In het jaar 1853 begon Livingstone zijn verderen tocht naar de
Westkust, en kwam eerst bij het Makololo-volk. Hier heerschte thans
Sebitoeane’s zoon Sekeletoe, die hem vriendelijk ontving, en hem het
liefst in het geheel niet meer had laten gaan. Toen Livingstone toch
langs de Zambesi stroomopwaarts verder trok, begeleidde de koning hem
met tal van krijgers. Na eenige dagmarschen stiet men op den
halfbroeder des konings, die Mpepe heette; deze was een slavenhandelaar
en stond Sekeletoe reeds lang naar het leven, om daardoor zijn eigen
macht te vergrooten. Tweemaal poogde Mpepe zijn stiefbroeder te dooden,
en eenmaal was het Livingstone, die den koning voor een speerworp
behoedde. De strijd tusschen deze beide mededingers eindigde met den
dood van Mpepe.
Nog verder stroomopwaarts aan de Zambesi woonde de vader van den
gedoode. Deze verbond zich nu met het opperhoofd van een naburigen
stam, om gezamenlijk zijn zoon te wreken. Bij het eerste samentreffen
werden eerst vreedzame onderhandelingen gevoerd, totdat plotseling
Sekeletoe een teeken gaf; terstond omringden zijn krijgers de beide
vijandelijke stamhoofden, en voordat Livingstone het kon verhinderen,
werden ze door de mannen van Sekeletoe neergehouwen. De lijken werden
in stukken gehakt, en den krokodillen in de Zambesi voorgeworpen.
Livingstone was over deze verraderlijke daad zoo verontwaardigd, dat
hij terstond deze streken verliet, en verder trok.
Nu maakte Livingstone zijn gedenkwaardigen tocht van Linjanti naar
Loanda aan de Westkust ten zuiden van de uitmonding van den Congo. Nog
geen Europeaan had voor hem dezen weg afgelegd. Zijn geleide bestond
uit zeven-en-twintig Makololo-manen, en zijn bagage uit bijna niets
anders dan kralen en stukken goed, de in Afrika gangbare munt. Proviand
had hij niet meegenomen, omdat hij van plan was dat men zou leven van
wat er onderweg zou worden geschoten of gevangen.
Het was een inspannende, moeitevolle tocht waarbij men door het gebied
van tallooze wilde stammen trok. Eerst ging het stroomopwaarts langs de
Zambesi, en dan langs den anderen oever. Tengevolge van hevige regens
moest men telkens over sterk gezwollen beken en door verraderlijke
moerassen trekken.
Sedert Livingstone eens met een boot droevige ervaringen had opgedaan,
liet hij zich steeds door een os door het natte element dragen.
Wolken muskieten zwermden boven den vochtigen grond en de koorts
ondermijnde Livingstone zoo hevig, dat hij niet eens meer op zijn os
kon zitten. Maar onder al deze plagen verzuimde hij niet de natuur
rondom hem gade te slaan en de kaart van den door hem genomen weg uit
te werken. Zijn dagboek was een dik deel met sterken omslag en voorzien
van een slot. Hij schreef daarin fijn en sierlijk, alsof het gedrukt
was. Men zou hebben gedacht, dat het de mannen uit Makololo moede zou
zijn geworden door onbekende streken en volkeren te trekken; maar niets
was in staat hen hun heer en leidsman te doen verlaten.
Reeds bij het begin van deze lange reis had Livingstone een schaar van
achttien aan elkaar geketende slaven bevrijd, en hoe verder hij door de
bosschen drong, des te vaker moest hij zien, hoe de slavenhandel de
menschen verwilderde, hen wantrouwend en vijandig maakte. Meermalen
bevrijdde hij troepen slaven door den drijver eenvoudig te bevelen, de
gevangenen te laten loopen.
Door goedheid en vriendelijkheid verwierf Livingstone overal het
vertrouwen der wilden, zoodat zij hem niet alleen vrij lieten
doortrekken, maar zelfs levensmiddelen schonken. Mocht al soms een
opperhoofd moeilijkheden maken, en als schatting een os, een geweer of
een van Livingstone’s geleiders verlangen, wist hij toch zoo goed met
hem klaar te komen, dat deze hem ten slotte in vrede verder liet
trekken. Dikwijls ontwapende hij zulk een opperhoofd met een grapje, en
als dat niet hielp, kalmeerde hij de opgewonden gemoederen door zijn
tooverlantaarn met bijbelsche platen. In gespannen verwachting
verdrongen de zwarten, als de platen op het scherm verschenen, zich
achter hem, niet vrij van angst, dat het geesten zouden zijn, die hen
kwaad wilden doen. Maar van een anderen godsdienst dan het kijken naar
deze bijbelsche platen wilden zij niets hooren.
