Reeds toen Livingstone voor het eerst Afrika betreden had, en in
Koeroeman vertoefde, hoorde hij, dat er ver in het Noorden, een groot
zoetwatermeer was, dat men Ngami noemde. En op een zijner latere
tochten was het hem zelfs gelukt om dit meer, dat nog nooit door
Europeanen bezocht was, tot op tien dagreizen te naderen. Maar hij
moest toen omkeeren, omdat onder zijn trekossen de runderpest uitbrak.
Nu kwam echter op zekeren dag te Kolobeng een bode bij hem van den
zwarten koning Letscholetebe, wiens gebied aan het Ngami-meer gelegen
was; deze liet den zendeling verzoeken om tot hem te komen en beloofde
hem een goed onthaal. Ook was er in zijn land veel ivoor. Toen de
menschen van Livingstone van ivoor hoorden, waren ze terstond tot de
lange reis bereid, en den 1sten Juni 1849 ging het weder noordwaarts.
Een vriend van Livingstone, de Engelschman Oswell ging mee; als een
welgesteld man had hij verscheidene wagens, tachtig ossen, twintig
paarden en vijf-en-twintig dienaren medegenomen. Een dezer laatsten
diende als gids, want reeds na twee dagen voerde de weg langs streken
die nog nooit door een Europeaan betreden waren. Aan den woestijnrand
kampeerden ze; overal in de rondte waren de bronnen uitgedroogd.
Slechts in een kuil, waar een neushoorn zich in het zand rondgewenteld
had, stond nog zooveel water, dat elk paard een slok kon nemen, maar
voor de ossen was het niet toereikend, en daar de weg, tot aan de
volgende rustplaats honderd en twintig kilometer lang was, en dwars
door de beruchte Kalahari-woestijn liep, werden de ossen weer
teruggedreven naar een veertig kilometer verder terug gelegen bron.
Toen ze terugkwamen, had men echter reeds verscheidene waterrijke
bronnen opgegraven, en toen de karavaan opbrak, hadden alle dieren
zooveel gedronken als ze maar wilden.
Verlaten en dor strekte de woestijn zich voor hun oogen uit. De
uitgedroogde wagens knarsten over de zandvlakte, en de raderen zonken
diep in het mulle zand. De ossen, die gebrek hadden aan water, verloren
snel hun krachten. Na een tocht van drie dagen door de Kalahari, had
men pas zeventig K.M. afgelegd. Toen raakte plotseling de gids de kluts
kwijt, en wanneer men hem vroeg hoever het nog was tot aan de naaste
bron, dan antwoordde hij op goed geluk af: vijftig kilometer. Een
somber vooruitzicht voor de reizigers! Voordat ze zoover kwamen, zouden
alle ossen allang van dorst omgekomen zijn! De paarden moesten
vooruitgezonden worden, dan bleven die tenminste gespaard. In geval van
nood kon men dan, wanneer de geheele karavaan omkwam, met de paarden
verder trekken en van de jacht leven. Bovendien zouden de ossen het
spoor van de paarden kunnen volgen, en misschien, door hun instinct
geleid, een bron vinden.
De paarden en hun berijders waren echter nauwelijks een uur weg, of ze
kwamen aan een oase, en spoedig verried het kwaken van kikvorschen de
aanwezigheid van een waterplas, die allen het leven redde.
