aan

den sultan van Zanzibar en naar zijn geboorteland had geschreven, is er

nooit een aangekomen. De stammen aan den oostelijken kant van het meer

waren juist met elkaar in strijd. Toch liet Livingstone den moed niet

zakken. Geen noodlot scheen vreeselijk genoeg om de weerstandskracht

van dezen man te breken. Met Soesi en een schaar nieuw aangeworven

dragers brak hij opnieuw op, om in westelijke richting over het meer te

gaan, waar het land Manjema zijn doel was. Door het grensgebied hiervan

stroomde de Loealaba, en als het hem gelukte vast te stellen waar deze

geweldige rivier bleef, of zij naar de Middellandsche Zee of naar den

Atlantischen Oceaan stroomde, dan wilde hij met een gerust geweten naar

het vaderland terugkeeren. Hij had zich voorgenomen het zwarte

werelddeel niet eerder te verlaten, voor hij dit vraagstuk zou hebben

opgelost, en aan dit besluit heeft hij vergeefs zijn leven opgeofferd.

Ook in het Manjemaland waren de zwarten met elkaar in oorlog, aten hun

verslagen vijanden op, aanbaden afgoden, die zij zelf uit hout sneden,

en geloofden aan bezweringen en meer dergelijke dwaasheden. „Sterven

bij u de menschen ook, of kent gij bezweringen, die tegen den dood

helpen?” vroegen zij. „Waar blijft den mensch als het leven is

uitgebluscht?” Livingstone beproefde hun dat alles duidelijk te maken.

Daarna trok hij verder in westelijke richting. De Loealaba liet hem

geen rust; de inboorlingen der streken, die hij doortrok, zagen hem

evenals de andere vreemdelingen, voor een slavenhandelaar aan, en

ondersteunden hem op geen enkele manier.

Maar welk een sprookjesachtig land trok hij door. Op de heuvels wuifden

palmen in den wind, en klimplanten, zoo dik als kabeltouw slingerden

zich rondom reusachtige boomen, op welke krijschende papegaaien van tak

tot tak vlogen. Geheele scharen vroolijke apen, leefden in het groene

bladerendak en de dieren wedijverden met den plantengroei in

verscheidenheid en rijkdom. Vreemde planten, die insecten en zelfs

kleine visschen, die in het natte gras omhoogsprongen, naar zich toe

trokken en opaten, groeiden aan de oevers der rivieren, en voor al

zulke natuurverschijnselen had Livingstone een steeds open oog.

Doordat de regentijd intrad, kon hij gedurende verscheidene maanden

niet verder trekken en toen het eindelijk weer zoover kwam, had hij nog

slechts drie metgezellen, onder wie de twee getrouwen Soesi en

Tschoema.

In het donkere kreupelhout van het tropisch bosch reet hij zijn voeten

open, hij klauterde verder over omgevallen boomstammen en vermolmde

takken, door gezwollen rivieren moest hij waden, terwijl tusschen de

toppen der boomen en in het dichte kreupelhout koortsdampen als

nauwelijks zichtbare sluiers zweefden. Weer werd hij ziek en moest lang

in een armelijke hut op een bed van gras blijven liggen, waar hij zijn

tijd doorbracht met steeds weer zijn reeds geheel stuk gelezen bijbel

te bestudeeren en zich door de inboorlingen te laten inlichten over hun

strijd met menschen en mensch-apen, want ook de gorilla huisde daar in

het woud.

Zoo verliep het eene jaar na het andere zonder dat ook maar het zwakste

geluid van het gewoel der wereld tot het oor van Livingstone doordrong,

en hij zelf was voor de Europeesche wereld verdwenen. Wat hem hier

terughield, was nog steeds de Loealaba rivier. Stortte ze haar

onuitputtelijk water in de groote zee in het Westen of stroomde ze

langzaam door bosschen, moerassen en woestijnen naar Egypte?

Livingstone had een dochter, Agnes genaamd. Zij leeft nog en in haar

gastvrij huis te Edinburg zijn nog de dagboeken haars vaders, zijn oude

bijbel en zijn instrumenten te zien.

Als jong kind had zij aan haar vader geschreven, dat hij zich voor haar

niet moest haasten met het naar huis keeren, dat het veel beter was,

dat hij eerst kalm zijn werk voltooide, opdat hij er zelf tevreden over

zou kunnen zijn. Zulk een opwekking van den kant zijner eigen dochter

kon natuurlijk niet anders dan hem in zijn besluit versterken, en in

een brief uit Manjema schreef hij haar, dat hij aan zijn jonge

landgenooten ook een voorbeeld van volharding wilde geven. In dezen

brief vertelde hij ook hoe oud, grijs en tandeloos hij is geworden, dat

hij ingevallen wangen en diep weggezonken oogen heeft. Een opperhoofd

had hem een jongen gorilla geschonken, over dien schrijft hij: „Als het

dier zit, is het bijna twee voet hoog en hij is de verstandigste, de

minst dwaze aap, dien ik ooit heb gezien. Hij strekt zijn handen

smeekend uit om opgetild en rondgedragen te worden en als men weigert,

vertrekt hij zijn gezicht als een schreiend mensch en wringt de handen

precies als een mensch. Soms strekt hij nog een derde hand uit om de

vraag nog dringender te maken. Hij nam mij dadelijk als vriend aan en

als iemand hem plaagt, zoekt hij bij mij bescherming: op mijn mat heeft

hij een legerstede uit gras en bladeren gemaakt en als het tijd is om

te gaan slapen, dekt hij zich met de mat toe. Helaas kan ik hem niet

mede naar huis nemen, want ik vrees, dat hij sterft, voor dat ik op weg

naar huis ga. Maar hij ziet er erg verwilderd uit; zoolang zijn moeder

leefde, die hem goed verzorgde, was zijn lang zwart haar mooi en fijn.

