In het jaar 1866 landde Livingstone opnieuw in Zanzibar en dezen keer
in de hoedanigheid van Britsch consul van de binnenlanden van Afrika.
Hij doorkruiste het land van het Nyassa-meer; toen hij zich echter in
de booten der inboorlingen naar den westelijken oever van het meer
wilde laten overzetten, beletten Arabieren hem dit, die hem kenden als
den gevaarlijksten vijand van den slavenhandel. Hij moest dus te voet
het meer omgaan, en veroverde voet voor voet voor de wetenschap nieuwe
streken, werkte kaarten uit, hield aanteekeningen en legde
verzamelingen aan. Nog eens naderde hij streken, die hij reeds van de
vorige reizen kende, waar de vrouwen van de zwarten aan den oever der
rivier door krokodillen werden weggesleept, waar zijn echtgenoote was
gestorven en alle zendelingen, die men er op zijn verzoek heen gezonden
had, aan koorts waren gestorven!
Hij had slechts zeven-en-dertig manschappen bij zich; een hunner,
Moesa, had hem vroeger reeds vergezeld, en velen zijner bedienden waren
Indiërs. Maar spoedig bleek het dat zijn geleide armzalig gespuis was.
Hij moest de Indiërs wegzenden en van de overigen kon hij slechts aan
weinigen vertrouwen geven. De besten waren Soesi en Tschoema, die later
in Afrika en Europa beroemd werden om hun voorbeeldigen trouw.
Daarentegen was Moesa een schurk. Toen hij van een slavenhandelaar
vernam, dat het geheele land, hetwelk Livingstone wilde doortrekken,
door oorlogzuchtige stammen was bewoond, die kort geleden een troep van
veertig Arabieren overvallen en gedood hadden, overviel hem en de
meesten zijner makkers zulk een vrees, dat zij op de vlucht gingen. Bij
zijn komst te Zanzibar vertelde Moesa aan den Engelschen consul, dat
Livingstone overvallen en gedood en van al zijn bezittingen beroofd was
geworden. Hij had zijn verzonnen bericht zoo handig bedacht, en zoo
goed uit het hoofd geleerd, dat hij zich bij het kruisverhoor in geen
tegenspraken verwikkelde en overal geloofd werd. De Engelsche bladen
brachten reeds kolommen vol klaagliederen over den doode. Slechts één
vriend van Livingstone, die hem op zijn vroegere reizen had vergezeld,
en Moesa heel precies kende, twijfelde aan de waarheid van het bericht.
Hij ging zelf naar Afrika, volgde het spoor van den doodgewaande en
vernam toen ook spoedig van de inboorlingen, dat Livingstone nooit
overvallen was, maar zich nu op weg bevond naar het tot nu toe
onbekende Tangajika-meer.
Deze weg was ver en bezwaarlijk, en berokkende Livingstone groote
verliezen. De levensmiddelen raakten op, en een gehuurde drager ging er
met de reisapotheek vandoor. Dientengevolge was Livingstone van alle
middelen tegen de koorts beroofd, en zijn gezondheid werd ernstig
geschokt. Toch bereikte hij de zuidelijke punt van het Tangajika-meer,
en een jaar later ontdekte hij het Bangweolo-meer. Per boot bezocht hij
de in het meer liggende eilanden, en wekte groot opzien onder de
inboorlingen, die nog nooit een blanke hadden gezien.
Rondom het meer strekten zich groote moerassen uit, en Livingstone had
de overtuiging gekregen, dat men in deze streek de uiterste zuidelijke
bron van den Nijl had te zoeken. De vraag omtrent de waterscheiding van
den Nijl boeide hem zoo sterk, dat hij het eene jaar na het andere in
Afrika bleef en toch werd het hem niet gegund dit vraagstuk op te
lossen. Hij heeft nooit gehoord, dat de rivier, die uit het
Bangweolo-meer komt, niet naar den Nijl stroomt, maar een zijrivier van
de Loealaba of de Boven-Congo is.
Aan den oever van het Bangweolo-meer sloegen de meesten zijner
geleiders aan het muiten, maar hij wist hen in zooverre te kalmeeren,
dat zij hem nog verder volgden. Hij reisde nu in gezelschap van een
vriendschappelijk gezind Arabier, Mohammed genaamd. Bij den troep waren
nog eenige Arabieren, verscheiden inboorlingen van den oostelijken
oever van het Tangajika-meer en slaven, die ivoor en proviand droegen.