Na een tocht van twee maanden bereikte Livingstone de oevers van het
Ngami-meer, dat nog nooit door een Europeaan aanschouwd was. De koning
Letscholetebe bleek evenwel niet zoo vriendschappelijk gezind te zijn
als men gehoopt had. Toen hij hoorde dat Livingstone nog verder
noordwaarts wilde trekken, naar het groote stamhoofd Sebitoeane, was
hij bang dat deze van de blanken vuurwapenen zou krijgen en
strooptochten in zijn gebied zou ondernemen. Dientengevolge moest de
expeditie weer naar Kolobeng terugkeeren. Maar Livingstone’s volharding
kende geen hinderpalen; hij kwam nog een tweeden keer aan het
Ngami-meer terug, vergezeld van zijn familie en van Oswell. Op dezen
tocht kwam hij ook in het gebied van den machtigen Sebitoeane, die hem
gastvrij ontving. Dit stamhoofd, in dit deel van Midden-Afrika als een
goedhartig mensch bekend, was blij een blanke te zien, en begreep
terstond dat deze zendeling hem en zijn stam goed gezind was. Reeds den
eersten Zondag woonde hij de godsdienstoefening bij, en luisterde
aandachtig naar Livingstone’s woorden. Eenige dagen later kreeg
Sebitoeane echter een longontsteking, en het duurde niet lang of
Livingstone zag dat het stamhoofd op sterven lag. Zijn laatste woorden
golden Livingstone’s kleinen zoon: „Breng hem in de hut van de vrouwen
en geef hem wat melk!” Toen blies Livingstone’s nieuwe vriend den
laatsten adem uit.
Nu zetten de beide reizigers hun tocht noordoostwaarts voort, naar het
groote dorp Linjanti, en ontdekten spoedig daarop een groote rivier, de
Zambesi. Haar benedenloop was den Europeanen reeds lang bekend, maar
niemand kende haar bovenloop. Het klimaat van deze streken was zeer
ongezond, aan het oprichten van een zendingsstation viel hier dan ook
niet te denken. Het Makololo-volk, de stam van het doode opperhoofd,
beloofde hem weliswaar grondbezit, hutten en ossen, wanneer hij daar
wilde blijven, maar Livingstone had grootere plannen. Voordat hier aan
een zendingsstation gedacht kon worden, moest er eerst een eerlijke
handel bloeien; ook het Makololo-volk was begonnen slaven te verkoopen,
teneinde in het bezit te komen van vuurwapenen en andere begeerlijke
zaken uit Europa. Wanneer men ze nu er toe kon brengen om met ivoor en
struisvederen handel te drijven, dan konden ze evengoed alles wat hun
hart begeerde van de Europeanen in ruil bekomen. Maar daartoe ontbrak
in de eerste plaats een weg naar de kust, hetzij van den Atlantischen,
hetzij van den Indischen Oceaan, en het was Livingstone’s plan, zulk
een weg te zoeken. Later, zoo meende hij, wanneer de slavenhandel voor
een eerlijken handel had plaats gemaakt, zou het nog altijd tijd genoeg
wezen om hier het christendom te prediken.
Zoo trok hij dan weer zuidwaarts. Vrouw en kinderen konden hem op deze
moeitevolle tochten niet vergezellen; hij zond ze naar Engeland. In
Kaapstad nam hij van de zijnen afscheid, daarop reisde hij alleen naar
Koeroeman, en begaf zich langs een omweg naar Kolobeng. Hij had
onderweg veel oponthoud, en ditmaal was dat zijn geluk. Want intusschen
had de eerste President der Boerenrepubliek, Pretorius, met zeshonderd
Boeren, en zevenhonderd aangeworven zwarten Kolobeng verwoest,
Livingstone’s geheele have geroofd, zijn vee weggedreven, alles wat ze
niet konden meenemen, tot zelfs de meubels, stuk geslagen, zijn boeken
verscheurd, de dorpen der inboorlingen overvallen, en zestig menschen
met kanonnen neergeschoten. De verwachting der Boeren, om Livingstone
zelf in handen te krijgen, werd gelukkig niet verwezenlijkt. De zwarten
hadden zich echter dapper verweerd, en vijf-en-dertig dooden hadden de
Boeren moeten achterlaten. Deze overval moest een straf voor de zwarten
zijn, omdat ze Engelsche reizigers vrijen doortocht verschaft hadden.
Daarbij waren deze Boeren Christenen, maar ze sloten hun land voor alle
Europeanen, teneinde ongehinderd zelve de zwarten te kunnen mishandelen
en uitzuigen, en ze als slaven te kunnen gebruiken, terwijl ze zelf
rustig thuis zaten, hun pijp rookten, en in kalme gemoedsrust—den
Bijbel lazen!