Maar waartoe zou ik hem meebrengen? Alleen word ik al genoeg

aangegaapt—twee gorilla’s, hij en ik, zouden zeker niet met rust worden

gelaten!”

In Februari 1871 verliet Livingstone Manjema, en begaf zich naar

Njangwe, aan den oever van de Loealaba, een middelpunt van den

slavenhandel. Weer toonden de inboorlingen zich vijandig, omdat zij ook

hem voor een slavenhandelaar hielden, en tevergeefs beproefde hij

booten te krijgen om de groote rivier af te varen. Hij bood een der

Arabische opperhoofden, Doegoembo genaamd, betaling aan, als deze hem

zou willen helpen, maar terwijl Doegoembo over het aanbod nadacht, werd

Livingstone ooggetuige van een voorval, dat aan afschuwelijkheid alles

overtrof, wat hij nog in Afrika had bijgewoond.

Het was een mooie Julidag aan den oever van den Loealaba.

Vijftienhonderd zwarten, voor het meerendeel vrouwen, waren in een dorp

aan den oever, waar een markt gehouden werd, samengekomen. Livingstone

dwaalde buiten in het vrije veld rond, toen hij op eens zag, hoe twee

kanonnen op de menigte werden gericht en afgevuurd. De slavenhandelaars

waren aan het werk! Velen van hen, die overvallen waren, snelden naar

de booten, maar de bende slavenjagers sneed hen den weg af en stortte

een regen van pijlen op hen neer, en de booten aan den oever lagen te

dicht naast elkaar om inallerijl afgestooten te kunnen worden. Het

gekerm der gewonden vervulde de lucht, en allen liepen in wanhoop door

elkaar. Boven den waterspiegel vertoonden zich een menigte zwarte

koppen; velen der vervolgden beproefden zwemmend een eiland te

bereiken, dat anderhalve kilometer verwijderd was, maar de stroom was

hen tegen. Eenigen verdwenen stil in de diepte, anderen stieten luide

jammerklachten uit, en strekten de armen ten hemel, voordat ze in de

donkere kristallen zalen der krokodillen neerdaalden. Drie kano’s, die

te zwaar beladen waren, zonken, en de geheele bemanning kwam om.

Gaandeweg werd het getal der boven het water zichtbare hoofden steeds

kleiner en slechts enkelen streden nog maar om het behoud van hun

leven, toen het opperhoofd Doegoembe zich eindelijk ontfermde en de

laatste een-en-twintig liet redden. Een dappere vrouw weigerde echter

zijn hulp aan te nemen, en verkoos den krokodil boven de genade van den

slavenkoning. De Arabieren zelf schatten de omgekomenen op vierhonderd

man. De beschrijving van zulke tooneelen, die daarna door de geheele

Engelsche pers ging, verwekte in Europa zulk een storm van afschuw, dat

een commissie benoemd en naar Zanzibar werd gezonden, om den

slavenhandel aan de plaats zelf te bestudeeren en om met den sultan van

Zanzibar middelen te beramen tot geheele uitroeiing er van. Wij weten

met welke uitkomst. Nog ten tijde van Gordon was de slavenhandel in

Soedan in vollen gang, en er zouden nog tientallen van jaren

voorbijgaan, voordat de macht der slavenhandelaars gebroken zou zijn.

Maar het was voor Livingstone zelf een geluk, dat hij zich niet bij het

opperhoofd Doegoembe had aangesloten, want de inboorlingen vereenigden

zich tot verweer, overvielen den slavenhandelaar en zijn bende en

doodden tweehonderd van hun pijnigers.

Maar nu bleef de vraag naar het lot van de Loealaba-rivier onopgelost

en Livingstone zelf begon te vreezen, dat zijn droom, in de Loealaba de

bron van den Nijl voor zich te hebben, ongegrond was. Een gerucht drong

tot hem door, dat de rivier naar het Westen afsloeg; maar nog steeds

kon hij de hoop niet opgeven, dat de Loealaba naar het Noorden ging en

de bron van den Nijl dus onder de zijrivieren van het Bangweolo-meer

was te zoeken. Ofschoon de moeilijkheden rondom hem als muren omhoog

kwamen, werd zijn besluit, niet toe te geven, nog sterker. Zonder een

sterke, goed uitgeruste karavaan, kon hij wel is waar niets bereiken.

Daarom moest hij terugkeeren naar Oedjidji, waar zeker reeds lang

nieuwe voorraden van de kust waren aangekomen. Onder duizend gevaren

ondernam hij den terugtocht door het in opstand verkeerend land, en

half dood van koortsaanvallen en van alles ontbloot, bereikte hij in

October Oedjidji.

Maar hier wachtte hem een nieuwe teleurstelling! Wel waren de voorraden

overgekomen, maar de Arabische schurk, die de zaken van Livingstone zou

bewaren, had ze verkocht, daaronder waren tweeduizend meter stoffen en

verschillende zakken kralen, de eenige gangbare munt in het verkeer met

de zwarten. De Arabier zeide doodbedaard, dat hij gemeend had, dat de

zendeling dood was!

Hoe Livingstone te moede was in dezen benarden toestand, lezen wij in

zijn dagboek; hij geleek op den man die naar Jericho reisde en in

handen van roovers viel en hij scheen vergeefs te moeten wachten op den

priester, den Leviet en den barmhartigen Samaritaan. Maar vijf dagen na

zijn aankomst in Oedjidji schrijft hij in dagboek:

„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de

barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig

aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze

woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te

snellen.

„Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van

welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten,

kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest

onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme

drommel als ik ben.””

Van pool tot pool(#76913) · 第 61 / 75 题