Hoe vaak zag Livingstone nu groote scharen slaven voorttrekken, die met
een hout, dat als een vork om hun hals greep, vooruit geduwd werden, en
als zij zich niet verder konden sleepen door hun onmenschelijke
pijnigers op de plaats werden gedood, opdat zij andere kooplieden niet
ten goede zouden komen. Eens hoorde hij zulk een troep uit volle borst
zingen, en toen hij hen naar de reden van hun vroolijkheid vroeg,
vertelden zij hem, dat zij wraakliederen zongen. Nu werden zij naar de
kust gebracht, om zich zelf af te werken in slavernij, maar eens zou
hun juk worden afgeschud. Dan zouden zij naar hun wouden terug keeren
en daar de tirannen op hun beurt martelen.
Livingstone werd op deze reis ernstig ziek en moest op een baar worden
gedragen. Dikwijls lag hij in ijlende koorts en verloor volkomen elk
besef van tijd. Als men slechts gelukkig het Tangajika-meer bereikte en
over het meer het land Oedjidji, aan den oostelijken oever, dan kreeg
hij weer rust, nieuwe voorraden en brieven uit het geboorteland en deze
hoop hield hem staande.
Van alles beroofd en rampzalig bereikte hij werkelijk Oedjidji, een der
hoofdpunten van den Arabischen slavenhandel. Maar de verwachte
voorraden waren spoorloos verdwenen en van al de brieven, die hij aan
den sultan van Zanzibar en naar zijn geboorteland had geschreven, is er
nooit een aangekomen. De stammen aan den oostelijken kant van het meer
waren juist met elkaar in strijd. Toch liet Livingstone den moed niet
zakken. Geen noodlot scheen vreeselijk genoeg om de weerstandskracht
van dezen man te breken. Met Soesi en een schaar nieuw aangeworven
dragers brak hij opnieuw op, om in westelijke richting over het meer te
gaan, waar het land Manjema zijn doel was. Door het grensgebied hiervan
stroomde de Loealaba, en als het hem gelukte vast te stellen waar deze
geweldige rivier bleef, of zij naar de Middellandsche Zee of naar den
Atlantischen Oceaan stroomde, dan wilde hij met een gerust geweten naar
het vaderland terugkeeren. Hij had zich voorgenomen het zwarte
werelddeel niet eerder te verlaten, voor hij dit vraagstuk zou hebben
opgelost, en aan dit besluit heeft hij vergeefs zijn leven opgeofferd.
Ook in het Manjemaland waren de zwarten met elkaar in oorlog, aten hun
verslagen vijanden op, aanbaden afgoden, die zij zelf uit hout sneden,
en geloofden aan bezweringen en meer dergelijke dwaasheden. „Sterven
bij u de menschen ook, of kent gij bezweringen, die tegen den dood
helpen?” vroegen zij. „Waar blijft den mensch als het leven is
uitgebluscht?” Livingstone beproefde hun dat alles duidelijk te maken.
Daarna trok hij verder in westelijke richting. De Loealaba liet hem
geen rust; de inboorlingen der streken, die hij doortrok, zagen hem
evenals de andere vreemdelingen, voor een slavenhandelaar aan, en
ondersteunden hem op geen enkele manier.
Maar welk een sprookjesachtig land trok hij door. Op de heuvels wuifden
palmen in den wind, en klimplanten, zoo dik als kabeltouw slingerden
zich rondom reusachtige boomen, op welke krijschende papegaaien van tak
tot tak vlogen. Geheele scharen vroolijke apen, leefden in het groene
bladerendak en de dieren wedijverden met den plantengroei in
verscheidenheid en rijkdom. Vreemde planten, die insecten en zelfs
kleine visschen, die in het natte gras omhoogsprongen, naar zich toe
trokken en opaten, groeiden aan de oevers der rivieren, en voor al
zulke natuurverschijnselen had Livingstone een steeds open oog.
Doordat de regentijd intrad, kon hij gedurende verscheidene maanden
niet verder trekken en toen het eindelijk weer zoover kwam, had hij nog
slechts drie metgezellen, onder wie de twee getrouwen Soesi en
Tschoema.
