54. VAN KUST TOT KUST.

In het jaar 1853 begon Livingstone zijn verderen tocht naar de

Westkust, en kwam eerst bij het Makololo-volk. Hier heerschte thans

Sebitoeane’s zoon Sekeletoe, die hem vriendelijk ontving, en hem het

liefst in het geheel niet meer had laten gaan. Toen Livingstone toch

langs de Zambesi stroomopwaarts verder trok, begeleidde de koning hem

met tal van krijgers. Na eenige dagmarschen stiet men op den

halfbroeder des konings, die Mpepe heette; deze was een slavenhandelaar

en stond Sekeletoe reeds lang naar het leven, om daardoor zijn eigen

macht te vergrooten. Tweemaal poogde Mpepe zijn stiefbroeder te dooden,

en eenmaal was het Livingstone, die den koning voor een speerworp

behoedde. De strijd tusschen deze beide mededingers eindigde met den

dood van Mpepe.

Nog verder stroomopwaarts aan de Zambesi woonde de vader van den

gedoode. Deze verbond zich nu met het opperhoofd van een naburigen

stam, om gezamenlijk zijn zoon te wreken. Bij het eerste samentreffen

werden eerst vreedzame onderhandelingen gevoerd, totdat plotseling

Sekeletoe een teeken gaf; terstond omringden zijn krijgers de beide

vijandelijke stamhoofden, en voordat Livingstone het kon verhinderen,

werden ze door de mannen van Sekeletoe neergehouwen. De lijken werden

in stukken gehakt, en den krokodillen in de Zambesi voorgeworpen.

Livingstone was over deze verraderlijke daad zoo verontwaardigd, dat

hij terstond deze streken verliet, en verder trok.

Nu maakte Livingstone zijn gedenkwaardigen tocht van Linjanti naar

Loanda aan de Westkust ten zuiden van de uitmonding van den Congo. Nog

geen Europeaan had voor hem dezen weg afgelegd. Zijn geleide bestond

uit zeven-en-twintig Makololo-manen, en zijn bagage uit bijna niets

anders dan kralen en stukken goed, de in Afrika gangbare munt. Proviand

had hij niet meegenomen, omdat hij van plan was dat men zou leven van

wat er onderweg zou worden geschoten of gevangen.

Het was een inspannende, moeitevolle tocht waarbij men door het gebied

van tallooze wilde stammen trok. Eerst ging het stroomopwaarts langs de

Zambesi, en dan langs den anderen oever. Tengevolge van hevige regens

moest men telkens over sterk gezwollen beken en door verraderlijke

moerassen trekken.

Sedert Livingstone eens met een boot droevige ervaringen had opgedaan,

liet hij zich steeds door een os door het natte element dragen.

Wolken muskieten zwermden boven den vochtigen grond en de koorts

ondermijnde Livingstone zoo hevig, dat hij niet eens meer op zijn os

kon zitten. Maar onder al deze plagen verzuimde hij niet de natuur

rondom hem gade te slaan en de kaart van den door hem genomen weg uit

te werken. Zijn dagboek was een dik deel met sterken omslag en voorzien

van een slot. Hij schreef daarin fijn en sierlijk, alsof het gedrukt

was. Men zou hebben gedacht, dat het de mannen uit Makololo moede zou

zijn geworden door onbekende streken en volkeren te trekken; maar niets

was in staat hen hun heer en leidsman te doen verlaten.

Reeds bij het begin van deze lange reis had Livingstone een schaar van

achttien aan elkaar geketende slaven bevrijd, en hoe verder hij door de

bosschen drong, des te vaker moest hij zien, hoe de slavenhandel de

menschen verwilderde, hen wantrouwend en vijandig maakte. Meermalen

bevrijdde hij troepen slaven door den drijver eenvoudig te bevelen, de

gevangenen te laten loopen.

Door goedheid en vriendelijkheid verwierf Livingstone overal het

vertrouwen der wilden, zoodat zij hem niet alleen vrij lieten

doortrekken, maar zelfs levensmiddelen schonken. Mocht al soms een

opperhoofd moeilijkheden maken, en als schatting een os, een geweer of

een van Livingstone’s geleiders verlangen, wist hij toch zoo goed met

hem klaar te komen, dat deze hem ten slotte in vrede verder liet

trekken. Dikwijls ontwapende hij zulk een opperhoofd met een grapje, en

als dat niet hielp, kalmeerde hij de opgewonden gemoederen door zijn

tooverlantaarn met bijbelsche platen. In gespannen verwachting

verdrongen de zwarten, als de platen op het scherm verschenen, zich

achter hem, niet vrij van angst, dat het geesten zouden zijn, die hen

kwaad wilden doen. Maar van een anderen godsdienst dan het kijken naar

deze bijbelsche platen wilden zij niets hooren.

