In de meren en stroomen van midden-Afrika leeft het groote, plompe,
monsterachtige nijlpaard, de Behemoth uit den bijbel. In oude tijden
kwam het ook voor in Beneden Egypte, waar het „rivierzwijn” heette.
Tegenwoordig moet men echter al een heel eind zuidelijk van Nubië
komen, wil men het aantreffen. Het onderneemt in tal van stroomen
tochten, waarbij het zich naar den waterstand richt: wanneer de
waterspiegel daalt, dan trekt het dier stroomafwaarts, en wanneer het
water weer wast, dan gaat ’t weer stroomopwaarts.
Terwijl andere diersoorten sedert de vroegste zoölogische tijdperken
groote gedaante-veranderingen hebben ondergaan, is het nijlpaard in
hoofdzaak hetzelfde gebleven. Zoo komt het dat dit dier nog heden een
voorwereldlijken indruk maakte. Het ronde, plompe lichaam rust op vier
korte, vormlooze pooten, met vier hoeven aan elken poot. De kop is
bijna vierkant, oogen en ooren zijn klein, de muil is geweldig breed en
de neusgaten zijn groot. De twee centimeter dikke huid is onbehaard en
heeft, naar gelang het dier nat of droog is, een grauwe, donkerbruine,
of wel vuilroode kleur. Het wordt, de kleine staart niet meegerekend,
vier meter lang, en weegt evenveel als dertig volwassen mannen.
De nijlpaarden blijven voor het grootste deel van den tijd in het
water; des nachts komen ze aan land, voornamelijk dáár, waar de stroom
hun niet veel voedsel biedt. Wanneer men stil over rustig stroomend
water heen vaart, dan kan men de dieren vaak verrassen; wanneer ze
opduiken om versche lucht in te ademen, dan stijgen de waterstralen uit
hun neusgaten naar boven. Dan duiken ze weer, en blijven wel drie of
vier minuten onder water. Wanneer ze vlak onder den waterspiegel zijn,
ziet men slechts zes kleine stippen: ooren, oogen en neusgaten. Wanneer
ze gevaar meenen te bespeuren, dan steken ze slechts met hun neusgaten
boven het water uit, en ademen zoo zacht als ze maar kunnen.
Vaak klimmen ze op het droge, om zich in de zon te koesteren, dan hoort
men hoe ze voortdurend een gegrom van welbehagen uitstooten. Tegen den
avond zoeken ze echter dieper water op, waar ze rondzwemmen, en, met
een voor zulke logge dieren groote behendigheid, elkaar najagen. Ze
zwemmen steeds in troepen bijeen, en ontwikkelen daarbij een groote
snelheid, terwijl ze de lucht met hun gebrul vervullen. Maar ze kunnen
ook zoo zachtjes zwemmen, dat men het water in ’t geheel niet hoort
ruischen. Wanneer een nijlpaard gewond is, brengt hij het water in zoo
heftige beroering, dat kleine booten vaak gevaar loopen te kantelen.
Wanneer meerdere oude mannetjes tegelijk hun gebrul uitstooten,
weerklinkt het wijd en zijd door het oerwoud, als het rollen van den
donder. Er is geen ander dier dat zulk een geluid kan teweegbrengen;
zelfs de leeuw blijft dan luisterend staan.
Aan den Boven-Nijl, voorbij Chartoem, waar een welige plantengroei de
oevers bedekt, en waar talrijke stilstaande plassen en moerassen zijn,
gaat het nijlpaard, evenals de krokodil slechts zelden aan land. Het
voedt zich hier met lotusstengels en rietgewassen die in deze
moerassige streken voorkomen; van tijd tot tijd duikt het dier onder,
en wroet op den bodem van den stroom; wanneer het zijn geweldigen bek
met bladeren en stengels gevuld heeft, komt het weer naar boven,
waarbij dan het water in stroomen van zijn breeden rug afloopt, en dan
ontplooien de geweldige tanden hun kracht. De eetlust van het dier is
even groot als zijn geheele wezen.
In streken, waar de oevers door bebouwde velden omzoomd worden, richt
hij onder het koren en de groenten groote schade aan, zelfs het leven
der menschen wordt daar door hem bedreigd. Wanneer hij door een boot in
zijn rust gestoord wordt, laat hij niet met zich spotten. Het
gevaarlijkste is het wijfjesnijlpaard, zoolang ze haar jong, dat ze op
den rug overal meevoert, bij zich heeft. Een buks moet, om eenige
uitwerking te hebben op het dikke huid-pantser, geducht geladen zijn.