In het donkere kreupelhout van het tropisch bosch reet hij zijn voeten
open, hij klauterde verder over omgevallen boomstammen en vermolmde
takken, door gezwollen rivieren moest hij waden, terwijl tusschen de
toppen der boomen en in het dichte kreupelhout koortsdampen als
nauwelijks zichtbare sluiers zweefden. Weer werd hij ziek en moest lang
in een armelijke hut op een bed van gras blijven liggen, waar hij zijn
tijd doorbracht met steeds weer zijn reeds geheel stuk gelezen bijbel
te bestudeeren en zich door de inboorlingen te laten inlichten over hun
strijd met menschen en mensch-apen, want ook de gorilla huisde daar in
het woud.
Zoo verliep het eene jaar na het andere zonder dat ook maar het zwakste
geluid van het gewoel der wereld tot het oor van Livingstone doordrong,
en hij zelf was voor de Europeesche wereld verdwenen. Wat hem hier
terughield, was nog steeds de Loealaba rivier. Stortte ze haar
onuitputtelijk water in de groote zee in het Westen of stroomde ze
langzaam door bosschen, moerassen en woestijnen naar Egypte?
Livingstone had een dochter, Agnes genaamd. Zij leeft nog en in haar
gastvrij huis te Edinburg zijn nog de dagboeken haars vaders, zijn oude
bijbel en zijn instrumenten te zien.
Als jong kind had zij aan haar vader geschreven, dat hij zich voor haar
niet moest haasten met het naar huis keeren, dat het veel beter was,
dat hij eerst kalm zijn werk voltooide, opdat hij er zelf tevreden over
zou kunnen zijn. Zulk een opwekking van den kant zijner eigen dochter
kon natuurlijk niet anders dan hem in zijn besluit versterken, en in
een brief uit Manjema schreef hij haar, dat hij aan zijn jonge
landgenooten ook een voorbeeld van volharding wilde geven. In dezen
brief vertelde hij ook hoe oud, grijs en tandeloos hij is geworden, dat
hij ingevallen wangen en diep weggezonken oogen heeft. Een opperhoofd
had hem een jongen gorilla geschonken, over dien schrijft hij: „Als het
dier zit, is het bijna twee voet hoog en hij is de verstandigste, de
minst dwaze aap, dien ik ooit heb gezien. Hij strekt zijn handen
smeekend uit om opgetild en rondgedragen te worden en als men weigert,
vertrekt hij zijn gezicht als een schreiend mensch en wringt de handen
precies als een mensch. Soms strekt hij nog een derde hand uit om de
vraag nog dringender te maken. Hij nam mij dadelijk als vriend aan en
als iemand hem plaagt, zoekt hij bij mij bescherming: op mijn mat heeft
hij een legerstede uit gras en bladeren gemaakt en als het tijd is om
te gaan slapen, dekt hij zich met de mat toe. Helaas kan ik hem niet
mede naar huis nemen, want ik vrees, dat hij sterft, voor dat ik op weg
naar huis ga. Maar hij ziet er erg verwilderd uit; zoolang zijn moeder
leefde, die hem goed verzorgde, was zijn lang zwart haar mooi en fijn.
Maar waartoe zou ik hem meebrengen? Alleen word ik al genoeg
aangegaapt—twee gorilla’s, hij en ik, zouden zeker niet met rust worden
gelaten!”
In Februari 1871 verliet Livingstone Manjema, en begaf zich naar
Njangwe, aan den oever van de Loealaba, een middelpunt van den
slavenhandel. Weer toonden de inboorlingen zich vijandig, omdat zij ook
hem voor een slavenhandelaar hielden, en tevergeefs beproefde hij
booten te krijgen om de groote rivier af te varen. Hij bood een der
Arabische opperhoofden, Doegoembo genaamd, betaling aan, als deze hem
zou willen helpen, maar terwijl Doegoembo over het aanbod nadacht, werd
Livingstone ooggetuige van een voorval, dat aan afschuwelijkheid alles
overtrof, wat hij nog in Afrika had bijgewoond.
Het was een mooie Julidag aan den oever van den Loealaba.