Zoo naderde Livingstone met zijn dappere schaar voetje voor voetje de

Westkust. Kort voor zijn doel werd hem echter nog een zware schatting

afgeperst door een onverzoenlijk opperhoofd; hij boette zijn wollen

deken, zijn scheermes en een menigte kleedingstukken in, en zijn

manschappen moesten hun sieraden en hun koperen armbanden afstaan. Van

alles beroofd, ontmoetten zij eindelijk een Portugees, en onder zijn

geleide hield Livingstone zijn intocht in het Portugeesche gebied aan

de Westkust. Door de Portugeezen in Loanda werd Livingstone gastvrij

opgenomen; zij bezorgden hem alles wat hij noodig had, en voorzagen hem

van top tot teen van nieuwe kleeren.

Voor Loanda lagen verscheidene Engelsche kruisers, die daar gekomen

waren om den slavenhandel onmogelijk te maken. Hier bij zijn

landslieden verheugde zich Livingstone in een heerlijken rusttijd. Welk

een genot weer eens in een behoorlijk bed te slapen, nadat hij een half

jaar lang slechts op den vochtigen grond had gelegen! En hoeveel nieuws

vernam hij nu niet uit de groote wereld, waaruit zoo lang geen bericht

tot hem was doorgedrongen. Men vertelde hem van den Krim-oorlog, waarin

Gordon als onbekend luitenant voor het eerst streed, en van de

hulp-expeditie, die uitgevaren was om den Noordpoolvaarder Franklin en

zijn ongelukkige makkers te zoeken. Na jarenlang rondtrekken in het

zwarte werelddeel, zou het maar al te heerlijk zijn geweest, in een

gemakkelijke scheepskajuit op den terugweg naar Engeland uit te rusten!

Maar Livingstone weerstond de verzoeking. Hij wilde zijn trouwe

Makololo-manschappen niet aan een onzeker lot overlaten, daar hij

bovendien had vastgesteld, dat de weg naar de Westkust zich niet

eigende voor een handelsweg. Misschien bood de Zambesi een zekeren weg

van de binnenlanden naar de Oostkust, en om dit vast te stellen,

weerstond hij alle gevaar en koortsaanvallen, nam afscheid van de

Engelschen en Portugeezen en trok nog eens het donkere Afrika binnen.

Voordat Livingstone echter Loanda verliet, ordende hij zijn papieren,

zijn aanteekeningen en kaarten van de nieuw ontdekte landen tot een

geweldig pakket. Maar het Engelsche schip, dat zijn post aan boord had

genomen, leed schipbreuk bij Madeira en verging met man en muis!

Slechts één passagier werd gered. Livingstone bevond zich nog in de

nabijheid van de kust, toen hem deze ongelukstijding bereikte, en nu

moest hij al deze aanteekeningen en teekeningen nog eens over maken,

een werk dat verscheiden maanden in beslag nam. En toch kan hij nog van

geluk spreken! Indien hij zijn Makololo-mannen in den steek had gelaten

en naar zijn vaderland was teruggegaan, dan zou ook hij met het

verongelukte schip te gronde zijn gegaan.

Regen en ziekte veroorzaakten op deze nieuwe reis vele hinderpalen,

maar anders liep ze gemakkelijker van stapel dan de vorige. Uit Loanda

had hij een grooten voorraad geschenken voor de opperhoofden meegenomen

en nu was hij bij zijn terugkeer ook reeds een bekende voor hen. Toen

hij de dorpen van het Makololo-volk weer binnentrok, kwam de geheele

stam hem tegemoet om hem te begroeten. Livingstone hield een dankstond

voor het geheele volk. Bij de nachtelijke vuren werden ossen geslacht,

de zwarte mannen sloegen de trommel, onder dans en gezang stegen

vreugdekreten boven de toppen der apenbroodboomen en van omhoog

fonkelden de sterren door de kruinen der wilde palmen.

Sekeletoe toonde zich nog steeds vriendschappelijk gezind. Maar

Livingstone had ook een prachtig geschenk voor hem uit Loanda

medegebracht, een afgelegd uniform van een overste, waarin hij nu

Zondags in de kerk verscheen; die trok de aandacht van het volk veel

meer dan de prediker met zijn woorden. De vrijgevigheid van Sekeletoe

ging zoo ver, dat hij, toen Livingstone nu verder naar de Oostkust

wilde trekken aan zijn blanken vriend tien ossen om te slachten, drie

van zijn beste trekossen en mondvoorraad voor de geheele reis schonk.

En dit was nog niet genoeg, hij beval, dat honderd van zijn

krijgslieden als wacht zouden medetrekken, en zoo ver als zijn naam

macht had over woud en veld, gaf hij bevel, dat alle jagers en

landbouwers den blanken man en zijn troep moesten geven, wat dezen

noodig hadden. De reizen van Livingstone zijn toch daarom vooral

merkwaardig, dat hij ze zonder noemenswaardige ondersteuningen uit het

vaderland, ten uitvoer bracht; als vriend der Afrikanen legde hij

geheele einden uitsluitend als hun gast af.

