52. DAVID LIVINGSTONE.

In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij

Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens

naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en

werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen,

meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen

leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd.

Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en

schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten

studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een

spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken.

Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet,

en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het

garen heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de

fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven

daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een

hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van

boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel

mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op

de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten.

Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij

zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het

Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem

wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te

verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen

hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester,

ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een

kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste

semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te

verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich

door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op

zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar

Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge

zendings-arts reisde af naar Afrika.

Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het

noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte

hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te

leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen.

Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250

K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder

zijn wagen gehurkt.

De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te

worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone

verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te

huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden

was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar

Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook

later voor de slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een

symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone

begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren

later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche

gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd

volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden.

Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner

medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog

was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet

door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige

stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed

en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier

te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen

wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel

eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de

inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen

kinderen.”

Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over

de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die

over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit

dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der

zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde

woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze

wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo

machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats

van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te

buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was

dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer

hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven

de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen

mede.

In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van

de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad

uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne

bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere

voor hem waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze

streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven

in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die

geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone

maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond,

en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer

uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij

het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds

rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op

het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen

aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar

gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog

dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij

heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen

opheffen.

Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe

zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde

arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het

met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling

Moffat in Koeroeman.

Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde

Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet

tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie

hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig

kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen

opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks

van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van

huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen

wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren,

smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis

voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf

zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde.

Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar

zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het

Christendom te zullen bekeeren, en wel met behulp van een flinke zweep.

Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde

weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van

een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan

Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na

weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want

een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig!

Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het

gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden

de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel

duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten

derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de

overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is.

Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen

dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen

land van vreemden afhankelijk.

Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde,

verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en

wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een

kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan

inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd

gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar

het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg

en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde

onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen.

Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was

gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer

noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal

een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel

verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen

te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met

hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens

laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de

vriendschap der inboorlingen, want wanneer het gold een zieke te

helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te

denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen

kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen.

De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn

arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en

beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en

tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die

zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en

ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te

ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken,

waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als

dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in

Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een

groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren

volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht

te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel.

Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs

open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te

vestigen.

Van pool tot pool(#76913) · 第 58 / 75 题