In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij
Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens
naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en
werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen,
meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen
leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd.
Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en
schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten
studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een
spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken.
Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet,
en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het
garen heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de
fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven
daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een
hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van
boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel
mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op
de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten.
Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij
zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het
Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem
wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te
verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen
hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester,
ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een
kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste
semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te
verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich
door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op
zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar
Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge
zendings-arts reisde af naar Afrika.
Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het
noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte
hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te
leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen.
Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250
K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder
zijn wagen gehurkt.
De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te
worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone
verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te
huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden
was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar
Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook
later voor de slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een
symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone
begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren
later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche
gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd
volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden.
Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner
medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog
was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet
door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige
stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed
en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier
te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen
wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel
eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de
inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen
kinderen.”
Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over
de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die
over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit
dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der
zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde
woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze
wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo
machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats
van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te
buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was
dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer
hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven
de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen
mede.
In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van
de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad
uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne
bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere
voor hem waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze
streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven
in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die
geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone
maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond,
en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer
uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij
het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds
rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op
het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen
aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar
gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog
dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij
heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen
opheffen.
Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe
zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde
arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het
met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling
Moffat in Koeroeman.
Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde
Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet
tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie
hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig
kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen
opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks
van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van
huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen
wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren,
smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis
voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf
zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde.
Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar
zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het
Christendom te zullen bekeeren, en wel met behulp van een flinke zweep.
Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde
weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van
een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan
Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na
weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want
een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig!
Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het
gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden
de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel
duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten
derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de
overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is.
Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen
dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen
land van vreemden afhankelijk.
Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde,
verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en
wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een
kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan
inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd
gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar
het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg
en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde
onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen.
Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was
gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer
noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal
een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel
verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen
te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met
hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens
laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de
vriendschap der inboorlingen, want wanneer het gold een zieke te
helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te
denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen
kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen.
De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn
arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en
beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en
tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die
zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en
ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te
ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken,
waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als
dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in
Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een
groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren
volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht
te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel.
Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs
open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te
vestigen.