Zoo naderde Livingstone met zijn dappere schaar voetje voor voetje de
Westkust. Kort voor zijn doel werd hem echter nog een zware schatting
afgeperst door een onverzoenlijk opperhoofd; hij boette zijn wollen
deken, zijn scheermes en een menigte kleedingstukken in, en zijn
manschappen moesten hun sieraden en hun koperen armbanden afstaan. Van
alles beroofd, ontmoetten zij eindelijk een Portugees, en onder zijn
geleide hield Livingstone zijn intocht in het Portugeesche gebied aan
de Westkust. Door de Portugeezen in Loanda werd Livingstone gastvrij
opgenomen; zij bezorgden hem alles wat hij noodig had, en voorzagen hem
van top tot teen van nieuwe kleeren.
Voor Loanda lagen verscheidene Engelsche kruisers, die daar gekomen
waren om den slavenhandel onmogelijk te maken. Hier bij zijn
landslieden verheugde zich Livingstone in een heerlijken rusttijd. Welk
een genot weer eens in een behoorlijk bed te slapen, nadat hij een half
jaar lang slechts op den vochtigen grond had gelegen! En hoeveel nieuws
vernam hij nu niet uit de groote wereld, waaruit zoo lang geen bericht
tot hem was doorgedrongen. Men vertelde hem van den Krim-oorlog, waarin
Gordon als onbekend luitenant voor het eerst streed, en van de
hulp-expeditie, die uitgevaren was om den Noordpoolvaarder Franklin en
zijn ongelukkige makkers te zoeken. Na jarenlang rondtrekken in het
zwarte werelddeel, zou het maar al te heerlijk zijn geweest, in een
gemakkelijke scheepskajuit op den terugweg naar Engeland uit te rusten!
Maar Livingstone weerstond de verzoeking. Hij wilde zijn trouwe
Makololo-manschappen niet aan een onzeker lot overlaten, daar hij
bovendien had vastgesteld, dat de weg naar de Westkust zich niet
eigende voor een handelsweg. Misschien bood de Zambesi een zekeren weg
van de binnenlanden naar de Oostkust, en om dit vast te stellen,
weerstond hij alle gevaar en koortsaanvallen, nam afscheid van de
Engelschen en Portugeezen en trok nog eens het donkere Afrika binnen.
Voordat Livingstone echter Loanda verliet, ordende hij zijn papieren,
zijn aanteekeningen en kaarten van de nieuw ontdekte landen tot een
geweldig pakket. Maar het Engelsche schip, dat zijn post aan boord had
genomen, leed schipbreuk bij Madeira en verging met man en muis!
Slechts één passagier werd gered. Livingstone bevond zich nog in de
nabijheid van de kust, toen hem deze ongelukstijding bereikte, en nu
moest hij al deze aanteekeningen en teekeningen nog eens over maken,
een werk dat verscheiden maanden in beslag nam. En toch kan hij nog van
geluk spreken! Indien hij zijn Makololo-mannen in den steek had gelaten
en naar zijn vaderland was teruggegaan, dan zou ook hij met het
verongelukte schip te gronde zijn gegaan.
Regen en ziekte veroorzaakten op deze nieuwe reis vele hinderpalen,
maar anders liep ze gemakkelijker van stapel dan de vorige. Uit Loanda
had hij een grooten voorraad geschenken voor de opperhoofden meegenomen
en nu was hij bij zijn terugkeer ook reeds een bekende voor hen. Toen
hij de dorpen van het Makololo-volk weer binnentrok, kwam de geheele
stam hem tegemoet om hem te begroeten. Livingstone hield een dankstond
voor het geheele volk. Bij de nachtelijke vuren werden ossen geslacht,
de zwarte mannen sloegen de trommel, onder dans en gezang stegen
vreugdekreten boven de toppen der apenbroodboomen en van omhoog
fonkelden de sterren door de kruinen der wilde palmen.
Sekeletoe toonde zich nog steeds vriendschappelijk gezind. Maar
Livingstone had ook een prachtig geschenk voor hem uit Loanda
medegebracht, een afgelegd uniform van een overste, waarin hij nu
Zondags in de kerk verscheen; die trok de aandacht van het volk veel
meer dan de prediker met zijn woorden. De vrijgevigheid van Sekeletoe
ging zoo ver, dat hij, toen Livingstone nu verder naar de Oostkust
wilde trekken aan zijn blanken vriend tien ossen om te slachten, drie
van zijn beste trekossen en mondvoorraad voor de geheele reis schonk.
En dit was nog niet genoeg, hij beval, dat honderd van zijn
krijgslieden als wacht zouden medetrekken, en zoo ver als zijn naam
macht had over woud en veld, gaf hij bevel, dat alle jagers en
landbouwers den blanken man en zijn troep moesten geven, wat dezen
noodig hadden. De reizen van Livingstone zijn toch daarom vooral
merkwaardig, dat hij ze zonder noemenswaardige ondersteuningen uit het
vaderland, ten uitvoer bracht; als vriend der Afrikanen legde hij
geheele einden uitsluitend als hun gast af.