Vijftienhonderd zwarten, voor het meerendeel vrouwen, waren in een dorp
aan den oever, waar een markt gehouden werd, samengekomen. Livingstone
dwaalde buiten in het vrije veld rond, toen hij op eens zag, hoe twee
kanonnen op de menigte werden gericht en afgevuurd. De slavenhandelaars
waren aan het werk! Velen van hen, die overvallen waren, snelden naar
de booten, maar de bende slavenjagers sneed hen den weg af en stortte
een regen van pijlen op hen neer, en de booten aan den oever lagen te
dicht naast elkaar om inallerijl afgestooten te kunnen worden. Het
gekerm der gewonden vervulde de lucht, en allen liepen in wanhoop door
elkaar. Boven den waterspiegel vertoonden zich een menigte zwarte
koppen; velen der vervolgden beproefden zwemmend een eiland te
bereiken, dat anderhalve kilometer verwijderd was, maar de stroom was
hen tegen. Eenigen verdwenen stil in de diepte, anderen stieten luide
jammerklachten uit, en strekten de armen ten hemel, voordat ze in de
donkere kristallen zalen der krokodillen neerdaalden. Drie kano’s, die
te zwaar beladen waren, zonken, en de geheele bemanning kwam om.
Gaandeweg werd het getal der boven het water zichtbare hoofden steeds
kleiner en slechts enkelen streden nog maar om het behoud van hun
leven, toen het opperhoofd Doegoembe zich eindelijk ontfermde en de
laatste een-en-twintig liet redden. Een dappere vrouw weigerde echter
zijn hulp aan te nemen, en verkoos den krokodil boven de genade van den
slavenkoning. De Arabieren zelf schatten de omgekomenen op vierhonderd
man. De beschrijving van zulke tooneelen, die daarna door de geheele
Engelsche pers ging, verwekte in Europa zulk een storm van afschuw, dat
een commissie benoemd en naar Zanzibar werd gezonden, om den
slavenhandel aan de plaats zelf te bestudeeren en om met den sultan van
Zanzibar middelen te beramen tot geheele uitroeiing er van. Wij weten
met welke uitkomst. Nog ten tijde van Gordon was de slavenhandel in
Soedan in vollen gang, en er zouden nog tientallen van jaren
voorbijgaan, voordat de macht der slavenhandelaars gebroken zou zijn.
Maar het was voor Livingstone zelf een geluk, dat hij zich niet bij het
opperhoofd Doegoembe had aangesloten, want de inboorlingen vereenigden
zich tot verweer, overvielen den slavenhandelaar en zijn bende en
doodden tweehonderd van hun pijnigers.
Maar nu bleef de vraag naar het lot van de Loealaba-rivier onopgelost
en Livingstone zelf begon te vreezen, dat zijn droom, in de Loealaba de
bron van den Nijl voor zich te hebben, ongegrond was. Een gerucht drong
tot hem door, dat de rivier naar het Westen afsloeg; maar nog steeds
kon hij de hoop niet opgeven, dat de Loealaba naar het Noorden ging en
de bron van den Nijl dus onder de zijrivieren van het Bangweolo-meer
was te zoeken. Ofschoon de moeilijkheden rondom hem als muren omhoog
kwamen, werd zijn besluit, niet toe te geven, nog sterker. Zonder een
sterke, goed uitgeruste karavaan, kon hij wel is waar niets bereiken.
Daarom moest hij terugkeeren naar Oedjidji, waar zeker reeds lang
nieuwe voorraden van de kust waren aangekomen. Onder duizend gevaren
ondernam hij den terugtocht door het in opstand verkeerend land, en
half dood van koortsaanvallen en van alles ontbloot, bereikte hij in
October Oedjidji.
Maar hier wachtte hem een nieuwe teleurstelling! Wel waren de voorraden
overgekomen, maar de Arabische schurk, die de zaken van Livingstone zou
bewaren, had ze verkocht, daaronder waren tweeduizend meter stoffen en
verschillende zakken kralen, de eenige gangbare munt in het verkeer met
de zwarten. De Arabier zeide doodbedaard, dat hij gemeend had, dat de
zendeling dood was!
Hoe Livingstone te moede was in dezen benarden toestand, lezen wij in
zijn dagboek; hij geleek op den man die naar Jericho reisde en in
handen van roovers viel en hij scheen vergeefs te moeten wachten op den
priester, den Leviet en den barmhartigen Samaritaan. Maar vijf dagen na
zijn aankomst in Oedjidji schrijft hij in dagboek:
„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de
barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig
aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze
woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te
snellen.
„Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van
welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten,
kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest
onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme
drommel als ik ben.””