Wanneer het dier, na getroffen te zijn, snuift en onderduikt, dan is ’t
voor den jager verloren; wanneer het zich echter uit het water verheft,
om dan weer neer te vallen, dan heeft het een doodelijke wond
ontvangen; in dit geval zinkt het onmiddellijk, en de jager heeft niets
anders te doen dan een paar uur te wachten, totdat het lijk aan de
oppervlakte komt drijven.
Enkele negerstammen aan den Witten Nijl graven kuilen om daarin de
nijlpaarden te vangen. Langs de stroomen, die in den noordelijken oever
van het Ngami-meer uitmonden, maken de inboorlingen jacht op deze
dieren met harpoenen, die voorzien zijn van scherpe, ijzeren weerhaken.
Door middel van een lang touw is aan den harpoen een stuk kurk
bevestigd. Op een rieten vlot zijn twee kano’s vastgemaakt, daar
tusschen in hurken de zwarte jagers met hun harpoenen en lichte speren.
Het vlot drijft geruischloos stroomafwaarts. In de verte hoort men de
dieren snuiven en in het water rondplassen. Het gesprek der jagers
verstomt, ieder moet op zijn post zijn. Daar ziet men de donkere
gestalten, die gedeeltelijk boven het water uitsteken. Ze vermoeden
geen gevaar van dat vlot dat door den stroom langs hen heen gedreven
wordt. Vlak naast het vlot komt een nijlpaard opduiken. Op dit
oogenblik verheft zich een harpoenier, en stoot het dier bliksemsnel
zijn wapen in de zijde. Het dier duikt onder, maar het stuk kurk dat op
het water blijft drijven, duidt de plek aan waar het zich bevindt.
Zoodra het weer boven komt, wordt het met een hagelbui van speren
ontvangen door de jagers die inmiddels hun kano’s van het vlot in het
water hebben geschoven. Weer duikt het dier onder en laat een
bloedroode streep in het water achter. Wanneer het nog eens naar boven
komt en weer door een hagelbui van speren ontvangen wordt, komt het
vaak voor, dat het woedend wordt, zich tegen zijn vervolgers richt, en
een kano die zich wat al te dicht in zijn nabijheid gewaagd heeft, met
de tanden versplintert, of wel met den kop omstoot. Soms koelt het
verwonde nijlpaard zijn woede niet alleen aan de kano, maar werpt zich
ook op de mannen, en menige koene jager is door hem reeds verscheurd.
Wanneer echter het dier uitgeput is, dan vischt de jager het stuk kurk
op, roeit aan land, bindt een touw om een boomstam, en trekt zoolang
tot hij zijn buit op het droge gekregen heeft.
Het vleesch van nijlpaarden wordt met graagte gegeten. Het vleesch der
jongere en het vet van oudere exemplaren wordt voor bijzonder smakelijk
gehouden; de tong is een lekkernij. Uit de huid vervaardigd men zweepen
en schilden en nog tal van andere zaken; ook de groote hoektanden zijn
van waarde. Vele diergaarden in Europa bezitten nijlpaarden die als
jongen gevangen zijn. Wanneer men een jong wil bemachtigen, moet men
eerst de moeder dooden, want ook in het gevaar verlaat het jong de
moeder niet, het gaat zelfs niet van haar lijk weg. Deze jonge dieren,
die voor zoölogische tuinen gevangen worden, worden met bijzonder
ingerichte harpoenen gewond, die zoo gemaakt zijn, dat de wond niet
diep in de huid doordringt en dus spoedig weer geneest. In den eersten
tijd wordt het jong met koemelk gevoed; voor een enkelen maaltijd
gebruikt het de melk van vier koeien. Maar, vaak kwijnen ze weg in de
gevangenschap; ze droomen van Afrika’s meren en stroomen, waar ze lagen
tusschen kokosbladen en riet. In plaats van den ruischenden stroom,
moeten ze zich thans tevreden stellen met een armzalig bassin. En toch
is, volgens den bijbel, het nijlpaard het eerste van Gods schepselen.