Nu werd de richting langs den oever der Zambesi ingeslagen, het was
voor hem een volkomen onbekend land. In Linjanti had Livingstone reeds
gedurende zijn vroegere bezoeken gehoord van een geweldigen waterval
der Zambesi, en nu zou hij deze Niagara van Afrika ontdekken. Hij gaf
er den naam Victoria-val aan. Boven den val is de Zambesi 1800 meter
breed en over een drempel van basalt stort deze ontzaglijke stroom 119
meter in de diepte, waar de ziedende en borrelende watermassa’s door
een dikwijls ternauwernood 50 meter breede rotskloof worden
saamgeperst. Wolken van stof, regen en waterdamp zweven voortdurend
boven den val, daarom noemen de inboorlingen hem „het rookende water.”
De beschrijving van den Victoria-val maakte later op de Europeanen een
veel dieperen indruk dan al de overige ontdekkingen van Livingstone.
Dat er in Afrika een waterval was, die zich met de Niagara kon meten,
ja die aan woeste schoonheid en grootsche kracht zelfs nog overtrof,
daarvan had men tot nu toe niets vermoed. Tegenwoordig loopt een
spoortrein over den Victoria-val en ook is er een stad in de nabijheid
ontstaan, die den naam van Livingstone draagt.
Het oorverdoovend geraas van den Victoria-val stierf in de verte weg
achter de reizigers en de troep ging verder langs de boschpaden van de
grens van den eenen stam naar die van een anderen. Met
bewonderenswaardige kalmte plaatste Livingstone moed en doodsverachting
tegenover alle gevaren en lage listen, en met onvermoeiden ijver werkte
hij aan zijn kaart van Zuid-Afrika, waarvan hij de hoofdlijnen aangaf.
In den loop der jaren was hij meer onderzoeker dan zendeling geworden.
Maar de grondgedachten zijner toekomstdroomen waren steeds: het eind
van den geografischen ontdekkingsarbeid is slechts het begin der
werkzaamheid van den zendeling.
In het eerste Portugeesche station aan de Zambesi liet hij zijn
Makololo-manschappen achter met de belofte, dat hij later terug zou
komen en hen naar hun dorpen zou terugbrengen. Daarna voer hij de
Zambesi af, naar Quelimana en had hiermede Afrika van kust tot kust
doorkruist. Livingstone was de eerste wetenschappelijk gevormde
Europeaan, die dit ten uitvoer bracht.
Nadat hij zoo vijftien jaren in de binnenlanden van Afrika had
doorgebracht, kon hij het zich wel veroorloven, ook eens de terugreis
naar het vaderland te aanvaarden.
Een Engelsche brik bracht hem naar Mauritius, einde 1856 kwam hij te
Engeland aan. Met ontzaglijk gejubel werd hij overal ontvangen en nog
nooit was een onderzoeker zoo geëerd als hij! Van stad tot stad werd
hij als een held geëerd en deze populariteit gebruikte hij om overal
tegen den slavenhandel te prediken, en zijn landslieden er van te
overtuigen, dat de blanken verantwoordelijk zijn voor de bevrijding der
zwarten. Afrika dat donker en vergeten onder zijn dravende regengordels
had neergelegen, werd nu opeens het middelpunt van de aandacht van alle
beschaafden.
Wel is waar bleef afkeuring den overwinnaar bij zijn terugkeer niet
gespaard. Zooals altijd waren er geografen, die beweerden dat zijn
ontdekkingen reeds door anderen waren gedaan, maar het geschreeuw dezer
dwergen tegen den reus verstomde gaandeweg. Het zendingsgenootschap gaf
hem ook te verstaan, dat hij voor de verbreiding van het Evangelie niet
genoeg had gewerkt, dat hij te zeer onderzoeker en te weinig zendeling
was geweest. Livingstone trad daarom het zendingsgenootschap uit en
toen hij daarna, na een verblijf van twaalf maanden in het vaderland,
met zijn vrouw naar Afrika terugkeerde, reisde hij in opdracht van de
Engelsche regeering.
Gedurende deze tweede, zes jaren durende reis door het zwarte
werelddeel, gelukte het hem, onder meer gewichtige ontdekkingen, het
Groot Nyassa-meer te vinden, uit welks omgeving tot nu toe jaarlijks
negentienduizend slaven naar Zanzibar werden gebracht; het aantal der
ongelukkigen, die op den weg naar de kust bezweken, is mogelijk
jaarlijks nog veel grooter geweest.
Gedurende dit tweede verblijf in Afrika stierf de vrouw van Livingstone
en werd onder de zware takken van een apenbroodboom begraven. Ook dit
ongeluk brak zijn moed en kracht niet en toen hij na zes jaar naar zijn
geboorteland terugkeerde, had hij weer licht gebracht over een geweldig
stuk van de binnenlanden van Afrika.