Nu werd de richting langs den oever der Zambesi ingeslagen, het was

voor hem een volkomen onbekend land. In Linjanti had Livingstone reeds

gedurende zijn vroegere bezoeken gehoord van een geweldigen waterval

der Zambesi, en nu zou hij deze Niagara van Afrika ontdekken. Hij gaf

er den naam Victoria-val aan. Boven den val is de Zambesi 1800 meter

breed en over een drempel van basalt stort deze ontzaglijke stroom 119

meter in de diepte, waar de ziedende en borrelende watermassa’s door

een dikwijls ternauwernood 50 meter breede rotskloof worden

saamgeperst. Wolken van stof, regen en waterdamp zweven voortdurend

boven den val, daarom noemen de inboorlingen hem „het rookende water.”

De beschrijving van den Victoria-val maakte later op de Europeanen een

veel dieperen indruk dan al de overige ontdekkingen van Livingstone.

Dat er in Afrika een waterval was, die zich met de Niagara kon meten,

ja die aan woeste schoonheid en grootsche kracht zelfs nog overtrof,

daarvan had men tot nu toe niets vermoed. Tegenwoordig loopt een

spoortrein over den Victoria-val en ook is er een stad in de nabijheid

ontstaan, die den naam van Livingstone draagt.

Het oorverdoovend geraas van den Victoria-val stierf in de verte weg

achter de reizigers en de troep ging verder langs de boschpaden van de

grens van den eenen stam naar die van een anderen. Met

bewonderenswaardige kalmte plaatste Livingstone moed en doodsverachting

tegenover alle gevaren en lage listen, en met onvermoeiden ijver werkte

hij aan zijn kaart van Zuid-Afrika, waarvan hij de hoofdlijnen aangaf.

In den loop der jaren was hij meer onderzoeker dan zendeling geworden.

Maar de grondgedachten zijner toekomstdroomen waren steeds: het eind

van den geografischen ontdekkingsarbeid is slechts het begin der

werkzaamheid van den zendeling.

In het eerste Portugeesche station aan de Zambesi liet hij zijn

Makololo-manschappen achter met de belofte, dat hij later terug zou

komen en hen naar hun dorpen zou terugbrengen. Daarna voer hij de

Zambesi af, naar Quelimana en had hiermede Afrika van kust tot kust

doorkruist. Livingstone was de eerste wetenschappelijk gevormde

Europeaan, die dit ten uitvoer bracht.

Nadat hij zoo vijftien jaren in de binnenlanden van Afrika had

doorgebracht, kon hij het zich wel veroorloven, ook eens de terugreis

naar het vaderland te aanvaarden.

Een Engelsche brik bracht hem naar Mauritius, einde 1856 kwam hij te

Engeland aan. Met ontzaglijk gejubel werd hij overal ontvangen en nog

nooit was een onderzoeker zoo geëerd als hij! Van stad tot stad werd

hij als een held geëerd en deze populariteit gebruikte hij om overal

tegen den slavenhandel te prediken, en zijn landslieden er van te

overtuigen, dat de blanken verantwoordelijk zijn voor de bevrijding der

zwarten. Afrika dat donker en vergeten onder zijn dravende regengordels

had neergelegen, werd nu opeens het middelpunt van de aandacht van alle

beschaafden.

Wel is waar bleef afkeuring den overwinnaar bij zijn terugkeer niet

gespaard. Zooals altijd waren er geografen, die beweerden dat zijn

ontdekkingen reeds door anderen waren gedaan, maar het geschreeuw dezer

dwergen tegen den reus verstomde gaandeweg. Het zendingsgenootschap gaf

hem ook te verstaan, dat hij voor de verbreiding van het Evangelie niet

genoeg had gewerkt, dat hij te zeer onderzoeker en te weinig zendeling

was geweest. Livingstone trad daarom het zendingsgenootschap uit en

toen hij daarna, na een verblijf van twaalf maanden in het vaderland,

met zijn vrouw naar Afrika terugkeerde, reisde hij in opdracht van de

Engelsche regeering.

Gedurende deze tweede, zes jaren durende reis door het zwarte

werelddeel, gelukte het hem, onder meer gewichtige ontdekkingen, het

Groot Nyassa-meer te vinden, uit welks omgeving tot nu toe jaarlijks

negentienduizend slaven naar Zanzibar werden gebracht; het aantal der

ongelukkigen, die op den weg naar de kust bezweken, is mogelijk

jaarlijks nog veel grooter geweest.

Gedurende dit tweede verblijf in Afrika stierf de vrouw van Livingstone

en werd onder de zware takken van een apenbroodboom begraven. Ook dit

ongeluk brak zijn moed en kracht niet en toen hij na zes jaar naar zijn

geboorteland terugkeerde, had hij weer licht gebracht over een geweldig

stuk van de binnenlanden van Afrika.

Van pool tot pool(#76913) · 第 60 / 75 题